Een nieuwe Bijbelvertaling?

Gereformeerde Kerkbode. Officiëel Orgaan van de Gereformeerde Kerken der Classis Gorinchem

7e jaargang, onder redactie van S.O. Los, M.A. van Pernis en K. Schilder
Gorinchem (J. Sizoo) 1919v
nummer 8-9 (geen paginering) (17 en 31 januari 1920)

a


III

I.

De vraag naar de noodzakelijkheid van een nieuwe vertaling van den bijbel is den laatsten tijd weer opgekomen. Gelukkig ook maar. Ze bewijst, dat men den bijbel nog steeds in het middelpunt van het geestesleven onzer dagen een plaats toewijst. Een boek, dat verouderd is, en nabij de verdwijning b, wordt niet opnieuw vertaald.

Zeer onderscheiden is intusschen de houding, die de verschillende belijders in dit geding aannemen. ’t Laatste woord is onlangs weer gesproken door de heeren Prof. Dr. A. v. Veldhuizen van Groningen en Dr. C. Veltenaar, Geref. pred. te Veenendaal. De eerste verklaart zich vóór, de laatstgenoemde tegen een nieuwe bijbelvertaling; hun geschriftjes zijn gebundeld in de serie „Pro en Contra” (X. 7), die te Baarn uitgegeven wordt c. Eigenaardig, dat dezelfde Dr. Veltenaar, die in zijn brochure over „Bijbelcritiek” d een oogenblik al te gemakkelijk het standpunt der conservatieven prijsgaf, thans in dit zijn jongste opstel aan den kant van de uiterst conservatieve richting gaat staan.

Daarom spijt het mij ook, dat hij met dit geschriftje op de markt komt. En al heeft, voor zoover ik kon nagaan, de brochure niet veel pennen in beweging gebracht, toch komt het me niet ondienstig voor, eenige woorden er aan te wijden. De zaak, waarover ze handelt, is gewichtig genoeg. En — met alle waardeering voor de uitnemende bedoeling en de rustige argumentatie van Dr. Veltenaar, heb ik tegen zijn „contra” toch een ernstige bedenking. Ik wilde dat een Gereformeerd predikant zich voor het schrijven van dat „contra” in dezen niet geleend had. Want ik kan niet anders zien, of . . . . het verzet tegen een nieuwe vertaling der Schrift werkt den vijand in de hand. Heeft de kerk nog niet genoeg leergeld gegeven? Heeft ze nòg niet begrepen, dat in onze dagen nog altijd ’n treurige bevestiging vindt het woord van Jezus — dat ook een verwijt is — als hij zegt, dat de kinderen dezer wereld „voorzichtiger” zijn dan de kinderen des lichts? e Maar kom, eigenlijk behoeven we daarnaar niet eens meer te vragen. Want zij — de kinderen des lichts — hebben over dat woord zoo vaak heen gelezen. Eigenlijk immers staat er wat anders: dat de kinderen der wereld meer berekenend, meer verstandig, meer overlegplegend zijn dan de kinderen des lichts. De tekst is vertaald voor 300 jaar en nog staat die vertaling er zoo — na 300 jaar. Men zou hem dus eerst beter vertalen moeten om er een argument voor een betere vertaling aan te kunnen ontlenen. Maar dat gebeurt niet. Want men leest de Christenreize van Bunyan wel in nieuwe taal en spelling en met vrije woordenkeus f, en men geeft wèl de bekeeringsgeschiedenis van Gerrit zóó en Dina zus nog eens weer uit in de hedendaagsche taal en spelling, en De Navolging van Christus van Thomas à Kempis komt telkens in frisschen vorm van nieuwe vertaling aan de markt g . . . . maar de bijbel moet het maar doen met ’n kleine revisie, die op z’n hoogst ’n enkel absoluut onbegrijpelijk woordje vervangt door ’n ander; en overigens vult men zijn bladzijden op met ’n rijken stroom en milden regen van louter stomme e’s: ziele, wolke, name, leere, zone, hetgene, wille enz. En intusschen geeft men hoog op van de stabiliteit der Statenvertaling; terwijl vergeten wordt, dat op meer dan één plaats de Statenvertaling zelf zoek is, al staat ook op het titelblad de synode nationaal van Dordrecht in geuren en kleuren vermeld. Men heeft b.v. er immers vrede mee, dat nu nog zeer veel bijbeluitgaven (van het Britsch Bijbelgenootschap) h in Psalm 68 : 14 spreken van „uitgegraven géluwen goud” (gelúwen leest dan onwillekeurig hij, die niet bedenkt, dat hier een onbegrepen derdenaamvalsvorm is van het oud-nederlandsch geluw: „met uytgegravenen geluwen goude”); en dat anderen lezen: geel goud, weer andere: geelachtig goud. Nietwaar, de rust is zoet en men moet vooral de dommelende menschen niet wakker maken. De Statenvertaling; en daarmee uit.

