HOOFDSTUK XXVI.

Christus in isolement.

En zij, Hem verlatende, zijn allen gevloden.

En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem.

En hij het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden.


Mark. 14 : 50-52. a


In het verhaal van Christus’ gevangenneming vraagt nog één bizonderheid de aandacht. Het is de vlucht van de discipelen, en ook van dien onbekenden jongeling, die in den nacht den geboeiden Jezus naliep, maar van den Heiland àfgeslagen werd door domme knuppels.

Wij zouden misschien kunnen vragen: Wat doet dat er toe, of wij nu al spreken over de vlucht der discipelen? Die is toch „menschelijk, àl te menschelijk”? En, dat die anonieme jongeling uit de verte de gebeurtenissen volgde, en straks, waarschijnlijk door een handgemeen met de soldaten, ook al vluchten moest, is dàt soms wel de moeite van een opzettelijke overweging waard?

Velen zeggen ronduit: neen.

Er is zelfs gezegd, dat deze laatste bizonderheid in het verhaal voor den gang van het verhaal geen bizondere beteekenis heeft, en dat ook geheel buiten het lijden des Heeren staat. 1)

Deze opvatting kan ons echter niet bevredigen. Het rijke hart van Jezus is voor àlles, wat in de uren van Zijn leven en lijden |448| gebeurt, ontvankelijk geweest. Zijn fijne ziel reageert op àlles. Trouwens, het Evangelie zelf vertelt ons nooit iets, dat buiten het verband met het groote geheel staat.

Hierom hebben wij het recht, ja, den plicht, om óók afzonderlijk te spreken over de vlucht der discipelen, en eveneens over dien jongen man, die met ruw geweld van de ziel van Jezus afgescheurd werd. Wij zijn daartoe gehouden, juist wanneer wij niet in directen zin over die menschen spreken willen, maar over den Christus alleen.


Want de vlucht der leerlingen, en ook die van den adept, was voor Christus lijden. Neen, het verhaal daarvan is niet aan te merken als een nietige, kleurlooze bizonderheid. Integendeel: de heele bijbel ligt daarachter, en heel de profetie. En omdat deze altijd den geest van Christus heeft vervuld, kon Hij zelf reeds daarop wijzen. Bij voorbaat heeft hij gezegd, dat Zijn discipelen allen over Hem struikelen zouden, en dat daarin vervuld zou worden hetgeen de profeet Zacharia zegt: ik zal den herder slaan en de schapen (der kudde) zullen verstrooid worden b. Juist het feit nu, dat die vlucht der discipelen, hoe begrijpelijk en menschelijk ook, opgenomen is in de groote conceptie van de profetie, brengt in het kleine weer het groote; het is niet de een of andere knutselaar, die op het groote doek der evangelische schilderij een onbeteekenend klein trekje heeft „aangebracht”; neen, de profeten zijn er aan te pas gekomen . . . . Al wat opgenomen is in den stroom der profetie, gedragen en gedreven door den eeuwigen Geest, heeft zijn beteekenis. De vlucht der discipelen dóet wat in het lijdensbericht.

Nu is gemakkelijk uit Zacharia af te leiden, dat de verstrooiing der schapen oorspronkelijk bedoeld is als een strafoefening, waarin God tuchtigt het ongeloof van Zijn volk.

Reeds eerder kwam in onze overwegingen van Christus’ lijden de profetie van Zacharia ter sprake.

Wij hebben toen gezien, hoe deze profeet Israël om zijn ongeloof vergelijkt met een kudde, die weigert, de goede zorgen van den herder te aanvaarden. Isräel wil zich de geestelijke luxe veroorlooven, zelf het ideaalbeeld van een goeden herder te construeeren. |449| En omdat de herder, dien God zich kiest, niet beantwoordt aan de voorstelling van het volk, daarom onttrekt het zich aan den herder, in wien Gods ideeën over het herderschap zijn uitgewerkt. Nu zal God, zoo besluit Zacharia, dit ongeloof straffen, door den herder weg te nemen en de schapen te verstrooien. Het verstrooien der schapen is dus een strafoefening, waarin de zonde van ongeloof wordt „bezocht”. Isoleeren de schapen den herder Gods? Maar dan isoleert God de schapen; de eenige, die hen bijeen kon houden, is de waarlijk schoone Herder der verkiezing Gods.

En, hier begint voor ons juist de moeilijkheid.

Was de vlucht der discipelen alleen maar in aanmerking gekomen als een natuurlijk gevolg van de gevangenneming van den Meester, dan zou het verhaal geen nieuwen inslag krijgen, wanneer het die episode van de vlucht verhaalt.

Maar nu wij in dat vluchten der discipelen, in het uit elkaar slaan van den kring, die tot nu toe bij Jezus was, een bezoeking hebben te zien, nu wordt alles anders; het wordt nu eigenlijk heel smartelijk. Immers, de onheilsprofetie, die Zacharia liet slaan op het ongeloovige volk, wordt nu vervuld in en aan de discipelen van Jezus! Is dat niet ontstellend, dat in dézen kring de oordeelsprofetie van Zacharia terecht komt? Op den drempel van Gethsemané licht, om zoo te zeggen, God zelf die duistere passage uit Zacharia’s profetie, schrijft ze op papier, en adresseert deze bedreiging tegen het ongeloovige volk aan . . . . de elf getrouwen van Jezus; dat is te zeggen: aan de laatsten, die aan Jezus gebleven zijn, aan de geroepen ambtsdragers, die Zijn koninkrijk moeten helpen uitzetten en stutten.

