voorplaat

„Darbisten”


door K. Schilder — Vlaardingen

Christelijke Brochurenreeks „Ons Arsenaal”


1e Serie No. 3 en 4
Zutphen (J.B. van den Brink & Co.) [1918]


a


InleidingGeschiedenisLeerKritiek

Menschen, die met de kerk en den godsdienst slecht op de hoogte zijn, vinden gewoonlijk geen studievak vervelender dan kerkgeschiedenis. En geen onderzoek lijkt hun nutteloozer dan de vraag naar de meerdere of mindere mate van „zuiverheid” in de leer en in de praktijk bij de verschillende godsdienstige stroomingen en secten, die zich in den loop der tijden al zoo hebben aangediend. Waartoe ook al dat dogmatisch geredeneer? Waarom ook die onophoudelijke twistvragen over een of anderen „uitlooper” van de wetenschap der dogmatiek? Bekend is, onder wie zoo spreken, het oordeel van Goethe, den Duitschen dichter, over de kerkgeschiedenis (dichters hebben over ’t algemeen nooit veel verstand gehad van de kerk en haar leer!). Volgens Goethe komt de kerkhistorie ongeveer hierop neer b:

Zwei Gegner sind es, die sich boxen,
Die Arianer und die Orthodoxen.
Durch viele Säcla dasselbe geschicht,
Es dauert bin an das jüngste Gericht. 1) |4|

Men begrijpt, dat wie er zoo over denkt, niet veel heil ziet in een brochurenreeks als „Ons Arsenaal” en evenmin c in dit geschriftje over de „Darbisten”.

Ons Arsenaal!” . . . . Dus al weer vechten over de leer? En voor de zooveelste maal weer een bokspartij tusschen kerkelijke heeren over godsdienstige kwesties?

We kunnen begrijpen, dat dikwijls door buitenstaanders alle dispuut over theologische vragen wordt beschouwd als „ijdelheid en geesteskwelling” d. Of, nòg minder vleiend, als ’n onnoozele, onschadelijke, maar op den duur erg vervelende „bokspartij”. En wanneer ze gelijk hadden, dan zouden we ’t verstandigst doen „Ons Arsenaal” maar te laten voor wat het is. Wat is voor een normaal mensch nu dwazer en kinderachtiger dan een bokspartij van twee krachtmetende, snoevende acrobaten?

Maar — is die beschouwing misschien niet juist, dan mogen we wel degelijk aandacht vragen voor een hernieuwde bespreking, ook van de verschilpunten, die zich op het kerkelijk en religieus erf voordoen. En inderdaad, men hééft ook geen gelijk, wanneer oppervlakkigheid bij het opwerpen van theologische strijdvragen verachtelijk mompelt: ’n bokspartij, meer niet . . . . En allerminst heeft men ’t in dezen bij ’t rechte eind, voorzoover de kwestie van het z.g. Darbisme betreft. Hier hebben we niet te doen met het armoedig bedrijf van ’n bokspartij; maar hier is de brandende kwestie van het conflict tusschen ideaal en werkelijkheid.

Ideaal en werkelijkheid! Hoe vaak zijn die twee al niet tegen elkander in gegaan! Tegen elkaar „boksen” doen ze nooit; tegen elkaar „botsen” doen ze schier onophoudelijk. Want „boksen” is een spel, dat opzettelijk gespeeld wordt; maar „botsen” is geen spel, doch bittere ervaring; het doet pijn, en ’t gebeurt zonder opzet.

Ideaal en werkelijkheid! Er zijn er, die alleen met de werkelijkheid rekenen en die van de bestaande toestanden uitgaan. Dat zijn de menschen van de grove praktijk. Anderen zijn er, die de werkelijkheid telkens te lijf willen |5| met het ideaal; dat zijn de idealisten, die altijd verbeteren willen, ook waar verbetering onmogelijk is. Want, ziehier de verklaring van het voortdurend „gehaspel”, de ééne mensch accepteert de werkelijkheid, en vergeet dat er zonde is, die moet bestreden worden. En de andere dweept met zijn ideaal, maar ziet voorbij, dat de zonde blijven zal, ook al wordt ze met alle kracht bestreden.

Hier nu zie ik de grondoorzaak van de tegenstelling tusschen de officieele kerk en het Darbisme. De kerk, vooral zooals Darby, de voornaamste leider dezer beweging, ze zag, nam wat al te gemakkelijk genoegen met de verkeerde, zondige werkelijkheid. En het Darbisme ging anderzijds in zijn droomen en idealiseeren weer wat al te ver, en vergat, dat een hemel op aarde, en een zuivere toestand temidden van een wereld, „die in het booze ligt” e, onmogelijk zijn. De kerk liet zich vaak meesleepen door de praktijk en beheerschte ze niet. Zoo had Darby een betrekkelijk recht in zijn kritiek op de kerk. Maar het Darbisme, in zijn verwerping van die zondige kerk, liet zich te veel meenemen door zijn ideaal en beheerschte dat niet; het droomde tenslotte langs zijn schoonen droom heen. En zoo had de kerk weer betrekkelijk recht in haar kritiek op het Darbisme.

Laat ons hopen, beiden recht te doen. De volgende bladzijden willen beproeven, u een zeer korte (en natuurlijk verre van volledige) aanwijzing te geven in den strijd van het Darbisme tegen de kerk en van de kerk tegen het Darbisme. Dergelijk onderzoek moet belang hebben voor ieder, die, ook in het kerkelijk vraagstuk, het pijnlijk conflict heeft gevoeld tuschen denken en zijn, tusschen ideaal en werkelijkheid.

*

|6| Voor de hand ligt, dat we in de eerste plaats een kort overzicht geven van de

Geschiedenis

van het Darbisme.

Het Darbisme ontleent zijn naam 2) aan den Ier John Nelson Darby. Dit is in zooverre juist, als J.N. Darby de voornaamste en krachtigste geest is geweest onder de toonaangevende mannen van deze beweging. Toch zullen we reeds tot vóór Darby’s geboorte moeten teruggaan, om de eerste levensbewegingen van wat later in het Darbisme zich openbaarde, na te gaan.

En dan treft ons weer aanstonds de strijd tusschen ideaal en werkelijkheid. Immers, de staatskerk in Engeland en Ierland was tegen het einde van de 18e en in het begin van de 19e eeuw volstrekt niet wat ze wezen moest. Het verval was in alles te zien. De „geestelijkheid” muntte voor een groot gedeelte door „ongeestelijkheid” uit. De „tucht” over afwijking in leer of leven werd niet gehandhaafd naar behooren; en ook voorzoover die handhaving nog gezien werd, gaf toch de kerk haar roeping prijs en negeerde zij het koningschap van Christus, doordat, geheel in den geest van Thomas Erastus (1524-1583) de overheid erkend werd als gerechtigd tot vaststelling van de inrichting der kerk en |7| dus ook weer aan de overheid de tuchtoefening werd overgelaten. En de historie bewijst, dat, een enkele uitzondering daargelaten, de overheid nog nooit veel verstand gehad heeft van geestelijke tuchtoefening 3) in de kerk. Dit „Erastianisme” werd in de Anglicaansche kerk toen op de spits gedreven en — men nam daarmee over ’t algemeen ten volle genoegen. Ook de hoogere geestelijkheid leefde tenslotte geheel in de beschouwing, dat de kerk een staatsinstituut was.

Geen wonder, dat tegen deze „werkelijkheid” het „ideaal” in botsing kwam en dat tegen deze onzuivere gedachte en praktijk te velde getrokken werd. Uit dat oogpunt bezien, is het eerste optreden van het Darbisme niet on-sympathiek; jammer is het alleen, dat het Darbisme later in zijn reactie tegen deze zondige praktijk te ver ging en met den harden bolster ook de vrucht wegwierp.

Wat toch zien we gebeuren? Hier en daar begon men zich af te scheiden van de staatskerk en afzonderlijk te vergaderen. Vooral het optreden van John Walker was dit streven bevorderlijk, want in 1804 verliet hij de kerk en stichtte een eigen gemeente. Zijn volgelingen, de Walkerieten of Separatisten genoemd, hadden in Ierland een tijdlang grooten invloed en ook na het verval van hun secte bleef toch de idée van afzonderlijk optreden tegenover de officieele staatskerk als blijvende vrucht onder het volk leven. In Ierland’s hoofdstad Dublin, maar ook in Engeland (b.v. te Bristol, Plymouth en Exeter en andere plaatsen) bleven afzonderlijke kringen bestaan, die samen |8| vergaderden in godsdienstige bijeenkomst en de kerk den rug toekeerden.

In dezen stand van zaken trad John Nelson Darby op (geb. 18 Nov. 1800 te Londen, gestorven 29 April 1882 te Bournemouth). Zijn ouders waren Ieren; vandaar dat hij na een kort verblijf in Londen te Dublin zijn vorming ontving. Op verlangen van zijn vader ging hij in 1819 in de rechten studeeren. Hij bracht het dan ook tot den rang van advocaat. In dezen tijd evenwel onderging zijn zieleleven een crisis, die tenslotte, mede door het lezen van den bijbel, daarheen leidde, dat hij zijn advocatenloopbaan prijsgaf en in de theologie studeeren ging met het doel, predikant te worden 4). En in 1826 werd hij reeds tot den predikdienst bij de (Anglicaansche) staatskerk toegelaten en trad spoedig als prediker op in de graafschap Wicklow (in Ierland, grenzende aan Dublin).

En toen? Toen kwam in Darby’s leven, wat bijna iedere jonge predikant ondergaat: toen openbaarde zich bij hem . . . het conflict tusschen ideaal en werkelijkheid! Maar bij hem kwam het in nog veel scherper vorm dan bij de meesten. Darby toch, die uit overtuiging van zijn hart, na een niet alledaagschen „bekeeringsweg” het predikambt gezocht had, kòn zich niet vinden in de officieele staatskerk, met haar officieel gebaar en — haar officieele leugen. Hij ontmoette daar in die kerk een eenheid in den vorm; een pracht-organisatie zelfs; maar een organisatie onderstelt nog niet altijd een organisme; en onder den schijn van eenheid was ook hier innerlijke gescheidenheid en verbrokkeling. En dan, er was zoo weinig te zien van de kracht van Christus Jezus, van de drift des Geestes! De |9| z.g. hoogkerkelijke richting maakte van het protestantisme meer een soort politieke richting, dan een openbaring van het koninkrijk Gods, dat niet in woorden ligt, maar in kracht f. En de breed-kerkelijken brachten àl meer de dorheid van het verstarde rationalisme in de kerk; hun modernisme en koude kritiek mòest wel stuitend zijn voor een man als Darby, met zijn warmte van gemoed en „eerste liefde” g als van pas bekeerden. En aan verbetering en hervorming viel niet te denken. Want op steun bij mogelijk verzet tegen hoog- en breedkerkelijken behoefde niemand te rekenen. Weliswaar bestond er nog een derde richting: de laagkerkelijke, maar haar vertegenwoordigers, hoe vroom-gemoedelijk ze ook mochten zijn, misten elken krachtigen prikkel tot verzet tegen de misbruiken en de religieuze verwildering, die in de kerk waren ingedrongen. Op hen viel niet te bouwen; zij zouden de kerk laten, gelijk ze was.