En toch zijn de kinderen der wereld ons te slim af. Ze weten ’t wel, dat de kerkmenschen ’t maar liefst bij ’t oude laten en dat ze dus de woorden Gods liefst niet vertolken in de taal, die gewone menschen spreken. Jezus sprak wel in ’t arameesch, d.w.z. in de gewone dagelijksche omgangstaal, en niet in het deftige hebreeuwsch; en op het Pinksterfeest leert de H. Geest de apostelen wel de groote werken Gods verkondigen niet in de officieele liturgische tempeltaal — die de feestgangers ook best verstonden — maar in de niet-gewijde, wij zouden zeggen profane, alledaagsche spreektaal voor huis, tuin en keuken, opdat de menschen begrijpen zouden, dat de religie niet een aparte zaak moet zijn op een aparten dag voor aparte menschen met een apart idioom; maar wij, gereformeerden, schijnen ’t beter te weten; beter dan Jezus, die bij het kruis het officieele éli van Psalm 222 veranderde in het in Zijn omgeving en tijd gebruikelijke êloi (Mc. 1634); en ook schijnen wij de moraal van het Pinkster-talenwonder beter te verstaan; wij houden tenminste maar onzen bijbel in de taal van voor 300 jaar, al vervreemdt ook menig kind der wereld van die taal en al weten we ook, dat meer dan één tekst voor 300 jaar niet zoo goed begrepen en mitsdien vertaald is als hij thans verstaan wordt en dus zou kunnen vertaald worden.

Ja maar, houd op, zoo roept ge me toe. Wat hebben we er mee te maken of menig kind der wereld vervreemdt van de taal des nederlandschen volks van vóór 300 jaar? Hebben ze niet vele „vonden” gezocht? i Ze zullen immers toch niet willen gelooven! Die taal verhindert ze toch niet? Volkomen gelijk, antwoord ik u; niets op tegen; alleen maar . . . wij dienen hun alle onschuld te benemen; wij hebben niet maar tevreden te zijn met een vertaling, welker klanken ons alleen niet vreemd zijn, omdat wij nu eenmaal er aan gewend zijn. Wij hebben den bijbel niet van God gekregen om hem in behaaglijke zelfzucht voor ons zelf en geen mensch anders bruikbaar te maken. Breng Gods Woord aan het kind der eeuw in zijn eigen taal! Als de bijbel nog steken moet in het gewaad van voor 300 jaar, loopt gij dan ook in het costuum van de Dordtsche vaderen! Zijt gij meer waard dan de bijbel?

De kinderen der wereld zijn slimmer dan wij. Wij? Wel, wij doen alsof er alleen staat: wees oprecht als de duif (indien wij nog maar zoo doen). Maar als Jezus daarbij van ons, ook van de officieel-gebarende kerk nu eens vraagt: „voorzichtig” als de slang te zijn (ook hier weer die verouderde beteekenis van het woord voorzichtig, Mt. 1016), zie, dàt heeft de kerk gewoonweg naast zich neergelegd. Geen wonder alweer: ze meende — afgaande op het woordje „voorzichtig” — dat ze al deugdzaam deed als ze maar zachtjes-aan en voorzichtigjes alles zoo liet als het was; alsof daarin uitkomt de slangen-aard en de kracht van slangen-sluwheid! Grijpt de slang niet naar iets nieuws en zoekt ze niet naar nieuwe middelen steeds voor haar doe? Maar de kerk? Ze laat de wereld maar haar gang gaan en de havik mag de duiventil wel naderen. Hetgeen dan ook trouw geschiedt.

