Harm Jan Jager (1900-1988)

‘Prof. L. Lindeboom. Hoogleraar aan de Theologische School te Kampen van 1883-1917’

Tot de prediking van het Woord des geloofs

Opstellen ter gelegenheid van de herdenking van de oprichting der Theologische School A.D. 1854 te Kampen

Kampen (Comit van uitgave, Broederweg 15) [1955], 136-149

a


Bij het opstellen van het plan voor dit Gedenkboek werd gemeend, dat een artikel over Prof. Lindeboom niet mocht ontbreken. Naar mijn oordeel was deze mening juist.

Vanzelfsprekend gaat het in dit artikel niet om een volledige levensbeschrijving. Een biografie zou de plaatsruimte, voor dit artikel toegestaan, ver overtreffen. Want Lindeboom heeft land en zeer actief geleefd en op velerlei terrein. Hij was een geboren evangelist, die op zijn arbeid in het Roomse zuiden en in de Zaanstreek wonderlijke zegen gezien heeft. Hij was een dienaar des Woords van meer dan gewone begaafdheid, die de gemeenten van ’s Hertogenbosch en Zaandam trouw heeft gediend. Hij was een man met een priesterlijk hart, die gedreven door de barmhartigheid van Christus vooraan gestaan heeft in allerlei arbeid van barmhartigheid. Maar dat alles laat ik hier rusten. Het gaat me nu om zijn arbeid als Hoogleraar aan de School der kerken, waaraan hij tientallen jaren was verbonden. Wanneer de vraag gesteld wordt, waarom speciaal aan Lindeboom een opstel wordt gewijd, dan is het antwoord daarop: Hij is een figuur, die typerend is voor het onderwijs en de richting van de Kamper School. Hij heeft voor de School en haar eigen karakter gestreden en geleden. In menige oratie heeft hij zijn gedachten over aard en karakter van het onderwijs ter opleiding van dienaren des Woords bekend gemaakt. Naar mijn oordeel kunnen we van hem nog veel leren wat betreft de richting, waarin de Theologische School ook nu en in de toekomst haar kracht heeft te zoeken.

Ik heb niet alles gelezen, wat Lindeboom geschreven heeft. Zelfs niet alles wat hij over de School gepubliceerd heeft. Maar bij alles wat ik van hem las over dit onderwerp, drong zich n gedachte aan mij op: Lindeboom was een man uit n stuk, die leefde in en uit en bij de Schrift en die van de School vr en boven alles wilde hebben en houden een School met de Bijbel.


Dat een Hoogleraar aan een Gereformeerde Theologische Hogeschool van de Heilige Schrift uitgaat bij al zijn onderwijs en zich daaraan bindt is eigenlijk niets bijzonders. Dat mag men immers van alle docenten verwachten? Zij erkennen toch |137| allen de Heilige Schrift als het Woord Gods en het enige principe van alle theologisch onderwijs? Dat alles ontken ik niet. Maar wel weet ik, dat niet allen in de praktijk zich aan dit beginsel houden. Als er n geweest is die zich in de praktijk aan dit principe wilde houden, dan was het Lindeboom. Het is opvallend hoe hij angstvallig waakte ook maar in enig opzicht buiten de perken van de Heilige Schrift te gaan en hoe hij waarschuwde als hij bij anderen ook maar het minste gevaar in dit opzicht duchtte. Uit tal van uitspraken blijkt, dat hij een grenzeloze eerbied voor de Schrift had als het Woord van God. Deze eerbied kwam voort uit een kinderlijk geloof. Er is eens gezegd, dat twijfelzucht de ziekte der geleerden is, ook van vele theologen. Bij Lindeboom blijkt daarvan niets. Hij heeft ongeveinsd, oprecht geloofd aan de Heilige Schrift als het onfeilbare Woord van God en schaamde zich nooit daarvoor uit te komen.

In n van zijn eerste publicaties als Hoogleraar schrijft hij: „In het Woord van God zijn alle woorden belangrijk. „Al wat tevoren geschreven is, dat is ter onzer leering te voren geschreven”. Niet n jota noch n tittel is zonder beteekenis en doel; niets mag van de Schrift afgedaan of aan haar toegevoegd worden; en evenmin bij de verklaring en prediking voorbijgegaan.” 1 Lindeboom wil zich onvoorwaardelijk houden aan wat er staat geschreven. En dat wil hij naschrijven en naspreken. Hij wil dus niet maar de Schrift als uitgangspunt nemen, doch zich zo dicht mogelijk bij de woorden van de Schrift houden. Om het in zijn eigen woorden te zeggen: „Het is hoog tijd, dat men van het thans nog al in smaak zijnde spreken en schrijven over de Schrift en hare woorden terugkeere tot de taal zelve der Schrift, en zich daaraan binde. Opdat men bewaard blijve voor en verlost worde van allerlei menschen gedachten, in een bijbeltekst verpakt, en aldus als echte bijbelleer in omloop gebracht. Daaraan zal ook dit positieve voordeel verbonden zijn, dat men veel goud en paarlen, vele glanzen en geuren, die men nu niet opmerkt, ontdekken en genieten zal . . . . . .

Bindt men zich niet strikt en geheel aan de Schrift, en aan de woorden zelve in het verband, dan hangt het eigenlijk niet meer van den tekst, maar van den geest en de richting des uitleggers af, wat u als de leer der Schrift zal worden voorgesteld.” 2 Dat hij bij al zijn arbeid, ook in zijn arbeid aan de School, dicht bij de Schrift wilde leven, bewijzen zijn rectorale oraties. Ze zijn doorweven met citaten uit de Schrift. Ik vermoed, dat men wel eens gezegd zal hebben van sommige dezer redevoeringen, dat ze niet veel anders waren dan preken over een tekst met een toepassing op de toestand van Kerk en School. Lindeboom zal dit eerder als lof dan als blaam hebben beschouwd. Hij schaamde zich niet om bij de overdracht van het rectoraat enige verzen van de Schrift te verklaren en toe te passen naar de omstandigheden en behoeften van het ogenblik.