Dit alles hinderde Darby. En had hij nu nog maar gezien, dat in zoo’n kerk de nederigheid bewaard bleef en de noodzakelijkheid van verbetering althans erkend werd! Maar niets daarvan! Het trof hem, hoe het officieel kerkelijk leven doordrongen was van den geest der zelfgenoegzaamheid. Hier was de staatskerk! Hier was kerk! Maar — zoo overlegde Darby — als dan in onze Anglicaansche kerk waarlijk niet alles goud is, wat er blinkt, zou dan ook niet evengoed buiten onze kerk hier en daar echt goud zijn, al blinkt het ook niet? Toch zeker wel? Ook in andere kringen dan in die van de officieele staatskerk zou God immers nog wel zijn kinderen hebben? Evenwel — en dàt begon Darby al meer te hinderen — met die menschen zou hij, met den besten wil ter wereld, geen waarachtige geestelijke gemeenschap kùnnen oefenen; dit liet de inrichting der kerk niet toe! En dat men in de kerk niet veel voelde voor geloovigen buiten haar gemeenschap, bleek wel uit het adres, dat de geestelijkheid tot het parlement richtte, en waarin zij zich verklaarde tegen de emancipatie der |10| Roomsch-katholieken 5) en aandrong op voortdurende bevoorrechting van de officieele staatskerk (the established church). Dit adres hinderde Darby geweldig: waarom moest die kerkmuur zóó hoog opgetrokken worden, dat wie buiten stond, als ’n vreemde beschouwd moest worden? En hij kon niet nalaten daar tegen op te komen in geschrifte. Openlijk verweet hij den geestelijken hun koude liefdeloosheid, die ieder mensch, buiten het eigen kerkverband, zelfs van ’t geringste staatsambt wilde uitsluiten! En met kracht drong hij aan op een geestelijke gemeenschap (spiritual community). Dit geschrift publiceerde hij in 1827; men lette op het jaartal, want het toont ons, hoe spoedig reeds in Darby’s optreden het verzet openbaar werd tegen een kerk, die door haar inrichting en haar bestuur andere geloovigen buitensluit.

Het duurde dan ook niet lang, of de jonge prediker werd in zijn afkeer van de vereeniging der geloovigen in een afgerond kerkgenootschap nog meer versterkt. Hiertoe werkte ook mee de kennismaking met zekeren Antony Norris Groves. Deze, een gewezen tandarts, die in 1825 te Dublin in de theologie was gaan studeeren, bewoog zich veel in een kring van geloovigen, die te Dublin regelmatig samenkomsten hielden buiten de staatskerk om. Dàt was iets voor Groves! De leden van het Dublinsche „gezelschap” klaagden er over, dat er toch zoo’n droevig verschil was tusschen een avondmaalsviering in den eersten tijd der jeugdige christengemeente èn een avondmaalsbediening tegenwoordig in de Anglicaansche kerk. Vroeger |11| was daar de liefde aan het woord; en wie maar in Christus Jezus geloofde en maar mee wilde strijden tegen de tyrannie der wereldmacht, was welkom aan den liefdemaaltijd; maar tegenwoordig was bij het avondmaal de eerste vraag: „Zijt ge wel ingeschreven in het lidmatenboek van onze kerk? Anders zullen we u niet toelaten tot onze avondmaalsviering, al gelooft ge ook in Christus, als uw Heiland!” Welnu, zei Groves, laat ons dan de daad bij het woord voegen, en afzonderlijkbrood breken”; wat hebben wij ook eigenlijk te maken met al die officieele reglementen van lidmaatschap en nog eens lidmaatschap der kerk! Als er maar geloof is en liefde voor Christus, dan kunnen we avondmaal vieren. — En zoo deed men. Straks bevond ook Darby met anderen, als Mr. Bellett, zich in dezen kring. En weliswaar ging Darby nog niet zoo ver als Groves, die zich geheel losmaakte van de staatskerk, maar niettemin bleef hij, wiens gedachten reeds eerder in dezelfde richting geleid waren, onder de suggestie van Groves’ handelwijze. Zoo tobde hij voort. En almeer kwam het in hem tot de overtuiging, dat eigenlijk iedere kerkinrichting, die de geloovigen in-perkte in een kerkelijk erf, boven welks poort: „verboden toegang” voor geloovigen uit àndere kerkgenootschappen stond, een onding, een zonde was. Stel u voor, zoo redeneerde hij, „ik zeide tot mijzelf: als Paulus hier kwam, zou hij niet eens kunnen prediken, daar hem de beroepspapieren zouden ontbreken. Kwam echter de felste tegenstander van Paulus’ leer, en had deze de noodige papieren, dan zou hij naar dit kerkelijk systeem het recht hebben, hier te prediken. Ik zag in, dat dit stelsel niet deugt. Het stelt den mensch in Gods plaats6). Aldus Darby.

Men voelt, waartoe dit alles heenleiden moet: een breuk met de kerk was onvermijdelijk. In 1828 kwam het dan ook zoover. Darby verliet de Anglicaansche (staats)kerk, „omdat ik die niet voor de kerk Gods hield”, zoo schrijft |12| hij later. En tegelijk met zijn uittreding publiceerde hij een geschrift 7) waarin betoogd werd, dat in alle kerkgenootschappen God wel zijne kinderen had; dat alle kinderen Gods bijeen behoorden te zijn; maar dat de hooge staketsels, die iedere kerk voor zich had gezet, de ware geloovigen verhinderden de eenheid in Christus te oefenen; en de conclusie luidde nu, dat alle kerkvorm moest verworpen worden en de vrije vergadering van de ware Christgeloovigen noodzakelijk was. Geen kerkmuren, luidde zijn eisch, want die zijn barricades op den weg naar den hemel en tot God. —

*

Zoo ontstond de beweging, die aan het „Darbisme” het leven gaf 8).

Wat nu het verdere verloop der historie betreft, kunnen we niet anders dan zeer onvolledig zijn. Allereerst omdat het bestek dezer brochure tot beknoptheid maant en ook omdat de geschiedenis der beweging niet geheel helder voor ons staat 9) |13|

We stippen slechts het volgende aan.

Darby’s uittreden bleef niet zonder uitwerking. Zeer velen volgden zijn voorbeeld en „vergaderden zich eenvoudig om den Heer, zonder eenige menschelijke organisatie, zonder zoogenaamde geestelijken, zonder geloofsbelijdenis, als uiterlijke band van eenheid” (J.N. Voorhoeve, Het zoogenaamd Darbisme) h.

Darby zelf werkte krachtig mee tot uitbreiding van het aantal „geloovigen”. Na zijn uittreding in 1828 bezocht hij Engeland en kwam te Oxford en te Plymouth. Inzonderheid Darby’s verblijf te Plymouth is van beteekenis geweest. Want daar was reeds vóór zijn komst een „vergadering” van broeders, die, zonder te vragen naar kerk-lidmaatschap of confessie, ieder ontvingen, die maar geloofde (ook „geestelijken”, die nog in de staatskerk dienden, waren daar te Plymouth lid). En de wijze van vergadering, niet het minst ook de oefening der geestelijke gemeenschap, bekoorde Darby zoozeer, dat hij wat te Plymouth gezien werd, als ideaal vasthield en voortaan meestal de „vergaderingen”, die hij zelf organiseerde, inrichtte naar het model, dat Plymouth te zien gaf. Vandaar, dat de z.g. Darbisten ook wel bekend staan onder den naam Plymouth-broeders 10).

Na zijn bezoek aan Plymouth werd Darby al meer beslist in zijn optreden. Dezelfde man, die na zijn uittreding uit de staatskerk betrekkelijk teruggetrokken leefde (waarschijnlijk is hij eerst in 1830 naar Engeland gegaan, en reeds in 1828 verliet hij de kerk) en in Calary-Bog, 1000 voet boven zee, in een boerenwoning geleefd had, zijn uiterlijk verwaarloozend, afgezonderd van de groote |14| wereld, ontwikkelde nu ineens een ijver en werkkracht, die verbazen moet. Hij wist nu terdege, wàt hij wilde. En zoo zien wij hem terugkeeren uit Engeland, om in Ierland propaganda te maken voor zijn zienswijze. Daarbij bleef het echter niet. Na 1837 heeft Darby gereisd zonder ophouden, niet alleen in Engeland en Ierland, maar ook in het buitenland. Zoo zwierf hij rond, rusteloos; de zig-zag lijn was na dien tijd de eenige zuivere afbeelding van zijn bewegingen. Nu eens is hij hier, dan weer ginds. Bekend is zijn verblijf te Genève, Neufchâtel en Lausanne. In deze omgeving stichtte hij gemeenten (1839-1840). Door voorlezing en ook in geschrifte bepleitte hij de zaak van de vrije vergadering der waarachtige geloovigen. Later ging hij naar Montpellier (Zuid-Frankrijk, 1844). In Zwitserland heeft hij veel gewerkt; na 1854 kwam hij ook in Duitschland (vooral te Elberfeld hield hij verblijf). Darbistengemeenten ontstonden o.a. in het Rijnland, Westfalen, Thüringen, Beieren. Herhaalde malen ook is deze onvermoeide prediker in Amerika geweest. Loofs i noemt achtereenvolgens zijn reis naar Noord-Amerika (Canada) 1862-’63; naar de Vereenigde Staten, 1864-’65; een derde reis naar Amerika van den herfst van 1866 tot het voorjaar van 1868; een vierde tocht in ’t najaar van 1868 bracht hem nu over Spanje (!), naar Middel-Amerika; in den winter van 1872-73 kwam hij in Missouri (St. Louis) en op zijn zesde reis naar Amerika (1874-77) trad hij op te San-Francisco (Californië) en bereikte zelfs Nieuw-Zeeland! Men vergete niet, dat Darby toen reeds meer dan 70 jaar oud was. Ook valt in dezen tijd zijn werkzaamheid in Italië (1871, 1874). Eindelijk stierf hij 29 April 1882.

Een man met zóó bijzonderen treklust 11) moest wel invloed oefenen. Ook in Nederland vond de beweging een vertakking. Bekende „Darbisten” in ons land zijn |15| G. Willink van Bennebroek, G.P. Bronkhorst, J.A. Donker, H.J. Lemkes, H.C. Voorhoeve Jzn. (en onder zijn invloed later ook diens vader Jacob Voorhoeve) en de heer J.N. Voorhoeve, die een ijverig apologeet 12) voor het Darbisme is.

