Register Project Neocalvinisme

Hoekstra, Tjeerd (1880-1936)





Bio

Nederlands gereformeerd predikant en theoloog. Na predikant te zijn geweest in Hazerswoude (1906) en ’s Hertogenbosch (1908) werd Hoekstra in 1913 hoogleraar ambtelijke vakken aan de Theologische School.


De Haas III,97-99

Urk 20 dec. 1880; overl. Kampen 20 jan. 1936; z.v. Pieter, winkelier, en Pietje Visser; Geref. Gymnasium en Theol. School Kampen; cand. juni 1903; Hazerswoude 13 mei 1906; ’s Hertogenbosch 9 aug. 1908; hoogleraar Theol. School 16 jan. 1913.

Na examen in de classis Enkhuizen 21 juli 1903, beroepbaar gesteld, studeerde hij gedurende 2½ jaar aan de Ruprecht-Karls-Universiteit te Heidelberg, waarbij hij veel had te danken aan Prof. Wilhelm Windelband.

2 Maart 1906 promoveerde hij aan deze Universiteit tot doctor in de wijsbegeerte na verdediging van zijn dissertatie „Immanente Kritik zur Kantischen Religionsphilosophie” (Kampen, 1906). Dit geschiedde magna cum laude.

Hij maakte deel uit van de generale synoden van Zwolle (1911) en ’s Gravenhage (1912). Deze laatste benoemde hem in haar zitting van 17 oct. tot vijfde hoogleraar aan de Theol. School. Zijn afscheid van ’s Hertogenbosch had 1 dec. plaats (met 1 Petr. 5:10), in druk „Het werk der genade in de geloovigen voleindigd” (1912), waarna hij zijn hoogleraarsambt aanvaardde met een inaugurele rede „De Psychologie der Religie in de Ambtelijke vakken” (Kampen, 1913).

In zijn arbeid als hoogleraar is hij getrouw voortgegaan in de lijn van zijn studie; zijn colleges en publicaties (zie hieronder) toonden, dat hij met het program, dat in zijn inaugurele rede werd afgekondigd, ernst maakte. Zelf heeft hij dit program eens omschreven als „een poging, om de ambtelijke vakken in verband te zetten met de hedendaagsche psychologie”. In heel zijn levensarbeid, dit is uit zijn college-dictaten zowel als uit zijn publicaties te zien, werkte hij aan dit program, naar binnen en naar buiten. „Dat in den laatsten tijd van zijn leven, behalve dan de actueele en |98| populaire aan-de-orde-stelling van het probleem van het ras, ook een polemiek, rakende den oorsprong van de ziel moest komen (n.l. tegen de meeningen van Prof. Dr. J. Waterink, tegen wien hij uit een oogpunt van dogmenhistorisch notoire confessioneele en dogmatische overtuiging bezwaren inbracht, rakende met name de Gereformeerde anthropologie en christologie) is een sprekende herinnering aan het gecompliceerde der problematiek in de wetenschappelijke worsteling, waaruit God dezen werker zoo vroeg heeft weggerukt.”

Grote betekenis heeft H. gehad voor de wetenschap, waar hij de moeilijkheden durfde te gaan stellen, onder de ogen te gaan zien, „en de ambtelijke vakken is gaan zetten in breeder encyclopaedisch verband, dan vr hem Biesterveld gedaan had. Al is op het gebied van wijsbegeerte en zielkunde onze Gereformeerde werkgemeenschap in dit tijdsgewricht zeer verdeeld, en al wordt de critiek, die de een op den ander uitbrengt, fundamenteeler, dan ooit in onze kringen het geval geweest is — dat de discussie tot dit stadium van ernst is kunnen komen, is mee te danken aan het feit, dat Hoekstra zich de moeite getroost heeft een program ter hand te nemen, welks afkondiging toen moed vereischte in 1913.”

Ook heeft H. grote verdienste gehad in het tweede deel van zijn arbeid: de homiletiek, en dan bijzonder wat kan worden genoemd: de techniek van de preek. Wat hij hierover en voorts over het thema en verdeling heeft gezegd „zal niet zonder groote schade voor de kerk van Christus kunnen worden genegeerd door onze (Geref.) predikanten en hun epigonen. Hetzelfde geldt van zijn herhaalde opwekking, — met name om bij de „inventie” der preekstof hulp te bieden — om achtereen een heelen kommentaar te lezen (hijzelf doorlas ook geheele kommentaren in hun geheel).

