VIII

Geen katholieke moraal



En ik zag, toen het Lam één van de zegelen geopend had, en ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als eene stem van een donderslag: kom en zie.

En ik zag, en zie, een wit paard, en die daarop zat, had een boog en hem is een kroon gegeven en hij ging uit, overwinnende en opdat hij overwon.

En toen het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: kom en zie.

En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd macht gegeven, den vrede te nemen van de aarde, en dat zij elkaar zouden dooden; en hem was een groot zwaard gegeven.

— — — — — — — — — — — — — — — — — —

. . . . . En hun werd macht gegeven om te dooden tot het vierde deel der aarde toe.

Openb. 61-4, 8. a


Machtig blijft altijd weer in de Openbaring van Johannes de aanhef van het tweede deel van het boek, waarin de schrijver-ziener overgaat tot de schildering van de „dingen, die haast moeten geschieden” (41).

Hij spreekt van een boek, dat met zeven zegelen verzegeld was. (51). Dat boek was beschreven door God zelf. Er in stond, op welke wijze zich |98| Gods eeuwig raadsbesluit zou verwerkelijken; Gods besluit met betrekking tot de menschheid, voorzoover het tot den tijd van Johannes toe nog niet in vervulling getreden was en ook nog niet door de prediking van Jezus en de Apostelen was geopenbaard aan de gemeente; Gods besluit, nog eens, welks inhoud aan menschen en engelen nog altijd verborgen gebleven was. 1) Het Lam, dat is te zeggen, Christus, was de eenige gebleken in het heel-al, die waard was, het boek van die goddelijke raadsbesluiten open te breken. (52-7). Bedoelde de „verzegeling” van het boek uitdrukking te geven aan de gedachte, dat het besluit van God een diepe verborgenheid is, — met de openbreking van de zegelen door het Lam geeft de Bijbel getuigenis aan den Christus Gods, dat Hij door zijn wereldverlossend werk de wettige wereldheerscher is, en dat aan Hem en aan Zijn wil gebonden is alle wereldgebeuren, gelijk het zich naar het onveranderlijk besluit van God voltrekt. Het Lam is de Leeuw. (55-6).

. . . . En toen

’t aldus het Boek genomen had, verzonken
voor ’t Lam de vier-en-twintig Ouden en
het viertal dieren, en een ieder hield
er harpen op en gouden offerschalen,
vol geuren, die der Heilgen beden zijn.
Zij zongen eenen nieuwen zang, en juichten: |99|
„O, Gij zijt waardig ’t Boek te ontsluiten en
„zijn zeeglen op te breken, want Gij waart
„tot offer; Gij herkocht met eigen bloed
„voor Gode, uit alle tale, stam en volk:
„Gij zalfdet die tot Vorsten en tot Priestren
„ter eere Gods; op aarde zullen zij,
„Priester en Vorst, ter eere Gods regeeren!”
Ik zag, en hoorde veler englen zang
rondom de dieren, de Ouden en den troon,
en myriaden myriaden was
hun aantal, duizend duizenden . . . Zij zongen
met forsche stem:

„Het Lam, dat offer was,

„is waardig, macht en weelde, wijsheid, kracht
„en eere en roem en lof te ontvangen!” En
wat schepsel was in hemel en op aard,
en onder aard, op zee en onder zee,
hoorde ik juichen:

„Lof en roem en eere

„en kracht aan Die ten troon gezeten is,
„aan ’t Offerlam, der Eeuwen Eeuwigheid!”
Het viertal dieren zeide er:

„Amen !”

De Ouden

verzonken knielend neer en baden aan . . . 2)
* * *

Geheel overeenkomstig deze inleiding op de zeven zegelen is nu, wat het eerste zegel, dat geopend wordt, den ziener in aanschouwingsvorm wil te kennen geven (61.2). Vier ruiters ziet hij te voorschijn komen: en op vier paarden stuiven ze over de wereld. (61-8). Rood, zwart, vaal, dat |100| zijn de kleuren van de laatste drie. En die kleuren zijn sprekend: rood is de kleur van het bloed (oorlog; tweede zegel); zwart is de kleur van den honger (derde zegel) en vaal is de kleur van den dood (vierde zegel). Maar vóór dezen vreeselijken stoet van duistere doodsmachten uit, gaat een andere ruiter, die een wit paard berijdt. Laat men nu verschillen mogen over de vraag, of die eerste ruiter de Christus zelf is, of niet 3); — zóóveel is in elk geval wel zeker, dat die eerste ruiter van de andere drie onderscheiden is. Zoo onheilspellend als de verschijning van de drie achteraankomenden is, zoo heerlijk is die van den eersten ruiter. Met sympathie wordt hij begroet en ten tooneele gevoerd; en de overwinning wordt hem toegezegd 4). Om die reden moeten we bij den eersten ruiter op het witte paard niet aan een aardsche macht van op buit beluste, verdervende, menschen denken, (Parthen, of Romeinen), die dan de wereldmacht zouden willen veroveren 5), maar aan een hemelschen machtdrager.