*

Merkwaardig is ten slotte, dat wie de geschiedenis van het „Darbisme” beschrijft, ook hier telkens stuit op twist en scheuring. Breede bespreking daarvan is hier onmogelijk. Daarom slechts het volgende. (Wie breeder onderzoek verlangt, bestudeere het lezenswaardige werk van J.Th.R. Schreuder, Het Darbisme in theorie en in praktijk).

De eerste meer openlijke twist, die tot scheuring leidde, deed zich in 1845 te Plymouth voor. Hier waren onder de broeders vooral twee, die de leiding gaven: Benjamin Willis Newton en J.L. Harris. Tegen beiden had Darby zijn grieven. Niet alleen ergerde hem de leering van Newton, die van de zijne verschilde; — (Darby meent, dat de gemeente tot Christus zal opgenomen worden vóór de laatste verdrukking; Newton, daarin schriftuurlijk, geloofde dat niet); maar inzonderheid keerde hij zich tegen Newton’s poging, om het ouderlingenambt in Plymouth te herstellen. Geen van beiden gaf toe. Het einde was, dat Darby zich van de broeders afscheidde en straks te Plymouth 2 groepen waren van „Darbisten”, die ieder voor zichbrood braken”. En dat het volle ernst was, bleek wel, toen op Darby’s aandrang ook te Londen Newton werd gebannen van de viering van het avondmaal (1846).

Toen zoo Newton eenmaal als „ketter” gebrandmerkt was, kwam het ook te Bristol tot een 2e scheuring. Men had daar enkele aanhangers van Newton in den kring |16| opgenomen (de gebrs. Woodfall). Darbij verklaarde nu niet meer de vergadering te Bristol (in het gebouw Bethesda) te kunnen bijwonen. En eindelijk volgde een openlijke breuk met de Bethesda-broeders.

Andere uitsluitingen en uitbanningen en afscheidingen volgden; soms om zeer geringe oorzaak. Zoo in 1860 ten opzichte van de vergadering te Sheffield (oorzaak: het in gebruik nemen van een vergaderlokaal). Zoo ook in 1866, toen Dorman en vele anderen zich afscheidden om een leergeschil. Andere moeilijkheden met gelijk gevolg deden zich voor in 1881, 1885, 1890 (ook al weer tengevolge van oneenigheid in de leer). Alles wees erop, dat de beweging, die begon met een protest tegen onverdraagzaamheid om leergeschillen jegens menschen, die toch van harte God liefhadden, niet in staat was bij haar volgelingen de als ideaal voorgestelde verdraagzaamheid te kweeken. Ook in Amerika is de verdeeldheid sterk 13). Als Goethe geleefd had, hij zou weer van een „bokspartij” gesproken hebben . . . . En waarlijk, ’t begon er op te lijken. Darby heeft zijn ideaal overleefd. De geschiedenis heeft hem nog bij zijn leven in ’t ongelijk gesteld.

En dat kon niet anders. Darby’s beschouwingen moesten wel zich verliezen in ’n armelijk fiasco. Want ze waren te idealistisch en daardoor onwaar. We willen daarom thans in de 2e plaats een kort overzicht geven van

de Leer

van het Darbisme.

Van „deleer van het Darbisme — hiermee beginnen we — kan, goed beschouwd, niet gesproken worden. Het „Darbisme” toch heeft geen belijdenis, geen nadere omschrijving van wat het gelooft. Bovendien laat het, naar het zegt, zijn aanhangers vrijheid van leer, althans inzake geloofs-stukken van minder belang. De heer J.N. Voorhoeve, |17| zelf z.g. Darbist, zegt: „De „broeders” hebben geen vastgesteld schema, geen „Vergaderings-leer”. Zij kunnen zeer goed plaatsen, dat andere geloovigen anders denken . . . Ook is er van dwang in dat opzicht in hun midden geen sprake” 14). (Het z.g. Darbisme, bl. 41).

Toch spreekt de heer Voorhoeve ook van „hoofdwaarheden” (bl. 22) waarover blijkbaar geen verschil mag bestaan tusschen de „broeders”. We zullen dus thans eerst nagaan welke die „hoofdwaarheden”, m.a.w. de

voornaamste en meer kenmerkende leeringen

van de „Darbisten” zijn. En hier is de eerste vraag: Hoe denkt het Darbisme over

DE KERK? Het antwoord is door Darby c.s. duidelijk gegeven: de kerk is de grootste fout der christenen; een kerk màg er niet zijn.

We hebben reeds in de teekening van Darby’s motieven voor zijn breuk met de staatskerk, op deze gedachte gewezen. De bezwaren, die de jonge prediker toen reeds tegen de kerk inbracht, zijn nòg de klachten, die het Darbisme op zijn acte van beschuldiging tegen de kerk u voorhoudt. Darby redeneert ongeveer als volgt. Christus heeft zich een gemeente gekocht, die zijn lichaam is, en op aarde ook als Zijn lichaam behoort openbaar te worden. Natuurlijk volgt daaruit, dat de leden van dat lichaam één moeten zijn. De leden van een lichaam zijn toch door één geest, door één beginsel des levens verbonden? Zoo moeten dus ook de leden der kerk, omdat ze leden van Christus’ lichaam zijn, één wezen. Ze mogen niet verspreid zijn, los van elkander, want dan wordt Christus’ lichaam niet tot openbaring gebracht.

Evenwel — zie nu eens rond en wrijf uw oogen eens uit. Wat ziet ge nu? Ge ontwaart een menigte van kerken, |18| grootere en kleinere; een heirleger van secten. En iedere kerk heeft weer een eigen belijdenis, een eigen inrichting, een eigen wijze van toelating tot de avondmaalsviering. Gevolg daarvan is, dat alle kerken eigenlijk secten zijn, omdat ze het „lichaam van Christus” verbrokkelen en hopeloos verdeelen. De eene geloovige wordt door dit alles van den ander gescheiden en van de oefening der gemeenschap wordt zoo niets gezien!

Daarom — aldus Darbymoet met allen kerkvorm radicaal gebroken worden. De „geloovigen”, die Christus’ verschijning liefhebben, moeten zich losmaken van de banden, waarmee de kerken hun vrije gemeenschapsoefening onmogelijk maken en ze moeten saam vergaderen. Zoo maar saamkomen. Zonder formulieren. Zonder formaliteiten. Zonder formalisme. En als de ware geloovigen op die wijze zich bijeenvoegen, is hun de belofte van Christus’ presentie en van des Geestes drijving geschonken en wordt ze aan hen dus ook vervuld. Alleen zoo komt in die vrije vergadering de eenheid van Christus’ lichaam tot uiting. „God wil het”, wordt de leus. En een nieuwe kruistocht wordt uitgeroepen; ditmaal niet (als in de middeleeuwen) om de heilige plaatsen aan de onheilige menschen, doch om de heilige menschen (de geloovigen) aan de onheilige plaatsen te ontrukken (de kerken).

’t Verlaten van de kerk is dus de plicht van wie Christus liefheeft. De kerk is toch maar een Babel, een afgodstempel; ze draagt het oordeel reeds in zich. Daarom probeere ook niemand door reformatie, door kerk-hervòrming, het euvel weg te nemen. Want aan de kerk is niets te hervormen. Een ter dood verwezene koopt men geen nieuw costuum en de kerk geve men geen nieuwe gedaante. Temeer, omdat haar vonnis spoedig voltrokken wordt, want Christus komt haast weder! En bij zijn verschijning zal aan de ontrouwe kerk voltrokken worden het in Rom. 11 : 22 reeds gedreigde oordeel. Wat in beginsel goed is, dàt is waard hersteld, ge-reformeerd te worden; maar wat in zijn wezen kwaad en verdorven is, mag men niet |19| hervormen; dat zou het kwaad bestendigen zijn. Aan een goeden boom legge men zijn moeite ten koste; maar een giftplant roeit men immers uit?

Geen hervorming dus, maar verlating van de kerk.

En wanneer dan de ware geloovigen als broeders samenkomen, dan is het eerste wachtwoord: geen terugkeer tot het oude systeem van belijdenis en nog eens belijdenis; van formule en nog eens formule! Welneen, laat die geloovigen vrijelijk vergaderen en vraag nu toch niet in de eerste plaats, of ze ’t wel met uw dogma’s eens zijn. Vraag slechts, of ze Christus liefhebben! „Wij”, aldus de Darbisten, „wij vragen nimmer: Zijt gij het eens met Luther of Calvijn of Darby? maar eenvoudig: Zijt ge een geloovige in den Heere Jezus?” 15) Derhalve: geen belijdenisschrift als band, als „formulier van eenigheid” 16).

Deze gedachten nader ontwikkelend, komt Darby vervolgens ook tot verwerping van het

AMBT in de kerk. Immers, als de geloovigen samenkomen, dan is daar de Heilige Geest in hun midden. Die Geest leidt de vergaderden in de waarheid. Die Geest ook geeft, gelijk vroeger te Corinthe geschiedde, nu aan dezen, dan aan genen, de gave van spreken of leeren, van zingen of bidden. Deze „vrije” Geesteswerking, die zich aan een iegelijk meedeelt, „gelijkerwijs Hij, de Geest, wil” j, màg men niet beperken en aan banden leggen door b.v. een predikant aan te stellen, die in de „vergadering” zoowat alleen het woord heeft, alsof men, nota bene, Grieksch en Hebreeuwsch moest kennen, om de Schrift te openen! Neen, ieder, die de inspiratie des Geestes in zich brandende voelt, spreke daarvan, getuige daardoor. |20|

Niet slechts het predikambt evenwel, doch ook het ambt van ouderling wordt door Darby en zijn volgelingen verworpen. Zij beroepen zich hierbij op de Schrift, want daaruit, zoo meenen zij, blijkt duidelijk, dat de apostelen de ambten pleegden in te stellen, en niet de gemeente zelf. De apostelen hebben, volgens Darby, steeds de ambtsdragers, de opzieners althans gekozen en de gemeente accepteerde gewillig wien de apostelen aanwezen. Derhalve, zoo concludeert hij, is het aanstellen van ouderlingen de taak der apostelen. En nu de apostelen gestorven zijn, en het gezag der apostelen niet meer gezien wordt, nu is het aanmatiging van de gemeente, als zij ouderlingen aanstelt. Aanmatiging ook, als ze predikers van beroep zich kiest. De gemeente heeft niet te kiezen. „Daardoor keert men, evenals in den Staat, de orde Gods om. De macht komt niet van beneden, maar van boven. Die geregeerd worden, kiezen hun eigen regeerders niet” 17). „De meerdere stelt besturen over den mindere aan” 18). En nu waren wel de apostelen zulke „meerderen”, die konden aanstellen, maar overigens niemand.