Zo hield hij in 1887 als aftredend rector een rede, die tot titel draagt: „Blijf in het Woord van God”. Daarin geeft hij een verklaring van 2 Tim. 3 : 14-17: „Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt en waarvan u verzekering gedaan is, wetende van wie gij het geleerd hebt; en dat gij van kinds af de heilige |138| Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof hetwelk in Christus Jezus is.

Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.”

Hij begint met te zeggen: „Theologische Scholen en Faculteiten, evenals Kerken, die zich stipt willen houden aan de H. Schrift, maken in de oogen van velen, die bij voorkeur zich en hun partij Theologen, Godgeleerden, en Leeraars der Godgeleerdheid noemen, een poover figuur. Men doet liefst alsof men met zulke achterlijke mannen niet behoeft te rekenen.” 3

Het is immers in de 19e eeuw, de eeuw van vooruitgang, dat Lindeboom deze rede houdt. Die vooruitgang is „verschrikkelijk groot”. Maar tegen die vooruitgang in getuigt hij vrijmoedig: „Wij weten ook wel wat wij doen, als wij geen duimbreed toegeven en onzen Bijbel geen enkel haartje laten uittrekken. En wij arbeiden in Kerk en School met deze vrome „illusie”? — neen! met deze Godvruchtige verzekerdheid, dat de H. Schrift het onfeilbaar Woord onzes Gods is . . .” 4

Hij kiest opzettelijk deze verzen uit de Schrift. Want: „De Schrift zelve, God zelf kan alleen beslissend getuigenis geven over de Schrift en hare verkondigers.” 5 En hij hoopt door deze rede op te wekken „tot ootmoedige dankzegging voor de onuitsprekelijke gave van de H. Schrift en het in haar beschreven eeuwig Evangelie.” 6

Hij verklaart het blijven in het Woord als volgt: „Wie in het Woord Gods blijft, Gods woorden blijven in hem. Hij blijft; niet als de man van het valsche behoud in de garens en netten van het spinsel der gedachten van zich en zijn partij; niet als die Scholen en Kerken, die vastroesten in eigen stelsels en wetten en sleur; maar als de plant op den wortel, en als de wortel in de vruchtbare aarde. ’t Is een radikaal blijven, blijven leven en werken, ontwikkelen en groeien. Wie in God en Zijn Woord blijft, gaat vooruit in de kennis en wordt gesterkt in de genade.” 7 Hij vergelijkt de Schrift bij het Paradijs in deze woorden: „Van alle boomen dezes hofs mogen de Timotheussen vrijelijk eten en den volke te eten geven. In het Paradijs der heilige Schriften staat geen enkele boom der kennis des goeds en des kwaads: zij zijn alle zeer goed, en hunne vrucht is kennis ten eeuwigen leven. Maar hij moet in dezen hof blijven. Daar buiten groeit slechts de wijsheid, die van beneden is; en die is aardsch, natuurlijk, duivelsch.” 8

In welsprekende taal vol van beelden en vergelijkingen, schildert Lindeboom de heerlijkheid van de Schrift. „Gelijk de zon uit den hooge haar schijnsel, licht en warmte straalt over al wat beneden is, zoo verlicht de onderwijzing des Woords alle donkerheid der onwetendheid, der boosheid, der smart; zoo straalt zij kennis, liefde en hoop onder de menschen, „die zonder God in de wereld” zijn en zonder hoop na den strijd des levens en stervens . . . Zij heeft alles in zich, wat een ieder mensch noodig heeft te weten tot godzaligheid en zaligheid. De bedienaar des Woords kan antwoord geven op alle wezenlijke vragen van den dag en der eeuw, |139| van den enkele en van de gemeenschap; in Kerk en Maatschappij en Staat. Hij heeft den sleutel tot alle wetenschap. Voor de universitas scientiarum geeft de H. Schrift, die hare kennis niet wil ingedeeld zien bij andere wetenschappen, het licht waarin, het standpunt van waaruit, het doel waartoe zij moeten worden gezocht, onderzocht en gebruikt.” 9

Aan het einde van zijn verklaring betuigt Lindeboom z’n grote eerbied voor de Schrift in deze woorden — en ze zijn in zijn mond geen holle rhetoriek: „Dierbare Bijbel: wij blijven in u. Vlag van het Kruis, Kompas van het Woord, wij geven u niet over. Onder uw heilig en veilig geleide reizen wij naar het Huis onzes Vaders. Wien toekomt met den Zoon en den Heiligen Geest alle eer, lof en aanbidding tot de voleinding der eeuwen en in alle eeuwigheid!” 10


Deze geloofsovertuiging aangaande de H. Schrift beheerste Lindeboom in heel zijn leven, in al zijn denken, studeren, spreken, schrijven. Hij wil van critiek op de inhoud van de Schrift niet het minste weten. En omdat hij daarvan niet weten wil, waarschuwt hij ook om zich toch niet te veel met ongelovige critici van de Schrift bezig te houden. Hij spreekt ergens over een criticus, die zich boven de Schrift stelt en schrapt wat hem niet aanstaat. En schrijft in dat verband: „Zulke critici en exegeten verdienen dat men op hen toepast de apostolische vermaning: „Teekent dien” — en verder zich met hen niet inlaat, en zich door hen niet laat ophouden in den dienst des Woords en den arbeid voor het Koninkrijk Gods.” 11

In zijn „Rede gehouden 10 jan. 1883 bij de aanvaarding van het leeraarsambt aan de Theologische School der Christ. Geref. Kerk” haalt hij aan wat de Kerk belijdt in art. V van de Ned. Gel. Bel.: „Wij gelooven zonder eenige twijfeling al wat in dezelve (deze Heilige boeken) begrepen is; en dat niet zoozeer omdat de Kerk ze aanneemt en voor zoodanig houdt; maar inzonderheid omdat de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten dat zij van God zijn, dewijl zij ook het bewijs daarvan bij zichzelve hebben, — naardien de blinden zelven tasten kunnen dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden.”