Ook in de kwestie der bijbelvertaling. Want van de overzij is men druk in de weer. Weet ge soms ook, gij, die u verzet tegen een nieuwe bijbelvertaling — weet ge soms ook, dat uw zoon, of zijn vriend, of zijn kameraad mogelijk al lang kennis gemaakt heeft met het „Nieuwe Testament voor leeken leesbaar gemaakt” door H. Bakels j, modern predikant eertijds (thans heeft hij ’t pastorale bijltje er bij neergelegd). En dat hij ook wel eens heeft gesnuffeld in de Leidsche Vertaling van het Oude k èn van het Nieuwe Testament? l Hij heeft het u mogelijk niet verteld, maar toch is ’t zoo: hij vond enkele dingen, die hij thuis niet zoo goed begreep onder het lezen van Job of van enkele kleine profeten, veel duidelijker weergegeven in die nieuwe, b.v. de leidsche vertaling. Toen is hij er in gaan bladeren; hij zocht eens bekende hoofdstukken op; en kijk, dat is nu het ongeluk; toen last hij ook dingen, die hem kwaad gedaan hebben in zijn geloof. Hij las, hoe in die leidsche vertaling stelselmatig Jahwe de god (kleine g) van Israël wordt genoemd — om met andere goden Hem gelijk te stellen; hij heeft gelezen, hoe in Hosea 1314 de stellige uitspraak: „Ik zal ze van het geweld des grafs verlossen, ik zal ze vrijmaken van den dood” wordt omgekeerd in de vraag: „Zou ik hem uit de macht der onderwereld bevrijden, van den dood hem verlossen?” en hij begreep dat volgens zulk een vertaling het volgende woord: „Dood, waar zijn uw pestilentiën, hel, waar is uw verderf?” niet een triumfzang is over de overwinning en verslinding van den dood, maar in omgekeerden zin een oproepen van den dood, opdat hij met zijn ziekten en verdervende machten meedoogenloos het volk vertere; en toen vond hij dus, dat Paulus in 1 Cor. 1555 het toch zeker niet zoo goed begrepen had als de leidsche vertaling, want Paulus maakt er nog een zegezang op de doodsvernietiging van, inplaats van een oorlogszang uit den mond van God. Ook heeft uw zoon of zijn kameraad bemerkt, dat die zelfde leidsche vertaling in Rom. 95 heel handig de godheid van Christus wegdoezelt: „tot wie de aartsvaders behooren en van wie zooveel het vleesch betreft de Christus afstamt. — God, die boven alles staat, is in eeuwigheid te prijzen! Amen”. En zoo meer. Veel meer zelfs. Maar verstaat ge nu, welk een schuld de kerk op zich laadt, als ze geen hand uitsteekt om onzen prachtigen bijbel ook in prachtige taal, die verstaanbaar is, weer te geven? Begrijpt ge nu, dat de moderne vertalingen er ook bij onze jonge menschen ingaan, en dat ze er eenerzijds veel moois in vinden en veel teksten, die onze Statenvertaling onbegrijpelijk weergaf, in glasheldere taal hier kunnen aantreffen; maar dat anderzijds het bevooroordeelde, partijdige, door en door moderne standpunt van deze vertaling ze ongemerkt vertrouwd gaat maken met meer dan één voorstelling, die van onze belijdenis botweg afwijkt?

En nu vraag ik u: wat doet de kerk? Welke moeite neemt ze, om dat gif door tegengif onschadelijk te maken? Moeten we de propaganda van de niet-gereformeerden maar laten gaan en onze jonge menschen maar afschepen met — niets niemendal? Of zullen we ook eens de hand uit de mouw steken en dan in vredesnaam eens wat gaan doen?

*

Zie, dat iemand zegt: wees voorzichtig, dat is te begrijpen. Dat hij bezorgd zich afvraagt: kunnen wij het wel, dat is wat anders. Maar dat een predikant, die toch heusch wel weet, welke smetjes onze vertaling aankleven, in het jaar 1919 een brochure schrijft tegen een nieuwe bijbelvertaling, daar kan ik niet bij. Onze synode trouwens ook niet. Want die deed al iets in die richting m.

