Boekaankondiging

De Bazuin. Weekblad ter bevordering van de belangen van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Officieel orgaan van de Theologische School te Kampen

73e jaargang, onder redactie van H. Bouwman, Kampen (J.H. Kok) 1925
nummer 4 (geen paginering) (23 januari 1925)

a



J.A. Simons-Mees. Geloof. Drama uit den Hugenotentijd. Nederlandsche Bibliotheek 1924.


Bij mijn weten pleegt de Nederlandsche of Wereld-Bibliotheek aan De Bazuin haar boeken niet ter beoordeeling te zenden; en allerminst haar uitgaven in de „Tooneel-Bibliotheek”. De toezending van dit drama zal dan ook wel verband houden met de omstandigheid, dat de schrijfster haar drama Geloof genoemd heeft en dat het speelt in den tijd van de vervolging der Hugenoten. Zij bedoelt er mee niet, een beeld te geven van een historisch tijdperk, maar wel: „in het beeld van een historisch tijdperk te doen zien de werking van een zůů machtige drijfkracht als het Geloof in een verscheidenheid van menschen en karakters.”

Onbillijk zou het zijn, te beweren, dat de schrijfster niet geslaagd is voor wat betreft enkele personen en karakters in een gedeelte van wat zij hen laat verrichten. Maar over het geheel is zij allerminst geslaagd. Over de conceptie van het stuk uit het oogpunt van dramatiek spreek ik nu niet, omdat daarover het oordeel van De Bazuin wel niet zal gevraagd zijn. Maar uit theologisch oogpunt kan m.i. het stuk allerminst geslaagd heeten. De schrijfster wil het geloof doen zien. Maar zij is niet in stat gebleken, het onderscheid te doen uitkomen, tusschen „geloof” en „karakter”; tusschen geloofsworsteling en politieke beweging; tusschen wat de geloofswerking beteekent en wat het geheel „natuurlijk” leven doet en bereikt in een zaak, een worsteling, die om het geloof wel ging, doch die ook met heel andere twistvragen had te rekenen en ook van heel andere dan geestelijke wapenen zich bedienen moest. Wat de schrijfster hier „geloof” noemt, is wat anders, dan wij er onder verstaan. Ze zou denzelfden titel ůůk hebben kunnen geven aan dramatische bewerkingen van historische tijdperken, die om andere vraagpunten zich bewogen.

Eigenaardig is, dat zij met opzet de taal „geheel modern en sober” zegt gehouden te hebben; want de Hugenoten bedienden zich, volgens deze schrijfster, anders dan de Engelsche en Nederlandsche puriteinen van dien tijd, niet van de „tale Kanašns”. Maar de Geuzen deden het ook niet. En als de schrijfster meent, dat de Hugenoten wel de tale Kanašns gebruikten, als zij den bijbel aanhaalden, dan vergist zij zich. Bijbeltaal is heel wat anders dan „tale Kanašns”. Dat overigens haar Hugenootjes geen tale Kanašns gebruiken, kan men al spoedig merken. Sommige broertjes vloeken als ketters. Zelfs zoo erg, dat de schrijfster de vloeken in ’t Fransch laat staan („mon Dieu”) hoewel ze toch alle personen uit Franschen bodem importeert op Nederlandsche planken. Dat is al een technische fout uit een oogpunt van dramatiek. Een Fransch vloekwoord van iemand die overigens Nederlands spreekt, doet heel anders aan, dan een Fransche vloek in Fransch sprekenden mond. En als Jacques, een hugenoot, zegt: „Bij Christus niet, kommandant”, of „Allemachtig, wat een priesters”, of: „Bon Dieu! ’n prachtig plan, hoor . . . ik zou hun smoelen willen zien”, . . . dan gelooven we van harte, dat de hugenoten van Mevr. Simons zich niet aan tale Kanašns te buiten gaan; maar zelfs al weten wij, dat Jacques hier spreekt tot vijanden, die hem niet herkennen mogen, toch gelooven wij niet, dat in de dingen van „geloof” de schrijfster zoo thuis is, dat ze de roerselen van een ziel, die door het geloof bewogen wordt, en inzooverre als dat gebeurt, kan onderscheiden.

Summa summarum: de titel van dit drama is evenzeer te hoog gegrepen als die van een vorig werk van dezelfde schrijfster, ook een tooneelwerk: dat droeg den ook te weidschen titel: Levensstroomingen.


K. S.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001