Ook het diaken-ambt tenslotte wordt afgewezen en verworpen door de „Darbisten” 19). Toch keert zich daartegen niet hun voornaamste grief. ’t Is vooral het ouderlingschap en het leeraars-ambt, dat door hen bestreden wordt. Wie de Geestes-gave eenmaal bezit, die trede spontaan op met een woord van geestelijke onderwijzing; maar men wachte zich voor het aanstellen van leeraars, die dan maar moeten zien, dat ze de gave des Geestes en der goddelijke inspiratie deelachtig worden!

*

|21| Bij de bespreking van de meer specifiek „Darbistische” leerstellingen, dient nog op één zaak gewezen te worden, en wel op Darby’s opvattingen over:

DE LEER DER LAATSTE DINGEN 20). Deze „laatste dingen” zijn nabij. Niet lang meer toeft de Christus in Zijn wederkomst. Nu is reeds in ons overzicht van de geschiedenis van het Darbisme er op gewezen (blz. 15), dat Darby (anders dan Newton) gelooft, dat de gemeente der waarachtig geloovigen wordt opgenomen in heerlijkheid vóórdat het eindoordeel komt over de wereld, die „in het booze ligt.” Om deze „opneming” der gemeente te bewerkstelligen, komt Christus terug op aarde. Dat is zijn eerste wederkomst. Maar bij deze eerste komst is Christus’ doel nog niet, de vijanden te verslaan, doch: zijn „gemeente” tot zich te nemen. Daarom is dan ook deze eerste komst onzichtbaar; want hier is niet de koning, die zijn majesteit wil manifesteeren voor duizenden, doch de bruidegom, die zich geven wil in heilige stilte aan zijn bruid, en die daarom zich niet vertoont aan de groote wereld. Het zal het uur zijn der stille liefde. Dan volgt de bruiloft in den hemel. En na 7 jaar komt Christus terug, nu in tweede komst. Thans is hij de Koning, de Rechter. Hij verschijnt dus blinkende, in zichtbaren zonnegloed. En oordeelen zal hij nu. Na de opneming der gemeente volgt dus de tijd van beproeving voor de wereld, in een reeks van opeenvolgende plagen en ten slotte wordt het drama beëindigd door den storm van het laatste oordeel. Tweeërlei wederkomst van Christus alzoo.

Op dit terrein heeft — is ’t wonder? — de fantasie steeds |22| ruim veld voor haar gedachten-spel gehad. Ook de fantasie van Darby. Over die „opneming der gemeente” worden de wonderlijkste verhalen verdicht. Darby nadert het type van een „christelijken” Jules Verne, als hij fantaseert over de wijze van die opneming 21). Trouwens, er is hier nog veel meer te noemen. De verwachting van een duizend-jarig rijk (na Christus 2e komst), van een massa-bekeering uit de Joden (gedurende de 7 jaar van de bruiloft van Christus en de gemeente, dus tusschen 1e en 2e komst), van herstel van het Romeinsche (!) rijk en andere bizarre vondsten van spelende dogmatiek en dogmatisch spel, zou nog breeder moeten besproken worden. Doch we noemen niet meer k; ook al omdat deze voorstellingen samenhangen met de opvattingen van het z.g. Chiliasme en onze lezers zich troosten kunnen met de gedachte, dat geoefende hand straks in een brochure van „Ons Arsenaal” ook het Chiliasme met zijn wapenen zal te lijf gaan l.

*

De bespreking van deze drie onderwerpen: kerk, ambt en leer der laatste dingen (eschatologie) toonde ons, wat de meer voor het Darbisme kenmerkende opvattingen waren. Een enkel woord volge nu nog over sommige

andere leerstellingen,

die het Darbisme aangenomen heeft.

De Schriftbeschouwing kenmerkt zich door een meer geziene innerlijke tegenstrijdigheid: eenerzijds overdreven respect voor de inspiratie der Schrift, anderzijds treft u een al te groote vrijpostigheid bij de verkláring er van. Want Darby neemt aan, niet slechts, dat God de |23| bijbelschrijvers door Zijn Geest verlicht heeft en geïnspireerd, maar hij gaat zelfs zóóver, dat hij aanneemt een mechanische inspiratie, zóó, dat de schrijvers niet anders waren dan wil-looze, althans niet vrijwillige werktuigen in de hand van den Heiligen Geest 22). Toch durft Darby het aan, die zelfde Schrift te mishandelen door willekeurig vergeestelijken („ver”geestelijken is erg ongeestelijk, het is uit den booze) van den tekst soms en door het al te vrij uitleggen der uitspraken van den bijbel, vaak tegen zijn eigen bedoeling in. Hierin is Darby gevolgd door zijn geestverwanten.

De Sacramenten (doop en avondmaal) worden door allen niet gelijk bezien. Zoo verklaart H.C. Voorhoeve Jz., (Brieven etc. bl. 26): „Darby gelooft in den Kinderdoop en velen met hem; ik en velen met mij daarentegen niet. Toch stoort dit verschil van gevoelen onze gemeenschap met elkaar in geenen deele”. — Het avondmaal is de vrije, onderlinge gedachtenis-oefening van Christus’ lijden. Een dienaar, die de teekenen uitreikt, zou een darbistische tafel voor een darbistisch gemoed ontsieren, zoo niet ontheiligen. Geen man dus, die de teekenen uitreikt namens Christus; Christus zelf is de gastheer. Wie een woord heeft, spreke; wie niet tot spreken zich gedrongen voelt, zwijge. —

Over de kracht en de waarde der Sacramenten en de wijze van geloofsversterking bij de ontvangst er van loopen, gelijk begrijpelijk is, de meeningen zeer uiteen.

Inzake de verhouding van de kerk tegenover de wereld helt het Darbisme over naar den kant van de leer der „doopersche mijding”. De wereld is boos; ze is het terrein van den Satan; Gods gemeente is in die wereld een aparte vergadering van geroepen heiligen; van menschen, die niet |24| passen dus bij deze wereld. Dat dan de kerk zich terugtrekke uit de wereld en zooveel mogelijk alle contact met het groote menschenleven afbreke! Men begrijpt, dat op dit standpunt niet veel plaats is voor de beschouwing, dat de kerk een positieve roeping heeft tegenover de wereld. De heiligen — vooral die „van de laatste dagen” hebben zich nu reeds te verdiepen in het hemelleven; voor de aarde blijft dan niet veel tijd over23). Het „darbistisch” christendom legt op het „jenseits” meer nadruk dan op het „diesseits”.

*

We zouden meer kunnen noemen 24). Maar het gegevene moge volstaan om althans een overzicht te bieden van de „Darbistische” leer.

Voor ons blijft nu de laatste vraag: Wat van dit alles te denken? Is het Darbisme voor ons aannemelijk of niet? Zoo komen we tot ons laatste woord, een korte saamvatting van onze

Kritiek

op het Darbisme.

Wanneer men het „Darbisme” als religieus verschijnsel taxeeren wil, kan men beginnen met waardeeren. Want prijzenswaardig is in Darby en de zijnen, dat zij opkwamen |25| tegen het verval der kerk, dat ze wezen op den ontzaglijken afstand tusschen het ideaal der kerk en de realiteit, welke ze vertoont. Niemand wage het, hier te gaan schelden. Zelfgenoegzaamheid is voor de kerk altijd de dood geweest. Menschen als Darby, met zijn hamering van driftige slagen op wat verwrongen is en verdraaid, doen altijd wat goeds. Ze houden den slaap uit de oogen. Hun oproerige zinnen kennen soms niet anders dan den superlatief en het uitroepteeken; maar ze hebben dan toch de verdienste, dat ze onzen sleurgang breken en ons de ooge ndoen wrijven. Heeft ook niet Jezus Christus, vóórdat hij zeide: „bidt!” ons toegeroepen: „waakt”? m

Goed was in Darby, dat hij aandrong op geestelijke gemeenschap, ook met hen, die in een andere kerk leven, als ze Christus Jezus ingelijfd zijn door een levend geloof. Goed was het in Darby, dat hij den staat het recht ontzeide, te regeeren in de kerk. Christus’ koningschap blijve ongerept gehandhaafd in Christus’ kerk. Goed was het in Darby, dat hij de Geestes-werking in de kerk niet wilde zien ontbreken.

En toch kan het Darbisme ons niet bekoren en mag Darby onze leidsman niet zijn.

Laat ons, om de afwijzing van dezen eerlijk-uitzienden gids te rechtvaardigen, achtereenvolgens beoordeelen, wat Darby, en met hem de z.g. Darbisten, geleerd hebben.

1. Allereerst zagen we, dat het Darbisme geen bepaalde leer heeft, waaraan het zich bindt. Wèl eischt het evenwel aanvaarding van sommige hoofdwaarheden.

Maar, zoo vragen wij, wat zijn hoofdwaarheden en wat zijn „waarheden” van minder belang? Is niet de waarheid altijd belang-rijk? Juist, omdat ze waarheid is en wáárheid wil genaamd worden? Mogen we ooit in zaken, waarover te beslissen valt, onverschillig zijn voor een of andere waarheid, en „kalmpjes, zoetjes” wat wij voor leugen houden de waarheid laten tegenspreken? Dat is toch geen respect voor de waarheid?

En bovendien, de onderscheiding zelf van hoofdwaarheden |26| en minder belangrijke, is dwaas, onwetenschappelijk, vervlakkend en misleidend. Want de waarheid is een kleed, dat uit één stuk geweven is. De ééne waarheid hangt met de andere onlosmakelijk saam. Wie één dogma loslaat, verwrikt en ontwricht álles en komt straks tot een geheel nieuw „leer-gebouw”. Wie scherp en logisch denkt, zal altijd weer de eene stelling uit de andere opbouwen en dus ook die twee tegelijk vast blijven houden of — die twee tegelijk schrappen uit zijn geloofsleer. — Om slechts één voorbeeld te noemen: over den kinderdoop wordt, gelijk we zagen, door alle „broeders” niet gelijk gedacht. Dat is dus maar ’n kwestie van ondergeschikt belang voor hen. Toch zal, voor wie nadenkt, de vraag van den kinderdoop op ’t allernauwst verbonden blijven aan die andere kwesties: hoe de kinderen der geloovigen te beschouwen zijn; hoe de kerk in de Schrift wordt voorgesteld; wat het wezen is van die kerk; wat de beloften zijn van het verbond? En hier raken we immers onmiddellijk weer aan „hoofd-waarheden”?

Aan dergelijke oppervlakkigheid mogen wij niet meedoen; verdraagzaamheid is nog iets anders dan nevelachtigheid; ver-dragen is best, ver-vagen is slecht.

2. We komen tot de Darbistische leer omtrent de KERK. We zagen, dat Darby ’t noodig vond, dat alle waarachtig geloovigen bijeen waren. Daarom wilde hij breken met de kerken, die de eenheid belemmeren, omdat de kerken pantserforten zijn, die ieder op een eerbiedigen afstand houden, als hij niet de belijdenis onderteekent en de reglementen aanvaardt.