Maar de argumenten dan van Dr. Veltenaar?

Daarover in het volgend nummer.


II.

De argumenten, die Dr. Veltenaar aanvoert tegen een nieuwe vertaling van den bijbel konden me niet overtuigen.

Hij wijst er in de eerste plaats op, dat de leidsche vertaling, die de statenoverzetting had willen verdringen, allesbehalve feilloos is. Dat ze geen gewijde woordkeuze heeft, en dat ze mist, wat men geestelijke zalving noemt n. En met instemming haalt hij het woord van Dr. Posthumus Meyes aan: „duizendmaal liever een bijbel met onverstaanbare plaatsen en talrijke fouten, waarin de heilige, gewijde, gedragene, verhevene taal der religieuse emotie, dan een feillooze, geleerde, overal-even-duidelijk(e), maar nuchtere en vlakke, ondoorvoelde en onschoone schoolmeester-vertaling” o.

Er zal natuurlijk wel geen mensch zijn, die deze opvatting niet deelt. De moderne vertaling, die te Leiden gefabriceerd is, heeft te zeer haar best gedaan om reeds in haar toon en woordenkeus den bijbel te nivelleeren, dan dat ze de onze zou kunnen zijn. Eveneens willen we gaarne instemmen met de bezwaren, die Dr. Veltenaar tegen andere vertalingen inbrengt p (die van Bakels j, de synodale vertaling van 1868 q, die van G. Vissering r, en van D. Broudelet s). Al deze proeven van vertaling zijn onbevredigend. Alleen maar — deze redeneering kan toch kwalijk een argument heeten. Als de mislukking van een proefneming beteekent, dat men er nu maar mee uitscheiden moet, dan kunnen we wel alles aan kant zetten en nooit iets probeeren. Temeer, omdat een nieuwe vertaling nog nooit beproefd is van streng gereformeerd standpunt uit, zoodat wij feitelijk nog geen enkele mislukking hebben te boeken.

Voorts heet de Statenvertaling bij Dr. Veltenaar „een meesterstuk van taal en stijl” t. Hetgeen toegegeven wordt voor sommige gedeelten, maar voor andere nog lang niet altijd behoeft te gelden. Er zijn tenminste veel passages, die een „fijnproever voor het mooie Nederlandsch” u lang niet bevredigen kunnen. En bovendien, de bijbel is geen stuk litteratuur. Voor taalkenners is hij niet geschreven. Paulus’ stijl is een moeilijke, zware stijl; dat weet de eerste de beste, die hem in ’t grieksch lezen kan en dat kan controleeren ieder, die ook in de vertaling van zijn brieven zinnen opmerkt van een halve bladzj en langer, of die ’n oog heeft voor zijn anakolouthen. Natuurlijk is daarmee geen kwaad gezegd noch van Paulus, noch van eenigen bijbelschrijver; want de bijbel wil iets anders zijn dan een letterkundig-aesthetisch kunstproduct. Hij wil meer zijn dan dat. En daarom is ’t ook overtollige moeite, een stuk mooi nederlandsch te laten staan, ook als het niet weergeeft wat de schrijver bedoeld heeft — enkel omdat het mooi is.

En wat te zeggen van het volgende argument voor behoud van de Statenvertaling? Onze „schilders hebben nooit de heerlijkheid van een hollandsch binnenhuisje karakteristieker op het doek gebracht, dan wanneer zij den Statenbijbel, aan den huiselijken disch door het hoofd des gezins of in de eenzaamheid van den vroegen morgen door een oude vrouw, een moeder, gelezen, tot middelpunt hebben gemaakt van hun kunstproduct” v. ’t Staat er wezenlijk. Alsof het knappe werk van onze schilders zijn bekoring verliezen zou, als in den bruinen, koperbeslagen folio-bijbelband de leidsche of wilt ge, de Honolulusche, of Tchang-Shasche of Kleu-Kiangsche of Tian-tsinsche vertaling stak! Werden de letters ook al geschilderd?

