HOOFDSTUK VII.

Christus’ noodzakelijke „omhaal”.

En het geschiedde, als Hij nabij Bethfagé en Bethanië gekomen was, aan den berg, genaamd den Olijfberg, dat Hij twee van Zijne discipelen uitzond, zeggende: Gaat heen in dat vlek, dat tegenover is; in hetwelk inkomende, zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen mensch ooit heeft gezeten; ontbindt het, en brengt het. En indien iemand u vraag: Waarom ontbindt gij dat? zoo zult gij alzoo tot hem zeggen: Omdat de Heere het van noode heeft.

En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had; en als zij het veulen ontbonden, zeiden de heeren van hetzelve tot hen: Waarom ontbindt gij het veulen?

En zij zeiden: De Heere heeft het van noode. En zij brachten het tot Jezus.

Lukas 19 : 29 tot 35a. a


Thans komen wij tot een volgende mijlpaal in dit boek over Christus op den lijdensweg.

In de voorafgaande hoofdstukken zagen wij Hem staan bij den ingang van den lijdenstempel; maar nu komt Hij, en ontsluit met eigen hand de deur, die toegang geeft tot het eigenlijke huis van dien tempel, d.i. Hij komt tot aan den doorgang.

Allereerst trekt hierbij onze aandacht het verhaal van Jezus’ koninklijken intocht in Jeruzalem. Ieder kent de historie en weet den summieren inhoud ervan: dat Jezus op een ezelsveulen de stad binnenreed en als koning werd gehuldigd in de rijksresidentie. Wisten wij niet, dat Hij moet zijn in de stad Zijns Vader? b

Ja, ja, — wij weten het allen; wij weten het allen zeer wel. |92|

Nu zijn er echter heel veel menschen, die, zoodra zij gaan spreken over dien koninklijken intocht van Jezus in Jeruzalem, alleen maar letten op wat de menschen daarbij doen. Zij teekenen ons dien grooten, drukken, volksoptocht, die de stad in rep en roer zet. Zij laten Jezus in het midden van dien optocht min of meer „terecht komen”, om dat platte woord nu eens te gebruiken, en dan vertellen zij verder nog zeer nadrukkelijk over de enthousiaste schare, die daar plotseling begint Hosanna te roepen, en de emblemen van de koninklijke waardigheid Jezus tegemoet te brengen. In het verhaal van dit feestelijk gebeuren, — laat ons het nuchter zeggen — is dan bij zùlk een manier van vertellen de menschenmassa, die schare, het onderwerp van den volzin. Mitsdien — laat ons nu nuchter blijven — mitsdien is Jezus min of meer het lijdend voorwerp.

Maar nu verder.

Het is toch eigenlijk voor ieder bij eenig doordenken duidelijk, dat déze „methode” van vertellen niet goed kan zijn, en dan ook onmiddellijk valt uit den stijl van het authentieke bijbelverhaal, dat immers altijd streng symmetrisch opgebouwd wordt door den Heiligen Geest.

In het algemeen reeds moet de gereformeerde denker en bijbellezer tegen èlke manier van vertellen, en van bijbel-„parafrase”, bezwaar maken, waarbij Jezus de passieve rol speelt, of — waarbij Hij slechts toevalligerwijze het zóóver brengt, dat Hij het onderwerp van het verhaal kan worden. Immers, Christus Jezus is de werker bij uitnemendheid. Zijn Vader werkt altijd, en Hij werkt ook c. In geen enkel ding, dat in Zijn leven voorviel, is Hij in de statige of stichtelijke volzinnen van de menschen „lijdend voorwerp,” 1) althans wanneer hun spreken zich conformeert aan het Woord van God. „Lijdend voorwerp” in het veerhaal is Hij alleen tegenover Zijn God; en zelfs tegenover Hem dan óók nog slechts alleen in dezelfde mate, als waarin Hij óók actief optreedt jegens Zijn hemelschen Vader. Want éven groot als Christus is in de lijdelijke gehoorzaamheid, is Hij het ook in de dadelijke. Wanneer |93| de kerk of eenige ziel spreekt van lijdelijke of dadelijke gehoorzaamheid, dan moet de klemtoon op beide bijvoeglijke naamwoorden even zwaar vallen. Dit is, meenen wij, één van de eerste gedachten van de Gereformeerde Schriftbeschouwing.

Dit alles wordt dan bovendien nog nader aangeduid in het onderhavige geval, als wij den tekst nauwkeurig lezen. Want het tekstverhaal laat ons zeer duidelijk zien, dat, óók in het concrete gebeuren van dien intocht van Jezus in Jeruzalem, Hij zelf actief optreedt, de actie ópent, en in alles de eerste is. En zóó opzettelijk is hier de eigen werkzaamheid van Christus Jezus, dat wij haast den indruk krijgen van een zekeren „omslag”. En als het niet oneerbiedig was, en onlogisch, dan zou men zelfs bijna dien indruk willen onder woorden brengen, door te spreken van „onnoodigen omslag”, of van overbodigen omhaal. Maar dat klinkt zóó heel erg oneerbiedig, en daartoe is het ook allesbehalve stichtelijk, ordinairlijk gesproken. Dies maken wij ons geen zorgen, en gaan haastig naar den optocht kijken. Hoor, ze zeggen: Hosanna!


En toch —

Het lijkt toch erg veel op onnoodigen omslag. En dien van Jezus . . . .

Dit wordt ons wel duidelijk, wanneer wij even de inleiding lezen van het verhaal, dat ons bezig houdt.

Het was, om te beginnen, een gespannen tijd. Het groote feest, dat duizenden van heinde en verre, Joden en niet-Joden, immer samen bracht, jaar op jaar, was op til.

Een opgewonden menschenmassa wachtte op de komende dingen. De spanning zat er in. En ze dreigde hoogspanning te worden, toen de een de ander inlichtte omtrent de wonderlijke geruchten, die zich aan den naam van Jezus hechtten.