De macht komt dus van boven. Het wereldgebeuren gaat van den hemel uit en wordt door den |101| hemel beheerscht. Laat oorIog, honger, zwaard en dood de aarde beroeren, wàt ook die ontbindende machten kunnen doen, het is ten slotte alles onderworpen aan de transcendente macht van den hemel. In den somberen stoet heeft hij, die vooropgaat, de leiding. De ruiters, die volgen, kunnen slechts daarheen gaan, waar de eerste, die vooropgaat, hen heenleidt 6).

*

Maar daarom is dan ook de inhoud van de volgende zegelen van het grootste gewicht.

In de verwarring der tijden voltrekt zich ook nu weer de orde van de eeuwigheid.

En dat geldt al aanstonds van het tweede zegel.

Wat dat tweede zegel zeggen wil, zou ik in het kort aldus willen weergeven: het ontneemt ons de illusie van de komendekatholieke moraal”.

*

Wat is dat: de katholieke moraal?

Katholiek wil zeggen: algemeen.

En onder een katholieke moraal verstaat men een zedeleer, een levensopvatting, een als wet erkende levenszede, die onder alle menschen tot gemeen goed geworden is.

Daar is geloofd en daar wordt nog geloofd aan de komende katholieke, algemeene wereldreligie. |102| De wereldreligie van den socialen zin. De groote eenheid der gemeenschapszinnigen. Eenmaal dan toch zou het in de wereld zoo ver komen, dat twist en wrok verdwenen zouden zijn en de oud-testamentische psalm van „de gerechtigheid, die den vrede kust” (ps. 85) in vervulling zou gaan. De Messias, die dezen heil-staat zou scheppen, dat was de Menschheid zelf. En haar eigen sterkte zou in heerlijk zelfbedwang den idealen toestand van algemeenen wereldvrede scheppen, waarbij in heilige eendrachtigheid de hoogste macht van den Mensch zich ontplooien kon.

Dit geloof aan de katholieke, oecumenische sociale religie en moraal is nu eens wetenschappelijk beredeneerd, dan weer hoog-dichterlijk bezongen.

’t Eerste is wel ’t treffendst gedaan door Karl Marx. „Volgens Marx’ opvatting der geschiedenis is het geen quaestie van mogelijkheid of van toeval, dat eens de socialistisch-collectivistische gemeenschap zal komen. Neen, het is een volstrekte, men mag gerust zeggen, wiskundige zekerheid, dat onze maatschappij zich eens zal veranderen in een socialistische” 7). Want Marx geloofde in het historisch materialisme. Hij predikte, dat heel het wereldleven, dat heel de bovenbouw der menschelijke samenleving eigenlijk |103| beheerscht wordt door de maatschappelijke toestanden, door den economischen onderbouw. „De productiewijze van het materieele leven bepaalt het geheele sociale, politieke en geestelijke levensproces. Het is niet het bewustzijn der menschen, dat hun zijn, maar juist omgekeerd hun maatschappelijk zijn, dat hun bewustzijn bepaalt.” 8) En wanneer nu straks het economisch leven ingericht wordt naar socialistische theorie en de doorwerking der Marxistische beginselen een feit geworden is, dan komt vanzelf de nieuwe wereld met haar nieuwe, algemeene liefdemoraal. Dan zal de witte terreur, die „altijd heerscht” 9), zoolang het kapitalistisch stelsel, die antichrist, nog bestaat, gebroken worden, en de eenheid der liefde bouwt het koninkrijk van den duurzamen vrede.

En met hardnekkigheid is dit droombeeld ook door anderen dan Marx uitgegeven als onfeilbare profetie der toekomende werkelijkheid.

Zeker, men heeft bezwaren ingebracht. Men heeft gezegd: „In den grond der zaak bevindt zich in het binnenste van ieder revolutionair als een brandende fakkel de baatzucht” 10). Dwaas, |104| wie meent, dat het dierlijke, het zelfzuchtige, in den mensch ooit zou kunnen vernietigd worden!

Goed, zoo hebben anderen getroost, goed; we laten het dier in den mensch bestaan. Maar wij zullen het zóó’n ruime plaats en zóó’n vrije beweging geven, dat het niet meer verscheuren wil; we zullen het beest in den mensch temmen door het volkomen zich te laten uitleven. En een man als Fourier staat op. Hij wil een ideaal-samenleving. Er is in zijn stelsel het ontwerp van een eenheid van organisatie. Dat is een gemeenschap van 1500 tot 1600 menschen, de z.g. phalange. Industrie, maar vooral landbouw, of tuinbouw, zijn voor zoo’n phalange de aangewezen taak. Een groot centraal gebouw, de phalanstère, bevat werkplaatsen en woonvertrekken. Gemeenschappelijke maaltijden, enzoovoort, brengen bezuiniging op groote schaal. En voorts, zegt Fourier, láát den mensch zijn hartstochten. Veroordeel niet; verbied niet; zeg niet meer: raak niet, smaak niet, roer niet aan; leg niemands geest in boeien en kruisig ook het vleesch niet; maar geef ook aan de hartstochten en driften een plaats, door ze op te nemen in het stelsel van werkkrachten en levensontladingen. Nijd en samenzweringsdrift, zelfzucht en baatzucht, het zijn alle machten, die ophouden zullen verderf te brengen, zoodra men maar een handig gebruik ervan weet te maken. Laat iedere |105| phalange bestaan uit menschen, die aansluiting zoeken bij elkaar door overeenstemming van hartstocht voor een bepaald doel, en laat ze dan gerust met elkaar wedijveren en intrigeeren om de makkers te overtreffen. Het zal geen kwaad meer brouwen. En zoo moet ook de zelfzucht met het algemeen belang in verbinding worden gebracht door een verstandig stelsel van distributie. 11)

Aldus de leer der volstrekte harmonie, de leer der „Harmonianen”.