Deze gedachte nu berust op onzuivere redeneering. O zeker, het Darbisme heeft volkomen gelijk, wanneer het zegt, dat de kerk één moest zijn. We geven het onmiddellijk toe, dat we nooit vrede mogen hebben met het bestaan van meer dan ééne kerk. Tegen Darby hebben we dan ook eigenlijk alleen deze grief, dat hij zijn bezwaar tegen de kerken (meervoud) heeft veranderd in een bezwaar tegen de kerk (enkelvoud). Dat was bij hem een |27| begripsverwarring, die tot ongeoorloofde conclusies leiden moest.

De groote vraag, waarover het in dit geding loopt, is eigenlijk deze: moet de kerk een open terrein zijn, zònder afsluiting, zonder belijdenis, zonder bepaalde regeering, ja dan neen? Darby zegt: ja! De Schrift zegt: neen. De kerk mòet zijn een belijdende kerk. Ze is verplicht een belijdenis aan te nemen, en die belijdenis of confessie te stellen als grondslag voor de eenheid der geloovigen, ook met uitsluiting van wie zich niet ermee kan vereenigen. Tot de taak der kerk behoort ook het indenken van de geopenbaarde waarheid Gods. De Schrift noemt in 1 Tim. 3 : 15 de kerk een pilaar en vastigheid 25) der waarheid; zoo heeft dus de kerk de waarheid te „schragen” door ze systematisch te belijden naar buiten. Geloof, dat van binnen woont, noopt vanzelf tot belijden, dat naar buiten zich uitspreekt, Rom. 10 : 9, 10. Handhaving der belijdenis eischt Paulus, Gal. 1 : 8; en wanneer ge soms van den strengen dogmaticus Paulus liever niet wilt weten, maar meer den irenischen en zachtmoedigen „apostel der liefde”, Johannes, wilt volgen, welnu, deze denkt er niet anders over: 2 Joh. vs. 10. Van de eerste gemeente te Jeruzalem lezen we, dat ze volhardde in de leer der apostelen, Hand. 2 : 42. En nu kan men wel op darbisten-manier zoetelijk droomen, dat die apostelen niet zoo ontzettend dogmatisch redeneerden en dat ze meer de „hoofdwaarheden” naar voren brachten, niet die „uitloopers” van het „systeem”, maar . . . . dat is pure fantasie; dat is de historie verdraaien; want alles wijst er op, dat de apostelen al heel vroeg begonnen zijn met wat de volksmond noemt: „de puntjes op de i’s zetten26). De „leer der apostelen” was werkelijk geen vaag, nevelachtig complex van waarheden.

En dat de kerk volgens den bijbel verplicht is, ook af |28| te wijzen, wie met de leer, de belijdenis niet zich vereenigt, blijkt helder b.v. uit Rom. 16 : 17, 1 Tim. 1 : 3, 4, Titus 1 : 10, 11, 2 Tim. 2 : 16-18 (vgl. 1 Tim. 1 : 20), Titus 3 : 10, Openb. 2 : 14, 15.

Men ziet het, de Schrift zelf bevéélt de kerk, zich in te perken in de om-muring van de belijdenis. En Darby, die de kerk van den apostolischen tijd alleen de ware kerk oordeelt, had dat moeten zien. Van den aanvang af is de kerk een belijdeniskerk geweest. — En de „vergadering” der Darbisten, die zoo graag alle geloovigen bijeenhoudt, evenals in den eersten tijd na de Pinkster-openbaring van Geestesvuur, heeft de apostolische kerk verloochend door . . . de belijdenis en de handhaving van de tucht over de leer, althans in theorie, overboord te werpen 27). Pinksterfeest bracht Geestes-vuur of Geestes-gloed, en dat is de warmte, soms de extase van het in liefde ontstoken gemoed; maar het schonk ook Geestes-licht; — en dát is de klare kennis, de zuivere belichting van de waarheid, óók in onderdeelen.

Waar het vuur is, de warmte, daar is ook het licht, de kennis. Daar is de ijver (het vuur), maar ook het verstand (het licht). Daar is de vlam van het priesterlijk dankoffer, maar ook het licht van het profetisch getuigenis.

Darby nu wees zijn discipelen wèl op den gloed en de warmte van de eerste christengemeente; niet op het licht en de klaarheid. Hij heeft van de Pinkster-erfenis de helft veronachtzaamd. Hij zocht de warmte, maar . . . in de schemering. |29|

En wat nu verder te zeggen? Och, ook wij betreuren de verbrokkeling van Christus’ kerk. Maar — ze is gevolg van de zonde. En de zonde blijft in deze wereld. Ook onze gereformeerde belijdenis wil tenslotte niet een veelheid van kerken. Wij houden, als Darby, vast aan de eenheid der kerk. Die eenheid is er, voorzoover álle geloovigen in Christus één zijn, en eenmaal één zullen blijken — in Zijn dag. Die eenheid hebben we na te streven en zoo dicht mogelijk te benaderen. Daarom mogen niet twee kerken, die elkaar wederzijds als volkomen wettig erkennen, naast elkander blijven staan en afzonderlijk „brood-breken” 28). De kerk moet voor zich de overtuiging hebben, dat ze is de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus. Doch als ze dan haar belijdenis handhaaft en haar inrichting overeenkomstig Gods Woord, ja, dan mòet ze helaas wel soms weren van haar avondmaal, menschen, die ze ook als oprechte geloovigen beschouwt. Maar de fout ligt dan bij wie niet komt tot de zuivere kerkformatie. Had de kerk het recht haar belijdenis prijs te geven, dan zou het Darbisme gelijk hebben. Nu leeft het in zonde; want het wil een goed doel bereiken langs verkeerden weg (prijsgeving van confessie). En het doel heiligt de middelen niet.

Daarom houden wij vast aan de belijdenis. En onzen kerkvorm bewaren wij, zij het met de belofte, dat we hem steeds zullen reformeeren naar het woord van Christus Jezus. Eenheid blijft het ideaal; maar we zoeken ze niet kunstmatig. We dwingen ze niet.

Darby heeft, geheel onwaar, de eerste, christelijke kerk als de waarachtig ééne broederschap verheerlijkt ten nadeele van de nu zoo verdeelde kerk. Onwaar is dat; want ook die apostolische kerk was vol scheuring en twist.

Evenzoo heeft Darby ten onrechte de apostolische kerk |30| uit den eersten tijd als een vrije vergadering, zonder belijdenis, gesteld tegenover de tegenwoordige belijdeniskerk. Had hij die beide fouten vermeden, dan zou hij niet gezegd hebben, dat er in de kerk volstrekt geen goed meer was en met graagte zou hij hebben meegeholpen aan hervorming van de kerk. Dat was zijn roeping geweest; hij heeft ze verzaakt. En zoo heeft hij het aantal secten met één vermeerderd.

Onze gereformeerde jonge menschen hebben het Darbisme dan ook niet noodig. Zoolang in hun kerken de tucht ieder, die openlijk in ongeloof leeft, van de avondmaalstafel weert, en zoolang haar inrichting Gods Woord volgt, zóólang is daar een openbaring van Christus’ lichaam, op den grondslag der eenheid. En deze kerken vermanen ook tot eenheid „want ieder is schuldig, zich bij de ware kerk te voegen”. (Ned. Bel. d. Gel.). „Er is groot verschil in de zuiverheid van de belijdenissen en de kerken. En naar de zuiverste hebben wij te staan en te streven. Wie daarom tot de overtuiging komt, dat de Protestantsche kerk beter is dan de Roomsche, en de Gereformeerde zuiverder is dan de Luthersche of Remonstrantsche of Doopsgezinde, heeft, zonder daarmede zijne kerk als een valsche te oordeelen, deze te verlaten en bij de andere zich aan te sluiten29).

3. Wat het AMBT betreft, ook hierin grijpt Darby c.s. mis.

Darby zegt: het ambt houdt de vrije Geesteswerking tegen. Ieder moet in de vergadering der geloovigen zijn Geestes-Woord kunnen spreken. Men stelle niet den éénen geloovige boven den anderen.

Hiertegen merken wij echter op:

a. Het ambt is door Christus gewild en als blijvend instituut gegeven. De gemeente is nooit zonder leiding geweest. Ze kan ook niet zonder zulke leiding bestaan. Want, zoolang de zonde nawerkt, ook in de kerk, zóólang kan daar geen „anarchie” zijn, zonder dat willekeur, zondige |31| eigenliefde, ongeestelijkheid en ziekelijk-verwrongen geestdrijverij in de kerk binnensluipt.

b. Het Darbisme zegt, dat het „ambt” in de kerk een belemmering is voor de vrije openbaring van de Geestesgaven in de gemeente. Dat is echter onjuist. Want als dit waar was, dan zou juist in den eersten tijd der christengemeente (de apostolische tijd), toen de gaven des Geestes (charisma’s) zoo krachtig zich openbaarden, het ambt ook hebben moeten ontbreken. Toen toch werkte de H. Geest bijzonder krachtig onder de gemeente. Toch waren er ook in dien tijd ouderlingen, opzieners, evangelisten, diakenen. Darby zelf erkent het ambt in dezen tijd.

Maar daarom is hij hier dan ook inconsequent 30). Trouwens, „het ambt onderdrukt de gaven niet, maar organiseert ze en houdt ze in het rechte spoor, en de gaven zetten het ambt niet terzijde, maar maken het krachtig en vruchtbaar” 31). Juist, omdat zich vaak als Geestes-gave aandient, wat ongeestelijke fantasie en vrucht van ziekelijke, soms satanische |32| opwelling is, juist daarom kàn het „ambt” niet gemist worden.

c. Het predikambt wordt ten onrechte door de Darbisten verworpen. Het moge waar zijn, dat de leeraars in den eersten tijd geen vast ambt hadden in een plaatselijke kerk, maar vrij optraden in de gemeente, 1 Cor. 14 : 26, toch is bij nadere ordening der gemeente het „leeren” gebonden aan het ambt. En dit moest wel geschieden. De eerste tijd toch was een buitengewone tijd. De charisma’s of Geestesgaven van die dagen zijn in wezen nog wel aanwezig in de gemeente, doch ze zijn beperkt en van haar buitengewoon karakter valt niets meer te zien gewoonlijk. Zou daarom het leeren vrij blijven, dan stond de deur open voor het indringen van allerlei dwaalgeesten. Reeds in de apostolische eeuw zien we dan ook, dat de prediking aan enkele bepaalde personen opgedragen wordt. Vooral 1 Tim. 5 : 17, 18 stelt dit in het licht, want daar is sprake van opzieners, die bepaald arbieden in het woord en in de leer; menschen, die daarvan hun beroep maakten en dus geen ander werk hadden, weshalve zij op loon aanspraak mochten maken. En in de brieven aan de Klein-Aziatische gemeenten, die de Openbaring van Johannes ons bewaard heeft, is sprake van een „engel” der gemeente, die met den dienst des woords belast is.

