Ingezonden

De Bazuin. Stemmen uit „De Gereformeerde Kerken in Nederland,” (ten voordeele van de Theologische School te Kampen)

66e jaargang, onder redactie van H. Bouwman, 1918
nummer 17 (geen paginering) (26 april 1918)

a



Vlaardingen, 12 April ’18.

Hooggel. Heer!


Beleefd verzoek ik alsnog een plaatsje in „De Bazuin” ter beantwoording van den heer J.N. Voorhoeve, van den Haag.

De heer V. voelt veel voor „de goede gewoonte der pers”. Waarom gaf hij niet aanstonds daarvan blijk, door in zijn „recensie” zich te onthouden van insinuaties (dit woord handhaaf ik), als: dat de schrijver over „Darbisten” niet eens studeert over de onderwerpen die hij aanraakt; dat hij het onderwerp niet „machtig” is; dat hij spot met Darby, wiens verdiensten hij juist erkend heeft, enz.? „Critiek op critiek” zucht pathetisch de heer V.; „waar moet dat heen?” Maar hij vergist zich; niet op zijn critiek ging ik in, maar op zijn beschuldigingen. Daarom moet mijn geachte opponent ook niet klagen, dat mijn door hem geweigerd antwoord niet eens inging op de hoofdkwestie „ideaal en werkelijkheid.” Wat ik over de verhouding van die twee denk, kan bij in mijn brochure lezen, vooral in het „droevig” slot. En bovendien wilde ik mijn antwoord beperken. Ik heb ook niet de gewoonte ter beantwoording van de vraag of een stuk lang of kort is, de letters te tellen; m.i. moet de lengte naar den inhoud afgemeten worden.

Voor het overige heb ik niet veel te zeggen, omdat de heer Voorhoeve niet veel zegt. Eigenlijk is het wel „leuk”, met hem te debatteeren.

In De Bazuin plaatste ik een kort-lang stuk; om met argumenten te bestrijden de aanklacht, dat ik van het „Darbisme” geen voldoende studie gemaakt heb. De heer Voorhoeve verklaart geen enkel argument te willen bestrijden, hetgeen bij dan ook volstrekt niet doet en zegt heel gracieuselijk aan het eind, dat Ds. Schilder „beslist niet voldoende op de hoogte is.” Dezelfde bewering staat behalve in De Bazuin, ook in Timotheus van deze week b. De Bezuinlezers worden verzocht Timotheus toch vooral te lezen „ter rechte beoordeeling der dingen”; de Timotheus-lezers krijgen van Ds Schilder geen letter onder de oogen (ook een tweede zeer kort ingezonden stukje van mij werd door den heer Voorhoeve achterwege gehouden). En dat alles onder de leuze: „de goede gewoonte der pers.” Sprak de heer V. niet van „woorden zonder bewijzen?”

En wat eindelijk betreft de nummers 1 en 2 van Ons Arsenaal: ik heb nergens beweerd, zooals de heer Voorboeve voorgeeft in zijn laatste stuk, dat de lezing van nummer 3-4 van Ons Arsenaal (Darbisten) hem reeds zoo grof deed uitvallen tegen de schrijver van de beide voorafgaande nummers. De heer V. heeft niet goed gelezen. Doch, als er absoluut geen verband bestond tusschen de scherpe kritiek van de nummers 1, 2 en 3-4, waarom werden mij dan, bij wijze van een schot vóór den boeg, óók de „kritieken” op de nummers 1 en 2 in Timotheus toegezonden door dezelfde hand, die mij deed toekomen de „recensie” over mijn eigen brochure? Wat is het dan anders dan onzin, als van een reeks van minstens 3 maal 10, of, zeg maar 10 nummers, om bij de 1e serie te blijven, reeds bij de twee eerste wordt verklaard: „ons oordeel over deze reeks kan helaas niet gunstig zijn?” c Ik verdenk niet gaarne iemand van het schrijven van onzin; daarom veronderstelde ik, dat nummer 3/4, althans bij de algemeene beoordeeling van de geheele reeks was inbegrepen. De heer V. zegt nu echter, dat dit volstrekt niet het geval is. Het zij zoo; maar dan veroordeelt hij zichzelf erger dan ik het deed.

