15 januari


WOESTIJN EN STAD.


. . . en was in de woestijn tot den dag zijner vertooning

Lucas 1 : 80.

. . . en kwam te Nazareth

Lucas 2 : 51. a


johannes de Dooper heeft in de woestijn zijn jeugd gehad, en Jezus in de stad. Velen zeggen: gij moet groote mannen verklaren ook uit de omgeving, waarin ze opgroeien. Maar God, die de menschen verkiest voor een bepaalde taak, en die alles in hun leven zóó schikt, dat die taak kan volvoerd worden, God keert het om: gij moet de plaats waar zij leven, verklaren uit hun roeping, die van boven is.

Johannes moet de woestijn in. Hij is een zondig mensch. Dus, moet er veel van hem afgenomen worden; hij moet geen driftige drijver, maar een gedrevene des Geestes zijn. De woestijn is hem een toom en gebit.

Maar Jezus? Hij is zonder zonde. Hij heeft óók wel opvoeding noodig, maar die opvoeding is nooit besnoeiing. Toom en gebit voegen hem niet.

Dus is Christus meer dan de Dooper. Johannes moet Israël straks zeggen: gij zijt een woestijn geworden. Want een woestijn is wel breed en open; maar als de Koning der eere b er doortrekken wil, dan is zij zoo eng als een slop: de koning op zijn wagen komt er niet door. Israël is zoo’n woestijn; en God is de koning; Israël laat God niet door. En daarom moet Johannes de woestijn doorkruisen, jaar en dag: hij moet preeken, wat hij gezien heeft. Maar Jezus Christus zal van de woestijn den akker maken en den lusthof, die rozen doet bloeien en specerijen voor God c, dien Grooten Eter d. De Koning op zijn zegewagen kan haast weer er door. Het slop komt open: God kan straks weer door Israël heen tot de heele groote wijde wereld. Dus blijve Jezus onder de menschen; hij dorsche zijn akker en make uit adderengebroed de stoffage van Gods zuivere paradijs.

Johannes is het „zout der aarde”. Maar het zout moet, voordat het zijn dienst doet, afgezonderd blijven. Waarmee zal het gezouten worden, indien het smakeloos geworden is? e Christus is niet het zout, dat slechts bederf weren, doch zelf geen leven geven kan. Hij is het Brood des levens f. En brood moet op tafel staan. Het is zuiver in zichzelf en geeft het leven. Johannes, het zout, in de woestijn, Christus, het brood, in de stad.

Hier is nu, wat we gisteren zeiden: Nazareth, de woonplaats, de omstandigheden, verklaren Christus niet, maar Christus verklaart Nazareth, en de woonplaats en de omstandigheden. Hij verklaart ook de woestijn van Johannes. En ook uw eigen leven, uw eigen verblijf, wordt alleen verklaard in en door den Christus. Neem Gods uit-verkiezing weg, en Johannes en zelfs Jezus en ook gijzelf, zijt een product van „omstandigheden”: woestijn of stad. Houd die verkiezing vast: en alle „omstandigheden”, tot de grotten van uw woestijn en de sloppen van uw stadje toe, brengen u naar de eeuwige vervulling van Gods eeuwigen raad. De verkiezing alleen geneest van de vrees, dat het leven een gril en onzin is. De „omstandigheden” verklaren niet uw daad, doch worden verklaard door Gods raad, en dat is zeer vreeselijk en groot.



LEZEN: lukas 1 : 67-80.



a. Opgenomen in VWS I,109-110. Vgl. ‘Woestijn en Stad’, De Reformatie 4 (1923v) 18,135v (1 februari 1924).

b. Vgl. Psalm 24:7-10.

c. Vgl. Jesaja 35:1.

d. Vgl. Jesaja 55:10.

e. Vgl. MatteŁs 5:13.

f. Vgl. Johannes 6:35, 48.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001