Dit is voor Christus de groote smart geweest. Het was reeds lijden voor Hem, dat Zijn twaalftal van harmonische ronding geschonden was en tot een elftal was geslonken in Judas’ verraad. Maar wanneer nu óók nog de elf, die Hem gebleven zijn, uitéén geslagen worden, en gezocht worden door het oordeel, dat Zacharia dreigde over wie den herder miskenden, dan is de smart van Christus wel zeer groot geweest.

Zie, hij wil het hulkje van de kerk redden uit den bruisenden |450| waterval, — maar terwijl hij zelf in den stroom onderduikt, daar valt de vloedgolf tegen het scheepje aan en rukt het uiteen. Wrakhout, — en een razende storm van oordeel! — — —

Wij kunnen er niet aan ontkomen: teruggaande achter den uitwendigen schijn der dingen, móeten wij wel gelooven, dat de vlucht der discipelen, in dit verband gezien, wijst op zonde; want oordeel valt slechts daar, waar zonde woont.

Dat in het wijken van Jezus’ jongeren inderdaad zónde wordt bezocht, ligt trouwens reeds opgesloten in de manier, waarop het door Christus zelf werd aangekondigd. Hij heeft het woord gebruikt, dat spreekt van „ergernis.” „Gij zult allen aan Mij geërgerd worden,” heeft Hij gezegd; dat wil zeggen: de discipelen zouden struikelen, en struikelende in zonde vallen.

Maar wat wás dan die zonde? zoo vragen wij. Was het soms niet te begrijpen, dat zij vluchtten? Hadden zij eigenlijk nog wel iets te doen? Zou het niet, omgekeerd, een verzoeken van God geweest zijn, indien zij het gevaar brutaalweg hadden getrotseerd? Ja, had Christus zelf niet gezegd: indien gij mij dan zoekt, laat dezen dan heengaan? Hoe ter wereld kan het heengaan der jongeren dàn nog een kwaad zijn; Jezus zelf heeft dat immers verlangd?

Vragen genoeg, zoo men ziet.

Maar al wie zóó vraagt, vergeet, dat de jongeren iets anders hebben gedaan, dan Jezus voor hen bedongen heeft. Laat dezen henengaan, zoo heeft de Meester gezegd. Henengaan. Maar zij, — ze zijn niet heengegaan, maar zij zijn gevlucht. Heengaan is, als wij het zoo mogen zeggen, een neutrale term: men kan rustig, fier, vertrouwend, waardig heengaan, maar men kan het óók ònrustig, ònwaardig, àngstig, zénuwachtig doen. En nu hebben Jezus’ discipelen in hun heengaan niets laten zien van de fiere kracht en het sterke geloof, dat hun Meester zelf gekenmerkt heeft, maar zij zijn gevlucht.

Jezus had voor hen het recht bedongen van heengaan, waarheen ze ook wilden.2) Daarin lag dus de mogelijkheid voor hen open, |451| om achter Jezus aan te komen, Hem alsnog te belijden, Hem ook in boeien als doelbewusten herder en weg-wijzer en beschermer te belijden. Maar ze zijn gevlucht, d.w.z. ze gingen liever alle kanten uit, dan in die ééne richting, waarin de bende Jezus wegleidde.

Vluchten nu, dat ènkel vluchten is, is nooit een religieuze daad. Het is in tegendeel altijd irreligieus. De vlucht van den mensch, die alleen maar uit zwakheid wijkt, is nooit een passende uitdrukking van den wil van God. Enkel maar vluchten is nooit een geloofsantwoord op het Woord van God, gelijk het ons toespreekt in Schrift en geschiedenis.

Zeker, daar is een „vluchten”, dat tevens „vliegen” is (Openb. 12 c); een wijken, in de kracht van God, door het geloof, Hem ter eere. Het woord „vlieden” staat ook in den Catechismus. Maar: het mag daar nooit van zijn plaats. Het staat immers in de afdeeling (33), die spreekt over de waarachtige bekeering; en in dàt verband gaat het onlustgevoel van het vlieden gepaard met het lustgevoel van de opstanding van den nieuwen mensch, die zich dapper strekt naar de geboden, en dat uit kracht van de beloften.

Maar hier?

Hier is de vlucht der discipelen niet het groote gezicht op God, doch het groote gezicht op de vijanden. En daarom is het een vlucht zonder geloof. Christus gaat sterven om hun het recht van loopen te verwerven. Hij moet vooraf hun zonde van vluchten verzoenen: ze hebben hun recht niet gebruikt, ook niet toen het door Hem bedongen was. Hadden zij niet moeten vertrouwen? Had hun heengaan geen openbaring moeten zijn van hun geloof in de kracht van Christus? Indien zij gebeefd hadden voor de majesteit van Zijn Woord, en de kracht van Zijn wil, en van Zijn overwicht, dan zouden zij onmiddellijk geweten hebben, dat Zijn bevel de baan voor hen had schoongeveegd: dat de Roode Zee doorwaadbaar was. Maar wij zien juist het andere: ze zijn uit de gedoopten in Mozes d, maar ze doopen zich niet in Christus. Ze gaan hun Roode Zee niet door. O Mozes! O Lam Gods, gij zult de Roode Zee alleen in moeten.