Immers, als een loopend vuur ging het verhaal van de menschen uit de buurt tot de van ver gekomen feestgangers, dat Jezus pas in Bethanië het sublieme wonder had verricht van de opwekking van Lazarus uit den dood. Dit laatste nieuws was oorzaak, dat de lucht nog meer geladen werd en de spanning groeide. Het gaf dan ook ongetwijfeld een sterke sensatie. Het duurde nog eenigen tijd, |94| eer het feest zou beginnen, maar de opwinding, die anders op het feest zelf haar hoogtepunt bereikte, was nu al tot het uiterste gestegen.

Zooals te begrijpen viel, werd het wonder, dat Lazarus tot de tropée van Bethanië had gemaakt — zoo’n bezienswaardigheid ook! — in de gesprekken vastgeknoopt aan al die àndere teekenen, die op naam van den Nazarener stonden. Zoo was Hij reeds op zich zelf, als persoon om zijn fascineerende verschijning, het middelpunt van ieders belangstelling.

Daar kwam nog iets bij, n.l. de spanning, die over de menschen kwam, als men Jezus betrok in het wel algemeen bekende conflict tusschen Jezus en de overheid. Reeds van te voren was de vraag gesteld (Johannes 11 : 56), of Jezus het wel wagen zou, dit Paaschfeest te bezoeken. Zou hij niet bang zijn voor de dreigementen van de schriftgeleerden? En hoor, nu verneemt men, ieder „uit de beste bron”, dat Jezus niet alleen reeds in de buurt is, want hij houdt zich op in Bethanië, maar ook, dat Hij werkelijk mee op zal trekken naar het feest. De Nazarener zal niet mankeeren.

Nu komt Bethanië nog meer in het middelpunt van ieders belangstelling te staan. Het leven is daar openbaar geworden door Christus’ grafbrekende kracht. Het leven is in Bethanië geopenbaard d. Dat is buiten kijf. Maar nu komt de tweede vraag, of het leven zich en zijn Opwekker kan handhaven tegen de macht, die het bedreigt met den dood.

Op den Sabbath was Jezus gekomen naar Bethanië. Men kan zich voorstellen, hoe onrustig die Sabbath zal geweest zijn. Het anders zoo stille Bethanië was nu woelig en druk. De bestaande beperkende bepalingen voor de „sabbathsreize” leverden geen al te groot bezwaar aan wie eens naar Jezus’ huis mocht willen komen, om daar eens nieuwsgierig rond te zien, wnat de afstand tusschen de vlekken en dorpen was gering genoeg in die omgeving. Trouwens, ook al waren de afstanden grooter, dan de wet op de „sabbathsreizen” toestond af te leggen, dan kende men nóg kunstgrepen genoeg, om, met behoud van de letter van de wet, toch zoover te reizen, als men wilde. Wij willen maar zeggen, dat |95| op den Sabbath reeds alles zich concentreerde om den persoon van Jezus.

En Jezus zelf? Wat doet Hij? Trekt Hij Zich in de stilte terug of komt Hij voor den dag?

Het antwoord geeft Hij zelf al spoedig. Op den Sabbath rust Hij, want Hij leeft uit het gebod. Maar op den volgenden dag, op Zondag dus, gaat Hij met Zijn discipelen Bethanië uit. Dat was al een gebeurtenis. De toeloop laat zich denken.

Maar nu komt, wat ons hier treffen moet. Jezus zelf schijnt ditmaal ook dien oploop wel te willen. Hoe vaak Hij zich ook teruggetrokken heeft uit het gewoel der menigte, en hoe dikwijls Hij ook een oploop bezworen heeft door te zeggen, dat men niemand vertellen mocht, welke teekenen Hij gedaan had, — voor ditmaal schijnt Jezus zelf de belangstelling van de menschen met opzet te prikkelen en een volksbeweging uit te lokken.

Let maar eens op, hoe omslachtig Hij te werk gaat.

Hij beveelt twee van Zijn leerlingen alleen den weg af te leggen naar een niet nader genoemd „vlekje”, een gehuchtje, dat tegenover ligt.

Dat was al vreemd.

Gewoonlijk ging het gezelschap van Jezus en de leerlingen, en bloc, langs de wegen. Maar nu laat Hij twee van de twaalf alleen en blijft zelf met de anderen achter.

En wat moeten die beide leerlingen doen?

Zij moeten, zoo zegt Jezus, naar dat niet nader aangeduide plaatsje, dat waarschijnlijk ligt tusschen Bethfagé en Bethanië, heen gaan. Dan zullen zij daar, op een bepaalde plek, een ezelsveulen aantreffen. Dat moeten zij dan nemen, en naar Jezus brengen.

Maar dat is toch een omslag, die volmaakt overbodig is, zou men zoo zeggen? Kan Jezus, als Hij dan een lastdier hebben wil, niet zelf gaan vragen aan den eigenaar van dat dier, of Hij het gebruiken mag? Maar neen, Hij gaat zelf niet. Dat is al vreemd. En dan, — met opzet kiest Hij een lastdier, niet uit een huis of stal vlak in de omgeving, maar Hij laat Zijn twee discipelen expres er op uit trekken. Ze moeten iets doen, dat iedereen vreemd opvalt: |96| zij moeten, nu ja, een soort roof gaan plegen. Tenminste, den schijn ervan aannemen; bravour genoeg, zou men willen zeggen. Den eigenaar van het beest, dat zij hebben willen, moeten zij het zoo maar afnemen. Natuurlijk zal de man verwonderd vragen, waarvoor die manoeuvre dient. Dat geeft al vast een opstootje op straat; dadelijk zal zich een volksoploop vormen. Na eenige discussie zal de man het beest vrijgeven, en vervolgens zal het grauw, nieuwsgierig en geprikkeld, achter die twee ezeldrijvers en hun wonderlijken buit aan blijven loopen, om straks den Rabbi van ezeldrijvers weer te treffen, rustig wachtend op een beest en op een paar discipelen . . . . Men kan alles van te voren op zijn vingers narekenen.