En dat degenen, die bizonder te „leeren” hebben, daarvoor dienen te studeeren, behoeft eigenlijk geen betoog. Grieksch en Hebreeuwsch kennen staat niet tegenover de Geestesgave maar komt daarbij. De Schrift zelf eischt, dat men bekwaam zal zijn om te leeren, 2 Tim. 2 : 2 en eveneens om apologetisch op te treden in weerlegging van tegensprekers, Titus 1 : 9. Het predikambt is dus niet kunstmatig ingesteld of door een of anderen synodalen gril in ’t leven geroepen doch ’t is geleidelijk ontstaan. ’t Is gewild door denzelfde Geest, die de bizondere charisma’s niet langer uitdeelde, dan Hem goed docht.

d. Over het ouderlingen-ambt en diaken-ambt kunnen we kort zijn. Dat ze in de Schrift als bestaande voorkomen, ontkent het Darbisme niet. Maar, zoo werpen de Darbisten |33| tegen, ze kunnen niet meer in de gemeente zijn, want slechts de apostelen mochten ouderlingen en diakenen aanstellen. Dit komt de gemeente niet toe. Deze Darbistische redeneering is echter ongegrond. Immers: al is het waar, dat het N. Testament geen volledig beeld geeft van de wijze der verkiezing in den apostolischen tijd, toch weten wij, dat de keuze van ambtsdragers nooit buiten de gemeente omging. En enkele uitspraken van na-apostolische geschriften 32) zeggen, dat in het laatst van de eerste en het begin van de 2e eeuw de opzieners werden gekozen door de gemeente. En wat de diakenen betreft, kan gewezen worden op het meer dan duidelijke bericht van Hand. 6, waarin verhaald wordt, dat de gemeente zelf ze koos.

En wanneer het Darbisme tegenwerpt: ja, maar — de minderen kunnen toch de meerderen niet kiezen, dan is ons antwoord, dat ook dit bezwaar ongeldig is. Volgens schriftuurlijke beschouwing is het ambt nooit een tyrannieke macht, die de gemeente dwingt. De gemeente zelf is mondig. De ambtsdragers kunnen b.v. nooit meerderen genoemd worden in den zin van de roomsche hiërarchie. — Goed beschouwd, heeft de ambtsdrager zichzelf niet op te werpen, maar heeft de gemeente ook niet te bevelen en zichzelf te regeeren. Steeds blijve de gedachte, dat Christus de koning is der kerk en dat hij dus de „gaven” voor het ambt uitdeelt. De gemeente wijst op dit standpunt dan slechts aan, wie met die gaven des Geestes gesierd zijn. Daarin gaat dan het kiezen der gemeente ook eigenlijk op.

Zegt dus Darby, dat Christus de koning moet zijn van de kerk, dan kàn een zuivere praktijk van ambtsdragersverkiezing bij ons hem geen bezwaar zijn. Dit is slechts het fundamenteele verschil: Darby gelooft in een onmiddellijke Christusregeering; wij nemen aan, dat ook hier, gelijk altijd, de werking van Christus en van God |34| middellijk, in dezen door den dienst van menschen, geschiedt.

Zoo willen wij het „ambt” in de kerk niet missen. Er zijn ook zeer sterke positieve gronden, die de uitoefening er van noodzakelijk maken. In het drievoudig ambt van leeraar, die de waarheid verkondigt, ouderling, die de gemeente „regeert”, diaken, die de barmhartigheid oefent, vinden wij de nawerking en de handhaving en de afschaduwing van Christus’ drievoudig ambt: profeet, priester, koning. — Het ambt is niet de onderdrukking der Geestesgaven, maar het „beproeft de geesten of zij uit God zijn” n. Het laat alle dingen „eerlijk en met orde geschieden” o. Het is in zijn wezen reeds in het paradijs gegeven; toen niet omdat er zonde was, maar wel omdat de mensch nog niet den trap der hoogste ontwikkeling bereikt had. Eerst, als deze gezien wordt, en de toestand der heerlijkheid is ingetreden, eerst dan zal het „ambt” in engeren zin verdwenen zijn. Wel blijft de naglans er van ook den hemel vervullen met zijn schittering en wordt het ook daar als instelling, die geestelijke winst baarde, erkend. Of spreekt de Openbaring niet van de 12 apostelen wier namen bewaard worden in eeuwigheidsschrift in de fundamenten der stad? p Of is niet het woord ouderling in den hemel bekend q, daar waar geen enkele naam zinloos, geen enkele klank inhoudloos is? Dat daarboven het ambt niet meer zich oefenen zal, is alleen, omdat God daar onmiddellijk regeert; dit nu is nog nooit op aarde geschied. Gods tegenwoordigheid is ook in het paradijs niet geweest, wat ze straks zijn zal. En zoolang die toekomst nog toeft, zoolang weten wij (en we danken er voor) dat Christus door menschen regeert 33).

4. Over de LEER DER LAATSTE DINGEN zeggen we héél weinig, omdat het „Chiliasme”, gelijk gezegd is, |35| later afzonderlijk in „Ons Arsenaal” zal besproken worden r. Slechts het volgende moge volstaan:

a. Van een opneming der gemeente vóór het eindoordeel leert de Schrift niets. Wel zegt ze, dat de opstanding der geloovigen onmiddellijk gevolgd wordt door het einde; 1 Cor. 15 : 23, 24. Ook leert b.v. Openb. 13 zeer duidelijk, dat de laatste christenen ondergààn zullen de vijandelijkheden van de anti-christelijke macht.

b. Van tweeërlei wederkomst van Christus wordt in den bijbel al evenmin gesproken. Alle teksten, die het Darbisme hiervoor aanhaalt, blijken bij gezonde verklaring, iets anders te leeren.

c. Evenmin is er sprake van restauratie van het Romeinsche keizerrijk. De droom van Nebukadnezer geeft, mits de verklaring, die de Bijbel er van biedt, maar gevolgd wordt, daarvoor niet den minsten grond.

d. Over de kwestie van bekeering der Joden en hun terugkeer tot Palestina zwijgen we nu maar geheel; al deze zaken komen ter sprake bij het Chiliasme s.

We erkennen, dat met deze weinig regelen zelfs geen poging tot weerlegging van de Darbistische toekomstprofetieën gegeven is. Plaatsruimte voor verdere bespreking biedt deze brochure niet. Evenwel is breedere kritiek niet noodig, omdat deze leerstellingen niet specifiek darbistisch zijn; verwante gedachten vinden we bij vele andere secten eveneens.

Alleen moge, om den lezer te overtuigen, dat we niet zóó maar deze voorstellingen afwijzen, nog dit staaltje van exegetisch dilettantisme en puren willekeur in de „verklaring” der Schrift door Darbisten gegeven worden. Volgens H.C. Voorhoeve Jz. (Brieven etc. bl. 56) zijn de namen Ros, Mesech en Tubal (uit Ezech. 38 : 2; men kan in plaats van onze statenvertaling: „hoofdvorst” ook lezen: „vorst van Ros”) aldus te verklaren: „Ros beteekent Rusland; Mesech is de oude naam van Moskow, vroeger de hoofdstad van het Russische rijk en Tubal de oude naam van Tobolsk, de hoofdstad van Aziatisch Rusland”. |36| Wie op dergelijke argumenten en zulke, louter op den klank afgaande, vondsten een heele theorie bouwt, zal het vertrouwen missen van ieder, die de Schrift liefheeft. En hij zal temeer de schouders ophalen, als de Darbisten geen behoefte verklaren te hebben aan predikers, die Hebreeuwsch kennen! Kan iemand dergelijke letter- en klankspelletjes nu voor Geestes-wijsheid houden?

*

De in ons overzicht van de leer genoemde „andere leerstellingen”, die niet bepaald kènmerkend zijn voor het Darbisme, vragen thans geen nadere bespreking meer. Inzake de Schriftbeschouwing erkennen wij, Gereformeerden, ten volle de inspiratie des bijbels, vanwege den Heiligen Geest; hoe we die te denken hebben is reeds gezegd. Aan vergeestelijken doen we niet mee. De Schrift is geestelijk genoeg. — Wat de Sacramenten betreft, merken we op, dat de uitreiking der Sacramenten door een geordend dienaar des Woords van zelf spreekt voor wie het ambt van „herder en leeraar” erkent als instelling van Christus. Ook hier is het weer de erkenning van Christus zelf, die als gastheer zich bedient van het werk Zijner ambtsdragers. De prediker verdringt Christus niet, maar vertegenwoordigt hem bij het avondmaal. — Aangaande de verhouding van de kerk tegenover de wereld handhaven wij, dat de christelijke levenskunst niet ligt in „mijding”, doch in „wijding” van het wereldleven. Wereldontvluchting is niet de eisch; feitelijk is ze verloochening van Christus’ koningschap, dat ook in het wereldleven zijn volgelingen hun taak aanwijst. Men mag niet de menschen met de prediking van dit leven van het eeuwige leven afhouden, doch evenmin met de gedachte aan het eeuwige leven de menschen uit dit leven weglokken. Dat heeft eenmaal Friedrich Nietzsche, de vijand van alle christendom, gewild 34) t. Maar voelt men |37| dan niet, dat door een dergelijke praktijk van passiviteit tegenover het wereldleven de wensch der ongeloovigen vervuld, het rijk van Satan gepropageerd en dat van Christus tegengestaan wordt, al zingt men dagelijks psalmen en al „breekt” men elken Zondag „brood”? 35)

*

Wij eindigen.

„De secten zijn de onbetaalde rekeningen der kerk”, zoo heeft men gezegd. Men begrijpt de bedoeling van deze uitspraak; de kerk zelf wordt aangeklaagd als verantwoordelijk voor het ontstaan en voortbestaan van de secten.

Of hier niet veel van waar is? Och ja, wie kan ’t loochenen? De kerk had veel kùnnen en veel mòeten voorkomen, wat nu haar bloei tegenhoudt, haar kracht ook breekt. Toch is die bewering, dat „de” secten „de” onbetaalde rekeningen zijn van de kerk, in haar algemeenheid misleidend. De sectezucht zit den mensch in ’t bloed; want secte komt van secare en secare beteekent snijden, afsnijden, afzonderen, afscheiden. Dát is nu altijd een lievelingsbezigheid geweest van de menschheid. Goethe zou weer zeggen b:

Durch viel Säcla dasselbe geschicht,
Es dauert bis an das jüngste Gericht. (vgl. bl. 3).