En wie zich van de praktische oplossingen, die men zich bij de constructie van dit maatschappelijk toekomstbeeld heeft gedacht, een voorstelling vormen wil, proeve den geest van het stelsel uit deze twee ontwerpen van een „dagorde”.

Eerst de „dagorde van Lucas in de maand Juni”. Ze luidt aldus: 3 uur opstaan; 4 u. dienst bij stalgroep; 5 u. dienst bij tuiniersgroep; 7 u. ontbijt; 7 u. dienst bij maaiersgroep; 9 u. bij groentenkweekersgroep in broeikassen; 11 u. bij stalgroepen; 1 u. middagmaal; 2 u. dienst bij boschbouwgroepen; 4 u. bij industriegroep; 6 u. bij bewateringsgroep; 8 u. bij de beurs; 8 u. avondmaaltijd; 9 u. bij inrichtingen van ontspanning; 10 u. naar bed! |106|

En vervolgens de „dagorde van Mondor”: 3 u. opstaan; 4 u. publieke ochtendreceptie, nieuws van den vorigen avond; 4 u. eerste maaltijd, industrieparade; 5 u. dienst bij jachtgroep; 7 u. bij visschersgroep; 8 u. ontbijt; krant; 9 u. dienst bij landbouwgroep in de broeikas; 10 u. bijwoning van de mis (!); 10 u. bij pluimveegroep; 11 u. in de bibliotheek; 1 u. middagmaal; 2 u. bij de groep der koude broeikassen; 4 u. bij de oostersche planten; 5 u. bij de vischplassen; 6 u. maaltijd in de velden; 6 u. bij de groep merinos; 8 u. aan de beurs; 9 u. avondmaaltijd (de vijfde); 9 u. schoone kunsten, bal, schouwburg, recepties; 10 u. bedtijd. 12)

Werkelijk in vollen ernst heeft Fourier aan de mogelijkheid van de practische uitwerking dezer gedachtenspinsels geloofd. Hij wachtte iederen dag tusschen 12 en 1 uur op den millionair, die hem het geld voor de oprichting van zijn phalanstères zou brengen 13).

De millionair heeft zich laten wachten.

Maar de verwachtingen zijn niet uitgebloeid.

Integendeel — en nu komen we aan het tweede, dat we straks hebben aangeroerd — wat de denkers eerst uitgedacht hebben, hebben straks de dichters, mannen en vrouwen, |107| verheerlijkt. Bij deze sociale profeten huwt zich de wetenschappelijke stelling aan de profetisch-dichterlijke en mystieke uitbeelding. In de „Echo van het Jaar der Armen” roept C.S. Adama van Scheltema zijn sociaal-democratischen broeders toe:

Ach, dat met de uren ook ons kloppend hart voleindig’!
De strijd van mensch met mensch — is hij dan niet oneindig?

— eindig!

Welaan broeders, ten strijd! — Wij steune’ en sterke’ elkandren —
Ach, wie zien eens de tijde’ in lichter tijd verandren?

— andren!

Welaan broeders, vooruit! ons wachten sterke wallen —
Helaas, wie zullen voor de zege zijn gevallen?

— allen!

Broeders, het jaar is dood — de tijd wischt onze namen —
Maar jaar en dag en tijd bouwen wij toch tezamen.

— amen!

En in een ander lied zegt dezelfde dichter:

Te wapen! — hoor: „te wapen!”
Waar hijgend heel een menschheid streed,
Waar heel de wereld druipt van leed,
Rijst uit de aarde een nieuwe kreet:
„Te wapen! — óns het wapen!”
En ’t roept — het groeit, het nieuwe woord —
O makkers, roept het verder voort,
Dat ieder menschenkind het hoort:
„Ontwapen hen! ontwapen!”.

En muzikanten, zegt Herman Gorter,

En muzikanten, hoort ge niet de hoop
en de liefde en de broederschap, dof |108|
nog, maar toch. Hoort ge de Vrijheid met
haar kinderstem, zooals ze nog nooit klonk?

En dan te vinden waar de grootste wensch leit,
Die alle sterkste menschen immer hadden,
Waarom ze God altijd zoo vurig baden:
Om zich te geven voor de heele menschheid.
O zoetste schat die in ’t rijke leven leit.
O in zaligheid diepste zaligheid!

En zou Henriëtte Roland Holst hier kunnen achterblijven? Hoor, hoe ze zingt

— — — van een bevrijde aarde
waarop geen dienstbaarheid zou zijn, geen dwang
en geen ellende, maar het zacht gezang
der broederlijkheid ruischen; niemand gaarde
zich goud en niemand neep gebrek; er groeide
geen hoogmoed meer noch afgunst; liefde bloeide,
liefde omrankte alle levens-dingen
met geur.