De discipelen van Jezus, al hebben zij zoolang den Meester gezien als stormenbedwinger, als menschentemmer, en als één, wiens wil |452| gebod is, — zij zijn het alles kwijt. Knuppels zijn grooter dan de sterren, af en toe; of moet dat laatste er ook nog af? Banden en boeien van menschen zijn sterker soms dan de kracht van het Woord. Is Jezus gebonden? Maar dan kan ook òns dat zelfde overkomen, zoo roept de ziel der leerlingen zichzelf nu toe; en zoo bewijzen zij, voorbij te zien de heel eenige beteekenis van Christus’ binding. Dat Hij zich zelf nu bindt, om den vrede van de wereld te koopen, het komt niet in hen op. Gethsemané ligt voor hun geest nog buiten het klimaat der profetie, en staat nog niet onder den winddruk van het verlossingsplan. Hun gezicht in en op dezen nacht is wereldsch. En daarom hebben ze in het uur, waarin de goede Herder Zijn handen schikte tot de opperste herderlijke daad, Zijn herderschap voorbijgezien.

En, om die zonde nu van ongeloof en kleingeloof, komt heden de van Zacharia geschreven profetische oordeelsbrief bij de discipelen terecht. Niet alsof God daarmee zeggen wilde, dat zij nu buiten de liefde stonden; maar wèl om te klagen, om bitter te weenen in het heelal. Hierom ontroert zich de aarde e: om een grooten herder der schapen f, die in Zijn herderlijk werk volmaakt geïsoleerd werd, als zelfs de keur der schapen, toen het er op aankwam, den herder niet erkennen kon in de opperste herderlijke daad, die al de andere herderlijke zorgen verklaren moest en het wezen eraan geven. O, al zijn woorden prijs te geven, als er zwaarden flikkeren en boeien klikken om Jezus’ handen . . .


Vraag nu niet meer, of de vlucht der jongeren den Meester ook pijn gedaan heeft, want dit is nu wel volkomen zeker. Ach, dat vervullen van de Schrift! Hebt ge er wel op gelet, dat Christus met nadruk vrije passage (vrije!) voor Zijn discipelen vroeg, opdat Zijn eigen gebedsleven, Zijn eigen dankzegging, niet tot een ijdelheid zou worden? Hij had, eer Gethsemané’s donker Hem verzwolg, aan de deur van Zijn Vader geklopt, en had Hem dezen lof doen hooren: Uit degenen die Gij Mij gegeven hebt, heb ik niemand verloren (Joh. 17 : 12). Vader, Vader, geïsoleerd hebt Gij Mij niet! En nu — daar zijn soldaten, en zwaarden en knuppels! De hemel redde nu het |453| gebed van den Zoon . . . . Hoor, hoe Christus strijdt tot behoud van Zijn eigen doxologieën: Hij zegt, Hij smeekt, Hij beveelt: laat ze vrij, laat ze vrij, Ik wil Mijzelf verliezen, maar Mijn schapen niet! En Hij zegt dat, opdat vervuld zou worden Zijn eigen lofzegging aan God van daareven (Joh. 18 : 9).

En nu eerst gaat de afgrond open: wat in Gods groote wereld schijnt nu ijdeler dan de doxologie van Christus? Heeft Hij gebeden in de Paaschzaal en heeft Hij God gedankt en een nieuw lied in Gods ooren gezongen, omdat Hij niet van de schapen was geïsoleerd? Maar heden botst daar een oud lied, — het is van Zacharia — in Christus’ geest tegen Zijn nieuwe liederen in: ach, Heere, Hij wordt wèl geïsoleerd! De schapen vluchten; ze liggen onder den isolatie-ban van Zacharia, den profeet. Heere, mijn God, neemt Gij dan álles, àlles aan, behalve de gebeden en de dankzeggingen van Jezus den Nazarener?

En gij, die den Bijbel leest, ziet gij nu den tweespalt tusschen deze twee gevallen, waarin er geschreven staat: opdat vervuld zou worden? Christus’ woord vervuld? Maar Zacharia’s woord is óók vervuld! Dat wringt, dat schuurt, dat doet verschrikkelijk zeer! De schapen behouden? Wel neen, de schapen verstrooid, . . . . en dat buiten het klimaat des geloofs! Mijn Heiland, wat hebt Gij misdaan, dat God U zooveel moeite aandoet — in Uw gebeden? 3) Wat hebt Gij gedaan, dat de Almachtige Uw eigen doxologieën voor Uw besef laat disputabel stellen op het eerste gevoel door een profetie van Zacharia? Moet Gij dan alles, letterlijk àlles, opworstelen uit de diepste afgronden? Wil God zelfs geen betamelijken dank van U aannemen? Moet Gij vechten om het recht van den lof? Heere, zijt Gij zóó grondig alleen?

Ja, zóó volstrekt alleen is nu de Christus. Het beste offer, dat Hij heeft, is de offerande der gebeden. Maar de rook slaat naar beneden. Kaïn, Kaïn! g Nochtans is zijn naam: de meerdere van Abel h.