In dien geest gaat de schrijver voort w. Argumenten genoeg, maar geen enkel, dat ons kan winnen voor zijn standpunt. Dat er beroemde letterkundigen zijn, die door de taal van den Statenbijbel gevormd zijn, wie loochent dat? Maar zou een nieuwe vertaling, mits óók gedragen door religieuze bezinning, niet evenzeer vormend kunnen werken op het komende geslacht? Of dat ons volk bijbelvast is — kan dat de zaak tegenhouden? Omgekeerd dunkt me deze zaak juist een argument voor een nieuwe vertaling. Want omdat ons volk bijbelvast is, daarom worden niet alleen de goed vertaalde plaatsen in zijn geheugen gegrift, maar ook de verkeerd weergegevene; ook de teksten, die door hun verouderde termen niet begrepen worden.

Ons volk is bijbelvast; daarom gaat van ouder op kind over de absoluut verkeerde vertaling van Haggai 28: „en zij (de heidenen) zullen komen [tot] den Wensch aller heidenen”, in welken „Wensch aller heidenen” dan de Christus gezocht wordt, hoewel de bedoeling van den hebreeuwschen tekst een heel andere is: „en komen zullen de gewenschte dingen, de schatten, van alle heidenen” (n.l. in den tempel). Ons volk is bijbelvast; daarom weet het niet dat het woord: „niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn dan door den H. Geest” volstrekt niet handelen wil over de persoonlijke geloofsovertuiging, dat men Jezus toebehoort, maar eenvoudig wil zeggen, dat niemand zonder den H. Geest Jezus Heere noemen kan (1 Cor. 123). Ons volk is bijbelvast; daarom wordt nog elken dag de ware zin van het „onwaardiglijk eten en drinken” (1 Cor. 1120) over ’t hoofd gezien, omdat men niet weet, dat onwaardiglijk vroeger zooveel zeggen wilde als: op ’n onwaardige manier; tegenwoordig maakt men immers zoowat nergens meer bijwoorden op -lijk, dan alleen in de gereformeerde kringen: genadiglijk, eerbiediglijk, hoogelijk, vrijmoediglijk? Ons volk is bijbelvast; daarom begrijpt het niet, dat in 1 Cor. 1130 de woorden: „en velen slapen”, wanneer ge het grieksch leest, niets anders beteekenen, dan dat velen „ontslapen” zijn daar in Corinthe. Juist omdat de bekende klanken er bij ons volk ingaan, dáárom te meer moet men de gedachte van den bijbel zelf zoo zuiver mogelijk vertolken.

Of dat zonder moeite gaan zal? Dat geloof ik niet. De nieuwe psalmberijming is ook niet zoomaar ingeburgerd x; denk maar aan het rumoer dat, gelijk in veel andere plaatsen, o.m. ook in Vlaardingen op 10 December 1775 (later nog eens op 8 December 1776) in de groote kerk de gemoederen verschrikt en den eeredienst ontsticht heeft, toen Ds. van Beveren Esveld den schoolmeester-voorzanger Antony Buitenweg vergeefs verzocht, op te houden met het zingen van de oude psalmen van Datheen, nu eenmaal de nieuwe berijming van de psalmen en de verbeterde zangwijze ingevoerd waren; en toen er vrouwen flauw vielen en mannen gingen schelden alsof ze op zee waren en tegen den wind in moesten schreeuwen! In ons land, waar de strijd tusschen de „lange” en de „korte” zangers zelfs tot vechtpartijen in de kerk met sabelhouw en vuistslag geleid heeft, zal ook een nieuwe bijbelvertaling wel niet direct met gejubel ontvangen worden. Maar dat de predikanten straks door ’t geschreeuw van de menschen verhinderd zullen worden hun tekst in nieuwe vertaling voor te lezen, evenals 27 Juli 1777 Ds. De l’Oome van Schiedam in de kerk belet werd zijn nieuw-berijmde psalmen voor te lezen — dat geloof ik toch niet. In elk geval zou ik het daarvoor toch niet willen laten, als andere redenen er toe dringen.