Ja zeker.

En Jezus kan dat ook.

En, dàt is het nu juist. Is dit geen omslag? Geen overbodige omhaal?

We stellen de vraag, schuchter en verlegen. Maar — een vraag is het.

Dan, tot zoover is er reeds verwonderlijks genoeg, en tot nu toe hebben we dan alleen nog maar den menschelijken kant van dit alles in rekening gebracht.

Doch er is meer.

Daar hangt reeds zoo iets als een wonder in de lucht. Ons oog wordt daarvoor geopend, zoodra wij maar bedenken gaan, dat in dit wonderlijk samentreffen van personen en omstandigheden toch wel moet liggen een werking van den Geest. Het kan geen toevallige samenloop van heel gewone „omstandigheden” zijn, want, (en hier raken wij het wonder reeds aan), het is duidelijk, dat God Zelf hier werkt. Jezus werkt naar God toe, maar God werkt ook naar Jezus toe. Niet alleen, dat Jezus’ scherpziende blik precies de plek weet aan te duiden, waar een veulen staat, en bij voorbaat weet aan te geven, wat de eigenaar van het beest zal zeggen, maar God Zelf werkt hier ook alles uit door Zijn allerbizonderste voorzienigheid. In alles is het Zijn voorzienigheid, die de dingen zóó beschikt en plooit, dat inderdaad dat beest daar staat, dat de eigenaar niet van huis is, dat men het tevoren aangekondigd |97| dispuut opent, kortom, dat alles gaat, zooals het bij voorbaat door Jezus werd gezegd.

Wie nu kinderlijk gelooft, wat de kerk belijdt omtrent de „almachtige en alomtegenwoordige kracht” van Gods voorzienigheid e, en wie de broeiende aanwezigheid kent van het oordeel, van de „crisis”, die daar is, in elken dag en in elk uur, waarin hier de heilige geschiedenis der bizondere Godsopenbaring voltrokken wordt, 2) die komt tot de ontstellende, en toch ook weer voor de hand liggende conclusie, dat hier een latente energie van goddelijke kracht werkt. Het wonder mag zich dan oogenschijnlijk bepalen en beperken tot een lastdier, en een pruttelenden eigenaar en ietwat vreemd doende leerlingen van Jezus, — wat de intensiteit aangaat, is het toch niet minder dan het rooken van den Sinaï, dan het wijken van de Roode Zee, dan het water geven van de rots, dan de trek der dieren naar de ark. Het doet in niets voor eenig ander wonder onder.

Zoodra men God er in betreft, is het tastbare dwaasheid, de opzettelijkheid van dit alles voorbij te willen zien. Ze komt van twee kanten: van beneden èn van boven. —

Natuurlijk willen wij niet voorbijzien, dat wij achteraf ook hier ontdekken, dat Jezus goede reden had, om te doen, zooals Hij deed.

Om maar enkele dingen te noemen: de Heiland wilde bepaald een lastdier hebben, waarop nog nooit iemand gezeten had, want dit koninklijk verlangen behoorde bij de koninklijke waardigheid, die Hij Zich zelf had toegedacht. En voorts, — dat hij het beest niet vordert van iemand, die naast de deur woonde, stel, dat die er een had, maar het met opzet requireeren laat van een eigenaar in een andere plaats, heeft ook weer zijn reden; immers ook dat dient weer om uit te spreken, dat Hij als koning het recht van requisitie heeft. Dit requisitie-recht is als privilege van het koningschap reeds vóór de aanwijzing van Israëls allereersten koning door den Geest der profetie bij monde van Samuel aangekondigd f. En nu Israëls laatste, groote, en eeuwige koning intreden zal in Zijn koninkrijk, nu komt Hij van Zijn recht gebruik |98| maken, eer dat Zijn volk Hem uit Zijn koningschap verstooten willen zal.

Maar al is dit alles wel degelijk aan te merken als een tweeërlei goede reden, die Christus heeft, om zoo te doen, — dit neemt niet weg, dat de „omslag,” dien Hij maakte, ons toch met verwondering vervult. Er blijft toch, met erkenning van dit alles, nog veel onverklaarbaar. En dat àndere roept om een nadere verklaring.


Zoeken wij nu met geduld en eerbied naar een nadere verklaring, dan herinneren wij ons in eens een ander bericht.

Immers, gelijke „omslag” als Jezus thans hier maakt, heeft Hij reeds eerder getoond te willen. Wij lezen daarvan in Lukas 4 : 29 en 30. Toen Jezus, zoo lezen wij daar, in Nazareth zijn eerste preek gehouden had, toen hebben de menschen Hem aangegrepen, en wilden Hem dooden, omdat Zijn woorden hen prikkelden. Plotseling staat het kleine stadje overeind van een ontzaglijk volkstumult. Men sleurt Jezus mede, men trekt Hem heel de stad door, men brengt Hem straks naar buiten, om Hem van de hoogte neer te werpen. Maar zie, wanneer de furies van Nazareth met Jezus een heel eind buiten de stad gekomen zijn, dan, ineens, maakt Jezus Zich onzichtbaar en trekt Zich terug, zoodat men Hem niet meer kan zien. Natuurlijk vraagt men zich af, waarom Jezus dat niet eerder deed. Indien Hij toch de macht heeft, om Zich plotseling te onttrekken aan de woede en aan de ruwe handen van de furies van Nazareth, waarom doet Hij dat dan niet dadelijk? Ook hier dus weer een schijnbaar onnoodige omslag: éérst laat Jezus heel het stadje uitloopen; en eerst als allen de straat opgehold zijn, en mannen, vrouwen en kinderen zich bij de razende menigte hebben aangesloten, eerst dàn trekt Hij zich terug. Met het wonder wàcht Hij, totdat de oploop groot genoeg geweest is . . . .

