Hoe een deel der Dordtsche Nalatenschap verzaakt werd

Een woord van tegenweer

door Dr. J.J. van Toorenenbergen

Rotterdam — W. Wenk, 1879

a


Voorbericht
I. Het punt in geschil
II. De vaststelling van de onderteekeningsformule in de Synode
III. Het Interdict der staten
IV. Nog een paar punten


Voorbericht.

Voor zoovel de beschikbare tijd het mij in de vorige maand toeliet heb ik mij beijverd om althans niet bij verstek te worden veroordeeld na het requisitoir, waarop Dr. Kuyper mij bij de door hem gedelegeerde rechters heeft willen doen vonnissen als onbevoegd, wegens gebrek aan grondig onderzoek, om over de periode der Dordtsche Synode mede te spreken.

Met evenveel gratie als scherpheid heeft mijn bestrijder mij een vroeger deel van onze oude kerkgeschiedenis ter behandeling toegewezen. Zonder een glimlach heb ik deze beleefdheid niet kunnen lezen, want ik ben er op verdacht, dat, wanneer ik hem heden of morgen op dit terrein ontmoeten zal, zijne bekwaamheid hem den noodigen moed zal geven om na den strijd als heraut van wapenen op te treden en te verklaren, dat hij mij „uit den zadel heeft gelicht.”

Het weinigje tegenweer dat ik thans bied zal van mijn irenischen zin doen blijken. Wanneer ik overigens op meer |iv| dan één punt, waarop Dr. Kuyper mij rusteloos vervolgt, het zwijgen bewaar, dan is dit meer overleg dan deugd. Zoo zal ik mij ook verder zonder wederspraak als ontrouw aan de „oudheid der letter” laten toerekenen hetgeen ik in vroegere jaren gearbeid heb om in het licht te stellen wat voor iederen toestand en na het eeuwen lang stilstaan van het kerkelijk belijden als het sine qua non van kerkelijke gemeenschap, naar de behoefte van onzen tijd, in de oorkonden der Kerk aanwijsbaar blijft. En rustig zal ik het aanzien, dat ik als op ééne lijn met de Arminianen staande word tentoongesteld, omdat ik geene andere verklaring van trouw aan de leer der Kerk kan geven of afeischen dan die, welke rekening houdt met het feit, dat hare Belijdenisschriften niet meer in alles de zuivere en actuëele uitdrukking wezen kunnen van ons geloof terwijl het onder Godgeleerden van echt Gereformeerden stempel even volkomen zekerheid heeft, dat de revisie, welke onder de leiding van den Heiligen Geest naar het Woord Gods geschiedt, slechts op hare kerkelijke uitdrukking wacht, als dat de substantie van de leer der Kerk waarachtig is. Dit ook te belijden eischt, naar mijne innigste overtuiging, het Gereformeerd beginsel: „de waarheid bovenal.”

Het „hoog-kerkelijk” standpunt van Dr. Kuyper is het mijne niet, en daar het blijkt, dat hij de categoriën van de scholastiek der zeventiende eeuw als het criterium voor het geestelijk voedsel onzer tijdgenooten wil aanleggen, is |v| het, meen ik, verstandiger zulk pogen over te laten aan de kritiek van den Heiligen Geest, dan tegen te spreken tegen hetgeen zoo duidelijk een parti pris en een parti à prendre verraadt. Ik wensch in dien weg geen stap mede te doen.

Voor iedere herinnering aan „vroegere welwillendheid en persoonlijke betrekking” in het geschrift, waartegen ik opkom, ben ik mijn bestrijder dankbaar. Ik hoop geen enkel beleedigend woord tegen hem te hebben geuit.


v. T.


Rotterdam, 11 Juni 1879.




I. Het punt in geschil.

Toen ik vóór eenige maanden de overtuiging uitsprak, dat voor eene inrichting van hooger onderwijs ten dienste van de Gereformeerde Kerk de verhouding, waarin dat onderwijs nu tot hare Formulieren van eenigheid zou kunnen staan, niet meer dezelfde is als die, welke de Synode van Dordrecht in 1619 heeft gesteld bij de formule van onderteekening, voor de Professoren in de Theologie verordend in hare 175e zitting, toen wees ik er op, dat de Leidsche Faculteit reeds in 1620 die formule had vervangen door eene andere, op welke, zoo als Dr. Kuyper het schilderachtig uitdrukt, „eene schroef minder” zat.

„Daarin zit een beginsel”, veroorloofde ik mij te zeggen, en ik heb dat in de eerste plaats nader te verklaren, nu mijne meening zoo onjuist wordt voorgesteld in het geharnaste en scherpe Verweerschrift 1), waarin die geleerde opkomt tegen hetgeen ik ter loops in dag- en weekblad 2) schreef, naar aanleiding van het Programma der door hem gesticht wordende Theologische school. Ik bedoelde het beginsel der vrijheid in de gehoorzaamheid aan Gods Woord, hetwelk in de Gereformeerde Kerk, vooral door hare uitnemendste dienaren, in haren bloeitijd steeds gehandhaafd is, — het beginsel, naar ’t welk men |2| onderscheid maakt tusschen letter en geest, substantie der leer en leervoorstelling, hoofdzaak en bijzaak.