En het is onrechtvaardig, alle secte-leven op rekening van de „kerk” te plaatsen. Hetgeen ook geldt ten opzichte van het Darbisme. |38|

En heeft men er behagen in, tóch van „onbetaalde rekeningen” te blijven spreken, welnu, het zij zoo. Men noeme dan ook het „Darbisme” maar een onbetaalde rekening van de kerk. Maar men bedenke dan tevens, dat niet alle onbetaalde rekeningen ten onrechte onvoldaan gebleven zijn. Een onbetaalde rekening kan den beste worden voorgehouden; of zou er nooit een rekening gepresenteerd worden, die betaling eischt van een schuld, die ge nooit gemaakt hebt?

Zoo staat de zaak in het geding tusschen Darbisme en kerk. Darby eischte van de kerk verandering; ze deugde niet; òf hij gelijk had! Maar tenslotte presenteerde hij de kerk een rekening, welker eisch ongeveer hierop neerkwam, dat de kerk maar ophouden moest te bestaan. Toen beging Darby een dwaasheid, een onrecht. Dat mocht hij niet eischen! En de kerk zou aan grove zonde schuldig staan, als ze ooit deze „rekening” betaalde.

De historie heeft trouwens het Darbisme gericht. Het Darbisme is te pijzen om zijn ideaal; gelukkig de mensch, die òòk idealen heeft! Maar het is te berispen om zijn idealiseeren buiten de werkelijkheid om; wee den mensch, die slechts idealen heeft! Ook dit ideaal van Darbistisch streven is door de geschiedenis zelf veroordeeld. Want het eigen leven der „broederen” heeft een verdeeldheid getoond, die op hun standpunt juist veroordeeld was. Wie om verdeeldheid de kerk verlaat, en straks zelf gaat verdeelen, afscheiden, afsnijden (ook om leergeschillen) die is zelf door zichzelf geoordeeld.

Darby heeft een groote fout begaan: hij bekommerde zich niet om de geschiedenis. De geschiedenis heeft zich om hem niet bekommerd. Ze is haar gang gegaan, als altijd; en wat goed bedoeld was, is reeds in zijn eersten opzet foutief begonnen en ten slotte verloopen in een herhaling van de tragedie, die Darby in een blij-spel had willen òmscheppen. Want wat het Darbisme de kerk verweet, dat kan de kerk het Darbisme verwijten: verscheuring, afbreking van uiterlijke gemeenschap ook met geloovige individuen! |39|

Wie wijs is, let daarop u.

De eene mensch zegt: „Wee over de wereld, vanwege de ergernissen”, de struikelblokken, de steenen des aanstoots. Zij, die dat zeggen, klagen hun „wee”, maar verder komen ze niet. Ze verwerpen de werkelijkheid, maar ze hebben ook geen ideaal. — Aan het nieuwe komen ze niet toe. Zulken hooren Darby’s woord niet eens.

De andere vult aan: „Het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen”, ze zijn toch onvermijdelijk. Zoo spreken de menschen, die de werkelijkheid aanvaarden en die het ideaal verwerpen. Van het nieuwe willen ze niet weten. De zoodanigen verwerpen Darby’s woord.

En een derde waarschuwt somber: „Wee den mensch, door wien de ergernis komt!” Zóó profeteeren zij, die den bodem der werkelijkheid verlaten en nu grijpen naar het ideaal. Met het nieuwe dwepen ze. En zij gehoorzamen Darby’s woord.

Maar Jezus Christus komt en zegt: noch het eerste, noch het tweede, noch het derde! Geen verwerping van ideaal en werkelijkheid beide; ook geen opoffering van het ideaal aan de werkelijkheid en evenmin een breken met de werkelijkheid alleen voor het ideaal. Maar de wijsheid ligt in het samenvatten van die spreuken: „Wee over de wereld vanwege de ergernissen; want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen, onvermijdelijk; doch wee den mensch, door wien de ergernis komt! (Matth. 18 : 7). — Begrijpt ge dat? Jezus Christus verbindt deze drie leuzen tot één waarheid. En zoo wijst hij ons, armen tobbers, het rechte spoor. Neen, Christus neemt ook geen genoegen met de werkelijkheid: wee der wereld! Maar hij matigt ons, of neen, hij leidt ons in ons idealiseeren, want wie verbetering zoekt, bedenke: Het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen. Maar tegelijk schudt hij ons op uit onze lauwheid, die de werkelijkheid liever laat voor wat ze is: „wee den mensch, door wien de ergernis komt”. Christus geeft alleen de rechte verhouding tusschen ideaal en werkelijkheid. Hij bestraft wie in zijn ideaal de werkelijkheid voorbij |40| ziet: het is noodzakelijk! Maar hij toornt ook tegen hem, die om de werkelijkheid (de zonde) het ideaal voorbij ziet: wee den mensch, door wien . . . .

Daarom: niet Darby, maar Jezus Christus. Want Darby predikte revolutie, Christus eischt reformatie. Darby breekt af den tempel; Christus reinigt den tempel. Darby met zijn verwerping van ambt en belijdenis, verbrandt het koren met het kaf; Christus zuivert het koren van het kaf.

Eenmaal zal deze wereld verdwijnen. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde keert terug. Daar wordt het „wee” niet meer gehoord. Want de „ergernissen” zijn daar weg. En de tegenwoordige werkelijkheid is weg. En het ideaal is ook weg; want het ideaal wil terugkeeren tot het oude, maar ziet, het is alles nieuw, beter dan het oude en schooner.

Maar wat blijft, dat is de kerk. Als Gods werkelijkheid het menschelijk ideaal vervult en opheft, dan is daar nòg de kerk. Zoo is dan de kerk zelve de ergernis niet. Maar zij is het ideaal, waarheen de eeuwen dringen en ze wordt de werkelijkheid van de verlustiging Gods.

Men neme dan de ergernissen weg uit de kerk; maar nooit de kerk uit de ergernissen!






1. Vrij vertaald, wil dit zeggen:

Twee strijders ziet ge samen boksen,
De Arianen en de Orthodoxen.
Zoo was het steeds en anders niet . . . .
Zoo zal het zijn in ’t verst verschiet . . . .

2. Voorstanders van het Darbisme als b.v. de heer J.N. Voorhoeve willen den naam Darbisme niet als rechtmatig erkennen. De heer Voorhoeve wijst in zijn brochure „Het zoogenaamd Darbisme” Hollandia Drukkerij, Baarn, 1916, op het feit, dat Darby „er verre van geweest is, een zeker stelsel te vormen”, en dat zijn volgelingen „er steeds den nadruk op leggen, dat het vleeschelijk is, zich te noemen naar menschen, zoodat er geen sprake kan zijn van Darbisme en Darbisten”. — Wij merken echter op, dat de naam Darbisme eenmaal ingeburgerd is en volstrekt geen loochening behoeft te zijn van het bestaan der bovengenoemde opvatting bij Darby’s geestverwanten. Met dergelijke gronden zouden verreweg de meeste eenmaal vaststaande benamingen voor secten of theologische richtingen moeten prijsgegeven worden.

[Voor de citaten vgl. Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), Het zoogenaamd Darbisme, 3 en 5.]

3. In Engeland trouwens kon, vooral in die dagen, van scherpe tuchtoefening van overheidswege zelfs geen sprake zijn. Doordat George III (1760-1820) krankzinnig werd, nam George IV van 1811-1820 het regentschap waar; en van 1820-1830 regeerde hij zelf. George IV, die reeds aanstonds zich kennen liet in het beruchte echtscheidingsproces tegen zijn gemalin Carolina van Brunswijk, was echter volstrekt de man niet om leiding te geven aan het kerkelijk leven. Bij een dergelijken regeeringsstand moest verslapping intreden.

4. Deze overgang wijst op een diep-ingrijpende verandering in Darby’s gemoedsleven. Immers, zonder zùlk een „bekeering” zou hij den theologischen studiegang niet gekozen hebben, toen hij reeds advocaat was, te meer, omdat zijn vader hem den overgang tot een andere studie zeer kwalijk nam en later zelfs zijn bedreiging om hem te onterven, is nagekomen. (Gelukkig heeft Darby’s rijke oom hem schadeloos gesteld door hem als erfgenaam te benoemen).

5. Reeds geruimen tijd was er in Ierland een beweging gaande, die ten doel had de roomsch-katholieken te bevrijden van den druk, waaronder ze leefden. Zij waren tengevolge van de test-act, uitgevaardigd onder Karel II (1660-1685), uitgesloten van alle ambten. Vooral in Ierland, dat voor verreweg het grootste gedeelte katholiek was, gevoelde men de onbillijkheid van die bepaling. Toch wilden de vooraanstaande mannen van de staatskerk geen opheffing van dezen politieken ban. Men begrijpt, hoe dit voor Darby stuitend was. Vandaar zijn opkomen tegen die liefdelooze ongeestelijke uitsluiting. Onder leiding van O’Connell is in 1829 de emancipatie der katholieken eindelijk een feit geworden.

6. Dit citaat is overgenomen uit: J.N. Voorhoeve, Het zoogenaamd Darbisme. Baarn, 1916, blz. 29.

7. The nature and the unity of the church of Christ, Dublin 1828.

8. We zouden, om Darby’s verlaten van de staatskerk te verklaren, nog wel meer kunnen noemen; b.v. de aanraking met Lady Powerscourt, een dame, die de leer van Edward Irving aanhing (zie over Edw. Irving Ds. D. v. Dijk, De Apostolischen, Ons Arsenaal, 1e Serie, No. 2, bl. 6 v.v.). Irvings leer leidde ook al in een richting, die van de Kerk afvoerde. Bovendien ergerde Darby het optreden van den aartsbisschop van Dublin, die van alle roomsch-katholieken, welke protestant worden wilden, den eed van trouw aan den koning (als hoofd der kerk) eischte; want Darby vond, dat men ze niet van den paus tot den koning maar van den paus tot Christus moest leiden. Dit alles echter laten we thans rusten.

9. J.Th.R. Schreuder, die Darbist geweest is, doch de „Vergadering” heeft verlaten, zegt: „Van het boeken der historie heeft de Vergadering, krachtens haar wezen, een hartgrondigen afkeer. Aan het ter zijde stellen van de lessen der kerkgeschiedenis heeft zij haar ontstaan te danken.” (Het Darbisme in theorie en praktijk, Amsterdam).

10. Niet Darby heeft dus de vergadering te Plymouth opgericht of zijn stempel er op gedrukt. Juist omgekeerd heeft hij, volgens eigen getuigenis, zijn systeem van vergaderen „afgezien” van Plymouth, al bleef natuurlijk Darby ook hierin betrekkelijk zelfstandig. — Hier in Plymouth is Darby geïntroduceerd door Benjamin Willis Newton, denzelfde, met wien hij later (1845) gebroken heeft.

11. „Nog in zijn 80e jaar (1880) heeft hij slechts gedurende de wintermaanden (October tot December) gerust; hij begon het jaar in Zuid-Frankrijk, was in den zomer in Ierland, in den herfst in Schotland, des winters te Londen”. (Loofs).

