„Persoonlijk feit”

Woord en Geest. Gereformeerd weekblad

2e jaargang, onder redactie van J.G. Geelkerken e.a.
Baarn (Bosch & Keuning) 1925v
4,26v (22 oktober 1926)

a



Onder dit opschrift plaatst Ds. K. Schilder in de Leidsche Kerkbode van Vrijdag 15 Oct. l.l. een artikel naar aanleiding van wat ’k schreef in dit blad (zie no. 51, bl. 12 Aan het schelden geraakt). Het artikel beslaat meer dan twee kolommen en is te groot, om het in z’n geheel over te nemen. ’k Zal mij beperken tot het weergeven van den hoofdinhoud en hierop een kort wederwoord geven.

Ds. S. komt er tegen op, dat hij een citaat verminkt heeft, want het geheele citaat liet hij voorafgaan. Dat had ik moeten mededeelen. Welnu, ’k heb dit gedaan. En het is schier onbegrijpelijkk, dat Ds. S. dit over het hoofd zag, voor een man met zoo’n schranderen geest alleen verklaarbaar uit de geestesspanning, waarin hij bij het lezen van wat ’k schreef verkeerde.

Dan toont Ds. S. zich erover gebelgd, dat ’k hem opzettelijk verminken toedichtte, en nog wel het woord ongetwijfeld hieraan toevoegde. ’k Zou hiermede geoordeeld hebben over wat in zijn hart omging. Natuurlijk is dit niet het geval. Juist omdat ’k aangaf n dat Ds. S. eerst het geheele citaat gaf n dat hij daarna het verminkt herhaalde, moest dit verminken wel voor iederen lezer als iets opzettelijks aan den dag treden. Wie zou hier durven denken, dat Ds. S. zich vergiste? Het woord ongetwijfeld wilde hier juist op wijzen. Misschien ware het woord klaarblijkelijk beter geweest, maar om begrijpelijke redenen maak ’k liefst van dit woord een sober gebruik.

Eindelijk beweert Ds. S., dat ’k het |27| absolute niet aandurf. ’k Zou, omdat hij voor onze kerkelijke actie het alternatief stelt: „f uit God f uit den duivel,” hem van schelden hebben beschuldigd; en ’k mag gerust hetzelfde zeggen van zijn geschrijf in de aanhangige kwestie.

Nu berustte mijn gevoelen niet uitsluitend op deze krasse uitspraak van Ds. S. Meerdere tiraden in zijn artikel, waarvan ’k een staaltje gaf, maakten op mij, en niet alleen op mij, den indruk van schelden. Maar wat dat absolute betreft, waarover Ds. S. ook breedvoerig in De Reformatie handelt — neen, ik durf niet zooveel als hij. Die tegenstelling: „uit God of uit den duivel,” neem ’k niet over, ’k verfoei ze. Het gaat in dezen kerkelijken strijd, dien ’k ten diepste betreur, over een welbewust spreken en handelen zoowel van synodale als van anit-synodale zijde. Wat mij betreft, ’k ben mij ten volle bewust, dat het mijn hartelijk bedoelen is niets anders in deze zaak te zeggen of te doen dan wat de Heere wil. Maar als nu degenen, die tegenover mij staan, het anders, zelfs precies het omgekeerde zeggen en doen — dan denk ’k er niet aan, om te beweren: „dat is uit den duivel.” Want ’k houd hen voor mijn broeders in Christus, die zich ook ten volle bewust zijn, voor zoover zij althans in oprechtheid voor den Heere willen vreezen, dat zij naar Gods wil spreken en handelen. Zij zijn naar mijn innige overtuiging door een geest van dwaling bevangen, hetgeen zij wellicht ook van mij meenen. Ons wederzijdsch spreken en schrijven over wat ons verdeeld houdt, moet juist mede de bedoeling hebben elkander van dwaling te overtuigen.

Gaarne neem ’k aan, dat ook Ds. S. deze bedoeling heeft. Doch die was in het door mij gewraakte artikel zoek. Hij verviel tot een absolutisme, dat de broederlijke liefde geheel deed verstommen en hem zijn medebroeders deed schelden, ’k weet er geen zachter woord voor. ’t Doet mij leed, dat hij dit niet inziet. Zoolang dit het geval is lijkt het mij niet ongewenscht, dat hij met mij niet in discussie treedt. Maar misschien is z’n booze bui al gezakt!


v.d. B.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Vgl. K. Schilder, ‘Persoonlijk feit’, Leidsche Kerkbode 5 (1926v) 24 (15 oktober 1926) en ‘„Persoonlijk feit” en nog wat’, Leidsche Kerkbode 5 (1926v) 26 (29 oktober 1926).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000