Thans ben ik niet voornemens voor dat beginsel zelf, hoe ook aangevochten, eene lans te breken. Het is naar het doel van dit geschrift genoeg, duidelijk te doen uitkomen welke mijne eenvoudige bedoeling was met het ter sprake brengen van de onderteekeningsformule, door de Leidsche Professoren in 1620 in de plaats gesteld van die, welke de Synode had voorgeschreven. Ik meende en meen nog, dat daarin blijk gegeven is van dier achtbaren mannen meening omtrent het ongeschikte — het onbetamelijke schreef ik — van „de schroef”, waaronder de Dordtsche onderteekeningsformule den academischen leeraar plaatste en perste.

Het was mij, voorwaar, niet onbekend, dat aan de Leidsche Professoren door hunne Curatoren en door de Staten van Holland verboden was die formule te aanvaarden, tenzij dan dat hun zitting en stem mocht worden verleend in de Provinciale Synode, aan welke zij zich door de onderteekening onderworpen verklaard zouden hebben. 3) Over dat interdict zal ik nu nader spreken. Wat Dr. Kuyper daaromtrent moge bewezen of beweerd hebben, het is een feit, dat toen Polyander, Rivet, Walaeus en Thysius de verhouding van het academisch onderwijs tot de kerkelijke formulieren van eenigheid bepaalden, zij bezwaar getoond hebben tegen het |3| schroevende: „in alles” en tegen de belofte, nooit „verscheydene consideratiën ofte gevoelens voor te stellen opentlick noch heymelick” zonder die eerst aan de Provinciale Synoden, niet als medeleden, maar als „subjecten” te zullen openbaren ter beoordeeling. b

Het was — en hierop komt het aan — wel degelijk hun bezwaar, dat zij inbrachten en deden gelden. Wat door de Staten van Holland aan de Curatoren en aan Burgemeesteren van Leiden was genotificeerd en „aan de Professoren van de Theologische Faculteit ter hand gesteld, om hun zelven naar den inhout van dien te reguleren”, strekte niet verder dan het verbod om zich te „onderwerpen aan de particuliere Synoden van Suyt- en Noordholland.” Het was eenvoudig het besluit der Staten, hetwelk door Dr. Kuyper uit hunne Resolutiën is aangehaald, 4) en daarin werd geen voorschrift ter onderteekening aan de Faculteit gegeven, maar alleen ingescherpt, dat „de Regeeringe, Bestieringe ende Opsigt van de Universiteyt ende van het collegie Theologiae gelaaten souden worden ende blijven bij de Heeren Curateurs en de Burgemeesteren der stadt Leyden, mitsgaders dat de Professoren ende Lidmaaten van deselve behouden souden haare preëminentiën en ordre, onder soodanigen directie, sonder eenige veranderinge, als die onder haare Edele Mogendes authoriteyt en beveelen tot nog toe geweest waren.” Om dit uit te maken hebben wij den brief van Curatoren aan de Faculteit geschreven, welke Dr. Kuyper bij zijne ijverige nasporingen te vergeefs gezocht heeft, niet noodig. Alleen over „de subjectie aan de Synode viel de dispute, reeds |4| in de leste Synode Nationaal” 5), en ook bij het verhoor van Barlaeus in de Zuid-Hollandsche Synode, 6) toen een der Burgemeesteren van Leiden zijne exceptie maakte tegen al wat door de Synode gedaan werd „teghen ’t regt der Academie.” In deze dispute waren de professoren in ’t algemeen niet zoo passief als Dr. Kuyper schijnt te meenen. In het zoo even aangehaalde concept lezen wij — en het zou er niet in gelezen worden indien het niet alzoo geschied ware, want het stuk is door Walaeus’ handen gegaan — dat „de facultas Theologica aan de kerken de opsicht over de Professoren met goedvinden ook der Curatoren, niet heeft willen toestaan.” Zij hebben ook op hun eigen naam in de Haagsche Synode van 1624 verklaard, dat „zij de correspondentie ende comparitie op de Synodale Vergaderinge hadden verzocht, omdat zij meenden, dattet den kercken soude dienstigh ende profijtelijck wesen.” 7) Wij mogen wel aannemen, dat „de dispute” op dit punt reeds in 1619 te Dordrecht gerezen zal zijn immers bij de vaststelling van het onderteekeningsformulier voor de Professoren, of bij de „Articulen op de Universiteyten,” waarin sub Art. VI over de onderteekening van de Formulieren van eenigheid gehandeld werd, c en het vermoeden ligt voor de hand dat hunne later gebleken meening omtrent het verschil, hetwelk zulke onderteekening hebben moest bij al- of niet-subjectie aan de particuliere Synode, toen reeds te sprake zal zijn gebracht. |5|