Deze woorden uit het „Feest der gedachtenis” zijn zuivere vertolking van haar kinderlijke verwachtingen eener komende wereld, waarin het alles schoon zal zijn, schoon en goed en vredig. „De arbeiders kiezen met een heerlijk ruim inzicht den beste onder hen tot leider; en de vrouwen wijken vrijwillig voor elkander, om den geliefden man de beste harer te geven”. 14) De mensch, die komt, o,

zijn trots, zijn blijde blijheid is, ’t geheel
te dragen in zich en te voeden met
de sappen zijner Liefde. Liefde is wet: |109|
liefde tusschen mensch en menschheid geeft
den enkling ’t hooge doel waarvoor hij leeft,
Geeft wijding aan den arbeid.

De katholieke moraal der socialistische toekomst!

Neen, wij zijn het niet alleen, die hier spreken van een geloofsovertuiging. Is het niet Carel Scharten zelf geweest, die een vergelijking getrokken heeft tusschen roomsch-katholieke mystiek en roomsch-katholiek geloof in de verlossende kracht der alleenzaligmakende kerk eenerzijds èn dit dogma van het socialisme, het dogma van „deze nieuwe katholieke, d.i. algemeene vroomheid”? 15) Hier is het geloof, niet maar aan, doch in het socialisme. Dat socialisme is voor de dichteres en voor de anderen, die haar lied overnemen of het haar voorzongen, niet minder dan: de „Heilige Geest”, die de wereld zuivert en de harten tot liefdeleven reinigt. Het is alles een idealiseeren, zóóveel duizend voet boven den beganen grond, over de eenheid der menschheid en de menschheid der eenheid — in de toekomst. En gelijk Rome in het bloed der martelaren het zaad der kerk ziet en in het lijden der „heiligen” den onder-bouw van den Godstempel begroet, zoo laat deze dichterlijke socialiste in het „Feest der Gedachtenis” de vrouwen op een heuvel samenkomen ter viering van haar heiligendag. |110| De heiligen zijn in haar oog dan de voorloopsters der beweging, de groote martelaressen voor het socialisme, Mary Wollstonecraft 16) (1759-’97), die als kind reeds weende en bad

voor de rebellen, dat zij zouden winnen
en voelde vol vurig leven van binnen;

en Louise Michel,

— — — „gezegende onder vrouwen,”

en Katharine Brechofsky. Deze hebben geleden voor de heilige idealen van het socialisme en communisme, toen dit de wereld nog veroveren moest. Maar haar strijd was niet vergeefsch. Zij hebben zich ten offer gebracht en op den grondslag van haar lijdensleven bouwde zich de nieuwe Tempel der Socialistische Religie, het heiligdom der internationale, katholieke nieuwe moraal. Ze zijn de gestigmatiseerden, niet van Rome doch van de religie van den Communist; ze dragen de lidteekenen van den strijd in haar vleesch; en daarom zijn ze de „heiligen”, die men devoot vereert.

Zoo mogelijk nog merkwaardiger dan deze vooruitzichten in „Het Feest der Gedachtenis”, is, wat dezelfde Mevrouw Roland Holst heeft gedroomd in haar gedicht van „Wanja”. |111|

Wanja, dat is een jonge arbeider, die de fabriek háát en daarom de vrijheid zoekt onder den open hemel. Wanja staakt. Maar zoo goed als staken is in de oude wereld, zoo slecht is het in de nieuwe. Want die nieuwe wereld geeft het schouwspel niet van arbeidsdwang, doch van vrijwilligen opbouw der nieuwe maatschappij, waarin ieder meedoet. Arbeid is daar spel. En deze poëtische arbeidsheerlijkheid wordt door „makker Iljitch” (dat is: Lenin) Wanja voorgepreekt. Deze wijst Wanja op de vrijwillige arbeiders en zegt:

Men zegt mij, dat ge haat
den arbeid omdat hij is slavernij,
en in niets-doen alleen proeft ’t zoet der vrijheid.
Zie op, maat, tot de wereld waar g’in leeft!
De arbeid is naar vrijheid toegezwaaid,
heeft met hare pure licht zich volgezogen,
dat breekt nu uit zijn lijf, één bloeseming,
maar jij bleef staan, van oude wane’ omtogen,
je merkte niet dat het getij verging.
Kom, ’k zal je brengen waar de eerste golven
al bruisen van den vloed, die ’t dorre strand
zelfzucht verslindt in triumfeerend stijgen:
zij zullen wekke’ in jou den diepsten eigen,
den wil die is aan hunnen wil verwant.

Waarna Wanja als in zachten droom vervolgt:

Ik voel een wankeling door heel mijn wezen
alsof iets allerdiepst in mij loslaat.
De arbeid, is hij dan niet wat ik dacht?
Een geur stijgt uit hem op, dien ik niet kende,
en een glans omhangt hem, dien ik nooit zag. |112|
Ik dacht, dat hij de vijand was der vrijheid,
en die der schoonheid, en der zachte rust . . .