Omdat Lindeboom hiermee van harte instemt ziet hij voor historische critiek geen taak en geen plaats:. „Wij staan met ons theologisch onderwijs, met onze Evangelieprediking, op de rots, de alles tartende rots der feiten, der Openbaring.” 12

Mannen van gelovige wetenschap hebben wel tot taak „om het onhistorische en dus onbetrouwbare der ongeloofskritiek . . . aan te wijzen . . . . Voorts zal de historische kritiek een nuttig werk hebben, met te trachten ons de meest juiste lezing van den tekst, tijd en vorm en wijze van samenstelling van dit of dat Bijbelboek nader te leeren kennen.” Maar het staat voor Lindeboom ontwijfelbaar vast: „Dat de geloovige, d.i. waarlijk wetenschappelijke, waarlijk vrije, beoefenaren der historische kritiek beter hun tijd en kracht kunnen gebruiken, dan om de blinde en dwaze bevooroordeelde critici, die spreken alsof zij alles van voren aan moesten en konden doorzoeken, in al hun mijngangen en doolpaden en sprongen in ’t duister na te staren of te loopen.” 13 |140|

Met instemming haalt hij ergens het volgende citaat aan uit een boek, dat hij bespreekt: „Men beveelt het dikwijls Christelijke studenten aan, zich met het standpunt en de tegenwerpingen der tegenstanders vertrouwd te maken, om ze recht te kunnen beoordeelen en wederleggen. Waar worden wij in de Schrift hiertoe vermaand en opgewekt? Nergens! Maar wel waarschuwt zij ons voor de geheele wijsheid dezer wereld, om ons niet „als een roof te laten vervoeren door de philosophie”, en zij stelt vast, dat God den mensch niet door verstand en wetenschap tot het geloof wil brengen. „En ding is noodig”, en veel strijden over Buddha en Nietzsche, Bchner, Darwin, Hckel, Hartmann en Harnack is nog meer onnut dan de zorgen en bekommernissen van Martha.” 14

Natuurlijk wil Lindeboom niet zeggen, dat apologetiek en polemiek niet nodig is. Hij zelf heeft zich er meermalen mee bezig gehouden. Maar hij wil zeggen, dat dit niet ieders taak is.

Eer een student zich met allerlei ongeloofstheorien bezig houdt en de ongelovige critici op hun doolpaden volgt is het nodig thuis te zijn in de Schriften. Het is wel voorgekomen, dat studenten afgestudeerd waren aan een Geref. Hogeschool en op de hoogte waren met allerlei kwesties, die het ongeloof had opgeworpen en allerlei beroemdheden op wetenschappelijk gebied hadden gelezen, terwijl ze niet thuis waren in de Schriften en dus eigenlijk niet in staat om de gemeente Gods te onderwijzen uit het Woord. Om dat gevaar te ontgaan kan het zijn nut hebben ons deze waarschuwing van Prof. Lindeboom te herinneren.

Van de critici, die openlijk uitkomen voor hun verloochening van de inspiratie, ducht Lindeboom het grootste gevaar niet. Zij worden gemakkelijk onderkend. Maar hij schrijft: „Dit is zoo uitermate droevig en gevaarlijk, dat velen, die nog roemen in Jezus als hun Zaligmaker, de inspiratie der Schrift inderdaad prijsgeven n door hun roemen van de Schrift en hun prediken uit de Schrift hunne Schriftverwerping voor de schare bedekken; dat zij hun vermengde prediking aanprijzen als bestaanbaar met de Schrift en het zaligmakend geloof, of ook zelfs als de vrucht van dieper geestelijk inzicht en ervaring.” Lindeboom constateert met dankbaarheid, dat de Geref. Kerken vasthouden aan de Schrift als het onfeilbaar Woord van God en vervolgt dan: „Moge God ons op dat standpunt houden! Ten dage dat ook in ons midden de allergeringst schijnende tornerij aan de Schrift en haar gezag voor bestaanbaar met of als eisch van de wetenschap der Godgeleerdheid zou gelden, zouden de Gereformeerde Kerken wankelen op hare grondvesten.” 15

Hij vindt het een vreselijk feit, dat de meeste Godgeleerden van zijn dagen geen Schriftgeleerden zijn naar de Schriften, maar openlijke bestrijders of verwerpers van de Schrift. „Voor ieder die zien wil, kan dit helder zijn als de dag: het gaat in onzen tijd in de „theologische” wereld om de Schrift. En de groote vraag is niet, of gij alle duisterheid opklaren en alle bezwaren voor ’s menschen begrip wegnemen kunt, maar, of gij nog aan de ingeving der Schrift gelooft. Inspiratie in ouderwetschen, oud Gereformeerden zin; inspiratie van alle de Schriften en van al de Schrift: f geen inspiratie. De Bijbel Gods Woord: f woorden van menschen; |141| z staat, uit den aard der zaken, en naar de waarschuwende stem van de geschiedenis der Kerk en der Godgeleerdheid, thans, gelijk voorheen, en altijd de keus.” 16

Lindeboom was er de man niet naar om in theorie deze beschouwing van de Schrift te hebben, zonder er in de praktijk naar te handelen. Hij was een man uit n stuk, die beleed wat hij geloofde en geloofde wat hij beleed.