En thans zien wij hetzelfde opnieuw gebeuren.

Wanneer wij nu een parallel trekken tusschen den wonderlijken omhaal, dien Jezus in Nazareth maakte, en dien anderen omslag, die vandaag in Bethanië ons opvalt, dan ontdekken wij spoedig verband tusschen die twee gebeurtenissen. |99|

In beide gevallen toch zien wij, dat Christus opzettelijk een volkstoeloop uitlokt.

Toen Hij in Nazareth de volksmenigte uit de huizen lokte, was dat, om een hoogtepunt van Zijn profetische werkzaamheid in de herinnering der menschen vast te leggen. Zoo pas had Hij gepreekt in de synagoge; en die preek was een publiek aanvangen van Zijn profetisch optreden onder Israël. Dit eerste profetische moment met zijn vlekkelooze, zuivere, indringende bediening van het Woord van God, moest in de volksherinnering bewaard blijven, „hun tot een getuigenis” g. Men moest, al den tijd daarna, zich die eerste preek kunnen herinneren om zich later hierover heilzaam te bezinnen, dat Jezus niets verkeerds gezegd had, dat Hij alleen maar de Schrift had laten spreken, en dat toch de natuurlijke mensch daadwerkelijk protest aanteekent tegen Zijn zuivere profetie, zóó zelfs, dat men Hem erom dooden wil.

Maar op dit oogenblik, daar in Bethanië, gaat het niet om Jezus’ profetische, doch om Zijn koninklijke pretenties. Als koning zal Hij thans intrekken in de stad Jeruzalem, die immers Zijn stad is. Wij zien Jezus zich als koning manifesteeren aan zóóveel menschen als Hij maar bijeen kan krijgen, opdat zoo, eerst Zijn profetisch hoogtepunt bij den ingang, en nu Zijn koninklijk hoogtepunt bij den doorgang van Zijn ambtsbediening, het volk tezamen trekke; ja, opdat straks door het Woord als de oorkonde van Zijn zelfopenbaring heel de wereld getuige moge zijn van dat laatste moment, dat laatste hoogtepunt, tevens het dieptepunt: namelijk Zijn priesterlijken uitgang, dien Hij hebben zal in den dood aan het kruis. Want al Zijn werk en geheel Zijn schijnbaar omslachtig optreden, vraagt de aandacht onder de volle zon: ingang, doorgang, uitgang.

Hier krijgt het geloof een inzicht in de architectuur van Christus’ leven.

De eerste maal, toen Jezus in Nazareth zoo’n „omslag” maakte, was dat óók om de menschen te vangen in hun eigen netten. Dertig jaren lang heeft Nazareth Hem verdragen; maar niet zoodra heeft Hij één publieke preek gehouden met zuivere „toepassing”, |100| of het permanent „Hosanna” van de burgerij, die Hem gedurende 30 jaar „genade en eere” h schonk, wordt ineens veranderd in het bitterste woord: „kruist Hem; kruist Hem!” Nu keert Jezus de rollen om. Nu laat Hij het volk te hoop loopen, opdat de geheele wereld er getuige van zij, dat men eerst gaat roepen: „Hosanna, hosanna!” maar straks, binnen luttel dagen, wanneer Hij niet wil zijn, wat het vleesch van Hem verwacht: „kruist Hem! kruist Hem!”

Daar is in dit alles een verbijsterende harmonie; een schema van Goddelijke volmaaktheid, van ijzingwekkende schoonheid. 3)


Zóó heeft de tweede Adam zelf er voor gezorgd, dat Zijn ingang uit den „voorhof” tot het „heilige” van den lijdenstempel, geen vergeten moment bleef. Het Sanhedrin moge er op loeren, dat men in het geheim, en vooral niet op het feest, vooral niet voor de oogen van de volksmenigte, Jezus uit den weg kon ruimen i; maar Hij Zelf verhindert dat, door zóó veel „omslag” te maken; een „omhaal”, die nu wel blijkt te zijn geen onnoodige, maar een noodzakelijke omhaal; geen „ijdel verhaal” van woorden in feiten. — Wat zou „ijdel” zijn in Christus’ leven?


Zien wij de dingen zóó, dan is de „omslag”, dien Jezus maakt, hoewel Hij Zich bedient van de vormen van menschelijke reclame, toch in het wezen der zaak precies het tegenovergestelde. Zoo voos en hol als de reclame is, die de wereld maakt voor haar eigen werk, zoo vòl, en zoo „geláden” met eeuwigen inhoud, is de „omslag”, dien Jezus maakt.

Van „reclame” weet de bijbel waarlijk óók wel te spreken. Men denke slechts aan Jesaja, die in hoofdstuk 23, vers 16, een tragische schildering geeft van de heidensche stad Tyrus j. De profeet betrekt hier het koninkrijk Phoenicië in zijn gezichtsveld en zegt dit rijk Gods oordeel aan. Vooral Tyrus, de hoofdstad, moet het eens ontgelden. Tyrus mag nu nog de aandacht van de cultuurwereld trekken met zijn prachtige waterbouwwerken, zijn wetenschap, |101| zijn militaire organisatie, maar straks zal het door hetoordeel getroffen worden, en vergeten en begraven zijn. Maar die vergeten stad zal geen genoegen nemen met haar „weduwschap”. Zij zal voor zich „reclame” maken en zich aanstellen als een geblankette hetaere, die de straat optrekt, een lier in de hand, en die met lokkende stem door zang en spel de aandacht trekken wil en de menschen tot zich wil doen komen.