En tenslotte doet Wanja óók mee. De arbeid is verheerlijkt en vergoddelijkt:

Arbeid, Arbeid; kracht universeele,
in u gelooven wij, gij adem, die Leven bestendigt,
in u, gij polsslag van ’t Heelal.
Al zijn deelen arbeiden, en rusten niet;
eeuwig is der planeten rondedans om hunne zonnen,
en eeuwig om hun zelf hun wenteling:
zij zwaaien rond in dubbele beweging
door d’ ongetelde eeuwe’ en rusten niet.
Uit grondlooze oneindigheden duiken
staartsterren vlammende op, gaan weer onder
in grondelooze verten, rusten niet.
Rusteloos stralen gouden zonnen
over goede’ en boozen uit hun kracht,
eeuwigheden van tijd wekken tot leven
myriaden wezens in ’t Heelal.

De overeenkomstige trekken tusschen de poëzie van Mevrouw Roland Holst en Rome’s Kerkleer, zijn in dezen cyclus van gedachten waarlijk geen op zichzelf staande verschijnselen.

Want behalve de gedachte aan een uiterlijk waarneembare wereldeenheid (waarvan ook Rome droomt) is — nu in het algemeen gesproken — in de sociale lyriek van dezen tijd onmiskenbaar de neiging tot religieuze prediking en beginselverklaring. Het teekent, dat „de sociale lyriek in haar ontwikkeling nauwe overeenkomst |113| gaat vertonen met de geloofslyriek” 17); en wie wil, kan zien, dat ze in haar idealiseeren van de tegenwoordige proletarische gemeenschap, zoo vaak ze die verheft tot een koninklijk priesterdom, de taal van den Bijbel evenaren wil. Paulus ziet in z’n arme christen-handwerkslui, in z’n kleine burgermenschjes, de heirschare van de geroepenen Gods, en het zijn bij hem wel niet vele rijken en niet vele edelen; doch in de poveren, de paupers, aan wie hij brieven schrijft, groet hij toch de rechters der engelen, den bruidsstoet Gods, de nieuwe, schoone menschheid, die eens op de nieuwe aarde één kosmisch geheel zal zijn. Maar in de sociale lyriek wordt ook de laatste rijke, de laatste edele uitgestooten; en dat is de vrome uitzuiveringsdaad, een priesterlijke heiligingsijver; immers, bourgeois beteekent: barbaar; maar er is: „la sainte canaille” 18); het kanalje, dat is nu heilig; en daaruit wordt geboren, nog aan dezen kant van het wereldeinde, de nieuwe, goddelijke gemeenschap der menschen.

Ja, het wil alles religie zijn. Deze sociale dichters hebben óók hun geloof! Maar het is anders dan van den man der kerk; het laat zich niet opsluiten in een reliquieënkastje, bindt zich niet aan kerkelijke decreten, bergt zich niet |114| achter kerkmuren weg. 19) Maar geloof i s het, en zijn inhoud is, evengoed als bij den man der orthodoxe kerk, op openbaring gegrond. 20) Het geloof van Roland Holst „is onbeperkt, schrikt niet terug voor het vagevuur der meest demoniese verschrikkingen ter wille van haar Hemel. ’t Is alles „geloofslyriek”, verplaatst naar de aarde. Het woord „genade” is haar niet te sterk”. 21)

Het is deze „religie”, die haar zangers tegenwoordig werft bij het jaar, en die haar belijdenissen niet zegt, maar zingt. Ze is adventistisch, eschatologisch bij uitstek; want zij gelooft speciaal het eeuwige leven en heeft om het te bereiken geen wederkomst van Christus noodig, want de „zacht geoogde vriend dier verre tijden”, op wien Mevr. Roland Holst wacht, en die den nieuwen tijd inluiden zal, hij komt wel niet op de wolken, maar alle oog zal hem toch zien, ook dergenen, die zijn verdrukte voorgeslacht doorstoken en zijn tronk afgehouwen hebben, hij is immers de zalige „op aarde”? En zijn wenken is immers van beneden?

Ja van beneden! |115|

Christus komt van boven — zie hij komt op de wolken, en alle oog zal Hem zien. b

Maar Christus heeft afgedaan.

De mensch wordt zijn eigen Heiland; de broeder van Christus; de jongere, de sterkere, de betere broeder. Aan dien jongen Messias hangt der wereld zaligheid 22). Hij geeft een andere spraak, dan de Nazarener; zelfs diens bergrede moet worden overgedaan. 23)

Klanken als deze zijn onder ons niet nieuw meer. En in den jongsten tijd is wel zeer typeerend de bekende A. van Collem, dichter van de „liederen der gemeenschap” de heraut van deze schoone toekomst. Hij hoort hem al, dien „grooten muzikant”, den communist, en hij weet het:

Gij zult vernietigen in uwen mensch,
Den ouden panter, die op roof uitgaat,
Gij zult vernietigen in uwen mensch
Den jakhals die op menschenlijken aast,
Gij zult vernietigen in uwen mensch
De schuifelende padde, winst, zijn slang,
Gij zult het oor van dien opgaanden mensch
Inblazen het geheim der algemeenschap,
Der arbeidskracht, die communisme is,
Gij zult hem maken tot een Communist
Die met zijn broeder staat in overleg,
Zijn gelen, blanken, koperrooden, en
Zijn donk’ren broeder uit het zwarte Libye, |116|
Opdat geheel de aarde worde veld
En vlak en zee en berg en zwart ravijn
En geul en strand en heuvel van den Arbeid,
Van Arbeid, die een feest zij voor den mensch,
De menschheid, niet meer ligt zij, de vervuilde,
De geknechte, de verkochte, aan
Een loon, waarvoor zij bukkend staamlen mag,
Het loon is van de aarde weggeworpen . . . . 24).