12. Propaganda maken” voor het „Darbisme” wil de heer Voorhoeve niet, omdat de z.g. Darbisten „geen partij zijn, ook geen aanhangers wenschen te winnen; krachtens hun beginsel kunnen zij dit niet doen”. Zie: „Het Darbisme en de Kerk van Dr. J. Lammerts van Bueren a.d. Schr. getoetst”, door J.N. Voorhoeve, blz. 7, noot.

13. De „broeders” in Europa’s vasteland toonen, volgens J.N. Voorhoeve, een gunstige uitzondering; ze zijn tot nu toe vreedzaam gebleven.

[Vgl. Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), Het zoogenaamd Darbisme, 24.]

14. We zullen, geloof ik, wijs doen, als we deze laatste uitspraak als volgt verklaren: „Ook zeggen ze, dat er van dwang in dit opzicht in hun midden geen sprake moet zijn”. Want dat er van „dwang” sprake is geweest, blijkt overtuigend uit de historie der scheuringen en uitsluitingen, die we reeds noemden.

15. H.C. Voorhoeve Jzn., Brieven over Dr. v.d. Fliers „Darbisme”, 1879, bl. 22.

16. Toch eischt men bij de „Darbisten” zekere eenstemmigheid inzake „enkele hoofdwaarheden”. Zoo wordt door J.N. Voorhoeve de veroordeeling van Newton goedgekeurd, want: deze „tastte een hoofdwaarheid” aan. Ik heb echter in geen enkel Darbistisch geschrift een nauwkeurige opsomming van deze „hoofdwaarheden” kunnen vinden. Waar is de grens?

[Vgl. Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), Het zoogenaamd Darbisme, 22.]

17. H.C. Voorhoeve Jz., Brieven over Dr. v.d. Flier’s „Darbisme”, bl. 42.

18. J.N. Voorhoeve, „Het Darbisme en de Kerk” van Dr. J. Lammers van Bueren etc., bl. 41.

19. Men heeft geen diakenen o.a. wijl deze niet „de gemeente” zijn. Niettemin kan van de „broeders” gezegd worden: „Zij gedenken ook plaatselijk aan de behoeften der heiligen”. J.N. Voorhoeve, Het z.g. Darbisme, bl. 59.

20. Hier drukt, nòg meer dan in wat voorafging, het bezwaar, waarvoor de eisch van uiterste beknoptheid (als in deze brochure) hem plaatst, die over de eschatologische voorstellingen van het „Darbisme” te spreken heeft. We willen niet eens trachten de volledigheid te bereiken. Aan een „schets” heeft de lezer bij deze moeilijke onderwerpen niets. En uitwerking van de verschillende onderdeelen zou te veel plaats vereischen. Wie wil, leze: H.C. Voorhoeve Jzn., De toekomst onzes Heeren J.Chr. en de daarmee in verband staande gebeurtenissen.

21. In een oogwenk verdwijnen de ware vromen straks van de aarde. Onnaspeurlijk zal hun gang zijn voor wie achterblijven. Plotseling zal men hen missen: de man de vrouw, de vrouw den man, de ouders hun kinderen, etc. Huis en haard laten de opgenomen geloovigen zoo maar achter; hun eigendommen vindt men straks onbeheerd. En de eigenaars zijn nergens te vinden.

22. De gereformeerden gelooven algemeen aan een organische inspiratie; d.w.z. een ingeving van de woorden Gods zóó, dat de schrijvers zichzelf wel degelijk bewust bleven en ook (b.v. gelijk Lukas) wel onderzocht hebben (bronnen-studie) voordat ze gingen schrijven (Luc. 1 : 3). Zóó alleen verklaart men het verschil in taal en stijl.

23. Het Darbisme laat echter zooveel mogelijk de vrijheid aan zijn aanhangers inzake den omgang met wat men noemt de „wereldlingen”. Ook hier wordt door den een, zij het dan ongaarne, absolutie verleend aan den ander met het woord: „Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd”.

24. Over de verhouding van rechtvaardigmaking en heiligmaking ware ook nog veel te zeggen. Toch meenen we in deze beknopte uiteenzetting de kwestie van rechtvaardiging en heiligmaking te mogen voorbijgaan, ook omdat onder „de broeders” zelf in dezen nog geen volkomen eenstemmigheid is. Zoo zegt Dr. G.J. v.d. Flier, Het Darbisme, geoordeeld door de H. Schrift en de geschiedenis, 1879, bl. 124, noot: „De verrassende tegenspraak, die men telkens in Darbistische geschriften ontmoet, maakt volledigheid uiterst moeijelijk.” — Wat Darby in dezen leert, is tamelijk duidelijk, maar ons is het te doen om de leeringen der „darbisten”.

25. Of, wil men, „zuil en grondslag der waarheid”.

26. Men leze de fijne dogmatische onderscheidingen van den Romeinen- en Galaterbrief; men denke aan de synode, het convent van Handel. 15 (ook al weer over de leer!). Men vergete niet, dat Paulus met Petrus twistte . . . over de leer, Gal. 2 : 11 v.v.

27. Darby klaagt in een van zijn werken er over dat, als Paulus weer eens een brief zou zenden aan een gemeente in een bepaalde plaats, deze brief terug zou moeten met de post als onbestelbaar want . . . er is geen adres van die gemeente van Jezus Christus. Ik ontken dit. ’n Goed in de leer geschoolde postbeambte kan ’t adres wel vinden. Maar wat ik wil zeggen, is dit, dat Darby Paulus nog grooter leed aandoet dan het retourneeren van een onbestelbaren brief. Darby toch zou den brief van Paulus lezen, en — hem dan weer, gelezen, terugzenden, „retour afzender”, omdat Darby het niet met den inhoud eens is! Die strenge Paulus ook! Die belijdenis-man! Die tucht-prediker! Darby houdt niet van belijdenis en van tucht! Wel neen!

28. Daarom mag men ook niet dulden de handhaving van de splitsing tusschen „A en B” in de Gereformeerden op één plaats. Dergelijke handelwijze geeft Darby een stok in de hand voor een verdienden slag.

29. Dr. H. Bavinck. Geref. Dogm. IV2, 347.

30. ’t Is waar, dat Darby dit argument vooral gebruikte in zijn bestrijding van het predikambt. Toch had hij verder moeten gaan. Immers, de Geestesgaven hadden niet alleen betrekking op het spreken of leeren in de gemeente, maar ze schonken ook de gave der vermaning en der barmhartigheid (Rom. 12 : 8). Zou nu de aanwezigheid van Geestesgaven het ambt overbodig maken, dan had de gave (het charisma) van de vermaning het ouderlingenambt, en dat van de barmhartigheid het diakenambt in dien eersten tijd teruggehouden. Toch zijn er ouderlingen en diakenen, ook in de apostolische organisatie der kerk. Het ambt sluit dus het charisma, het charisma het ambt niet uit.

31. Dr. H. Bavinck, Geref. Dogm. IV2, 385. Dat het ambt de Geestesgave niet onderdrukt of negeert, maar alleen leidt en openbaart, blijkt ook uit de methode der verkiezing. „In Jeruzalems kerk wordt het diaconaat ingesteld, maar daartoe worden mannen gekozen vol des Heiligen Geestes . . . . De eenheid tusschen beide ligt ter laatster instantie in de eenheid, die er is tusschen het werk des Zoons en des Heiligen Geestes . . . . Het ambt is van den Zoon . . . . De ambtelijke persoonlijkheid daarentegen is het scheppend werk van den Heiligen Geest, die het charisma verleent”. Dr. P.A.E. Sillevis Smitt, Ambt en Persoonlijkheid 1917, blz. 23 en 24.

32. I Clemens 44, 3. Didache 15, 1. Het eerste citaat zou nog kunnen doen denken aan een bewilligen van de gemeente in een verkiezing, die haar werd voorgedragen; maar het tweede citaat laat geen twijfel over aan de volledige keuze door de gemeente zelf.

33. Opmerkelijk is, dat ook bij de Darbisten de praktijk vaak op vermakelijke manier de theorie verloochent. In veel vergaderingen is zoo ongeveer een vaste voorganger; het avondmaal wordt in vele darbistische kringen slechts door weinigen, niet door velen uitgereikt. Zoo ware meer te noemen.

34. Voll ist die Erde von Ueberflüssigen verdorben ist das Leben durch die Viel-zu-Vielen. Möge man sie mit dem „ewigen Leben” aus diesem Leben weglocken! Fr. Nietzsche, Also sprach Zarathustra.

35. „Het Christendom is niet eenzijdig voor de aarde, ook niet alleen geschikt voor den hemel; het oog moet zoowel voor het tijdelijke als voor het eeuwige leven geopend zijn.” — „Tegenover de strooming, die de kerk een wereldsch rijk gelijk wilde doen worden en de grenzen tusschen christendom en wereld dreigde uit te wisschen, kwam een ascetische, mystieke of piëtistische strooming, die de wereld wilde ontvluchten en „eenzaam met God gemeenzaam” leefde voor den hemel. Beide uitersten moeten vermeden worden”. — Dr. H. Bouwman, Het Christelijke Leven.




a. Opnieuw gepubliceerd in OWK III,23-49. Vgl. de recensie van Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), Timotheüs. Geļllustreerd Weekblad, 23 (1917-1918) 21,433-434 (23 februari 1918);

b. Vgl. Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), Zahme Xenien IX (begin).

c. In OWK ontbreekt de verwijzing naar de brochure-reeks en ook de uitwerking ervan in de volgende twee alinea’s.

d. Vgl. Prediker 1:14 en passim in Prediker.

e. Vgl. 1Johannes 5:19.

f. Vgl. 1Korintiėrs 4:20.

g. Vgl. Openbaring 2:4.

h. Vgl. Johannes Nicolaas Voorhoeve (1873-1948), Het zoogenaamd Darbisme, Baarn (Hollandia-drukkerij) 1916, 14.

i. Vgl. Friedrich Loofs (1858-1928), ?

j. Vgl. 1Korintiėrs 12:8-11.

k. De rest van deze alinea ontbreekt in OWK.

l. Vgl. Jan Waterink (1890-1966), Het chiliasme („duizendjarig rijk”), Zutphen (J.B. van den Brink) [1918] (Christelijke brochurenreeks „Ons Arsenaal”, serie 1, no. 8).

m. Vgl. Marcus 13:33; vgl. Matteüs 26:41, Marcus 14:38.

n. Vgl. 1Johannes 4:1.

o. Vgl. 1Korintiėrs 14:40.

p. Vgl. Openbaring 21:14.

q. Vgl. Openbaring 4:4 en passim.

r. Redengeving ontbreekt in OWK.

s. Verwijzing ontbreekt in OWK.

t. Vgl. Friedrich Wilhelm Nietzsche (1844-1900), Also sprach Zarathustra I, Von den Predigern des Todes.

u. Vgl. Psalm 107:43; Vgl. Hosea 14:10.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000