In deze fijne schets van den profeet Jesaja, treffen wij eigenlijk alle elementen van die doorzichtige, weerzinwekkende reclame, die, niet de zuivere bruid, maar juist de hetaere noodig heeft om de aandacht te trekken. Terwijl Jeruzalem, de bruidsstad der toekomst, de aandacht hééft van God Zelf, die blinkend verschijnt uit Zion k, en zoo door uit- en inwendig schoon van zelf de aandacht wint, straks van de geheele wereld, — daar zal Tyrus, de stad, die de ware liefde Gods geprostitueerd heeft, met „opzettelijke” kunstmiddelen de aandacht willen dwingen, en zich aanstellen als een vergeten ontuchtige, die weent over haar verleden, dat nimmer keeren kan, en nu krampachtig, doch in haar vertwijfeling sterk, zoekt naar een nieuwe jeugd en een nieuwe toekomst.

Haast zou men nu willen zeggen, dat zóó nu ook onze Heere Jezus Christus wanhopig is over Zijn eigen verleden; dat Hij in eenzelfde tragisch zielsconflict van vertwijfeling en wanhoop nog éénmaal voor het laatst alarm wil slaan, zooals ook Tyrus, die vergeten stad, voor zich gedaan heeft in de ontroerende teekening van Jesaja. Ach, — men zou het háást gaan zeggen . . . .

Ja, wij durven de uitspraak wel aan: zoo lang men Jezus alleen maar ziet van den buitenkant, móet men dat wel zeggen. Wie Hem niet ziet in het licht der profetie, dat is dus in Zijn eigen licht, die móet den „omslag”, dien Hij hier zoekt, wel zien als overbodig, menschelijk, àl te menschelijk. Wat meer is: het is ook eenmaal hardop gezegd. Wie denkt hier niet aan Friedrich Nietzsch, die eenmaal Jezus schetste als een bleeken, tot den dood vermoeiden Hebreeër, die, vertwijfelend aan Zijn toekomst, eindelijk, en toch nog te vroeg, wanhopig zich voorover buigt, en den dood in de armen valt, als Zijn laatste poging om bij het volk ingang te vinden, Hem mislukt is? |102|

Maar ook hier is de zienswijze van gelooven en van niet-gelooven principiëel verschillend. De reclame-achtige omslag van de Tyrische hetaere, èn de noodzakelijke „omslag” van Israëls bruidegom Jezus, ze zijn in wezen volmaakt iets anders. Tyrus bedient zich van een vorm van reclame, die een karikatuur vormt van de heiligheid en liefde van den zuiveren bruidsdag der waarachtige religie. Maar in Christus komt de wàre Bruidegom langs den wettigen weg der liefde tot Zijn volk. Tyrus biedt zich aan, maar zoekt daarbij zichzelf; maar de „omslag”, dien Jezus maakt, is alleen maar om het groote aanbod te doen aan die ooren hebben om te hooren, het aanbod der liefde, waarin Hij niet Zichzelf zoekt, maar den ander. De reclame van Tyrus wil in wie haar ontmoeten aanwakkeren, wat slecht is; zij poetst zich op met valschen schijn. Maar de omslag, dien Jezus maakt, wil voor het laatst de zonde bij Zijn volk bezweren en er een werkplaats van maken der gerechtigheid, een tafel er beladen met de wij-geschenken van de Opperste Wijsheid.

De reclame van Tyrus is een wanhoopsdaad, uit vrees van vergeten te worden. Maar de omslag van Jezus, d.w.z. de omslag van den waren koning van Jeruzalem, is een eedsbezwering: „Al vergeet gij Mij, ik vergeet ú niet. Ik heb u in Mijn handpalm gegraveerd.” l

De vorst van Tyrus, en de koning van Jeruzalem, ze maakten beiden „omhaal”, maar zij staan van elkander verder dan het Oosten van het Westen.

Het was dan ook geen wellustig zoeken naar valsche, of ijdele tegenstellingen, het was geen ijdel spel met bijbeltekst-motieven, dat ons er toe bracht, Tyrus en Jeruzalem hier te plaatsen tegenover elkander. Want in beide profeteert Gods Geest, d.i. de „Geest van Christus” m. We spelen niet; we kùnnen niet spelen met woorden hier. Want noch in Tyrus, noch in Jeruzalem heeft „het toeval” ook maar een duimbreed gronds veroverd. Er liggen lijnen hier; lijnen van profetische geschiedschrijving, die beide op Christus Jezus uitloopen. Twee lijnen zien we door de historie van alle eeuwen loopen. De wanhoop van Tyrus’ vorst giert door de nachten heen van een ongoddelijke cultuurwereld, die reclame maakt, omdat |103| zij innerlijk leeg is aan liefde en aan kracht en aan waarheid. En daartegenover leeft Christus, de koning van Jeruzalem, nog dagelijks voort in de opzettelijke liefdedaden van Zijn kerk, die vol is van schoonheid, waarheid en eenvoud.


Keeren wij nu terug tot die alles overstralende heerlijkheid van den persoon van Christus Jezus, dan zien wij Hem hier staan in al Zijn schoonheid.

Wij zien Hem, schoon in zijn ambt, schoon in Zijn persoon, schoon in Zijn verhouding tot God, schoon in Zijn verhouding tot de menschen.


Wij zien Jezus, zeiden wij, schoon in Zijn ambt.

Want als Hij zelf met benauwende opzettelijkheid en met een tot in alle onderdeelen uitgewerkt plan dien volksoploop opstuwen laat, die Hem in eens in het openbaar voor den stoel van Pilatus zal plaatsen, dan bevinden wij, dat Zijn dadelijke gehoorzaamheid even groot is als Zijn lijdelijke gehoorzaamheid.