De vraag: „Wat zegt de Schrift?” lag hem op het hart en vr in de mond. Het typeert hem, dat hij een Maandschrift, dat onder zijn redactie uitkwam, deze vraag als titel gaf. En dat hij verspreide opstellen van vroegere en latere tijd verzameld uitgaf onder de titel: „Uit de Schriften”.

Het was volgens hem kenmerkend Gereformeerd niets te weten en te leren of te willen dan wat de Schrift weet en leert en wil. Hij schreef: „De vraag: Wat zegt de Schrift is dus hetzelfde als: wat zegt God? In de Schrift zelve worden bij aanhalingen de termen: De Schrift zegt, en God, de Heere, de Heilige Geest zegt, door elkander gebruikt.” 17

Lindeboom ziet in de vraag: „Wat zegt de Schrift?” tweerlei vervat:

„1. dat de Schrift de waarheid is, dat zij spreekt met goddelijk gezag, waaraan een iegelijk mens is onderworpen en zich heeft te onderwerpen . . . Wie Christus Jezus, onzen Heere, in de plaats van, of als een autoriteit boven de Schrift wil plaatsen, miskent n de Schrift, n den Heere Jezus, die op de Schrift als het Woord van God Zich heeft beroepen, en die alleen uit de Schrift is te kennen.

2. In de vraag „Wat zegt de Schrift?” is ook de roeping aangewezen, de Schrift te onderzoeken, om te vernemen, wat God in haar tot ons spreekt. De roeping alzoo om de Schrift te bestudeeren, haar licht te doen schijnen, en op elk terrein des levens naar hetgeen zij zegt te hooren en te doen.” 18

Vooral de Schrift zlf moet aan het woord komen, wat ook in Geref. kring lang niet altijd gebeurt. Daarom schrijft Lindeboom: „Vergissen wij ons, of is er wel reden voor de klacht, dat ook in de christelijke pers te weinig het Woord van God zelf aan het woord komt? De profeten en de apostelen, den Heere Christus zelven hoort gij telkens betuigen: de Heere spreekt, de Schrift zegt. Moeten ook wij, tot in de predikatin toe, ons niet weder gewennen aan meer en beter gebruik der Schrift, als een lamp voor den voet, als een licht op het pad, als het zwaard des Geestes, als de artsenij van den Geneesmeester der zielen en van al onze krankheden? Ook uit het organisme der Schrift hebben wij het licht te zoeken; ook uit „beginselen” van de Schrift en hare leer te redeneeren: ongetwijfeld, indien het dan ook maar alleen Schriftuurlijk licht is, dat we daaruit voortbrengen.” 19

In deze geest heeft Lindeboom ook de studenten onderwezen. Hij prentte zijn leerlingen de volgende hoofdregels voor de exegese in:

A Lees wat er staat. B Versta wat gij leest. C Gebruik wat gij verstaat.

Hij had teveel eerbied voor het Woord om aan de tekst te gaan knoeien. Men moest laten staan wat er geschreven staat.

In een van zijn dictaten lees ik: „Niet alleen bestudeerden kunnen de Schrift |142| verstaan. De Schrift is duidelijk voor een kind, in al wat ter zaligheid noodig is. Doch ook een kind moet naarstiglijk onderzoeken. De H. Geest ontslaat niemand van inspanning.” Dat de Schrift duidelijk is ter zaligheid wil niet zeggen, dat er geen duistere plaatsen in de Schrift zijn of dat wij alle moeilijkheden kunnen oplossen. Maar voor duistere plaatsen gaf hij deze regel: „dat ze wel moeten onderzocht worden, maar dat de exegeet daarvan niet zijn hoofdwerk moet maken, en in geen geval hun duisterheid moet gebruiken om de heldere uitspraken der Schrift te verdonkeren, maar het min-heldere moet bezien worden in het licht van hetgeen duidelijk en hoofdgedachte is. En de exegeet moet niet curieuselijk onderzoeken boven hetgeen geschreven staat.” In dit verband dicteerde hij ook nog:

„Hetgeen geschreven staat van den verborgen raad Gods mag niet gesteld worden tegenover, maar moet uitgelegd worden in het licht van Gods geopenbaarden wil, waarvan de kennis en praktijk noodig is tot godzaligheid en tot zaligheid.” 20


Omdat Lindeboom de Schrift zo zag als we gezien hebben, spreekt het vanzelf, dat hij ook heel de wetenschappelijke opleiding tot de dienst des Woords door het Woord wilde laten beheersen. Lindeboom eerde echte wetenschap en hij begeerde bij de opleiding alle wetenschappelijke hulp, die maar kon dienen om de aanstaande dienaren des Woords te bekwamen voor hun taak. Maar daarom was hij nog niet blij met alle geroep om en geroem in wetenschap en nog eens wetenschap.

Omstreeks 1900 schreef hij: „In de laatste 10, 20 jaar wordt ook in onze kringen nogal eens geroepen om wetenschap en wederom wetenschap; de naam van „wetenschappelijk” is voor velen een tooverklank, die bekoort en verwart. Welk een geroem is er al gehoord op de herleving van de Geref. Theologie, van Calvinistische wetenschap; en wat er alzoo te doen is vanwege en ter wille van de „Geref. beginselen” — ik behoef het u niet te zeggen.” Even verder vraagt hij met een tikje ironie: „Hebben wij de wetenschap der Geref. Theologie inderdaad al beduidend verder gebracht? Getuigen de geschillen der laatste jaren over infra en supra, over rechtvaardigmaking en wedergeboorte, over roeping en prediking, ja zelfs over de leer van den Doop, van een wassen in genade en kennis?” 21