En — tegelijk bewijst hij, wat ik zeide: dat hij bevooroordeeld is in zijn kritiek. Hetgeen trouwens ook wel blijkt, uit het feit, dat de heer V. aan Ds. Waterink onder meer aldus de les leest, dat hij in zijn woordenboekje „Advent” had moeten verklaren door „Hij komt.” d Wie dergelijke dwaze opmerkingen maakt, moet niet boos worden, als men zegt, dat zijn recensie een weinig kwaadwillig is.

Ik kan niet anders dan concludeeren, dat de heer Voorhoeve zijn positie als hoofdredacteur heeft misbruikt. Kritiek staat óók onder den eisch van het negende gebod. En een recensent is evenmin „vrij” als eenig mensch. Had mijn opponent eenige moeite genomen om te weerleggen, wat ik schreef, dan zou zijn bescheiden opmerking, dat hij niet onvriendelijk wil worden, gepast zijn. Nu is ze dat niet. Of is een hooghartig: „beslist niet op de hoogte” zonder zweem van bewijs zoo erg vriendelijk?

Overigens herinnere men zich, dat Timotheus zegt, geen propaganda te willen maken voor een bepaalde richting op kerkelijk terrein en dat eenmaal de heer Voorhoeve schreef, dat de zoogenaamde Darbisten geen aanhangers wenschen te winnen en verre zijn van „propaganda maken” voor het Darbisme e. Alsof negatieve reclame nooit voorkwam!

En ten slotte wil ik me troosten met de gedachte, dat het gebrek aan ernstige studie, dat de heer Voorhoeve mij verwijt, blijkbaar een besmettelijke ziekte is onder allen, die het wagen tegen het „Darbisme” te schrijven. De vader van den heer J.N. Voorhoeve heeft indertijd Dr. Van der Flier nog al heftig beschuldigd van onkunde f; mijn opponent heeft Dr. J. Lammerts van Bueren eveneens aangeklaagd van „een groote oppervlakkigheid in het beoordeelen en veroordeelen van de beginselen” der Darbisten in zijn „zwak betoog.” g Daarom is het voor mij niet zoo heel schrikkelijk met mannen als Dr. v. d. Flier en Dr. Lammerts van Bueren te zitten op één plaats: de bank der aangeklaagden. Wij weten, wie het zegt; van de namen der „vele gereformeerden”, die het met den heer Voorhoeve eens zijn hebben we nog niet gehoord.

Intusschen met beleefden dank, hooggeachte hoofdredacteur,


gaarne uw dw.

K. SCHILDER.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Vgl. Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), ‘Boekbeschouwing’, TimotheŘs. Ge´llustreerd Weekblad, 23 (1917-1918) 21,433-434 (23 februari 1918), Schilders eerste ‘Ingezonden’, De Bazuin 66 (1918) 13-14 (29 maart — 5 april 1918) en Voorhoeves ‘Critiek op Critiek’, De Bazuin 66 (1918) 15 (12 april 1918).

b. Vgl. Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), ‘?’, TimotheŘs. Ge´llustreerd Weekblad, 23 (1917-1918) 28, bijblad (13 april 1918).

c. Vgl. Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), ‘Boekbeschouwing’, TimotheŘs. Ge´llustreerd Weekblad, 23 (1917-1918) 19 (9 februari 1918).

d. Vgl. Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), ‘Boekbeschouwing’, TimotheŘs. Ge´llustreerd Weekblad, 23 (1917-1918) 19 (9 februari 1918). Het gaat om Jan Waterink (1890-1966), Onze lastige woordjes, op godsdienstig en kerkelijk terrein, Zutphen (J.B. van den Brink) [1917] (Christelijke brochurenreeks „Ons Arsenaal”, serie 1, no. 1)

e. Vgl. Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), Het Darbisme en de „Kerk” van Dr. J. Lammerts van Bueren, aan de Schrift getoetst, ’s-Gravenhage (Voorhoeve) 1906, 7 noot.

f. Vgl. Hermanus Cornelis Voorhoeve Jzn. (1837-1901), Brieven over Dr. v.d. Flier’s „Darbisme”, ’s Gravenhage (Voorhoeve) 1879.

g. Vgl. Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), Het Darbisme en de „Kerk” van Dr. J. Lammerts van Bueren, aan de Schrift getoetst, ’s-Gravenhage (Voorhoeve) 1906, 6.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000