Want, weet het wel, nu gaat de Christus om te sterven, d.i. om lijdelijk te zijn in gehoorzaamheid. Maar tegelijkertijd is Hij óók „dadelijk”, actief, zelf werkzaam in gehoorzaamheid, want Hij schikt Zichzelf, en stuurt het volk, en dwingt de overheid, tot de groote daad in het van God bepaalde uur. Eens heeft Hij gezegd, dat Hij „den Satan had zien vallen, als een bliksem uit den hemel.” n Maar met dat „vallen” van den Satan stelt Hij Zich niet tevreden; Jezus gaat hem uit den hemel halen, trekken, sleepen. Het „zwaard ontwaakt tegen den grooten Herder,” gelijk de profeet gezegd heeft o. Maar, niet alleen ontwaakt het zwaard, van den kant van God; maar nu het moet, haalt Jezus zelf het naar Zich toe.

Er is een grootsche harmonie tusschen Zijn lijdelijke en Zijn dadelijke gehoorzaamheid. Er is een volmaakt evenwichtige positie in Zijn ambtelijk werk. Simplex sigillum veri; zeg dat vooral op de via dolorosa.


Ook als persoon, zoo zeiden wij, zien wij hier Jezus in Zijn schoonheid. Is dat geen schoone evenredigheid, als Hij het te voren |104| in onderdeelen uitgesponnen plan zorgvuldig uitwerkt, en het toch zóó geheel geleidelijk en „organisch” weet in te voegen in het geheel der gebeurtenissen? Hier is weer een zuivere harmonie tusschen Zijn eenvoudigheid, die de menschen háást zouden willen noemen: „naïviteit”, — en aan den anderen kant een systematisch werken, dat ons dèn Architect bij de gratie Gods verraadt.

Deze structuur van Jezus’ leven is verbijsterend, omdat Hij Zelf daarin met God volkomen samenwerkt (de „concursus”). Deze mensch Jezus maakt een kunstig leg-werk van Zijn leven. Al Zijn dagen werkt Hij aan een mozaïek van uiterste regelmatigheid, waarin alles schoon is, en een uitgewerkt geheel. Zijn programma voor iederen dag brengt elken dag wat nieuws; tòch werkt Hij immer voorts in de oude lijn en in het oude spoor. Iedere dag brengt een nieuwe en verrassende wending, maar geen enkele dag verklaart het bestek ook maar voor het geringste onderdeel van den bouw vervallen. Jezus’ leven schijnt één aaneenschakeling van pure toevalligheden. En dat is ook zoo voor ieder, die Hem niet gelooft, en Hem niet verklaart naar het woord van Zijn eigen mond. Maar wie Hem gelooft, ziet Hem altijd „bezig in de dingen van Zijn vader.” p


„In de dingen van Zijn Vader.”

Want — ook tegenover Zijn God zien wij Hem schoon, zuiver in schoonheid.

Er is een bekend uitlegger, 4) die er op wijst, dat het volmaakte 5) gebed, het Onze Vader, een opmerkelijke tegenstelling vertoont tusschen het eerste drietal beden en het laatste drietal. Het eerste drietal bevat drie volzinnen, waarbij telkens niet God, doch iets van God, het onderwerp van den zin is. Gods naam is het onderwerp van den eersten zin, Gods rijk het onderwerp van den tweeden zin, Gods wil is het in den derden zin. |105|

Dit treft ons inderdaad, als een bizonderheid, zoodra wij letten op het tweede drietal beden. Want in dit laatste drietal volzinnen is wel degelijk God de aangesproken persoon en het onderwerp van den volzin.

Geef Gij ons heden het brood; zegt daar de eerste zin.

Vergeeft Gij ons onze schulden; dat is de tweede zin.

Leid Gij ons niet in verzoeking; ziedaar de derde zin.

En nu vraagt die uitlegger zich af, waarom dat zoo is; — wáárom in het eerste drietal beden God niet rechtstreeks aangesproken wordt en in het tweede wel.

De oplossing van deze inderdaad beteekenisvolle kwestie zoekt de uitlegger dan daarin, dat wij, menschen, zóó vol eerbied moeten staan tegenover het werk van God voor Zichzelf, dat wij niet rechtstreeks God durven vòorstellen, wat Hij doen moet, of aanwijzen welke middelen Hij gebruiken moet, om Zijn eigen werk af te maken. Het mysterie in de heiliging van Gods naam, in de komst van Zijn koninkrijk, in de volbrenging van Zijn wil, is zóó ontzagwekkend; het is, om zoo te zeggen, zóó „numineus”, 6) dat de bidder niet God Zelf durft zeggen, wat Hij voor Zich doen moet. Verre late de Almachtige dat van hem, dat hij ook maar eenig middel duiden zou, dat de God van hemel en aarde kiezen moet om te geraken tot het groote doel van al wat leven heeft en adem: dat Gods naam worde geheiligd, Gods koninkrijk kome, en Gods wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.

Dezelfde bidder echter durft wèl de middelen aanwijzen en den weg noemen, die naar het beoogde doel zal leiden, wanneer het hemzelf betreft. Geef Gij mij brood; verzoen mijn schuld; leid mij niet in verzoeking, doch jaag den Booze weg! Dat is tot driemaal toe: „wegen en middelen” wijzen! Maar hij heeft den moed niet, wanneer het gaat over de zaak van God en van Zijn vreeselijke majesteit.

Wij kunnen vrijwel in het midden laten, of deze opvatting op juiste wijze het fijne onderscheid van de zegswijze in het „Onze Vader” verklaart en uitwerkt. |106|

Want, of nu die uitlegging juist is of niet, het is en blijft een onomstootelijke waarheid, dat wij, menschen van beneden, verlegen staan, zoodra het er op aankomt, den weg aan te wijzen, waarlangs God Zijn rijk tot doorbraak brengt, Zijn naam zich heiligt, en Zijn wil volbrengt. Hier stuiten wij, die van gisteren en van beneden zijn, op een ondoorgrondelijk „mysterie”, dat geen oog gezien, geen oor gehoord, en geen menschenhart bedacht heeft q. Het is onpeilbaar, onvindbaar voor den mensch. De onderscheiding tusschen Schepper en schepsel is oneindig groot; en de diepten van God, de gangen van Zijn raad van vrede, zijn voor onze eindigheid „te gronden noch te meten.”