Dat aan een Theologische Hogeschool wetenschappelijk onderwijs moet worden gegeven ontkent Lindeboom allerminst. Hij wil het niet anders. Maar dan wetenschappelijk onderwijs, dat niet alleen uitgaat van de Heilige Schrift, maar van het begin tot het eind aan de Schrift onderworpen is en blijft. En alle wetenschappelijk onderwijs kan tenslotte geen andere of hogere of diepere kennis geven van God en van Jezus Christus en van de weg der zaligheid, dan die welke ook de eenvoudige gelovige heeft. Er is immers maar n bron van ware Godskennis voor de geleerde en voor de „leek”, nl. de Schrift. Die Schrift is nuttig tot lering niet alleen in gezin, lagere school en catechisatie, maar ook aan de Hogeschool. Daarvan zegt Lindeboom: „Ook wat men noemt Theol. Scholen en Faculteiten ontleenen, evenals christelijke lagere scholen, aan deze „nuttigheid” der Schrift en aan dit eerste en meest noodige werk haar recht en roeping. Theologische studie |143| is niet iets op zich zelf. De kennis Gods is aan de Gemeente geschonken; theologisch onderwijs is in ’t wezen der zaak het zelfde als dat der Katechisatie. Alle gaven en kundigheden die noodig zijn voor die „hoogere” leering, vloeien ook uit Christus aan de Gemeente toe. Is het ambt der z.g. hoogleeraren niet de uitbreiding van het tweede der diensten, die aan elken „herder en leeraar” zijn opgedragen? Zoo is ook naar den aard van hunnen dienst het ambt onderscheiden. Maar hun aller „goed werk” valt saam in de „leering” der Schrift. Gelijk al de Profeten en Apostelen, en de hoogste Profeet en Leeraar Jezus Christus zelf steeds uit en door de Schriften hebben onderwezen, verkondigende alzoo „al den raad Gods”, en weerleggende al wat zich daartegen stelde.” 22

Dat Lindeboom echte wetenschap op hoge prijs stelde bewijst het volgende citaat: „Nooit kan een „mensch Gods” te geleerd, te wetenschappelijk zijn, of te schoone vormen hebben en te groote veerkracht en kloekheid. Wat zou voor „menschen Gods”, voor kamerheeren des hoogsten Konings te goed zijn? Welke gave, welk talent zou hun misstaan? Zullen niet alle bekwaamheden in hen een nieuwe kracht oefenen, door hen een hoogeren glans en eere vertoonen? Zij en al het hunne staan immers in het heerlijkste ambt, en gebruiken alle kracht in alle goed werk. En daarom kan aan een Theol. School of Faculteit niet te veel zorg en offer worden gewijd: opdat zij waarlijk tot toerusting van „menschen Gods” strekke, tot toerusting van predikers, en ook van vaandeldragers op het terrein der geleerdheid.” 23

Vooral heeft de Kerk mannen nodig, die de grondtalen kennen, waarin de Schrif~ ten zijn geschreven. Toch aarzelt Lindeboom niet ook het volgende te zeggen: „Indien in iemand werkelijk de kostelijke gaven zijn, door Art. 8 D.K. genoemd: waarom zou z iemand, in eene Kerk die een veelszins uitnemende Bijbelvertaling bezit met leerrijke kantteekeningen, en een schat van boeken uit den bloeitijd der „leering”, door Paulus bedoeld: waarom toch zou hij niet een gansch zeer uitnemend bedienaar des Woords kunnen zijn; in al den arbeid van onderwijs, weerlegging, rechtzetting en vorming; al kent hij ook geen letter Grieksch of Hebreeuwsch?” 24

Absoluut onmisbaar is een Theol. School dan ook niet: „Wie mocht meenen, dat een z.g. akademische opleiding een onmisbaar vereischte is voor den mensch Gods, vergist zich terdege. De Schrift is onmisbaar en onderwijzing in de Schrift: al het ander is betrekkelijk bijzaak en ondergeschikt.” 25

Dat een Hogeschool nodig is ontkent Lindeboom allerminst. Maar men verwachte niet al te veel van wetenschappelijk onderwijs: „Dat daarom allen die op een hoogeschool zijn geweest, „wetenschappelijk” worden, is lang niet zeker. Al had iemand duizend volmaakte leermeesters, ’t zou weinig baten in geval hem de noodige aanleg, of ijver, en het overleg van volhardende liefde tot toenemende wijsheid en volkomene uitrusting ontbraken. En wat dat wetenschappelijk betreft, och, wie zal zeggen, wat dat modewoord toch beduidt: hoe lang en hoe breed, hoe zwaar en hoog in kennis enz. een mensch en „een mensch Gods” wel moet zijn, om onder dat gilde gerekend te worden.” 26 |144|

De naam „wetenschappelijk theoloog” zegt weinig, want de meeste zogenaamd wetenschappelijke theologen verwerpen het Woord en wat wijsheid zouden zij dan hebben? Het voornaamste kenmerk van een wetenschappelijke Hogeschool is dat zij in het Woord blijft. „Inzonderheid Gereformeerde Scholen en Faculteiten der Theologie zullen, zuiver gaande naar het Woord en opgroeiende uit het Woord, hoe langer hoe meer een eigen karakter en leven openbaren, van dat der verwereldlijkte Theol. Scholen en Universiteiten verschillend, ja daartegen optredend naar den aard van al de nuttige werking der H. Schrift.” 27

Voor het verstaan van de Schrift mogen en moeten we gebruik maken van de arbeid van vorige generaties. We moeten de geschriften der Gereformeerde vaderen niet vergeten. Maar in het roemen in hen ziet Lindeboom een gevaar. „Het gevaar, dat de Schrift zelve bij die uitnemende boeken achterstaat; dat wij nalaten vooruit te gaan in de kennis of dat wij voortspinnen aan het systeem, zonder diep en steeds dieper in de H. Schrift zelve te wortelen en rechtstreeks uit haar nieuwe sappen en vruchten te trekken en haren rijkdom uit te deelen onder de schare.” 28