Doch laat dit geweest zijn hoe het wil, de Leidsche Theologen van 1620 hebben in het gevoel hunner verantwoordelijkheid wegens hunne verplichtingen èn jegens de „waardigheid en vrijheid der Academie,” 8) èn jegens de Gereformeerde Kerk, aan welker Synode zij een werkzaam deel hadden genomen, tot welke zij van heeler harte behoorden en welke zij wilden dienen met al hunne macht, den historischen en natuurlijken band tusschen de Hoogeschool en de Kerk willen bevestigen toen de laatstgenoemde hare belijdenis pas had herzien en gehandhaafd. Zij hebben met die bedoeling „de Formulieren in een boek doen binden en met sulcke schriftelijke beloften”, als waarvan tusschen hen en de Synode sprake was, „tot onderhoudinghe van de suverheyt der Leere en de eenstemmigheyt met de Kerken van deze Provinciën onderteekend, met voorder intentie van alle degene, die haer voortaen in de professie — ofte Theologische Faculteyt souden bijghevoegt worden, deselve Formulieren te laten onderteekenen.” Zij meenden hiermede aan een iegelijk, die van kerkelijke zijde hunne rechtzinnigheid had te beoordeelen, „contentement te doen.”

Neen, gewis, het is aan deze mannen niet in den zin gekomen zich los te maken van de belijdenis der Gereformeerde Kerk, pas zoo plechtig door hen bezworen; maar juist daarom heeft hunne wijze van formuleering in dezen zoo groote beteekenis. Verklaarden zij bij herhaling „dat zij de leere, in de Formulieren begrepen, in |6| alles hielden Gods Woort conform te wezen”, en dat „sij geen swarigheit souden maken in de onderteeckeninghe, inghevalle men hun de correspondentie 9) toeliete,” dan moet er wel gegronde reden bij hen geweest zijn, waarom zij eene nieuwe formule van onderteekening „met een schroef minder” opstelden. Zij konden voor zichzelven en mochten van wege hunne superieuren de synodale formule overnemen met eenvoudige uitlating van hetgeen de subjectie aan de Synode betrof — anders hadden zij de onderteekening niet mogen aanbieden — maar zij hebben haar niet overgenomen. Dát is het punt, waarop ik wees, en waaruit ik meen te mogen afleiden, dat zij de verhouding tot de Symbolische Schriften der Kerk niet voor alle omstandigheden — en tijden — dezelfde achtten en bepaaldelijk meenden, dat die verhouding eene andere is voor de betrekking van den academischen leeraar en eene andere voor die van den onmiddellijken dienaar der Kerk. Hun aanbod van persoonlijke onderteekening onder bepaalde omstandigheden werd, blijkens hun gedrag en handelwijs, door hen onderscheiden van hunne verplichting, waar zij zelven de betrekking tusschen de Kerk en de Faculteit hadden te regelen. Wat zij persoonlijk konden, na eene pas gehouden nationale Synode, hebben zij niet als regel willen stellen voor anderen en voor de nakomelingschap. Zij hebben eene eenvoudige, eerlijke en ruimere verklaring voor de leden der Faculteit vastgesteld:

„Dat zij de leer, in de Belijdenisschriften vervat, als rechtzinnig en met de Heilige Schrift overeenstemmende erkenden en haar daarom wilden leeren en verdedigen.” |7|

Ik heb die verklaring eerlijk genoemd, niet slechts omdat zij al dadelijk Rivet niet onder „de schroef” zette van te moeten vragen, om der consciëntie wil, of hij alles aannam zóó als het in den Heidelbergschen Catechismus, die hem nu voor het eerst werd voorgelegd, wordt geleerd, maar vooral omdat zij geen dubbelzinnigheid tegenover de Belijdenisschriften der Kerk bevatte, een euvel, waaraan later dergelijke verklaringen — het is wèl bekend! — zoo vaak mank gingen. Maar ik dacht er niet aan „dat de niet geteekende acte in hunne oogen niet eerlijk zou hebben kunnen zijn.” Al wat Dr. Kuyper gezegd heeft tot verdediging van het zedelijk karakter der van mijne zijde geheel onbesproken achtbare mannen, kan uit zijn Verweerschrift veilig wegvallen.

Met even weinig grond wordt hierbij „de Revisie” der Belijdenisschriften te pas gebracht, althans in die tegenstelling, waarin mijn geleerde bestrijder tegenwoordig zonder onderlaten dit punt ter sprake brengt. Het heeft in zijn geschrift den schijn als hadde ik de Leidsche Professoren van 1620 voorgesteld als voorstanders van eene „vrije Revisie” der Belijdenisschriften in den zin, waarin hunne Remenstrantsche tijdgenooten daarvan spraken. Maar zulke eene „vrije Revisie”, waarbij iedere Synode voor eene tabula rasa zou komen te zitten, en eigenlijk de willekeur der subjectiviteit voor den grondslag, waarop de Kerk is gebouwd, zou in de plaats treden, heb ik nooit voorgestaan, en zij kan dus niet door mij ondersteld zijn als bedoeld door mannen, op wier wèl verdiend gezag ik mij voor mijne meening beriep. 10) |8|

Ter zijde latende wat niet dadelijk tot het punt, tusschen Dr. Kuyper en mij in geschil, betrekking heeft, vestig ik liever nog de aandacht op het verband, dat er was tusschen de Dordtsche formule ter onderteekening, waarmede de Professoren zich aan de particuliere Synode moesten onderworpen verklaren, en de verklaring, welke door de Faculteit werd vastgesteld.