Van twee kanten wordt Christus nu gedreven in Zijn isolement: van Gods zijde, en ook van de zijde van Zijn vertrouwden. |454|

Dat God Hem isoleert, is uitgedrukt in het woord: sla dien herder. Hier roept God zelf het zwaard op, om zich te keeren tegen den herder, dien Hij eerst zelf heeft aangewezen. God is het, die Jezus in boeien legt, die Hem afscheurt van de schapen, en die de verstrooiing der schapen Hem laat gevoelen als een verstrooiing van zijn eigen gebeden. Kaïn, o Kaïn! Nochtans is zijn naam: de groote Abel. —

Maar, o, indien de schapen nu nog maar meegegaan waren tot het einde toe! Of indien zij enkel maar „heengegaan” waren, rustig en fier in geloof, als krijgers, die, hoewel overwonnen door een vleeschelijke overmacht, dankbaar en vertrouwend gebruik maken van de vrijheden, die hun overste voor hen bedongen heeft! O, indien de verstrooiing der schapen nu alleen maar gevòlg geweest was van Gods daad, die Christus, den herder, van hen aftrok! Dan zou de verstrooiing der schapen Jezus niet gewond hebben, meer dan God zelf Hem pijnigde. Maar hun ongeloof maakt scheiding tusschen kudde en herder. Schapen mijner weide, wat heb Ik u gedaan, dat gij Mij zoozeer gewantrouwd hebt?

Alzoo heeft dan zoowel het recht van God, als ook de ontrouw van de schapen den grooten Herder geïsoleerd van alle zijden. Zóó gaat nu de Knecht des Heeren naar Zijn rechters toe. Christus in isolement . . . . Wat zou deze schapenherder nu nog kunnen doen? De eigenaar der schapen zwijgt tot Hem, rukt zelf Hem van de schapen af, isoleert Hem. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij de schapen van Hem afgenomen? En niets gaf Hem verlof, het mandaat over Uw kudden neer te leggen? Moet deze Werker het werk aanvatten in den blinde? Als Hij achterwaarts ziet, dan ziet Hij de schapen van Hem heengaan. Zijn brengen Hem ook in isolement. Schapen van Gods weide, waarom hebt gij Hem het vertrouwen ontnomen? Geest des Heeren, waarom verstokt Gij hun hart, waarom gunt Gij den grooten Mozes niet een paar handen om Zijn armen te stutten? i Waarom blaast de Heilige Drievuldigheid in het reukoffer Zijner gebeden: ik dan U Vader, dat ik niemand verloor? Kaïn, vreeselijke Kaïn! Is hij dan niet genoemd: vervuller van Abel? Was er geen stem over den Jordaan? j En waar blijft nu de Geest, |455| die daalde over dit gedoopte hoofd? De duif is lang gevlogen, hier krassen demonen. Wie leert Hem de lofzangen Israëls? God is daaronder k. En zijn ziel is naar God zoekend in den morgenstond l.

Christus in isolement. —

De eigenaar der schapen, en de kudde zelf, ze stooten Hem van de kudde weg, en gij, mijn ziel, gij stoot Hem bovenal m. En in dat isolement moet de groote schapenhoeder Zijn leven geven voor de schapen. Maar dan is ook nooit de teederheid van Johannes 10, dat hooglied van den Goeden Herder, zoo verschrikkelijk geworden, als in dit verbijsterende oogenblik. Hier is geboren het woord, dat later Paulus zwak zijn Meester naprevelt: zij hebben mij allen verlaten, het worde hun niet toegerekend n.

Nu, — om dat laatste mogelijk te maken, om het isolement te verzoenen dus, aanvaardt de herder Zijn eigen isolement als straf voor hun isoleeringsdaad, om zoo de schapen onder het oordeel weg te trekken tot de weide der gemeenschap. Hij klemt Zijn tanden op elkaar; Hij verdraagt het, dat ze den rook van de offerande Zijner uit-eindelijke paasch-gebeden met hun plomp gedwarrel en zenuwachtig gedribbel uiteenjagen, zoodat de offeranden van Zijn gebeden bedenkelijk veel gaan lijken op een Kaïns-offer. Hij verdraagt alles, alles — amen, meer dan Abel is hier. Want hij heeft om de resten van hun ouden Kaïns-mensch den nieuwen mensch in zijn discipelen niet vergeten, noch verworpen, Hij zal toch voor hen sterven, zijn bloed schreit beter dan Abel.

Maar vraag nu nooit meer, of het Hem soms pijn gedaan heeft. Isolement doet zeer, want de mensch is van huis uit op de gemeenschap aangelegd. Er zijn eenzame zielen, die, van menschen verlaten, zich soms nog hechten aan een dier, omdat zij niet kunnen buiten de aanspraak, buiten gezel-schap. Hier is een kinderloos echtpaar, dat een hond heeft; daar een eenzame soldaat, die op zijn sterfbed vergeefs om moeder roept, en nu de hand van de verpleegster in zijn doodsnood zoekt, ginds een petroleumvrouwtje met een kanarievogel in een kooitje, driehoog in een steegje; en tusschen al die menschen hangt een verborgen tragedie, want daar wordt geschreid om gezel-schap: een verbeten traan, een droge snik. — |456|

En dacht gij, dat Christus anders geweest was? Ach, juist Zijn fijngevoelig hart heeft behoefte aan menschen, aan een begrijpend hart, aan een meelevende, d.w.z. een zich in Hem inlevende ziel. Maar Jezus ziet ze heengaan, één voor één. Zie, daar gaat Petrus. En nu vlucht Johannes. Ook Jacobus maakt zich uit de voeten. En elk van die vluchters scheurt zich af van Jezus’ ziel, die weeke ziel, die, fijner dan de ziel van den gevoeligsten telepaath, reageert op alle áánwezigheid en alle áfwezigheid van liefde-gedachten en van zieletochten, welke voor Hem zijn, om Hem te streelen met hun vriendschap en geloof.

Dit is het eerste bedrijf van het tragisch conflict van den vereenzaamden Christus, die door Zijn elf getrouwen, gelijk ook door al de zwijgende hemelen, gebracht wordt in het isolement.