Alle menselijke geschriften zijn goed, als ze kunnen dienen om de Schrift beter te leren verstaan. „Alle boeken; alle uitleggingen; alle logische gevolgtrekkingen uit woorden en stukken der Schrift; alles wat aangevoerd wordt als ontdekking van de natuurwetenschap en alle andere wetenschappen, dat alles mag gelezen worden, om daaruit onderwijzing te nemen en, als het daartoe kan dienen, de Schrift beter te leeren verstaan. Maar dat alles moet onderworpen worden aan den toets der Schrift zelve.” 29

In December 1893 houdt Lindeboom een rede op de 39e Jaardag van de Theol. School, getiteld: Godgeleerden. Hij heeft met deze naam niet al te veel op, maar hij is eenmaal ingeburgerd en niet te vermijden. Als we dan maar goed verstaan wat een Godgeleerde is: „Een Godgeleerde moet al de Schrift gelooven en onderzoeken, opdat hij uit de Schrift God leere kennen. Een waar Godgeleerde is een Schriftgeleerde; een Schriftgeleerde, niet z als die der Joden in de dagen van Jezus, maar z als de Schrift zelve hem teekent.” 30 De theologen, de mannen van het vak om zo te zeggen, moeten nooit vergeten, dat alle gelovigen in zekere zin Godgeleerden zijn. Zij moeten zich niet boven de Gemeente verheffen en niet denken, dat hun kennis van God die van de Gemeente ver te boven gaat. Dan zouden ze vallen in het kwaad der wereldse Hogescholen. „De wijsheid der wereldse hogescholen heeft Katheder en Kansel gescheiden en van de Godgeleerdheid een wetenschap gemaakt, waarvan de meeste predikanten niet veel, de meeste ouderlingen zeer weinig, en gewone leden der Gemeente zoo wat niets begrijpen; een wetenschap, tegenover welke de Gemeente onmondig en machteloos is.” 31 Lindeboom vreest een wetenschappelijke theologie, die zich verheft boven het geloof en de geloofskennis der Gemeente. Hij beweert: „De verst gevorderde Theoloog en de minst kundige belijder zijn alleen onderscheiden in graad en mate van de kennis van God. Het geloof bevat de Kennis, de gehele Kennis van God, al de |145| kennis die noodig is om God te kennen en te dienen, in ’t verborgen leven, in de Gemeente, en in ’t midden der menschen; het geloof neemt al de Schriften aan en voedt en drenkt zich met al de woorden Gods.” 32

Lindeboom wil gelovige theologische wetenschap. „Men behoeft dus niet te zeggen of te vreezen, dat wij geene theologische wetenschap willen; de kwestie is alleen maar, wat gij „wetenschap” noemt. Wij eischen juist den naam wetenschappelijke Theologie, theologische wetenschap, wetenschap der Godgeleerdheid, op voor de Gemeente, en inzonderheid voor hare Bedienaren des Woords.” 33 Lindeboom zal hiermee willen zeggen, dat ook de gewone gelovige denkt en weet en kennis heeft, echte kennis van God en van Jezus Christus en van de weg der zaligheid. Alle echte theologische wetenschap moet die geloofskennis der Gemeente dienen.

Lindeboom schrijft: „hoe men den kring der Theol. wetenschap ook mocht kunnen of willen verbreeden, al de wetenschappen, die men in de theol. encyclopaedie vereenigt, allen moeten dienstbaar zijn aan de Godskennis, en aan haar heur betekenis voor God en de Gemeente en dus hare waarde ontleenen. De Godskennis is het brood des levens, waardoor de Gemeente moet worden gevoed en gebouwd; al het andere is middel en werktuig.” 34

Het komt mij voor dat Lindeboom in zijn onderscheidingen hier niet altijd even helder is. Ik denk aan die van „eene theologische wetenschap in engeren en in ruimeren zin.” 35 Maar het is wel duidelijk, dat hij bang is voor een wetenschappelijke Theologie, die zich ver van de Schrift verwijdert, meent ook nog uit andere bronnen te kunnen putten dan de Schrift en zich boven de kennis der Gemeente verheft. Daarom hamert hij telkens op hetzelfde aambeeld: „De H. Schrift is de onfeilbare en eenige kenbron der Godskennis; onze Theologie en al de voor hare studie noodige theol. wetenschappen moeten aan de Schrift worden getoetst, en aan hare kennis en prediking worden dienstbaar gemaakt. En zoo blijft er, dunkt mij, geen duimbreed gronds over voor een philosophische of hoe ook andere genaamde Wetenschap der Theologie die boven de Godskennis, aan de Gemeente gegeven, zou uitgaan. En er zijn inderdaad geen Godgeleerden, die hooger ambt of gave, bevoegdheid of dienst hebben dan de bedienaars des Woords.” 36 Lindeboom vreest aan de ene kant voor de mystiek, die het innerlijk licht verheft boven het licht van de H. Schrift. Anderzijds voor de Scholastiek, die gevaar loopt met haar scherpzinnig denken buiten de grenzen der H. Schrift te gaan en dikwijls ontaard is in een duivelse kunst van redetwisten. Groot acht hij ook het gevaar van roemen in wetenschappelijke theologie en in grote theologen van oude en nieuwe tijd. Voor dat gevaar worden we alleen bewaard, als we dicht bij de Schrift leven. Want: „Uit de Schrift putten wij al onze kennis; al onze wijsheid en kracht is in God, die in „al de Schrift” ons heeft gegeven al wat noodig is „opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust”. 2 Tim. 3 : 16 en 17. Dat toch nooit de vele boeken bij iemand onzer het Boek verdringen! De kennis Gods, ’t opwassen in de kennis der leer van Christus zij het wit, in welks lijn al onze studin zich bewegen; het doel, waaraan alle |146| andere wetenschap dienstbaar worde gemaakt. En daarom zij vooral de uitlegging der Schrift ons dagelijksch werk. Zoodra de Schrift terzijde raakt, wijkt ook de kennis Gods.” 37


Ook voor de Dogmatiek is de H. Schrift de enige bron, waaruit zij put en de enige regel, waaraan, zij zich heeft te houden. Op een pastorale conferentie heeft Lindeboom een referaat gehouden over: „Het verband tusschen Dogmatiek en Exegese”.

