Jan Jacob Thomson

Religieuse pozie

Zwolle (J. Ploegsma) [ca. 1915]

Titel/Woord vooraf

Inleiding

Middelnederlandsche liederen

Hoe minnelic is ons des crucen boom ontdaen

Ic sie den dach int oest opgaen

Al tusscen twe hoge bergen

Droch werrelt, my griset voir dyn wesen

Adieu mijn vroude, adieu solaes

Ihesus den ic vercoren heb

Nu hoert, ic sal enen nyen sanc beginnen

[Zestiende eeuw]

H.L. Spieghel, 1549-1612

Heel vol onrust zijn all’ ons nabuur landen

Ghy zijt des heils fonteyne

C. Huygens, 1596-1687

Wat ick voor oogen sie en kan ick niet gelooven

Waer is Gods eenigh Kind, dat ick ’t aenbidden magh?

Zynder woorden in de monden

G.A. Bredero, 1585-1618

Als ’t oogh van mijn gemoed aendachtigh gaet aanschouwen

Mijn sieltje schreyt, dat sucht en weent

J. Stalpert v.d. Wiele, 1579-1630

Richardus nam een grauwen rock

Gelijck de vroege Lenteblommen

Komt ten Cruyse, Mey-bekijckers!

J. Revius, 1586-1658

’t En sijn de Joden niet, Heer Jesu! die u cruysten

Waeck ick, of sluym ic, ben ick by mijn sinnen

In ’t Oosten claer, laet blosen

De nacht, de moeder van de rust

D.R. Kamphuyzen, 1586-1627

Daar moet veel strijds gestreden zijn

Ik hoor trompetten klinken

Staat op myn Bruyd! mijn schoone Vrouwe!

Al wat men ziet en hoort

J. v.d. Vondel, 1587-1679

d’Almaghtige is myn herder, en geleide

’k Hef myne oogen naer de duinen

Jesus nat bekrete Moeder

Gy die de sieckte queect en doetze weer verdwijnen

Kom, kom, o driemaal Heylge Geest

’t Gekruist Geduldt en heeft geen ste

Wien brengt de grijze Rechter daer

De wijnpers van Gods grimmigheid

Zoo gaet het Christus uitverkoornen

Godt schiep den baiert, woest en duister

Wie is het, die zoo hoogh gezeten

De schoonste roode roozen groeyen

J. Oudaen, 1628-1692

De ziel, geheven in den Hooge

Bittre nijd van bitse vlegels

J. de Decker, 1610-1666

Hoe net, krygshelden Gods, hoe mannelyk, hoe vast

Dag, die my eens van zon versteken zult en dag

’k Zucht na een zael, die ’t Kristallynen

Heiman Dullaert, 1636-1684

Gy, die gewoon om hoog met uwen geest te zweven

Terwijl Herodes Hof vast juicht in lofgeruchten

Wat roode klonteren besmeuren deze gronden

Die alles troost en laaft, verzucht, bezwymt, ontverft

Zoo ras de Dagzon daalt langs haar onmeetlyk rond

Die langs het aardryk zworf om op wat buit te passen

O haast gebluschte vlam van myne kaers! nu dat

J. van Lodensteyn, 1620-1677

Zo gaat dat rijzend Ligt weer dalen

Daar stond de zon, en maakte dezen dag

Maat! wat weer ist? ’k Heb in ’t rusten

Myn Vader! had gy voor u and’re Kind’ren

Het vinnig stralen van de zon

Doet ymand zorg of jaaren beven

Ziet daar is ’t Ligt! daar is nu ’t Ligt

Waar heen mijn hert? gij steygerd niet, maar stijgt

Daar slaat de klok al drie, vier slagen

Dus steeken wij van ’t vaste land, Vader

Mijn vriend, of gij gescheiden duyzend mijlen

W. Sluiter, 1627-1673

Met wat snelle wakk’re vlerken

O Heer, en straft mij niet in uwen toorn

J. Luiken, 1649-1712

Die zo veel duizend stappen deede

Hoe ruist de zwaare water-val

De beek, ter welbron uitgegooten

Oneindig goet, van niemant ooit volpreezen

Al ruisen alle Wouden

Laat krygen, en schanden, en rooven en branden

Neen, alles wat men ziet

Wij willen God ons herte geeven

Gelijk een Tortelduif in ’t woud

O welkom schoone Dageraad

O Christus laat den dageraad

De naare schaduw is aan ’t breeken

Achttiende, eerste helft negentiende eeuw

H.C. Poot, 1689-1733

Gezalfde vorst, myn lief, myn lust, myn leven

R. Feith, 1753-1824

Van ’t flaauwe maanlicht op dees’ akker Gods omschenen

Gij, die, vol bloed en wonden

W. Bilderdijk, 1756-1831

Zing met daavrende oorlogstonen

Waarom dwaalt gy, schuwe lammeren

Het huis der menschheid is voor ’t zonlicht toegesloten

Daar is slechts een stap tusschen my en het graf

Is. da Costa, 1798-1860

Dat oogverblindend staal, dat machtig zwaard, waarmede

Het krijgspaard, in wiens am de roode dampen snuiven

N. Beets, 1814-1903

Neen, zonder kruis geen kroon

Wie heeft op aard de prediking gehoord

P.A. de Genestet, 1829-1861

Des drijvers geweldige roede

Guido Gezelle, 1830-1899

Aleer het licht ten avond raakt

Nuchter nu en nesch zijn alle dingen

Ik ben een blomme

De ramen staan vol heiligen

o Wilde en onvervalschte pracht

Wie, wie heeft toch, laat mij weten

G’ hebt dan ook dat bitter water

o God, gij weet mijn hert

Als zorgen mijn herte verslinden

O! ’t ruischen van het ranke riet

Gij badt op eenen berg alleen

Zoo ellendig zijn

Ik wandelde, ik wandelde alleen

Negentiende, twintigste eeuw

Aart van der Leeuw

Heer, waarheen drijft gij mij?

Albert Verwey

O Man van Smarte met de doornenkroon

In ’t bosch waar alle boomen botten

Frederik van Eeden

Nu wilt gij rijzen God! in glans van bloed

Het merklijkst wonder watter mij geschiedt

Ik ben een zinkend wrak, van zonden zwaar

Alles voor U — wie is er nog betrouwbaar

O hooge liefde tot ’t inwendig leven

Het was lang stil — een jaar, — weer staan mijn dennen

P.C. Boutens

Laat mij nimmermeer berusten

Stil, wees stil: op zilvren voeten

Jacq. v.d. Waals

Ik ben mijn zonde moe en mijn berouw

Ik wilde, dat mij God in d’eenzaamheid

Die mijns harten vrede zijt

Felix Rutten

Uw roode pracht zal nimmer tanen