Toch schijnt er nog nieuw licht te dagen, één enkel oogenblik. De elf van ouds getrouwen verlaten wel den Meester, — maar zie, daar komt, schuchter en verlegen, een ander aan, om met zijn tegenwoordigheid (dat groote, dure, menschelijke goed) de menschelijke ziel van den Man van Smarten te troosten en te sterken.

Die andere is: de onbekende jongeling in den hof van Gethsemané.

Hij schijnt wel een belofte! Wanneer er twaalf reuzen vallen, is dan een nieuwe dwerg, die opstaat, soms geen groote vertroosting? En wanneer daar twaalf eikeboomen geveld worden, is dan een schuchter bloempje, dat zijn kopje opbeurt, soms geen lieflijke ontdekking? Zóó is de jongeling, die anonymus, uit Gethsemané een teeder bloempje aan den kant van den weg, waarop de twaalf apostelen den Heiland één voor één verlaten hebben. Zou die onbekende jongeling, die Jezus met liefde, en niet zonder moed, nu volgen gaat, zou die den ban van het isolement misschien gaan breken? Vader in den hemel, brengt Gij een kleine aan? Zult Gij Jezus’ hand „Zich tot de kleinen laten wenden?” o Van degenen, die Gij Hem gegeven hebt, heeft Hij allen verloren. Maar gaat Gij een nieuweling Hem geven, en mag Hij dien behouden? Gunt Gij den Zoon de leerlingen niet, geeft Gij Hem dan den verlegen adept? De „leerlingen van den eersten graad” zijn achteruitgeslagen; maar |457| mag de Zoon, die eenzame ziel, zich nog vergezelschapt weten van een „leerling van den tweeden graad”? Verleent gij gratie, hemelsche Vader?


Die vraag heeft haar beteekenis. Zij raakt rechtstreeks het lijden van den Christus, en, gelet op het voorgaande, óók de profetie.

Want, wat wil God met dien jongeling?

Wie is hij eigenlijk?

Strikt genomen, — wij weten dat niet. De naam van den jongen man is ons niet nader aangeduid. Blijkbaar is hij haastig zijn woning uitgegaan. Het schijnt, dat Hij reeds op zijn slaapkamer is geweest, want hij draagt een onderkleed over het bloote lichaam, zooals dat gewoonlijk gedragen werd, wanneer men zich te ruste begaf. Maar van zijn kamer is hij schielijk achter Jezus aangekomen. Hij heeft gezien, wat er gebeurde en is, blijkbaar met gevoelen van liefde en van sympathie, 4) Jezus gevolgd. Hij heeft — blijkens het griesch van den tekst — hij heeft dat een tijd lang gedaan, en volhardde daarin, óók toen de discipelen vluchtten. De eerste stormloop van vijandelijkheid heeft hem niet dadelijk omver geloopen. Hij ging mee. En toen hij ging, toen wist Jezus het. Dezelfde fijne waarneming, die Nathanaël eenmaal zag zitten onder den vijgeboom p, en die het Hem dadelijk liet gevoelen, toen het geloof van een lijderes haar leven uit Hem trok, toen zij Zijn kleed aanraakte, en kracht van Hem deed uitgaan door het geloof q, — ze is ook hier. De ziel van Jezus proefde en smaakte, dat de liefde van dezen jongen man sterkend op haar inwerkte. Zijn aanwezigheid was voor Jezus een gave van God; zij leek Zijn isolement te breken.

Wie deze jonge man was?

Jezus wist het, maar wij weten het niet. Sommigen hebben namen genoemd, en b.v. gedacht aan Johannes, of aan Jacobus, of aan nog anderen, b.v. Saulus. Er is evenwel één opvatting, die de aandacht verdient, omdat ze niet willekeurig is. We bedoelen |458| de meening van hen, die hier aan Marcus denken, den lateren evangelist. Er is zeer veel, dat daarvoor pleit. Reeds hebben wij in hoofdstuk X gesproken over de mogelijkheid, dat deze Marcus in hetzelfde huis woonde, waarin Jezus den Paaschmaaltijd gehouden had, en opperden wij het vermoeden, dat hij dus in hetzelfde huis, waar Jezus met de leerlingen had aangezeten, uit de verte alles, wat daar gebeurde, aandachtig gevolgd heeft.

Wanneer nu deze Marcus, wiens vader (of moeder) behoorde tot den kring van Jezus’ vrienden, ook onder den indruk gekomen is van Christus’ heiligheid, dan is het te begrijpen, dat — misschien was dat wel een van de eerste naar buiten gaande zegeningen van het eerste Avondmaal — een meer dan magnetische kracht hem achter Jezus aan getrokken heeft. Sommigen stellen het zich zóó voor, dat de soldatenwacht, die onder aanvoering van Judas stond, eerst gegaan is naar het huis, waar het Pascha gevierd was, om zich te vergewissen, of Jezus daar nog was. Misschien is de jonge man toen door dat trommelige soldatenrumoer gewekt, en heeft hij, door angst en liefde gegrepen, haastig zijn bed verlaten, om de soldaten achterna te gaan. Dat hij een „lijnwaad” droeg, d.w.z. een kleed van fijne Indische stof, of ook van boomwol, wijst er op, dat hij tot de welgestelden behoorde; en ook dat is dan weer een bizonderheid, die overeen zou komen met hetgeen ons van Marcus bekend is.