Het klinkt alles jesajaansch; het klinkt ook messiaansch. Maar de „Messias” is hier de mensch zelf, de nieuwe mensch, die immers meer is dan de oude God; want

Liever dan God te zijn, werd ik een mensch,
Ik zou de menschheid maken tot een God,
Van alle Goden, zonnen en planeten. 25)
* * *

Hoe denkt nu evenwel de Bijbel over die verwachting van een algemeene moraal, van een groote menschheids-gemeenschap, opgebouwd op het fundament van liefde en vrede?

De Bijbel — het is verschrikkelijk, maar het is eerlijk — de Bijbel gelooft er niets van.

O ja, in zekeren zin voorzegt ook het laatste Bijbelboek een vorm van „eendrachtigheid” en van „samenwerking”, die onder de menschen |117| der laatste eeuw zijn zal, althans onder die menschen, welke tegenover de aanbidding van God den eeredienst van den Mensch zullen uitroepen.

Als de eindstrijd komt tusschen wereld en kerk, tusschen Antichrist en Christus, tusschen Beest en Geest, dan zal weliswaar ten laatste heel de tegenover Christus staande macht zich vereenigen in gruwzame vriendschap tot de ééne doelstelling van: den dood aan den Christus en aan Zijn kerk (611, 714, 112.7.9.l8, 1213-17, 133.7.8.l6-17, 166.14, 1717, 208.9). Doch vóór het zoover komt, zal daar in haar eigen kring, in de ongeloovige, God-vijandige menschengroepen, toch ook onderling strijd gevoerd worden. Wel worden in ’t eind Herodes en Pilatus vrienden, maar zij sluiten de vriendschap niet vóór den tijd (Lucas 2312). Jezus moet, eer het zóóver komt, al heel dicht bij Golgotha gekomen zijn en Zijne getuigen (hfdst. 11) moeten al dicht aan hun marteldood toe zijn. Tot zoolang blijft de ontbindende macht der zonde doorwerken, ook in de kringen der God vijandige geesten zelf (921, 1716). Zonde kan immers niet duurzaam verbinden? 26)

Want niet slechts het zwarte paard met den zwarten honger (65.6) en niet alleen de vijandige natuurmachten (68) werken de wereldellende in de hand, maar ook het roode paard van haat |118| en nijd, van bloed en krijg doet het zijne daaraan toe (64).

Dat is de prediking van „het tweede zegel”. En als achtereenvolgens de vier ruiters ten tooneele gevoerd zijn, dan geeft de schrijver ten slotte een terugblik, die van de drie verdervers in dezen rijdenden stoet 27) in één saamvattend oordeel zegt: „En hun” (d.w.z. den rooden, zwarten, valen ruiter) „en hun werd macht gegeven om te dooden tot het vierde deel 28) der aarde toe, met het zwaard (tweede zegel) en met honger (derde zegel) en met „den dood en door de wilde dieren” (vierde zegel: de verdervende machten, buiten onderlingen krijg om) (68).

Voor wie zich buigt voor de Heilige Schrift is dus de waan van wereldvrede gebroken. Tweedracht blijft, want zonde blijft; en zonde is niet anders dan ont-binding. Het leven van haat en de twist der volkeren — alleen een eeuwig edict van God kan ze verbreken. Het historisch materialisme (met zijn profetie van de eenheidsmaatschappij) en de Bijbel verdragen elkaar niet.

*

|119| En nu keeren de gedachten terug tot die dichteres van daar straks, die haar geloof in den komenden toekomst-staat van eendrachtigen arbeid bezongen heeft in verzen van sterken moed 29), Mevrouw Roland Holst.

Hoe vierkant klinkt tegenover de droombeelden dezer profetes van het nieuwe al-verzoenende geloof, als een donderslag, de Schrift, met haar voorzegging van verdeeldheid van allen tegen elk. Bij haar het visioen van den socialistischen „heiligendag”, waarbij de menschen zijn

een groote klare menschenbloem, een roze:
vrouwengroepen waren de rozenbladen,
zij hadden zich geschikt naar leeftijdsgraden
langs dat zacht-glooiende amphitheater

van de bloemige weide. Bij Johannes het visioen van de stuivende paarden, het zwarte, het vale, het roode, en van menschen die elkaar oorlog aandoen! „En dat zij elkander zouden dooden!”