*

En die andere redenen zijn aanwezig; en geen mensch kan het gewicht ervan loochenen. De voornaamste grond, dien men aanvoeren kan is wel deze, dat de Statenvertaling op werkelijk meer dan één plaats den grondtekst niet begrepen heeft en dus wetenschappelijk onnauwkeurig is. En nu moge Dr. Veltenaar zeggen: „nu, met die wetenschappelijke onnauwkeurigheid schikt het nog al”, maar ik geloof, dat deze bewering zelf een „wetenschappelijke onnauwkeurigheid” is, en dan een waarmee het niet „nogal schikt”. Heeft men wel eens gelezen de brochure van Dr. A. Noordtzij: „Is een nieuwe vertaling van het Oude Testament noodig?” y Hier laat deze volkomen betrouwbaar-gereformeerde hoogleeraar (toen nog lector aan de Theologische School te Kampen) een heele serie teksten één voor één de revue passeeren, om naast de foutive statenvertaling de juiste te leggen. En Dr. Noordtzij heeft nog lang niet alles genoemd. Welke predikant heeft niet meer dan eens een tekst, dien hij voor een preek meende te gebruiken, moeten opgeven, omdat bij nadere bestudeering bleek, dat de afstand tusschen de op den klank af aanvaarde statenvertaling en de eigenlijke beteekenis van het „oorspronkelijke” àl te groot was? Zie, dat is juist het cardinale punt: wetenschappelijk is de statenvertaling niet meer bij. Men moge respect hebben voor het buitengewone talent der vertalers in die dagen, men kan toestemmen, dat de statenoverzetting een product is van Gods voorzienigheid, men moge wijzen op de huidige verdeeldheid in het kerkelijk leven, die het werk der vertaling buitengewoon moeilijk maakt, maar noch het een noch het ander mag een belemmering zijn. De eerbied voor den bijbel èn de eerbied voor de gemeente verbiedt ons, vrede te hebben met een reproductie van den bijbel in verkeerden vorm.

Dat is het eerste en voornaamste punt van overweging: vele plaatsen zijn absoluut verkeerd weergegeven. Maar daarnaast staat nog het feit, dat ook vele plaatsen, die door de Dordtsche heeren goed vertaald zijn, nu niet meer begrepen worden, omdat de gekozen woorden zelf verouderd zijn. Wie, die geen bijbelverklaringen kan doorsnuffelen en die geen preeken ter verduidelijking kan aanhooren, wie begrijpt den zin van het „nederig geluid der maling” in Pred. 124 (zoo staat het ook in den Flakkeeschen bijbel z, die in de „thans gangbare taal” zegt overgezet te zijn; terwijl een andere uitgave geeft: „een zwak geluid van het malen”)? Of wie begrijpt dat „bescheidenlijker” in Hand. 1826 beteekent „nauwkeuriger” of dat „onnoozel” in Hbr. 726 wil zeggen: „onschuldig” of dat „stout” in 2 Cor. 102 „durvend”, „onbeschroomd” aanduidt? Wien geeft het niet wat te denken, als wijlen de heer K. Wielemaker in „de School met den Bijbel” (13 Juli 1916) aa in verband met 2 Sam. 118 er op wijst, dat „toen David Uria wilde bewegen naar zijn huis te gaan hem een „gerecht” des konings achternavolgde, d.w z. dat hem kostbare spijze, ongetwijfeld een schoon stuk vleesch van ’s konings tafel nagedragen werd”, doch dat hij dan daarbij de opmerking maakt: „ik heb weleer aan kinderen hooren vertellen, dat David Uria rechters achterna zond, om zijn gangen na te gaan; ik meen ook deze foutieve opvatting van ’t woord gerecht in een handleiding gelezen te hebben”. Om kort te gaan, Prof. van Veldhuizen kan moeilijk tegengesproken worden, als hij wijst op de woorden, waarvan de beteekenis gewijzigd is: gemeen = gewoon; avondmaal = een maaltijd ook op andere gedeelten van den dag, oprecht = echt, bewegelijk = overredend, slecht = eenvoudig, recht spreken = korrekt spreken, zoo anders = indien tenminste, geraakte = verlamde. Zijn lijstje is voor ruime aanvulling vatbaar: de ijver is hard als het graf; beproeft alle dingen . . . . en zoo voort bb.

