Vluchten en vliegen

en de vrouw vluchtte in de woestijn . . . en aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen van een grooten arend, opdat zij zou vliegen in de woestijn . . .

Openb. 12 : 6 en 14. a


Dit is de paradoxale blijdenis, die ons van Paulus is gebleven:

Als ik zwak ben, dan ben ik machtig b.

En de ziener van Patmos, Johannes, die de Openbaring ons gaf, heeft deze paradox tot katholieke, algemeene, belijdenis verheven.

Want van hem is de dramatische uitbeelding, die dit Paulinische woord als onderschrift gaarne verdragen zou, wanneer hij de handen strekt naar de zon, en daar de vrouw u toont, die in nood is en dus zwak, doch die ook baart en daarom sterk is in haar gevende leven.

En straks wijst hij in horizontale richting over de aarde heen. Zie, zegt hij, zie de vrouw vluchten. Maar haar vluchten (vs. 6) wordt vliegen (vs. 14); en in haar angst wordt Geesteskracht, in haar hulpeloosheid adelaarstrots openbaar.

Als zij vlucht, dan vliegt zij.

Als zij zwak is, dan is zij machtig.


Wie is die vrouw? En waarheen is haar vlucht?

Zoo, gelijk ze de ziener aanschouwt in haar bestrijding en benauwing, is zij de kerk, de verkorene van God. Tegenover haar staat de draak — nu is de tegenstelling volkomen. Want de vrouw baart; van haar de macht, die leven geeft. De draak verslindt; in hem de brute kracht, die leven beneemt. De oude slang, zegt Johannes, |26| die is de draak; hij is de geest van het kwade; de geest, die afbreekt en vernielt; Satan, duivel, menschenmoorder.

En die draak is in vreeselijke spanning: want tuschen „vrouwenzaad” en „slangenzaad” is nu de strijd losgebroken c. Het kind, dat de vrouw baart, is de Christus zelf, Hij, mannelijk in Zijn kracht, volkenbeheerscher (vs. 5). Is Christus niet de zoon der kerk, Hij, die mensch is onder de menschen? Zijn geboorte is het keerpunt der tijden. Hèm wil daarom de draak verslinden. Maar — en hier zingt de jonge verheuging van de christelijke kerk haar morgenlied — de strijd wordt voor den draak een nederlaag. Straks is de groote Zoon der vrouw, de Christus, ten hemel weggerukt. Hij is Zijn hemelvaart, die hem aan alle bestrijding onttrekt.


Toen is gekomen over de kerk de diepe ontroering: de Zoon des menschen in een paradijs, Zijn kerk naar de woestijn. Zijn beveiliging beteekent voor de kèrk het groeiende gevaar. Want als de draak niet aan de kerk haar Christus ontnemen kan, dan tracht hij den Christus Zijn kerk te ontrooven.

Zijn woede keert zich nu tegen die vrouw, tegen de thans Nieuwtestamentische gemeente. — En hier schreit de jonge schuchterheid der christelijke kerk haar morgengebed; uit de diepten roept zij tot U, o God d.

Want de Satan is tot haar afgekomen. En hij heeft „grooten toorn, wetende, dat hij maar een kleinen tijd heeft” e.


Nu is de vrouw zwak. Want zij vlucht in de woestijn. Ze vliedt, omdat ze niet kan staan tegen de macht, die haar verderf wil.

Doch als ze zwak is, dan is ze machtig. In haar vluchten komt over haar de kracht van den Allerhoogste f. Aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen, waarmee ze vliegen |27| kan. Haar vluchten wordt vliegen. Het zijn arendsvleugelen, die haar gegeven worden; en de arend is het symbool van kracht. Vleugelen van een grooten arend ziet de apostel in zijn visioen; hij stapelt de woorden opeen, om toch vooral dit ééne te zeggen aan wie hem lezen: dat forsch en machtig en zeker en sterk is de gang der vrouw naar de woestijn. Zie, hoe ze gaat: ze vlucht, maar ook: ze vliegt — als een arend.

Vluchten is zwakheid; vliegen is kracht. Vluchten is moeten; vliegen is willen. Vluchten is overhaasting; vliegen met arendsvleugelen, dat is: gaan in rustige kracht. In het vluchten ligt de onzekerheid; in het vliegen de zekere doelstelling. In het vluchten de vermoeienis; in het vliegen de sterke, bewuste daad. Bij de vrouw, die vlucht, denkt ge aan een schichtige, angstige ziel; doch wie haar met arendsvleugelen vliegen ziet, ontdekt in haar een wonder: ze maakt van haar lot haar keuze; wat opgelegd is, wordt in vrijen wil aanvaard.