De onderteekening van de verklaring, welke tot de Dordtsche nalatenschap behoorde, zou de Professoren nog meer dan de Predikanten censurabel hebben gemaakt. Bij indaging, of misschien bij verzoek om audientie (!) zou volgens die verklaring de correspondentie hebben moeten plaats vinden, zoodra er eenige verdenking rees omtrent eene „verscheydene consideratie of gevoelen” bij het academisch onderwijs. Er was ook uit dit oogpunt reden genoeg voor het bezwaar der Staten en der Curatoren, waarmede de Faculteit het inderdaad eens was. 11) In de onderteekeningsformule was dus voor de Professoren aanleiding en verplichting om de verhouding hunner „Professie” tot de Formulieren te omschrijven op eene wijze, die duidelijk maakte, dat hun ambt niet in die betrekking tot de Kerk stond als daarbij werd aangenomen. Zij hebben die mate van vrijheid in de door |9| hen gebruikte formule moeten uitdrukken, welke hunne Professie medebracht, behoudens het wezenlijk verband, hetwelk tusschen de Kerk en de Theologische Faculteit aan de Hoogeschool van Leiden bestond, naar de traditie niet alleen, maar ook naar de meening van de Staten en de Curatoren. 12)

Dit is het, wat ik heb willen beweeren. Er is in de onderteekeningsformule, door de Faculteit te Leiden in 1620 vastgesteld, eene verhouding tot de Formulieren uitgesproken, welke het wezen of liever de substantie der leer en relief stelt. 13) Dat dit geschieden kan zonder dat de belijdenis der waarheid, waarvan de Kerk op aarde „pilaar en vastigheid” zijn moet, schade lijdt, daarmede staat of valt het gezag der Belijdenisschriften bij het verloop van den tijd, die alle formulen en formulieren, maar niet de waarheid, slijten doet. |10|


II. De vaststelling van de onderteekeningsformule in de synode.

I.

Het punt, tusschen Dr. Kuyper en mij in geschil, hetwelk ik op de vorige bladzijden weêr trachtte op den voorgrond te brengen, zou aan de aandacht van onze lezers lichtelijk hebben kunnen ontgaan, daar in het Verweerschrift den meesten arbeid besteed is aan eene breede toelichting van de verhouding tusschen de Kerk en het academisch theologisch onderwijs bepaaldelijk te Leiden. Ik moet nu mijn geleerden bestrijder ontmoeten waar hij mij heenleidt, en doe dat te gereeder omdat inderdaad al het door hem aangevoerde ter zake dienende is. Die breede opvatting van de geschiedenis der onderteekeningsformule levert ons eene belangrijke bijdrage tot de rechte kennis van een deel der geschiedenis van de Nederlandsche Kerk onder de Republiek. Het zij mij vergund daartoe ook iets aan te brengen, door „revisie” van een enkel punt in mijn eigen beweeren en ook van sommige dingen, door Dr. Kuyper als onomstootelijk vastgesteld. |11|

Ik behoef de gedachtenwisseling tusschen ons in December en Januari l.l. niet in al de bijzonderheden op te halen, omdat zij achter het Verweerschrift bijna compleet is afgedrukt. Aan mijne opmerking omtrent de beteekenis van het verschil tusschen de onderteekeningsformule, in de Synode vastgesteld, en die der Faculteit trachtte Dr. Kuyper alle gewicht te ontnemen door onder anderen te zeggen, dat drie van de Leidsche Professoren, die in 1620 de Faculteit uitmaakten, namelijk Polyander, Thysius en Walaeus, in 1618-19 „op de Synode te Dordrecht tegenwoordig waren, en dat op 25 Mei 1619 het onderteekeningsformulier, in de Synode voor de Professoren vastgesteld, door en met het eigen toedoen dezer heeren is tot stand gekomen en goedgekeurd.”

Hiertegen stelde ik: „het is de vraag, of zij medegewerkt hebben aan de vaststelling van het door hen ter zijde gelegde formulier van onderteekening.” Ik achtte en beweerde, dat „het tegendeel zeker is,” op grond van de meening, „dat de Professoren in de Synode geene concludeerende stem hadden in de Kerkzaken. Van hunne adviezen was niets bekend.”