Al deze dingen, om nu maar van de andere gegevens te zwijgen, maken de opvatting, dat Marcus zelf de onbekende jongeling geweest is, wel zeer waarschijnlijk. Zóó wordt trouwens ook gereedelijk verklaard, dat alleen Marcus’ evangelie de bizonderheid van dezen jongen man aanteekent, en dat de naam van den schrijver zelf kieschheidshalve verzwegen wordt.

Maar waarom zouden we nog verder zoeken naar gegevens, die ons de identiteit van dezen jongen man zouden kunnen doen vaststellen met meer of minder stelligheid? Brengt dat ons zooveel verder?

Immers neen?

De vraag, wie het was, moge interessant zijn, — maar het voornaamste gaat zij voorbij. Ook nu willen wij nadrukkelijk vastleggen, dat wij op dit punt geen zekerheid hebben. |459|

Dat is ook niet noodig.

Want hierop komt het aan: het gezelschap van dezen proseliet is den Christus ras ontnomen. Wanneer de soldaten hem te lijf gaan, omdat ze in hem een volgeling van Jezus zien, en zij geprikkeld zijn door zijn „overmoedigheid”, — dan volgt er een handgemeen, en in het gewoel van dat gevecht laat de jonge man zijn kleed achter in handen der soldaten, en vlucht naakt naar huis toe.

Voor Christus is hierin de wet van Zijn volstrekt isolement bevestigd, en haar toepassing is er door verscherpt.

Laat ons niet vergeten, dat het met den onbekenden jongen man anders stond dan met de elf apostelen. Tot den engen kring der discipelen heeft hij niet behoord; want de evangelisten teekenen duidelijk aan, dat deze laatsten allen waren gevlucht. In zóó verre dus deelde hij niet in het door Jezus bedongen vrijgeleide voor de elf discipelen. Dat hij desondanks den moed had, om te volgen, en te zien, wat met Jezus geschieden zou, was een onmiskenbaar blijk van durf. Hij ging achter Jezus aan zonder eenige belofte, zonder eenig vrijgeleide. Zijn moed beschaamde de vreesachtigheid der apostelen, die immers wèl een vrijgeleide hadden ontvangen uit Jezus’ beschermend woord? Toen déze jongeling meeging, en dichter op Jezus aanhield dan, later, Petrus en Johannes zouden doen, toen leek dit een nieuwe hoop, een nieuw begin; een nieuwe knop ging botten in den tuin der verwachtingen van Jezus den Nazarener, dien waarachtigen mensch.

Maar nu schijnt God, die Jezus in boeien sloeg, zóó wreed, zóó hard, dat Hij ook dat nieuwe scheutje van den afgehouwen tronk der hope Jesu met geweld afslaat. God laat door het zwaard der soldaten óók nog dien jongen man verjagen. Want van àlle zijden moet de nacht met zijn duister op den Zoon des menschen dalen. Niet alleen maar het oude, maar ook het schuchtere begin van nieuw gezelschap, moet in dit oogenblik den Zoon worden afgenomen, leerling en adept, gevorderde en beginneling, het twaalftal van het verleden en de eerstelingen der pinkstertoekomst, de nieuwe patriarchen en de schuchtere proselieten, het overblijfsel van het Oude Verbond èn de primitiae van het Nieuwe, àlles, àlles moet |460| van Jezus weg. Ja, Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U! r Het isolement, — dat moet volkomen zijn.

En wel heeft, láter, de teere knop van de liefde voor Jezus in de ziel van de schuchtere beginnelingen haar bloesem ontplooid en haar vruchten doen rijpen tot verheerlijking van Jezus Christus; en wel is, stel, dát het inderdaad Marcus was, de ranke liefde van dezen pros-eliet (aan-komeling!) later groot geweest, en sterk, en profetisch, in haar bloei voor den verheerlijkten Christus; maar op dit oogenblik neemt God Hem alles af, oud en nieuw, de discipelen der gewoonte èn de leerlingen van de verte, de verzadigden met wijsheid èn den hunkeraar naar een woord van den Wonderbaren Profeet, dien gevangenvoerder van zielen. Allen moeten van Jezus worden afgetrokken, de tafelgasten èn de toeschouwers op een afstand. Zwijgt, alle hemelen, en laat de synthetische geest niet vaardig worden over eenig Jezus-zoekend hart. Waait niet, winden van liefde, en dauwt niet, morgenwolken van jeugdige harten: stel uw gelaat als een keisteen, gij gansche aarde, tegen Jezus, tegen den Nazarener. Zóó moet Hij leeren die kunst: Zijn aangezicht als een keisteen te stellen s. Dompelt Hem in, o engelen, die fakkels draagt, engelen der koele onderscheidingen, dompelt hem in, in de groote eenzaamheid. Laat alle hemelen hooren het wreed geheim: Christus is in isolement, want dit is het oordeel.

Wilt gij het oordeel proeven? Maar gij zoudt in de hel moeten zijn. Want in de hel, en daar alleen, is het isolement volkomen.

Daar zijn twee werelden, uiteindelijk.

De wereld van den hemel is er eerst. Daar vloeien de zielen in elkander over, zonder zich met elkaar te versmelten. Daar wordt het ongesproken lied, dat in het hart van den één geboren wordt, aanstonds verstaan, en overgenomen, door het hart en in den mond van den ander. De hemel is de plaats der volstrekte gezel-ligheid, en der volmaakte harmonie van ideeën en gedachten.