Doch niet alzoo de Christus! Eeren wij Hem niet als waarachtig mensch én als waarachtig God?

Maar als waarachtig God treedt Hij van alle eeuwigheid in den raad van God Zelf. Dat is te zeggen: Zijn oog heeft alles gezien, en Zijn oor heeft àlles gehoord, want Zijn eigen hart heeft immers zelf bedacht, langs welken weg het groote doel van God bereikt wordt, hoe weg en middel saam bepaald zijn om het doel Gods te bereiken.

En nu verbindt zich Jezus’ zuivere menschheid met het zuivere wezen Gods. Want nu Hij gereed staat, om die drie héél groote dingen zelf ter hand te nemen, waarom het Onze Vader in het eerste drietal beden roept, nu weet Hij zelf de middelen, grijpt en — durft ze aan, overziet ze. De koning van de hoogste liefde en van den zuiveren ijver Gods versmaadt geen menschelijken „tact.” Zie, Hij gáát Gods naam nu heiligen, Hij zàl Gods koninkrijk doen komen, en den wil van God zal Hij haast volbrengen, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde. Maar Hij weet de middelen en wendt ze zonder schroom ook aan, gansch verzekerd inwendig, dat zij tot dat doel Hem met Zijn Vader zullen leiden.

Op datzelfde oogenblik blijkt Christus niet alleen onze broeder, maar ook onze Heer te zijn. Onze broeder — mensch onder menschen. Onze Heer — zelfs in Zijn menschheid boven ons zeer verheven. In één en het zelfde uur is Hij de dienstknecht van allen, en met den minste onder de bidders komt Hij zich nu gelijk maken, als Hij |107| de mysteriën van het eerste drietal beden laat komen langs menschelijk-ordinaire wegen: een volkstumult, een ezelin, een man van de straat. Maar Hij is ook de koning onder allen, de eerste, óók in Zijn menschelijkheid. Nooit heeft iemand het „Onze Vader” zóó kunnen uitleggen, laat staan: bidden, als Jezus hier zonder hoorbare woorden bidt, en in haast al te vlak-menschelijke daden uitlegt, de drie eerste beden van het volmaakte gebed.

Hij heeft het zelf geleerd, dit gebed, aan Zijn discipelen. Hij alleen kòn ook maar de leermeester zijn van dat gebed. Want Hij is de Eenige in hemel en op aarde, die zijn inhoud en zijn vormen, zijn spreken en zijn zwijgen, tot het einde toe vermocht te beleven.

En slechts, wie beleefd heeft, wat hij verkoondigt, is de zuivere leeraar. Wie het door-leefd heeft en nog dagelijks door-leeft, die is de volkomen leeraar.


Ten slotte, óók in Zijn verhouding tot de menschen zien wij Jezus hier in Zijn opperste schoonheid. Want het Sanhedrin bejegent Hij anders dan de schare, anders dan het gewone volk. Hij geeft ieder zijn eigen recht en behandelt ieder naar eigen aard.

Zeker, Jezus heeft de macht, om het Sanhedrin op te schrikken, zijn vergaderzaal binnen te gaan, en een paniek er teweeg te brengen, gelijk Hij eens in den tempelvoorhof heeft gedaan, toen Hij den tempel schoonveegde r, en zulks andermaal zal doen s. Op dit bepaalde uur heeft Hij maar één gebed tot God te doen, en meer dan „twaalf legioen” engelen staan om Hem heen t. Daarbij, Hij heeft tot de menschen maar één enkel woord te zeggen, en Hij krijgt dadelijk een legioen menschen achter Zich aan, om de vergaderzaal van het Sanhedrin, die bastille van de ontucht, te bestormen. Het Sanhedrin moge dan niet voor een paar legioen engelen eerbied hebben gehad, (Bileams leerlingen 7) hebben daar zoo geen gezicht op, zij zien enkel ezels, waarop òf zij, òf Jezus rijden) maar — het zou voor een paar honderd menschen zéker |108| respect hebben gehad. Menschen tot een zeker getal zijn voor zijn begrip een sprekend argument.

Maar Jezus doet dat niet. Hij gaat het Sanhedrin voorbij. Wel zorgt Hij er voor, dat zijn leden van Hem hooren, maar Zijn ommegang, Zijn „omhaal”, Zijn omwegen cirkelen toch om het Sanhedrin heen.

Maar wat dit arme volk betreft, tot dat volk komt Hij wèl. Hij komt met al Zijn liefde, zeer geduldig. Hij wil de onwetenden onder hen voor het laatst onderwijzen, en de slachtschapen van zóóveel huurlingen, van zùlke volksmisleiders, nog voor het laatst plaatsen voor de vraag, of zij knielen zullen, dan wel vloeken.

Dit is dan ook de zuivere liefde, welke ieder recht doet naar zijn aard.


Laten wij het hoofd omwinden en den Man van smarten eeren in Zijn doorzichtig kleed van schoonheid.

Hij gaat een feest beleven. Toch is Hij bezig met Zijn lijden.

Want vergeet dit ééne niet, dat Jezus voor het werk van de zuivere liefde de vormen van Tyrus’ reclame aannemen moet.

Dat is het lijden dat Hem drukt, in ditzelfde uur.

In Jezus Christus komt God als de wettige Bruidegom van Israël naar Zijn bruidsvolk; want zóó, als bruidsgemeente, wil heden Hij voor het laatst dat volk als volk doen gelden.