Op één punt in dit mijn beweren heeft Dr. Kuyper mij van dwaling overtuigd, hij heeft namelijk bewezen dat de Professoren in de Dordtsche Synode eene definitieve stem hebben gehad in alle zaken, daar behandeld. Ik geloof nu, dat ik de woorden, in het besluit van de Brielsche Synode van 1623 voorkomende, dat „het formulier ten overstaan van de Professoren dezer Provincie daar vastgesteld,” niet meer mag aanhalen, even weinig als hetgeen ik uit de Acta der Dordsche Synode zelve overnam, in dien zien, dat hunne actieve medewerking daardoor zou worden uitgesloten. Maar ik geloof dat |12| Dr. Kuyper ook geen recht heeft de zoo even aangehaalde woorden van het Brielsche besluit dus uit te leggen en aan te vullen: „dat het onderteekeningsformulier zoowel door de Professoren zelve als door de andere leden der Synode opgesteld en goedgekeurd is.” 14) Dit behoort tot de beweeringen in het geschrift van Dr. Kuyper, die de schrijver door zeer kunstige bewijsmiddelen steunt, doch die aan bedenking onderhevig blijven. Hoe sterk hij hier fantaseert blijkt b.v. uit de gissing, dat Walaeus zelf de opsteller van de formule zal geweest zijn, die gesteund wordt o.a. door de opmerking dat zij in extenso voorkomt onder zijne brieven. Men moet weten dat die formule daar voorkomt, bloot ter opheldering van de „Antwoorde aangaende die onderschrijvinghe,” 15) welke van Walaeus’ hand was, en dat ten overvloede, opdat geen lezer zich vergissen zou, op den kant staat aangeteekend: „Exemplum formulae hujus, exscriptum ex sess. 175 Syn. Nat. Dordr.,” terwijl als opschrift de aanhef van het citaat uit de Synodale Acten geldt. Het is eene onhandigheid van den drukker, die de Formule als een afzonderlijk stuk doet voorkomen: het is eene Bijlage bij het Antwoord van Walaeus.

Ik laat liever dergelijke kleine fouten rusten, omdat ik kans heb Dr. Kuyper zelven te overtuigen dat het zeer twijfelachtig is of het collegie van de Professoren, die in de Synode zitting hadden, heeft medegewerkt aan de vaststelling van het later te Leiden door drie van hen |13| ter zijde gelegde formulier.” 16) Over „de definitieve stemme” spreek ik daarna.

„Van hunne adviezen is niets bekend.” Edoch, Dr. Kuyper weet zoo goed als „mathematisch” zeker, dat de Professoren niet tegen gestemd hebben, omdat hunne oppositie nooit is aangevoerd door degenen, die er belang bij hadden dit te doen! Ik wist niet, dat het argumentum e silentio ooit voor mathematische zekerheid mocht worden uitgegeven. Te minder zou ik het hier daarvoor durven aannemen, waar in het voorname document, dat in aanmerking komt, t.w. in het concept van Staatsche zijde voor een modus vivendi, uitdrukkelijk gezegd wordt, dat „alleen dispute viel oft de Professoren in de Synoden particulier behooren te verschijnen.” Daarbij behoefde ten minste niet van directe oppositie tegen de formule van onderteekening te worden gewaagd. Met even veel recht zou ik kunnen aanvoeren, dat wanneer in de Brielsche Synode alleen gezegd werd, dat die formule is vastgesteld „ten overstaan van de Professoren,” het belang van de Synodalen medebracht zich duidelijk en klaar op hunne persoonlijke medewerking te beroepen; maar ik houd niet van dergelijke argumentatie en liever begeef ik mij tot de Post-acta van Dordrecht, om te zien of dááruit niets blijkt wat ter zake dient.

Dr. Kuyper schijnt ze niet nauwkeurig te hebben geraadpleegd. Hij schrijft: |14|

„In de Acta Synodi — wordt ook niet maar met een enkel woordeke van professorale oppositie ten deze melding gemaakt. Iets wat, indien er oppositie geweest ware, niet zou kunnen; daar de redactie en uitgave van deze Acta Synodi was opgedragen aan eene commissie van zeven leden, waarin en Walaeus en Polyander en Thysius zelf persoonlijk zitting hadden.”

Hier zijn de Post-acta niet bedoeld. Want aan de commissie van zeven leden, waartoe Walaeus en Thysius behoorden en welke door de Staten-Generaal benoemd was, was de uitgave opgedragen van den foliant, dien wij als de Acta Synodi Dordracenae kennen. 17) Daarin komen de post-acta niet voor, en op deze komt het hier aan. De Synode had eene eigene commissie benoemd voor „de revisie en het examen van de bekorte handelingen des Synodi van den Scriba Dr. Seb. Dammanus”, in welke van de Professoren alleen Polyander zitting had. 18) d Blijkt nu ook in deze Post-acta niets van professorale oppositie, er blijkt iets anders uit, namelijk wat ik beweer, dat het meer dan twijfelachtig is of en in hoeverre de Professoren een actief deel hadden in de samenstelling en vaststelling van de voor hen bestemde formule van onderteekening.