Hij acht het nodig „dat de dogmaticus de stof of liever den leerinhoud aan de Schrift ontleene, maar ook in de systematiseering zich geheel aan de Schrift, als het eenig principium Theologiae houde, en gewillig en bereid zij, zijn dogmatischen arbeid voortdurend aan de H.S. te toetsen, en te laten toetsen door al degenen die gelooven.” 38 Hij stelt voorop: „dat een dogma niet berust op het gezag van de Kerk, noch op dat van den enkelen geloovige, maar alleen op het gezag van God, en dus van de Heilige Schrift.” 39

Hij heeft geen bezwaar tegen de term wetenschappelijke dogmatiek, maar stelt daarbij deze vraag: „Zou „wetenschappelijk” hier niet een eigen zin moeten hebben? een theologischen zin, een geloovigen zin; den zin van de heilige wetenschap, die zoowel in den vorm van voorstelling als in den inhoud zich richt naar de onderwijzing van den hoogsten Profeet en Leeraar?” 40

Men voelt en tast, dat Lindeboom wat bang geworden is — stellig ook door de strijd over de bekende leergeschillen — voor een wetenschappelijke dogmatiek, die wel wil uitgaan van de H. Schrift, maar door al maar voort te redeneren en te concluderen zich van de klare en duidelijke taal der Schrift verwijdert. Hij ducht m.i. twee gevaren: Dat de dogmatiek zich verheft boven de Schrift n boven de bevatting van de Gemeente. Tegen die gevaren richt Lindeboom zich als hij de taak der dogmatiek als volgt omschrijft:

„a. de Heilige Schrift naspeuren, om in haar te ontdekken al den raad Gods, al de dogmata met al de verbindingsleden, het dogma, het systeem van Gods denken en spreken, voorzoover het Hem behaagd heeft dit te openbaren in Zijne woorden en werken, en te beschrijven in de Schrift; en zoo meer en meer te leeren kennen God en al het zijnde in de verhouding tot Hem;

b. dit stelsel Gods voorstellen, daardoor de Gemeente onderwijzen, en daardoor de dwaalleer bestrijden, in zulk een vorm als het meest geschikt is om ons door nadenken en indenken de waarheid helder te doen zien en verstaan.” 41

Dat Lindeboom een schriftuurlijke dogmatiek wel degelijk nodig acht blijkt uit het slot van zijn referaat: „Leve en bloeie de waarlijk Gereformeerde Dogmatiek als vrucht van waarlijk Gereformeerde Exegese, d.i. een Dogmatiek geheel uit het Woord, als vrucht van eene uitlegging des Woords naar zijn eigen aard en regel; eene Dogmatiek, die ook zelve door inhoud en vorm, door stof en systeem, een belijdenis is van het aloude:

Tot de wet en tot de getuigenis!42 |147|

Uit al de geschriften van Lindeboom blijkt, dat hij doodsbenauwd is voor een theologie, die zich niet onder maar boven de Schrift stelt. Hij wil zich altijd weer als een kind stellen onder Gods openbaring en vreest een denkend subject, dat al redenerend en philosopherend en concluderend tegen de openbaring ingaat of boven haar uitgaat. Hij schrijft: „Hoe licht komt hij (de Theoloog) er toe, verder te gaan met zijn denken dan God, blijkens de perken in de Schrift aan ons weten gesteld, het vergunt. Hoe licht worden duidelijke uitspraken der Schrift verduisterd door een beroep op het organisme der Schrift, z als de philosopherende Theoloog zich dat voorstelt en daaruit, naar de z.g. wetten van ons bewustzijn concludeert . . . . . . Al „denkende” en doordenkende, steeds dieper en hooger, waagt zich de eindige en zondige mensch dan in de verborgenheden Gods, in de diepten van Gods wezen en willen; en inderdaad doet hij niets anders dan bespiegelen en verdichten, en zich inbeelden, dat hij eenheid begint te zien, waar God de eenheid voor ons verborgen houdt . . . De dwaasheid des kruises wordt dan wijsheid; maar ter zelfder ure wordt het Kruis van zijn zaligmakende kracht ontledigd.” 43

Terecht staat Lindeboom wantrouwend tegenover de „logische actie” van het „denkend subject”, waarmee anderen nogal weglopen. Zulk een actie loopt gemakkelijk uit op een heerschappij voeren over de Schrift. „Wie aan zijn „wetenschappelijk denken” veroorlooft . . . over de Schrift heerschappij te voeren, die kan tot alle dwalingen vervallen. Van „wijziging” van „voorstelling” tot „verandering”; van verandering van voorstelling tot verandering der voorgestelde zaken, is de afstand niet zoo groot. Ook de geschiedenis der Theologie en der Kerk getuigt het in alle eeuwen.” 44