Om kort te gaan: een nieuwe vertaling is broodnoodig, om dankbaar gebruik te maken van het nieuwe licht, dat „zelfs uit graven en vuilnishoopen van Egypte” cc, waar men papyri gevonden heeft, opgegaan is, ook over onzen bijbel. Om fouten te herstellen, verkeerde inlasschingen weer uit te bannen, onduidelijkheden op te helderen. Bezwaren zien, zeker, dat zal ieder. Maar hoe langer men wacht, hoe grooter ze worden. Men sla daarom de hand aan den ploeg. Als Gods Woord bestemd is voor alle tijden, dan moet ook het kleed van dat Woord vernieuwd worden, telkens weer. Want de inhoud blijft, doch de vorm verandert. Het Woord is eeuwig en onvergankelijk, maar zijn kleed slijt, het slijt als alles met de jaren.


K. S.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Een nieuwe Bijbelvertaling?’ I-III, Gereformeerde Kerkbode van Vlaardingen Nr. 130-132 (24 mei — 7 juni 1919).

b. Vgl. HebreeŽn 8:13.

c. Vgl. Een nieuwe bijbelvertaling. Pro: A. v. Veldhuizen. Contra: C. Veltenaar, Baarn (Hollandia-drukkerij) 1919 (Pro en contra betreffende vraagstukken van algemeen belang, serie 10, nr 7).

d. Vgl. Cornelis Veltenaar (1873-1953), Bijbelcritiek, Zutphen (Van den Brink) [1918] (Christelijke brochurenreeks „Ons Arsenaal”, serie 2, nr 1 en 2). De brochure viel in de gereformeerde pers zo slecht, dat Veltenaar zich gedwongen voelde publiek afstand te nemen van zijn boekje en passages terug te nemen (over Genesis 1). Nadien nam ook de redacteur van de serie, Jan Waterink (1890-1966), afstand, in een bijlage bij Schilder’s Tegenstrijdigheden in den Bijbel?, de volgende brochure in de reeks.

e. Vgl. Luk. 16:8.

f. Vgl. bijv. John Bunyan, De Christenreize naar de eeuwigheid [vert. uit het Engels], Utrecht (Joh. de Liefde) [ca.1920]; De Christen- en Christinnereis naar de eeuwigheid, opnieuw uit het Engelsch vert. en van aanteekeningen voorzien door C.S. Adama van Scheltema; met 100 platen, Rotterdam (D. Bolle) [1917]7; De pelgrimsreis van deze wereld naar de toekomende, voorgesteld in den vorm van een droom door John Bunyan; met achttien illustraties naar oorspronkelijke teekeningen van Harold Copping, Nijkerk (G.F. Callenbach) [1917]2, etc.

g. Vgl. bijv. De navolging van Christus, nieuwe uitgave naar het Latijn, Rotterdam (Bolle) [1919]13; De navolging Christi, uit het Latijn door Frans Erens, Amsterdam (Van Looy) 19192; De navolging van Christus, uit het Latijn vertaald door Is. van Dijk, Haarlem (Tjeenk Willink) 19183, etc.

h. Vgl. Bijbel, dat is de gansche Heilige Schrift, vervattende al de Kanonijke boeken des Ouden en Nieuwen Testaments, door last van de Hoog-Mog. Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden en volgens het besluit van de Synode Nationaal gehouden te Dordrecht, in de jaren MDCXVIII en MDCXIX uit de oorspronkelijke talen in onze Nederlandsche getrouwelijk overgezet. Londen (Britsch en Buitenlandsch Bijbelgenootschap) 1844.

i. Vgl. Prediker 7:29.

j. Vgl. Herman Bakels (1871-1952), Het Nieuwe Testament voor leeken leesbaar gemaakt. Te weten eene verbeterde Nederlandsche vertaling waarin de meest treffende woorden en gedeelten sprekend gedrukt zijn benevens korte inleidingen enz., 3 kaartjes en afbeeldingen, naar Jan Luyken bewerkt door H. Bakels; inl. H.U. Meyboom, Amsterdam (Maats. v. Goede en Goedkoope Lectuur) 1908; 19142; Amsterdam (Van Campen) 19203.

k. Vgl. Abraham Kuenen (1828-1891), Het Oude Testament, opnieuw uit den grondtekst overgezet en van inleidingen en aanteekeningen voorzien door A. Kuenen . . . e.a. I-II; voor de pers bewerkt door H. Oort, Leiden (Brill) 1899-[1901].