In de 45e zitting, den 2en Januari 1619, hadden de afgevaardigden van Zuid-Holland de zaak der „reformatie van de Academiën ter tafel gebracht. Zij werd aan de leden aanbevolen en men zou trachten het daarheen te richten, wanneer zij later, na de beslissing van de geschillen met de Remonstranten, kon behandeld worden, dat „de Staten der Provinciën door heilzame besluiten (of raadgevingen? 19)) mochten geholpen worden in deze |15| aangelegenheid, en dat voortaan al de Nederlandsche Academiën zóó werden ingericht en bestuurd, dat uit haar voortaan geen nieuwe ramp mocht geboren worden, zooals er nu eene uit sommige tot groot nadeel van de Kerk was voortgekomen.” — Eerst op den 16en Mei in de 162e zitting „na den middag” kwam de zaak aan de orde. Toen zijn „nog eenig andere gravamina voorgesteld” en daaronder „van de goede ordre der scholen zoo hooge ofte Universiteyt, als mindere of triviale.” e Reeds den volgenden dag vóór den middag zijn „de advisen en oordeelen der respective collegiën” f voortgebracht en is daarop geresolveert: dat de Staten der Provinciën, waar Universiteiten of Hoogescholen waren, zouden verzocht worden er op te letten o.a. dat de Curatoren niet altijd mochten aanblijven, maar dat hun collegie door jaarlijksche aftreding om de drie of vier jaren mocht worden vernieuwd; dat „een Predikant of twee” aan het curatorium zou deel hebben, om te nauwer toezicht te hebben op de Theologische Faculteit; dat geen Professor in de Theologie zou benoemd worden dan met toestemming van de Synode; dat in de beroeping van al de Professoren ook der andere Faculteiten, goede zorge zou worden gedragen, dat geene beroepen werden, dan die uitmuntten in geleerdheid enz. en die zich vast hielden aan de van ouds Gereformeerde leer; dat zij allen de Belijdenis en den Catechismus zouden onderteekenen; dat het geen Professor in de Philosophie en talen zou vrijstaan een theologisch onderwerp te verhandelen zonder verlof van de Theologische Faculteit; dat de Theologische Professoren in de Prov. Synode zouden verschijnen om rekenschap te geven over hetgeen zij leerden,” enz. g

Ik geloof niet, dat iemand het denkbaar zal achten, |16| dat deze artikelen door het collegie van de Professoren zijn geconcipieerd en voorgesteld in eene vergadering, waar de afgevaardigden der Staten, hunne meesters, tegenwoordig waren. Het was „een stoute stap” zegt Dr. Kuyper, „die spoedig berouwde.” Mij dunkt, die stoute stap zou den Professoren nog wel meer en anders berouwd hebben, indien zij dergelijk voorstel, b.v. omtrent de benoeming en inrichting van de collegiën van Curatoren hadden durven doen. Van hunne medewerking aan het voorstel en aan de resolutie blijkt dan ook met geen enkel woord. Bij een ander onderwerp, als „de onderhouding van den Sabbath” is hun het stellen van eenige regelen opgedragen; 20) h bij de regeling van het Hooger onderwijs worden zij niet vermeld. Blijkbaar was de resolutie omtrent de Academiën gereed geweest toen de zaak aan de orde gesteld werd, en wie anders dan de Gedeputeerden van de Zuid-Hollandsche Kerken zouden de stellers geweest zijn, zij, die de Leidsche Academie, waar de geleden schade was aangericht, als onder hunne Synode ressorteerende aanmerkten? Indien iets in dezen van de Professoren kan worden ondersteld, dan zal het wel zijn, dat door hunne inspraak toen „de dispute gevallen is, oft de Professoren in de Theologie oft eenighe uyt haer gesonden, niet behooren in de Synoden particulier te verschijnen”, t.w. om er zitting en stem te hebben, indien men namelijk de zaak hunner professie op de voorgestelde wijs wilde regelen. Dit moet ook „van den meesten deel des Synodus goet ghevonden” zijn, „hoewel daarnaer, deur de haesticheyt, de acte niet soo generael ende dudelick daer en van is |17| gestelt, waarvan de Praeses en andere genoegsaem kennisse hadden.” 21) Indien men dit eenerzijds als noodzakelijk en andererzijds als bij de particuliere Synoden wel te verkrijgen heeft voorgesteld, dan laat zich begrijpen, hoe die fameuse Artikelen in de Synode zijn doorgegaan, terwijl de leden van de Hoogmogenden ze zullen hebben opgenomen zooals zij daar lagen, als een verzoek aan de Staten, waarbij het weigeren even vrij stond als het vragen. Aan het hoofd stond immers: „De Heeren Staten der Provintiën zouden verzocht worden te letten op dese Articulen.”

Maar nu het onderteekenings-formulier!

In dezelfde zitting, waarin het Gravamen omtrent de Universiteiten werd ingebracht, den avond vóór het vaststellen van de Articulen daaromtrent, werd goedgevonden „te ontwerpen een accuraat Formulier van onderteekening voor alle Kerkendienaren” — niet voor de Professoren — en „een Formulier van vragen, den bejaarden in haren Doop voor te houden.” „En is dat werk opgeleyt die van Gelderland, Zuid-Holland, Zeeland en Groningen.” i