Doch hier tegenover ontwerpt de bijbel dat andere beeld van de hel. Daar begeert de ééne mensch den andere niet. Elke zielsuitgang van den één, is daar een zwaardwond voor den ander; gedachten en wenschen kunnen er enkel maar stekende messen zijn. |461|

Tusschen deze twee werelden gaat nu de gebonden Christus.

Het ongeloof van Zijn discipelen isoleert Hem: o, hoe hun gedachten nu stekende messen zijn!

En de liefde van den schuchteren jongeling, die mee wil, in wien de liefde hijgt, in wien de toekomst haar rechten vraagt, deze anonymus, bij God bekend, maar die de bloem en de hoop der welhaast christelijke gemeenschap is, — hij wordt ook nog van Jezus afgenomen. God isolert Hem. O, hoe Gods gedachten nu stekende messen zijn! En een tweesnijdend zwaard, al wat de Rechter van hemel en aarde in Zijn hart bedenkt, nu in denzelfden nacht, die een avondmaalsformulier zal inspireeren. Gods zwaard ontwaakt tegen den Herder, en jaagt zelfs het bevend lammetje, dat argeloos achter de kudde aankwam, van den goeden Herder weg: o, hoe dat zwaard verteren kan!

Laat ons nu nooit meer zeggen, dat iets van het lijdensverhaal buiten Jezus’ lijden ligt. Laat ons Gethsemané verlaten met een puur gezicht op den geïsoleerden Borg onzer zielen, die Zijn herderschap vervuld heeft, ook toen Hem de kudde ontnomen werd, en die het zuiver en alleen gedaan heeft, omdat God het van Hem eischte en de groote liefde Hem bewoog. De Herder, die, zelfs zonder eenig gezicht op de schapen, Zijn ziel in hun plaats stelt, die heeft gebeefd voor God, en Zich Zelf, met de te koopen schapen mee, in de hand van den Vader gegeven. Want Hij heeft de idée van schapen en herder in Zijn hart gehad. En toen Hij de idée had, waarachtig had, toen Zijn herdershart wandelde door geloof zonder eenig aanschouwen t, toen heeft Hij de werkelijkheid veroverd, scheppend en almachtig. Slechts wie de idée heeft, hééft de werkelijkheid.

En daarom is mijn Jezus waard, de Koning van Zijn kerk te heeten, en de groote Herder der schapen. Hij heeft de idée van de kerk in Zijn hart gehad, ook toen alles met die idée den spot dreef.

Want twee machten dreven de zijnen van Hem weg.

Een macht, die van binnen naar buiten werkte allereerst: hun ongeloof en vrees. Zij vielen uit elkaar, zij konden geen gezelschap, geen samen-komst,5) hebben uit zichzelf. |462|

En een macht, die van buiten naar binnen werkte, kwam daarbij: God joeg ze van Jezus weg, en de duivelen, en de menschen ook. Er was geen uitwendige kracht, die hen bij elkander bracht, en dwong, en hield, en saam-vergaderde. 6)

En toen het er zóó desolaat in de wereld voorstond, dat geen enkele macht, van binnen naar buiten werkende langs organischen weg, en geen enkele macht, van buiten naar binnen werkende langs mechanischen weg, het gezelschap der geloovigen aan Jezus kon verbinden, toen heeft Hij het zelf gedaan. Hij heeft Zijn kerk geschapen. Een almachtige daad, een vervaarlijke wil! Want is de Schepper ooit anders dan in isolement? De scheppende God, die is alleen. O Christus! Kerkvorst. Vader der kerk. 7) Mijn Heer en mijn God! Gij hadt de kerk in uw idée, daarom wint Gij ze ook in werkelijkheid.


Sommigen hebben gezegd, dat het kleine trekje, dat Marcus in zijn evangelie bracht, toen hij het verhaal invlocht van dien onbekenden jongeling, te vergelijken was met het monogram, dat een schilder aanbrengt op zijn doek, ten einde daarmee aan te duiden, dat hij zelf het schilderstuk vervaardigd heeft.

Het is mogelijk, dat men zoo juist ziet.

Maar hoe het zij, dit is voor ons wel zeker, dat in het persoonlijk bericht van ieder gemeenschapsleven met God, die ééne plaats, waarin elk van Gods zonen schrijft, dat hij Jezus verlaten heeft, het aller-persoonlijkst monogram is, waarmee hij het verhaal van zijn bekeering en van zijn gemeenschap met Christus waar maakt als persoonlijke ervaring.

Zet uw hart op den geïsoleerden Christus en zeg tot Hem: ja, ik heb U verlaten. Ik heb o Heiland, Bruidegom, U verlaten. Ik heb de deur niet opengedaan, de deur van mijn hart. Ik ben het, wien de wachters den mantel hebben afgenomen, en och, hoe hebben ze mij geslagen, toen ik den Bruidegom zocht, dien ik toch door ongeloof geïsoleerd had (Hooglied 5 u). |463|

Ik, ik. —

Zwijg nu maar verder stil en hoor aandachtig naar Hem: want nu gaat Hij u zelf bezweren, dat Hij u, niet alleen als verlatene, maar ook als verlater, aangenomen heeft. Zulk één is mijn liefste, o dochters van Jeruzalem v.

Want indien wij met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, toen wij nog verlaters waren, veel meer zullen wij behouden worden door Zijn leven, nadat wij in Zijn gemeenschap ingedragen zijn w. Indien wij, terwijl wij Christus door de zonde isoleerden, nochtans door Hem, die in isolement gebroken is, vanwege Zijn onweerstandelijke liefdeskracht aangenomen zijn, dan is de verlossing volkomen. Alle twijffelingen en onverzekerdheden, die de ziel mòeten besluipen, zoo vaak zij den waan voedt van een niet-geïsoleerden Christus, ze worden àlle gebroken bij een gereformeerd gezicht op dit groote wonder: dat Christus is geïsoleerd, opdát Hij alleen door souvereine genade het isolement zou breken, en de gemeenschap van God met Zijn gekochten stichten.