Wij danken de Openbaring ook voor dit profetisch woord. Want als daar menschen zijn, die het christendom verwijten, dat het nog niet door de Liefde het egoisme heeft overwonnen, dat het dus ook een droom geweest is, ijdeler dan die van |120| deze sociale profetes, dan wijzen we op de sprake van het tweede zegel. „En dat zij elkander zouden dooden!” Heeft de Bijbel ons ooit bedrogen?

Neen, hij zegt ons de waarheid. Terwijl hij eenerzijds ons den plicht voorhoudt, om den vrede, ook onder de volkeren, zooveel ons mogelijk is, te zoeken, daar zegt hij anderzijds, dat de onwil van de menschen, om onder de absolute wet van God en Evangelie zich te buigen, verhinderen zal, dat ooit door menschenhanden de tempel van eendracht voor de wereld zou worden gesticht. Tempelbouw is niet voor handen, die met bloed bevlekt zijn. Slechts wie zijn eigen bloed gaf, Christus, zal Priester zijn in den Tempel van eeuwigen Vrede.

Ook in deze dingen ligt de onverzoenlijke tegenstelling tusschen evolutie- en openbaringsgeloof.

De evolutie-leer meent het beest in den mensch te kunnen temmen. Of liever, ze ziet het beest zichzelf bedwingen.

Maar het tweede zegel breekt den schoonen tempel van deze sociale droomers en profeten. „De wagen van het Socialisme”, zoo heeft men gezegd 30), „moet vastgehaakt worden aan den hefboom van het godsdienstig geloof”.

Maar reeds nu blijkt de wereld dat niet te willen. |121|

Het socialisme, dat is immers zèlf de „Heilige Geest”?

Het wil den godsdienst niet volgen, maar het wil de godsdienst zijn. Het neemt geen geboden aan, maar wil ze zelf decreteeren.

En daarom, niet alleen wij, maar ook anderen weigeren te gelooven aan den schoonen bouw van een vredestempel voor heel de menschheid. Carel Scharten, van wien we straks spraken, heeft, handelend over de dichteres der katholieke moraal, Roland Holst, uitgeroepen:

„Het zou mooi zijn, indien men er slechts in gelooven kon!” Maar het is „de miskenning van dien tot heden onuitwischbaren vloek in het hart der menschheid, de miskenning van het onuitroeibaar egoisme der menschelijke natuur”. 31)

Dat klinkt bijbelsch.

Het is ook bijbelsch.

„Dat zij elkander zouden dooden”.

Het egoïsme geen uitzondering. Geen verborgen hypocrisie.

Want in het laatst der dagen kent men geen hypocrieten. Noch in de kerk. Noch daarbuiten.

Daarom: nog eens: geen evolutie, maar openbaring! De evolutie-leer gelooft, dat de mensch zich ontwikkeld heeft van bruut-mensch tot gewetens-mensch. Eerst, zoo heet het dan, eerst was er „de oer-vader, de tertiaire, tweehandige, |122| de boschmensch met z’n dierlijke zelfzucht”. Later kwam „de quaternaire, de groepsmensch”, bij wien het algemeen belang meer geldt dan het belang van den enkeling, de mensch, die zich wil geven, zich wil offeren.

Maar nu de werkelijkheid?

Och, er is eens iemand geweest, die dien eersten, zelfzuchtigen bruutmensch, den mensch van louter zichzelf zoekende grofheid, „Daâh” genoemd heeft en zich zijn verschijning heeft ingedacht.

Heeft hij Daâh zien sterven? Heeft hij hem zelfs maar zien binden? Heeft hij de zelfzucht zien verglijden uit de zielen? Heeft hij, hij zeg ik, de tafelen van de wet der gemeenschapszinnigen zien geschreven in de harten, als de wet van het brute eigenbelang uit de zielen der groven zou zijn weggewischt?

Hoor het woord van dezen man, een orthodoxe niet, voorwaar. Daâh is hem niet dood en gaat hem niet dood. Hij is niet dood, want, zoo heet het: „Niet meer dan toenmaals (in de eeuwen der holen) doet Daâh afstand van zijn recht tot leven; slechts met geweld heeft men hem onderworpen, immer beidt hij zijn tijd — en iederen dag komt hij terug . . . . de Geschiedenis is vol van zijn daden.” En Daâh, de bruut, gaat ook niet dood. „Tot het einde toe zal de geschiedenis van hem spreken. Daâh is onuitroeibaar, omdat hij oerschepsel is. De eerste mensch zal niet ten |123| onder gaan zoolang de laatste nog bestaat”. 32)

Zie, wij zijn gewoon, anders te denken over den eersten mensch dan deze schrijver. Wij gelooven niet aan de evolutie; hij wel. Maar daarom te meer treft het ons, en als een afgeperste belijdenis van de theorie aan de praktijk noteeren wij het, dat zelfs deze mensch niet durft hopen, dat het allereerste willen der zonde, de zelfzuchtigheid, uit de harten wijken zal, zoolang de allerlaatste mensch nog adem haalt.

En deze gedachte beheerscht onze toekomstverwachting. Ze doet ons verstaan geheel de sprake van het tweede zegel. Al moet het pleit der Liefde tot den jongsten dag gevoerd worden, geen sociaal profeet zal de ruwaards kunnen verdrijven, die haar slaan in ’t aangezicht. Als de Pilatussen „Ecce homo” zeggen, dan komen ze altijd weer te laat.