In die vrouw brandt het onlustgevoel, dat verteert. Zij moet vluchten. En dat is het negatieve, het afgescheiden zijn: zij is niet van de wereld; zij, die immers op de vlucht is. Zij moet vlieden, mijden, bang zijn.

Maar in haar binnenste groeit ook de Lust, die ja zegt: zij kan vliegen, als een adelaar, zoo rustig en sterk. En dat is het positieve; dat is het leven, de handeling, de beweging uit eigen drift en drijving, uit eigen Geestesdrang. De vrouw is niet enkel niet van de wereld; zij gaat ook, in haar hooge vlucht, boven die wereld uit. Zij kan gaan, en heerschen en sterk zijn.

En is het niet, alsof ge den Pinkstergeest ziet, die de vrouw, de kerk, tooit met de adelaarsvleugelen van zijn kracht, zijn energie, zijn Geestesgaven? Wat is de kerk na Christus’ heengaan in zichzelf anders dan een kudde zonder herder; een zwak hoopje, dat geen Helper heeft, dat wijs doet, als het op de vlucht slaat? Maar is de Geest, de Pinkstergeest, niet gekomen? Ja, Hij kwam over haar; |28| en haar daden waren groot; zij heeft de woestijn gekozen, doch haar gang was zegetocht, arendsvlucht.


Vluchten en vliegen.

Ons hedendaagsche christentom moge dan nu ophouden te twisten over de vraag, wanneer wij dragers zijn van christelijke religie: indien wij vluchten, dan wel, wanneer wij vliegen — met arendsvleugelen.

O, zegt de een, mijden, vlieden, vluchten, daarin worden alle eischen vervuld, welke God ons stelt. En zoo komt de levenshouding op, die klaagt over den sterken vijand, en die zich vooral niet „vergezelschapt” met de wereld, die maar in het booze ligt. Kunst en cultuur, natuur en leven, spel en genot, evolutie en eruditie, het is àlles van die slechte wereld, en het komt niet op uit de wedergeboorte en daarom — vlied deze dingen g, wees asceet en raak niet, smaak niet, roer niet aan h . . . . Vluchtend christendom. Niet vàn de wereld zijn, daarin gaat heel de belijdenis op.

Neen, antwoordt de ander, met onthouding zijn we niet gereed. Laat uw arendsvleugelen zien en laat uw drift, die alle hoogten in en alle breedten òver wil, zich vrij doen gelden! Wees niet bang, doch doe wat. Spreek niet altijd van gevaren, doch treed op uwe hoogten i. Vlucht niet voor de kunst, omdat de „wereld” er aan doet, doch bouw zelf uw schouwburg; en het verbond, dat gij met uwe oogen hebt gesloten j, kome van het negatieve, dat ze geen kwaad willen zien, tot het positieve toe, dat ze zich willen weiden aan eigen doorleefde en belichte schoonheid. Trek u niet terug, maar zie de gevaren onder de oogen en dan . . . . . vlieg rustig als de adelaar, waarheid uw souvereine keuze wil . . . . . „Vliegend” christendom. Bóven de wereld uitgaan, daarin gaat heel de belijdenis op.


Nu moge ons terechtwijzen de oude man van Patmos. |29|

Hij had, gevangene van Jezus Christus, aan den lijve gevoeld, wat „woestijn” beteekent en wat „de wereld” is en hoe men vluchten moet om de getuigenis van Jezus Christus k.

Maar zijn gedwongen ballingschap wordt hem vrije liturgie; en het opgelegde ballingsoord aanvaardt hij als de plaats, voor hem besproken door zijn God.

Vluchten en vliegen, moeten en willen, machteloosheid en kracht, lot en lust, ze vallen bij hem samen.

En nòg moet, óók voor ons, vluchten vliegen zijn en vliegen vluchten.

Wie niet bang is, bàng voor de wereld, bang voor de zonde, die kent zichzelf niet en kent zijn zonde niet. Al zijn spreken over „vliegen”, over de vrije daad en den eigen opbouw uit eigen beginsel, loopt buiten de wezenlijke sfeer der christelijke religie om: want bekeering, dat is ook: bàng zijn, vluchten, vlieden l.