O ja, toen Johannes schreef, dat hij met de oogen heeft gezien en met de handen heeft getast het Woord des levens, toen hoorde daar ook bij het aanschouwelijk gezicht, de tastbare ellende van Christus, geïsoleerd ook door Johannes! Maar daarom golft de genade dan ook op, in wat daar verder volgt: wij verkondigen het u, opdat ook gij gemeenschap hebt met ons. En onze gemeenschap met den Vader is ook met zijn Zoon Jezus Christus. En dit schrijven wij u, opdat uwe vreugde vervuld zij. (1 Joh. 1 : 1-4). Ja, driemaal gemeenschap, door Christus’ drievuldig isolement. En vervulde vreugde, door Zijn verdiepte droefheid. Geef mij nog eens het formulier van ’s Heeren heilig avondmaal.


Wij verlaten nu Gethsemané, ziende op den geïsoleerden Heiland. Wij weten, dat de verlossing vast ligt in God, en in het eeuwig welbehagen. Want niets van de menschen, zelfs niet de aspiratie van eenig Christus-verlangen, dat in menschenzielen trilde, heeft Hem bekwaamd tot het offer. Hij heeft al Zijn wierook alleen ontstoken. Hij was in Zijn volmaakte isolement en Zijn eigen vlam |464| alleen heeft naar den hemel getracht. Zijn eigen arm alleen heeft heil beschikt.

Mozes, Mozes! Gij hebt uw staf geheven over de Roode Zee — en uw geloof dwong haar zeer breede wateren. Maar gij waart niet alleen. Achter u zuchtte heel een volk, en het drong op, het drong aan, het moest en zou er door. En Aäron keek gespannen toe, en Mirjam vocht in gebeden met u mee. Alle beschikbare gebedsenergieën vochten met u mee, Mozes: zij beurden samen uw arm op, die den staf verhief, den waterklievenden staf. Ja, ja, uw geloof, maar gij waart in de wolk der getuigen geloovig. Gij waart niet geïsoleerd.

Maar Christus

Hij stond voor de Roode Zee — en Hij zag om, en niemand uit alle werelden ging met Hem mee. Israel lag verstrooid. De nacht was donker. O, een zee te klieven, als het volk onzichtbaar is! Nu, Christus is de Roode Zee ingegaan als een geïsoleerde. Nooit is er één zóó alleen geweest.

De Rijkswet wilde zoo: het kon in heel de wereld niet anders.

Maar als mijn ziel het lied van Mozes en van het Lam (Openb. 15) eenmaal zingen mag, dan zal het Lam mij meer dan Mozes zijn. Dit zal dan ook conform de Rijkswet zijn.

In Zijn isolement ligt al mijn kracht; ik loof eerlang Hem in een groote schaar x. De groote schare is dat van alle vluchters te zaam.




1. Dr J.A.C. van Leeuwen, Het Evangelie naar Markus, Korte Verklaring der H.S., Kampen, J.H. Kok, bl. 188.

2. Volgens de beteekenis van het grieksche woord.

3. „U smeekten zij, . . . . van schaamte nimmer rood, in hun gebeden” (Ps. 22).

4. Dit is blijkbaar een element in het grondwoord, dat sommige handschriften hebben. Zie ook P.G. Groenen, a.w. , blz. 221, en vgl. Marcus 5 : 37, Lucas 23 : 40.

5. Coetus: gemeenschap, zich vormend van binnen uit.

6. Congregatio: gemeenschap, gevormd van buiten af.

7. Coetus (actief) et congregatio (passief): naam voor de Kerk in de Ned. geloofsbelijdenis.




a. Niet eerder gepubliceerd.

b. Vgl. Zacharia 13:7 en MatteŁs 26:31, Marcus 14:27, Johannes 16:32.

c. Vgl. ‘Vluchten en Vliegen’, De Reformatie 3 (1922v) 51,377v (21 sept. 1923); opgenomen in Licht in den rook1, 25-31.

d. Vgl. 1KorintiŽrs 10:2.

e. Vgl. Spreuken 30:21.

f. Vgl. HebreeŽn 13:20.

g. Vgl. Genesis 4:5.

h. Vgl. HebreeŽn 12:24.

i. Vgl. Exodus 17:12.

j. Vgl. MatteŁs 3:17, Marcus 1:11, Lucas 3:22.

k. Vgl. Psalm 22:4.

l. Vgl. Psalm 46:6?

m. Vgl. Psalm 103, vers 11 (berijming 1773) (sic!).

n. Vgl. 2TimoteŁs 4:16.

o. Vgl. Zacharia 13:7.

p. Vgl. Johannes 1:48.

q. Vgl. MatteŁs 9:20-22; Marcus 5:25-34; Lucas 8:43-48.

r. Vgl. MatteŁs 11:26, Lucas 10:21.

s. Vgl. Jesaja 50:7.

t. Vgl. 2KorintiŽrs 5:7.

u. Vgl. Hooglied 5:7.

v. Vgl. Hooglied 5:16.

w. Vgl. Romeinen 5:10.

x. Vgl. Psalm 22, vers 13 (berijming 1773).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000