1. Th. Zahn, Die Offenbarung des Johannes. Erste Halfte Kap. I-V Leipzig, A. Deichert, Erlangen, 1924, S. 338, 136, 150.


2. Louis Couperus, Fragmenten uit Johannes’ Apocalyps.


3. Dat Christus bedoeld wordt, zeggen velen. Anderen (o.m. Wellhausen, Anal. 10; Bousset, Komm. 265; Völter, 17 ; natuurlijk Boll, 89 ; Gunkel, Religionsgesch. Verst. d. N.T. 53; Baljon, 83 ; ook Weisz-Heitmüller, 265 ; De Moor, II, 52; vgl. ook Greydanus, 233) betwisten dit, o.m. wijl die het zegel opent (Chr.) niet tevens de inhoud ervan zijn kan.


4. Wellhausen, Analyse, 10.


5. Ook wel Perzen, Völter, 17 . Vgl. Bousset, 266.


6. Aan de macht van het triumfeerende Evangelie denken velen. „Die witte ruiter is heer. De vale” (ook de roode en zwarte) „ruiter is dienstknecht”. (J.J. Knap, In de schuilplaats, 230).


7. Siegfr. Polak, Beknopte geschiedenis der Staathuishoudkunde in theorie en praktijk. (Wereldbibl.) I, 1919, bl. 256.


8. Mr. P.A. Diepenhorst, Voorlezingen over de Geschiedenis der economie, Utrecht, 1910, bl. 235/6 . Vgl. Dr. H. Bavinck, Christelijke Wereldbeschouwing, 2e dr., Kampen, 1913, bl. 79, 80.


9. B. de Ligt, Kerk, cultuur en samenleving, Arnhem, Van Loghum Slaterus en Visser, 1925, 272.


10. J.C.J. Ommerborn, Partijgenoot Mensch, Uit het Duitsch, door E.M. v.d. Maas, Rotterdam. Libertas, z.j. bl. 34.


11. Skelton, a.w. bl. 88-91.


12. Skelton, a.w. 90.


13. Diepenhorst, a.w. 225.


14. C. Scharten, De Roeping der Kunst, Ned. Bibl., 1917, bl. 382.


15. A.w. bl. 381.


16. Schrijfster van „Vindication of the rights of women” (1792), gehuwd met den vrijdenker W. Godwin, moeder van de vrouw van Shelley.


17. M.A.C. Poelhekke, Lyriek, Wolters, Groningen, Haag 1924, 145.


18. Barbier.


19. Robert Seidel, aangehaald in Poelhekke. Lyriek 1924, 224: Auch ich bin gläubig, doch mein Glaube

Hat keinen Raum im Wunderschrein,
Er klebt an keiner Satzung Staube
Und keine Kirche schlieszt ihn ein.

20. Van Collem spreekt over: „het socialisme, ons geopenbaard”.


21. Poelhekke, a.w. 227.


22. Pinthus, in Poelhekke, 235.


23. l.l.


24. A. v. Collem, Nieuwe Liederen der Gemeenschap, Bussum, C.A.J. v. Dishoeck, MCMXX, 45.


25. a.w. bl. 25. Vgl. nog de poëzie van Adama van Scheltema, Margot Vos, J.Jac. Thomson, Dirk Troelstra, e.a.


26. Vgl. bl. 37, v.v.


27. Zoo vele kommentaren. Anderen lezen in vs. 8: „en hem werd macht gegeven”, enz. Ingeval deze lezing de echte is, slaat dit alles dus op den vierden (valen) ruiter. Maar deze opvatting wordt gedrukt door het bezwaar, dat „het zwaard” dan in het vierde zegel zou voorkomen, terwijl het tweede zegel daar opzettelijk aan gewijd is.


28. Over de beteekenis van „het vierde deel” spreken we in een volgend hoofdstuk.


29. Intusschen zijn ook deze vrouw de feiten te machtig geworden. De dichteres, die in 1923 (het jaar van het jubileum der koningin van Nederland) meegeholpen heeft om de ultra-radical kolommen van het liederlijke communistische „anti-Oranje-lol-blad” „De Spelbreker” te vullen, heeft in 1924 het communisme den rug toegekeerd.


30. Campbell, De Nieuwe Theologie, vgl. Philip Mauro, 666, Het getal des menschen. Kampen, Kok, 1915, bl. 77v.


31. Scharten, a.w. bl. 382.


32. Edmond Haraucourt, Daâh, de Oermensch, vert. door H. v.d. Bergh en M. Permys, Wereld-Bibl. 1917, bl. XII en XIII.




a. Bewerking van ‘De Openbaring van Johannes en de Sociale Kwestie’ VIII, Gereformeerde Kerkbode Classis Gorinchem 8 (1920v) 19 (11 juni 1921). Slot bevat materiaal uit ‘De Openbaring van Johannes en de Sociale Kwestie’ VII, Gereformeerde Kerkbode Classis Gorinchem 8 (1920v) 18 (28 mei 1921).


b. Cf. Openb. 1:7.