XVI. Wereldopbouw

En hij toonde mij de groote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God.

En de koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid en eer in dezelve.

En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volkeren daarin brengen.

Op. 211,4,7,10,24,26. a


Wereldruïne — met dat woord is saam te vatten de ondergang van Babel.

Maar bij ruïnes staat God niet stil. God heeft het leven lief.

Hij gaat steeds van de ruïne tot den opbouw; van den bouwval tot de restauratie.

En het laatste is bij Hem altijd meer dan het eerste.

Dat is ook waar met betrekking tot Babels verwoeste schatten en ingestorte weelde. In Babel hebben de koningen der aarde weelde gehad (189) en de kooplieden hebben de wereldschatten ingedragen binnen zijn muren (1815). Die kooplieden waren de „grooten der aarde”, zegt Johannes (1823). Wat in Babel werd ingedragen door die |207| kooplieden der aarde, die magnaten, is dus min of meer hetzelfde als hetgeen elders heet: „de heerlijkheid en de eer van de koningen der aarde” (2124). En ter anderer zijde treft het den opmerkzamen bijbellezer, dat „alle volken verleid zijn door Babels tooverij” (1823). Is nu met die tooverij en die verleidende macht bedoeld die weeldeverlokking van Babel, waardoor het de dronkenschap van genotzucht en weeldelust in de wereld heeft gebracht, en met dien waanzin de wereld heeft „ingeënt”, dan is dus ook daarmee iets soortgelijks bedoeld als hetgeen elders genoemd wordt: de heerlijkheid en de eer der volkeren (2126).

Koningen en volken — ze hebben beiden hun heerlijkheid en eer gezocht. En in Babels blinkend cultuurleven hoopten ze hun schatten op, brachten ze hun weeldedingen samen en ordenden zij alles met de nauwkeurigheid van de hand, die weelde weet te arrangeeren en met het geduld van één, die denkt, den tijd te hebben.

Zal die cultuur voor niets gebloeid hebben?

Zal al die weelde spoorloos moeten vergaan?

Is Gods oordeelsdag een woedende beeldenstorm, een blinde, totale, nietssparende afbraak van wat is?

De Schrift denkt er niet aan.

Babel heeft niet vergeefs geleefd, noch vergeefs gespaard of zijn rijkdommen opgetast.

Want de schatten van Egypte vinden altijd hun |208| weg. Ze gaan vóór de Egyptenaren uit met Israel mee en komen onder Mozes’ geleide verder dan hun voormalige bezitters: dezen blijven in de Roode Zee; maar hun schatten komen er door heen tot in Kanaän, waar ze gewijd worden tot den tempeldienst der waarachtigheid en den zuiveren godsdienst worden overgegeven.

Zoo ook is het met de schatten der Babylonische cultuur. De zonde in de cultuur van Babel — dat is, wat God tegenstaat. Die zonde wordt uit Babels cultuur wéggebrand. Maar de cultuur in Babels zonde — daar is God niet afkeerig van.

Het christendom heeft, zoo vaak het zichzelf getrouw bleef, nooit vijandig gestaan tegenover de cultuur, al was het zich steeds met huivering bewust, dat het niet alleen slechts uiterst moeilijk de zonde in de cultuur onderscheiden kan van de cultuur in de zonde, maar ook dikwijls ze van elkander niet kan scheiden, omdat de wereld die scheiding niet wil.

Dat zal ook uitkomen in den dag der vergelding.

Als Gods nieuwe Jeruzalem — zijn vredestad — nederdaalt van God uit den hemel, dan zal de cultuur, nu van de zondesmetten ontdaan, haar vruchten afstaan aan Gods koninkrijk.

De heerlijkheid en de eer, niet alleen van de koningen, maar ook van de volkeren, niet slechts die van de massa, doch ook die, waaraan de individueele schittering der stijlvormers en |209| toon-aangevers te zien is, het zal alles worden ingedragen in Gods nieuwe paradijs der toekomst.

Dat is de heerlijkheid der Schrift.

Niets gaat verloren.

Geen enkele dag bouwt voor niets.

Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad en elke morgen heeft genoeg aan den dag van gister en aan wat hij gebouwd heeft.

Alles helpt mee. Ook de tijden van afbraak.

Allen helpen mee. Ook de brekers, de omverwerpers. Allen. Bewust of onbewust, gewillig of onwillig, uit blijde overgave of alleen ondanks de eigen keuze van het hart, dat tegen God inging. Maar meewerken doen ze — onder God en naar zijn gemaakt bestek.

Zelfs de revolutie schraagt Zijn troon, al wil ze dat niet, en al moet ze door ons daarom bestreden worden met alle macht.

Ook de sociale revolutie helpt den bouw van Gods stad mee voltooien. Van die stad, waarin de sociale ordening volmaakt zal zijn.

Noachs ark wordt gebouwd met behulp ook van wie er mee spotten en er onder verzwolgen zijn.

Kanaäns steden worden, als Israël er binnen trekt, met Egypte’s schatten gesierd.

De gemeene gratie dient de particuliere genade. 1) |210|

Paleizen der cultuur leveren het materiaal voor Gods tempelloozen stad.

Voor elken tempelroof neemt God eens schitterend wraak.

En tegenover een geslacht, dat het tempelgoud afstroopt en het opsmelt voor de kroon van den Antichrist, staat Gods wijsheid en genade, die alle goud der wereld eens nemen zal om er mee te plaveien de straten van zijn hemelstad (2118,21). En alle edelgesteenten, alle sieraden der wereld zullen fundamenten zijn van Gods Jeruzalem (2118-21). Het ornament der wereldstad wordt het fundament der hemelstad. Ornament — dat is het buitenste der wereld, het hoogste van haar kunnen. Fundament — dat is het onderste van Gods stad, Gods muur, Gods gebouw.

Het goud van de gekroonde hoofden in de wereldstad komt op de straten der hemelstad, dus onder de voeten van Gods kinderen, wier sieraad lag in den geest.

En als het ornament van de wereld in de stad Gods het fundament wordt, dan zal daarin voor eeuwig de bevestiging zijn van deze gedachte, dat Gods Jeruzalem rechtstreeks opbloeit boven de wereldafbraak. Waar de wereld eindigt, daar zal God beginnen. De trans van den toren van Babel zal de voetbank zijn van zijn voeten, de schemel van zijn troon. Ornament en fundament . . . . . Christenen, niets is voor niets, alles |211| is uwe, doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods b.

Wereldopbouw uit wereldruïne . . . .

Want:

Fugatisch schrijdt de wereld naar het einde.
De Godheid speelt de toetsen van ’t klavier.
Uit wolkt de daav’ring tot in ’t verst revier,
En rhytmisch voegt zich de ademtoch van ’t zijnde. 2)

Want er was „systeem” van God ook in de wilde fuga van wereldhartstocht en wereldsmart. En dáárom kan de ruïne de voorwaarde zijn van den opbouw, de weg van ondergang de vrijwording van de macht, die stuwt tot opgang al wat zich God bewaart om met Hem in te gaan tot Zijn sabbath.






1. Zie hierover breeder: Dr. A. Kuyper, De Gemeene Gratie, Eerste Deel, LXII. Kampen, J.H. Kok.

2. Dr. A.G. van Hamel, Litteraire stroomingen sedert de M.E. De Nieuwe Ned. Letterkunde. Bewerkt door J.P. v.d. Linden, Vlaardingen, Dorsman & Odé, 1919, bl. 7.




a.

b. Vgl. 1KorintiŽrs 3:22v.