Lindeboom was er de man niet naar om te zwijgen als leringen werden voorgesteld, die met Schrift en Belijdenis niet strookten. Tegen Kuypers leer van een eeuwige rechtvaardigmaking poneerde hij de stelling: „In de Belijdenisschriften is geen sprake van eene eeuwige rechtvaardigmaking, maar alleen van de rechtvaardiging in den tijd, en door, of uit het geloof.” 45

Tegen de leer van een onmiddellijke wedergeboorte stelde Lindeboom: „Volgens de Belijdenisschriften werkt de Heilige Geest de wedergeboorte in den tijd, door middel van het Woord, en wel voornamelijk het gepredikte Woord.” 46

Tegen de leer, dat de doop, als het een echte doop is, inwendige genade verzegelt poneert Lindeboom: „Volgens de Belijdenisschriften is de Heilige Doop wezenlijk n met de Besnijdenis. Hij beteekent en verzegelt niet wat in den doopeling aanwezig is, f verondersteld wordt aanwezig te zijn, maar de beloften van het Genadeverbond, in het Evangelie geopenbaard.” 47

Helaas hebben de theologen in meerderheid meer naar Kuyper dan naar Lindeboom geluisterd. Maar deze is in al zijn arbeid tot het einde toe getrouw gebleven aan zijn overtuiging, dat het niemand geoorloofd is uit te gaan boven wat geschreven staat. We zouden heel zijn arbeid kunnen typeren met de titel van een zijner redevoeringen. „Blijf in het Woord van God.” |148|

Ik ben van mening, dat wij Lindeboom moeten eren, door zijn geloof na te volgen en er naar te jagen om te blijven in het Woord van God. De HERE heeft ons vrijgemaakt van leringen, die niet naar het Woord zijn. Theologen gingen spreken van wedergeboorte in zulk een zin, als de Schrift nergens doet. Zij gingen onderstellen, waar profeten en apostelen en de Hoogste Profeet en Leraar nooit van onderstellen hebben gerept. Zij construeerden een leer van de Doop, die niet gegrond was op de Schrift. Tenslotte hebben synoden, onder leiding van theologen, theologische constructies bindend aan de kerken opgelegd, die ten dele tegen de Schrift ingaan, ten dele boven de Schrift uitgaan.

We mogen en moeten dankbaar zijn, dat de HERE onze ogen daarvoor opende, zodat we weigerden aan die theologische constructies ons te binden. Maar laten we toezien, dat we niet tot dwaasheid wederkeren. Het gevaar van binding aan theologoumena is er voor theologen en een Theologische Hogeschool altijd weer. We kunnen er alleen voor bewaard blijven als we blijven binnen de perken van het Woord, dat Gode zij dank niet verborgen of ver is. Want er staat geschreven: „Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs hetwelk wij prediken: namelijk indien gij met uw mond zult belijden de Here Jezus en met uw hart geloven, dat hem God uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden; want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met de mond belijdt men ter zaligheid.”

Rom. 10 : 8-10.




De aanhalingen zijn in de volgende geschriften van Prof. Lindeboom te vinden:


1. De onderscheidene beteekenis van het werkwoord „Heiligen” in Hebr. 11 : 10 en in vs. 11, Leiden 1885 bl. 1.

2. a.w. bl. 24.

3. Blijf in het Woord van God. Rede op den 33en gedenkdag van de Theol. School te Kampen. Heusden 1888 bl. 1 v.

4. a.w. bl. 4.

5. a.w. bl. 4.

6. a.w. bl. 5.

7. a.w. bl. 14 v.

8. a.w. bl. 15.

9. a.w. bl. 23.

10. a.w. bl. 40.

11. Gereformeerd Theologisch Tijdschrift 17e jg. bl. 235.

12. De Bijbelsche Geschiedenis. De onomstootelijke Godsopenbaring en de onmisbare sleutel tot de wetenschap. Leiden 1883 bl. 24.

13. a.w. bl. 25.

14. Wat zegt de Schrift. 8e jg. bl. 429 v.

15. Godgeleerden. Rede op den 39sten jaardag der Theol. School van de Geref. Kerken in Nederland. Heusden 1894 bl. 21.

16. a.w. bl. 21 v.

17. Wat zegt de Schrift. 1e jg. bl. 2.

18. Wat zegt de Schrift. 8e jg. bl. 5 v.

19. a.w. bl. 6.

20. Deze aanhalingen zijn uit een dictaat, dat ik van Prof. Veenhof ter inzage kreeg. |149|

21. De leiding des Heiligen Geestes onmisbaar voor de echte studie der theologie. Rede bij de overdracht van het Rectoraat. Kampen 1902 bl. 39.

22. Blijf in het Woord bl. 24

23. a.w. bl. 38.

24. a.w. bl. 38 v.

25. a.w. bl. 37.

26. a.w. bl. 37.

27. a.w. bl. 39.

28. a.w. bl. 44.

29. Uit de Schriften. Tweede Bundel. Uitgave van het Gereformeerd Traktaatgenootschap „Filippus”. 1911 bl. 37.

30. Godgeleerden bl. 18.

31. a.w. bl. 31.

32. a.w. bl. 35.

33. a.w. bl. 40.

34. a.w. bl. 42.

35. a.w. bl. 40.

36. a.w. bl. 42.

37. a.w. bl. 50 v.

38. Het verband tusschen Dogmatiek en Exegese. Heusden 1904 bl. 4.

39. a.w. bl. 6.

40. a.w. bl. 10.

41. bl. 13

42. a.w. bl. 16.

43. Bewaart het pand u toebetrouwd. Kampen 1896 bl. 70 v.

44. a.w. bl. 74.

45. Vijf stellingen. Betreffende leeringen, waarover in de Gereformeerde Kerken van Nederland in de laatste jaren verschil gevallen is. Kampen 1905 Tweede Stelling.

46. a.w. Derde Stelling.

47. a.w. Vierde Stelling.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004