Maar Hij, die de zuivere en opperste huwelijkswet in dezen goddelijken zin Zijn volk gaat prediken, moet nu daarvoor een vorm kiezen, die op Tyrus’ reclame bitter veel lijk. „O mensch, beween Uw zonden groot . . . .” Dat de Bruidegom op deze wijze de aandacht moet dwingen van de bruidsgemeente, dat heeft uw zonde Hem gedaan. En dat is de diepte thans van Jezus’ lijden. Heeft Zijn liefde geen recht, om de aandacht te trekken, alleen reeds uit kracht van haar verborgen gloed? Doch ach, wanneer die groote liefdebrand naar buiten is geslagen in een ambtelijk bestaan van drie-en-dertig jaar, zelfs dàn moet de Bruidegom de aandacht nog dwingen met „kunstmatige” middelen, die weliswaar de heiligheid geen oogenblik schenden konden, noch |109| de liefde ook maar een oogenblik beleedigen, maar die niettemin van onze zijde gezien een droeve documentatie zijn van onze zonde en onzen onwil.

En toch —

Toch is dit niet ons laatste woord.

Laat ons eindigen in aanbidding.

De „omslag”, dien Jezus maakt, was een „noodzakelijke omslag.”

Maar het eene woord heft het andere op. Wat „omslag” is, dat is geen „noodzaak.” En wat „noodzakelijk” is, dat is nooit „omslag.”

Dus is Jezus Christus, als Hij „omslag” maakt, toch van het begin tot het einde in de dingen zijns Vaders.

Meer kunnen wij niet zeggen; verder gaan onze gedachten niet.

Dat Jezus in de schijnbaar redeloos gecompliceerde samenstrengeling van Zijn levensdraden toch altijd bezig is met het stijlvolle werk van Zijn Vader, dat zien wij wel niet altijd. Men zal, òm het te zien, werk hebben tot aan den jongsten dag toe. En om er een glimp maar van te zien, is er diepe stilte noodig voor eens menschen ziel, en een groot geloof voor zijn hart.

Maar wie ook maar in één ondeelbaar oogenblik iets daarvan mocht schouwen, dat Jezus Christus bij Zijn vlak-menschelijken arbeid toch altijd alléén maar is in de dingen van Zijn Vader, —

en wie ook iets er van verstaan heeft, dat al Zijn omwegen Hem toch nooit van den éénen rechten hoofdweg van Zijn ambtelijk werk aftrekken, —

die heeft een uur beleefd van sterk geloof; een uur, dat aan zijn ziel de groote rust hergeeft, en diepen eerbied, en sterk vertrouwen.

Want Jezus heeft hij nu gezien.

En voor zijn oogen trad zijn Heiland in een dubbelen zwaren arbeid.

De eene was het lijden, dat over Hem kwam, het lijden, waardoor Hij de straf ondergaat voor al wat wij mis-deden.

Maar die andere arbeid, — dat is de volkomen gaaf-houding van zijn menschelijke ziels-structuur: de tweede Adam, die niet zijn aandacht laat verbreken, die integendeel zijn zielehof in zuiverheid en harmonie bewaart: planmatig in de groote èn |110| in de kleine architectuur Zijns levens. Zoo wordt Hij ons een Heiland, die leed, om wat wij misdeden, maar ook deed wat wij niet deden, wat wij nalieten.

Hij gaat den lijdenstempel nu in, maar het is een groote troost, dat wij twee lijnen er dadelijk al zien liggen: de ééne lijn is die van de lijdelijke gehoorzaamheid, waarin Hij boet voor onze zonde, die van den kosmos een chaos heeft gemaakt. Maar de andere lijn is die van de dadelijke gehoorzaamheid, die zich uitstrekt tot de schoonheid van God, van den chaos weer een kosmos maakt, en dien kosmos bouwt en bewaart in zijn ziel, èn daar rondom.




1. Zelfs in zijn lijden niet; en daar zal het nu juist over gaan.

2. Joh. 12 : 31: Nu is het oordeel, de crisis, dezer wereld; „nu”, in de lijdensweek.

3. „Mysterium tremendum”.

4. Strack-Billerbeck, Das Evangelie. nach Matth. (Komm. z. N.T. aus Talmud und Midrasch, I, München, 1922, S. 408).

5. Het dwaze pleonasme, dat spreekt van „het aller-vol-maakt-ste” gebed, moge eindelijk eens ophouden dit gebed te beleedigen.

6. Gebruik van dit woord beteekent geen instemming met de gedachtenwereld, waaruit het opgekomen is.

7. „Bileams leerlingen,” zie daarover hoofdstuk IV.




a. Niet eerder gepubliceerd.

b. Vgl. Lucas 2:49.

c. Vgl. Johannes 5:17.

d. Vgl. 1Johannes 1:2.

e. Vgl. Heidelbergse Catechismus, Zondag 10, antwoord 27.

f. Vgl. 1Samuel 8:16.

g. Vgl. Marcus 6:11, 13:9.

h. Vgl. Psalm 84:12.

i. Vgl. MatteŁs 26:5, Marcus 14:2.

j. Vgl. ‘Aandacht trekken’, Gereformeerde Kerkbode van Delft 12 (1924v) 32 (4 oktober 1924), en ‘Reclame’, De Reformatie 5 (1924v) 5,34v (31 oktober 1924).

k. Vgl. Psalm 50:2.

l. Vgl. Jesaja 49:16.

m. Vgl. 1Petrus 1:11.

n. Vgl. Lucas 10:18.

o. Vgl. Zacharia 13:7.

p. Vgl. Lucas 2:49.

q. Vgl. 1KorintiŽrs 2:9.

r. Vgl. Johannes 2:13-22.

s. Vgl. MatteŁs 21: 12-13 par.

t. Vgl. Mat. 26:53.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000