Van geen opdracht omtrent een Formulier voor de Professoren in de Theologie is sprake. Er werd in de aangenomen Artikelen niet van gewaagd, want wat in Art. 6 voor „alle Professoren van iedere Faculteyt en konst” bepaald werd 22), dit geldt blijkbaar niet voor de |18| Theologische. Voor hen moest, krachtens de Kerkorde (Art. 53), eene afzonderlijke acte van onderteekening worden vastgesteld. Deze werd eerst „voorgelezen en geapprobeerd” in de 175e zitting, den 25en Mei, en zij deed, naar de juiste opmerking van Dr. Kuyper, „weinig meer dan lichaam en vorm schenken aan wat in het Concept der aangenomen artikelen reeds beworpen was.” Zouden misschien de Professoren zich met deze „belichaming” van de gedachte dier Artikelen hebben belast? Onmogelijk. Het stuk is wel gewis uit denzelfden hoek gekomen, waaruit de Artikelen in de Synode waren gebracht. Men heeft zelfs op de medewerking der Professoren daarbij niet bijzonder veel prijs gesteld, indien ik ten minste aan de Post-acta, zooals die in onze handen gekomen zijn, eenige nauwkeurigheid mag toekennen. Men leze het verslag van de genoemde 175e zitting eens na. Daar wordt de zaak van de Predikanten te Hoorn het eerst aan de orde gesteld en eenige Gedeputeerden van de Synode van Noord-Holland, ad hoc ter vergadering verschenen, verzoeken „dat die zaak metten eersten mochte verhandelt worden.” „De Broederen, daartoe gedeputeert, zijn vermaand, het ondersoek van deze zaak terstond in de vertrekkamer bij de hand te nemen.” j (van deze broederen, in de vorige zitting benoemd, was „D. Johannes Polyander” k de eerste.) Daarop volgt onmiddellijk: „Is voorgelesen en geapprobeert het Formulier na dewelcke de Professoren der H. Theologie, de Regenten en onder-Regenten der Theologische collegiën de Belijdenis, de Catechismus en de verklaringe des Synodi moeten onderteekenen.” l Het is dus de vraag of Polyander tegenwoordig is geweest bij de vaststelling van dit Formulier. Walaeus, die even als Polyander te Leiden, in 1619 te |19| Middelburg alleen stond, was daar geplaatst aan eene stedelijke school. Zal hij zich niet gerefereerd hebben aan zijne superieuren, den Magistraat van Middelburg, in eene zaak, waar zooveel „dispute” bij te voorzien en reeds „gevallen” was? 23) Wat Thysius betreft, hij kan onderricht zijn geweest, dat de zaak in Gelderland geen bezwaar vinden zou.

Doch wat ook het persoonlijk gevoelen der Professoren omtrent de voorgestelde formule was, zij allen, Gomarus en Lubbertus zoo goed als Polyander, Walaeus en Thysius, zaten in de Synode onder de schroef van het gezag der Curatoren hunner academiën en van de Staten hunner Provinciën, want de „Statenbanken” zullen bij de behandeling van de „saecken der Academiën” wel niet ledig zijn geweest. De „definitieve stem” der Professoren kon in deze aangelegenheid niet veel te beduiden hebben.


II.

Doch ik mag geen oogenblik ontveinzen dat ik eerst na mijn vorig debat met Dr. Kuyper tot deze appreciatie van de stem der Professoren in de zaken der Universiteit ben geleid. Dat ik een nader onderzoek instelde was der moeite waard, omdat Dr. Kuyper uit het recht van |20| medestemmen, dat zij hadden, heeft geconcludeerd tot eene medewerking hunnerzijds, die met andere gegevens in strijd is.

Het werd reeds door mij beleden: ik heb mij voorgesteld en gezegd, dat de Professoren te Dordrecht alleen in de vaststelling van de leerpunten definitieve stem hebben gehad, en ik las het in de Acta, omdat ik het er voor hield, dat het niet anders mocht en niet anders kon geweest zijn.

Was er geen oorzaak?

Als ik bij Voetius 24) las: „Wat van de decisieve stem der Professoren in de Dordtsche Synode van 1618 gezegd wordt is volkomen naar waarheid,” ook dan dacht ik aan de leerpunten alleen, omdat op die bladzijde nog zooveel anders te lezen staat, hetwelk mij omtrent het beperkte van hunne bevoegdheid geen twijfel overliet. Hoort hem zelven:

„Ik kan niet bepalen, of aan alle Professoren in Nederland een volkomen en uit den aard der zaak hun toekomend recht moet worden toegekend tot de geestelijke politie en bijgevolg tot het uitbrengen van „decisieve stemmen” in de Nationale Synoden en aan de Professoren in deze of die Provincie in hare Provinciale Synode. Ik kan niet inzien dat men tot hiertoe met grond eenig onmiddellijk recht van Godswege, of eenig stellig menschelijk en kerkelijk recht, hetzij van de oude, hetzij van de Gereformeerde Kerk, daarvoor heeft kunnen bijbrengen. Immers is het onderscheid, hetwelk men om die te bevestigen aanvoert tusschen den Leeraar en den Herder naar Efezen IV, hier niet afdoende. Want gesteld dat dit juist ware, wat wij niet willen ontkennen, dan wordt er nog te veel uit afgeleid. Aangenomen dat het ambt van den academischen Godgeleerde behoort tot den heiligen of kerkelijken dienst, dan mag daarin niet worden begrepen, dat hij nu ook krachtens en rechtens dat ambt zitting mag hebben in alle provinciale Synoden, zonder algemeene of bijzondere kerkelijke afvaardiging, of oproeping of opname van wege de Synode. |21| — — Dat de praktijk en de instellingen onzer kerken voor deze meening zouden pleiten, schijnt niet gegrond te zijn. Er is geen twijfel omtrent de tegenwoordigheid van de Professoren in de provinciale Synoden, namelijk in geval dat de Synoden gehouden worden ter plaatse, waar de Academie gevestigd is; maar deze macht gaat dan niet verder dan eene deliberatieve stem. 25) Zoo herinner ik mij dat de vier Theologische Professoren in 1629 op hare uitnoodiging de Z.H. Synode te Leiden hebben bijgewoond. — — Daar zijn ook voorwaarden door de Synode opgemaakt, waarop de Theologische faculteit door een afgevaardigde jaarlijks in de Hollandsche Synode zou verschijnen. Welk lofwaardig besluit van de Synode, toen het aan de Classen werd overgebracht, — — door de meening en het drijven (sententia et studio) van sommigen is in de pen gebleven. 26) Wat men van de decisieve stem der Professoren in de Dordtsche Synode van 1618 zegt, is volkomen waar; dit was ook reeds in 1607 in het Haagsche Convent met eenparige stemmen bepaald. Maar men zou kunnen zeggen, dat dit eene buitengewone Synode was, en dat men van haar niet besluiten mag tot de gewone Nationale Synoden, en indien het van dezen ook al moest worden toegegeven, (zooals ik meen) dan zijn Provinciale nog geen Nationale Synoden. — — Hoe het zij, ik zie nog niet, dat er een stellig recht zou zijn voor het andere gevoelen. Waarmede ik echter niet zou willen ontkennen, dat de Professoren, die goed vóórgaan, vóór vele anderen kunnen worden gekozen en tot de Synoden gezonden of door haar opgeroepen en dat dit in het belang der Kerke zal wezen; indien maar de kerkelijken toezien, dat zij geen wereldsche bedienaars van het heiligdom kiezen. Maar het zal vooral moeten geschieden, wanneer over de leer of over hoofdbeginselen van kerkrecht gestreden wordt”.