l. Vgl. Henricus Oort (1836-1927), Het Nieuwe Testament, opnieuw uit den grondtekst overgezet en van inleidingen en aanteekeningen voorzien, Zaltbommel (Wink) 1912.

m. De generale synode te Rotterdam 1917 sprak uit dat er op de Statenvertaling wel een en ander was aan te merken, maar dat nog allerlei voorwerk voor een nieuwe vertaling moest worden verricht. Ze nam zelf geen initiatief, maar achtte het wenselijk dat deskundigen aan het (voor)werk gingen. Vgl. Acta der Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland gehouden te Rotterdam van 28 Augustus tot 6 September 1917, Kampen (J.H. Kok) [1917], pag. 20.

n. Vgl. Een nieuwe bijbelvertaling. Pro: A. v. Veldhuizen. Contra: C. Veltenaar, 16v.

o. Vgl. Fokke Eduard Posthumus Meyjes (1865-?), ‘De „Leidsche” vertaling van het Nieuwe Testament’, De Gids 1915 deel III.

p. Vgl. Een nieuwe bijbelvertaling. Pro: A. v. Veldhuizen. Contra: C. Veltenaar, 21v.

q. Vgl. Het Nieuwe Testament, van wege de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk op nieuw uit den grondtekst overgezet, en van inleidingen, inhoudsopgaven, gelijkluidende plaatsen en aanteekeningen voorzien [door J.J. Prins, W. Muurling en H.G.J. van Doesburgh], Amsterdam/Haarlem (Brandt) 1868.

r. Vgl. Gerbrand Vissering (1813-1869), Al de boeken des Nieuwen Verbonds, uit het Grieksch op nieuw vertaald, en met opschriften, gelijkluidende plaatsen en eenige aanteekeningen voorzien, 2e, verbeterde en met vele aanteekeningen vermeerderde druk, Amsterdam (Frederik Muller) 1859.

s. Cf. D. Broedelet (?-1846), Prent-bijbel, bevattende al de kanonijke boeken van het Oude en Nieuwe Testament, volgens de overzetting van Martin Luther, versierd met nagenoeg 1000 houtsneeplaten . . . hierbij zijn gevoegd oorspronkelijke aanteekeningen, voornamelijk tot verklaring der fraaije houtgravures . . . bew. door D. Broedelet, Dz., met eene voorrede van B.T. Lublink Weddik, Amsterdam (Diederichs) 1845.

t. Vgl. Een nieuwe bijbelvertaling. Pro: A. v. Veldhuizen. Contra: C. Veltenaar, 19v.

u. Vgl. Een nieuwe bijbelvertaling. Pro: A. v. Veldhuizen. Contra: C. Veltenaar, 19.

v. Vgl. Een nieuwe bijbelvertaling. Pro: A. v. Veldhuizen. Contra: C. Veltenaar, 20.

w. Vgl. Een nieuwe bijbelvertaling. Pro: A. v. Veldhuizen. Contra: C. Veltenaar, 21, 24.

x. Voor het vervolg, vgl. ?

y. Vgl. Arie Noordtzij (1871-1944), Is een nieuwe vertaling van het Oude Testament noodig?, Kampen (G.Ph. Zalsman) 1908.

z. Vgl. Biblia, dat is de gansche Heilige Schrifture bevattende alle de kanonieke boeken des Ouden en des Nieuwen Testaments, naar de uitgave der Staten-overzetting in 1657 bij de weduwe Paulus Aertsz van Ravesteyn uitgekomen, in de thans gangbare taal overgebracht door A. Kuyper, onder medewerking van H. Bavinck en F.L. Rutgers; met gelijkluidende teksten en kaarten, Middelharnis (Flakkeesche boekdrukkerij) 1898.

aa. Vgl. Kornelis Wielemaker, ‘Lichtstralen uit het Woord’ (Handelingen 2:46), De School met den Bijbel 14 (1916v) 2,13 (13 juli 1916).

bb. Vgl. Een nieuwe bijbelvertaling. Pro: A. v. Veldhuizen. Contra: C. Veltenaar, 6v.

cc. Vgl. Een nieuwe bijbelvertaling. Pro: A. v. Veldhuizen. Contra: C. Veltenaar, 6.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000