Maar aan de andere zijde: wie met vreezen en vlieden en vluchten tevreden is, heeft de roeping, die van boven is, nog niet verstaan. Zijn cultuurverachting is niet kracht, maar zwakheid; is geen vrije keus, die om Godswille zich òntzegt, doch ressentiment: hij kàn niet meedoen en vloekt nu die wereld, voor wie hij de macht niet heeft om te bidden. Zijn pelgrimsliederen over voeten, die wond geloopen zijn en over handen, die den reisstaf niet meer houden kunnen, zijn bedelaarsgebeden: hij ziet zijn weg vol ellenden, maar weet niet, dat plaatsbespreking, die God voor ons doet, 1) recht op erfenis, en zoo zekerheid van wereldbezit door wereldoverwinning bevestigt en verkondigt. Hij is altijd arm, en zegt nooit tot zijn ziel: alles is uwe m. Hij bepaalt niet zelf zijn gang, en kiest niet zelf de plaats, waar hij zal opzien naar de Zon, gelijk de adelaar doet, doch hij laat zich dringen door die wereld, die hij dacht ontvloden te zijn; |30| elke plek, die zij in bezit neemt, geeft hij op; iedere stelling, waar de booze satan komt, wordt door hem verlaten. Straks maakt hij alle zig-zag-bewegingen van den tijdgeest mee, al is het in tegenovergestelde richting. Vloekende op den tijdgeest, waarop hij hooghartig smaalt, is hij daarvan het meest gedupeerde slachtoffer. Hij heeft geen eigen richting, als de arend, die vliegt. Hij vlucht, naar den bodem, dien de „wereld” voor hem vrij wil laten . . . . , totdat ze niets meer vrij laat. Als dan zijn vluchten ophoudt, is zijn arme „christendom” uitgeleefd.


Zoo laat ons dan voorzichtig zijn en de eenzijdigheid opgeven, zoowel ter eener als ter anderer zijde.

Wie alleen maar van vliegen spreekt, en van adelaarskracht en niet bang is, zal den vijand niet meer zien komen, en zie, toch komt hij. En als straks de antichrist er is, dan wordt hij in diens leger ingelijfd, eer hij het weet.

En omgekeerd — wie slechts heeft geleerd te vluchten naar elk hoekje, waar hem de wereld ongemoeid laat, die heeft geen standplaats meer, als heel de wereld strijdperk wordt in de worsteling tegen den Christus. Zijn land was „niemandsland” en dat blijft niet altijd onveroverd.

Wilt gij den schoonen christen groeten?

Zie, overal waar een mensch Gods bang is, doch óók tegelijkertijd de vleugelen durft uitslaan, die de Geest hem geeft, daar is hij. Daar wordt ervaren, soms bezongen, dat een woestijn, die de vluchtende vrouw vindt, het oord wel is van haar vreemdelingschappen, doch óók, dat een woestijn, die om Gods wille in vrijwillige adelaarsvlucht aanvaard is, aanvangsmoment in wereldverovering zal blijken. Want, láát de plaats der vrouw een woestijn zijn — als het haar plaats is, dan hééft zij eigendomsrecht; die woestijn is haar het begin der nieuwe wereld. |31|

En ja, dan is het, wat eens iemand noemde: „een wonderbeeld”:

„ . . .
Die vrouwenvorm, van ’t wijde kleed omgeven,
Begeesterd in haar liefde en haar gelooven,
Als kon geen strijd haar kalme fierheid rooven,
Schoon door de lucht slechts doodsgevaren zweven;
Wat wonder beeld in deze marteldreven
Bij ’t sluipend licht der nauwgespleten kloven!

De bruid van Christus tart èn dood èn lijden,
Versmading, pijn en oneer zijn haar glorie,
Hoogbruischend klinkt haar jubelend belijden
Met reuzenkracht den kring door der historie:
Wie Christus en Zijn Kerk zich toe komt wijden,
Hem wacht de kroon en de eeuwige victorie. 2>)


1. De woestijn heet ten opzichte van de vrouw: haar plaats (vs. 6 en 14).

2. H.J.A.M. Schaepman.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Vluchten en Vliegen’, De Reformatie 3 (1922v) 51,377v (21 september 1923).

b. Vgl. 2KorintiŽrs 12:10.

c. Vgl. Genesis 3:15.

d. Vgl. Psalm 130:1.

e. Vgl. Openbaring 12:12.

f. Vgl. Lucas 1:35 (sic!).

g. Vgl. 1TimoteŁs 6:11.

h. Vgl. Kolossenzen 2:21.

i. Vgl. Habakuk 3:19.

j. Vgl. Job 31:1.

k. Vgl. Openbaring 1:9.

l. Vgl. Heidelbergse Catechismus, Zondag 33, antwoord 89.

m. Vgl. 1KorintiŽrs 3:21-23.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001