Inderdaad ligt op homiletisch terrein de groote kracht van Hoekstra. Wat hij, zelf een „kanselredenaar” — maar ’t woord is door hemzelf veroordeeld — van voornamen stijl, hier in Kampen gegeven heeft, dat was één van die détails der Kamper lectionum series, die ook naar buiten een zeer goed gerucht voor deze hoogeschoool gewonnen hebben”.

Waar hij de ambtelijke vakken doceerde, onderwees hij dus ook de liturgiek; en in dit deel van zijn arbeid heeft hij ook op bijzondere wijze de Gereformeerde Kerken mogen dienen, toen hij medewerkte aan de totstandkoming van de uitbreiding der „Eenige Gezangen” in de eredienst, alsmede in de herziening der liturgische formulieren. Hij heeft hierin „een voorzichtigheid en een terughoudendheid betracht, waaraan, naar ik vermoed, zijn inzichten inzake de psychologie der ook kerkelijke „massa”, en het medelijden met vele in dezen jarenlang verkeerd geleiden, niet vreemd zal zijn geweest (Ik denk hier b.v. aan den indrukwekkenden, maar daarom principieel foutief gedachten regel uit den gezangenstrijd: „in Gods huis alleen Gods Woord”. Al moet daar alles overeenkomstig Gods Woord zijn, toch is de regel zelf, zóó gesteld, valsch. De eeredienst is volgens Hoekstra’s opvatting een samenkomst van God met zijn volk; er is dus principieel plaats juist ook voor het woord der menschen).

Zijn zorg in de opleiding van dienaren des Woords strekte zich niet alleen |99| uit tot het ogenblik, dat dezen de Hogeschool verlieten. Een lange reeks van jaren heeft hij het mogelijk gemaakt, door een schikking met de Kerkeraad van Kampen, „dat vroegere leerlingen van hem, nadat ze een poos als predikant gewerkt hadden, een Zondag in Kampen preekten. Herhaaldelijk logeerden ze dan bij hun vroegeren professor in de predikkunde, die in elk geval zich beschikbaar stelde voor een door hem begeerd onderhoud, waarin de preek nog eens nader bekeken werd. De onkosten nam Prof. Hoekstra voor zijn eigen rekening”.

Veel heeft hij gedaan voor de oprichting van een hospitium voor de studenten, terwijl hij in de strijd over de toekenning van het promotierecht aan de Hogeschool zich deed kennen als een voorstander daarvan (zie zijn „Het doctoraat aan de Theol. School”, Kampen, 1930).

Hij overleed in het ziekenhuis te Kampen.

Bij het eeuwfeest der Afscheiding werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Ned. L.

Gehuwd 4 mei 1906 met Fenna Lucasina, dochter van Prof. L. Lindeboom (6 dec. 1880-21 juni 1951). Zijn zuster was gehuwd met ds. J.E. Westerhuis.

Hoewel hij hoogleraar was o.a. in de predikkunde, heeft hij weinig preken uitgegeven. Een enkele pred. in „Menigerlei Genade” 1913: De groote schare voor den troon en voor het Lam”.


Vermelding

Werk

  • (uitgave) Eenige gezangen in gebruik bij de Gereformeerde Kerken in Nederland, alsmede hare liturgische formulieren gelijk deze vastgesteld zijn door de Generale Synode dier kerken, gehouden te Middelburg in het jaar 1933, Kampen (J.H. Kok) 1934 bibliotheek K.S.
  • ‘?’, Gereformeerd Theologische Tijdschrift 1921
  • Geschiedenis der philosophie. Eerste deel: Oude philosophie, Kampen (J.H. Kok) 1921
  • Psychologie en Catechese, Nijverdal (Bosch) 1916 bibliotheek K.S.
  • ‘[De] Reformatie van de Catechisatie’ I-IV (Kerkelijk Leven) De Reformatie 1 (1920v) 23-26 (4 – 25 maart 1921)





deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001