Voetius is mijn Commentaar op de Dordtsche Acta geweest. Ik durf hem noemen. |22|

Bij deze woorden van Voetius moet worden opgemerkt, dat hij hier schrijft tegen Maresius, die op dit punt zijn tegenstander was. Deze verdedigde het recht der Professoren om in alle Synoden, Nationale en Provinciale, te zitten en te stemmen. 27) De gevoelen waren hieromtrent dus zeer verdeeld tusschen Godgeleerden van onbevlekte rechtzinnigheid, en Dr. Kuyper zou moeielijk kunnen volhouden dat hier het schibboleth voor het zuivere Calvinisme was: „Nationaal of Provinciaal.— Veeleer was het er zóó mede gelegen, dat de zuiverste Calvinisten het zitten van de Professoren in de Synode Nationaal met decisieve stem aanvaardden, omdat het te Dordrecht in 1618 en vroeger 28) zoo had plaats gehad, maar dat zij het voor de particuliere Synoden niet admitteerden op gronden, die voor de Nationale Synoden evenzeer gelden moesten. Voetius wil blijkbaar een middenweg bewandeld hebben in de praktijk, maar wanneer Maresius optreedt voor een recht der Professoren op den Synodalen zetel en op de „definitieve stemme”, dan zegt hij: neen! Dat recht bestaat niet „volgens Gereformeerde beginselen”, en het kwam aan de Professoren te Dordrecht 1618-19 rechtens niet toe daar te zitten en mede te besluiten. Zij |23| waren toch „gezonden door de Staten”, en niet Kerkelijk afgevaardigd. Want de bepaling, in het Convent te ’s Hage in 1607 gemaakt, dat zij zouden geroepen worden kon voor eene afvaardiging niet gelden. Het was eene afspraak tusschen de Kerkelijken en Politieken, niets meer, en dat het zóó afgesproken werd, was wel reeds een bewijs, dat hier geen recht gold. Omtrent de te deputeeren Kerkelijken werd alleen het getal bepaald, maar aangaande de Professoren werd afgesproken, dat zij zouden geroepen worden. Hoevelen? Het werd overgelaten aan de Staten, hunne meesters en zenders! Dat zij over de leer op last der Staten hun goedachten gaven, het mocht wezen, maar dat zij mede besloten, dit had hun eerst door de Kerk persoonlijk moeten worden toegekend. Helaas! te Dordrecht gold in 1618 in het algemeen de regel, die de Voorzitter tegen de Remonstranten gelden liet: „De wetten door de Staten-Generaal gesteld, kunnen door de Synode niet veranderd worden.” 29) Maar door die wetten kan niet verkeerd worden wat het zuiver Calvinistisch beginsel medebrengt, dat namelijk de overheid geen recht heeft zitting en stem te verleenen aan de door haar ter Synode „gezondenen.” Het Calvinistisch Kerkrecht is in dezen te Dordrecht niet gehandhaafd . . . . ik heb een te hoogen dunk van de Synode van 1618 gehad: ik dwaalde. 30) |24|


III. Het interdict der staten.

I.

Het is uit de belangrijke „Historische Toelichting”, welke Dr. Kuyper in zijn Verweerschrift omtrent den strijd tusschen de Academie en de Kerk gegeven heeft, duidelijk gebleken, dat het verschil in 1620 niet van dat jaar dagteekende, en dat het verbod, aan de Professoren toen door de Curatoren op last der Staten kenbaar gemaakt, hetwelk hen verhinderde, de Synodale formule te onderschrijven, moet verklaard worden uit de onafhankelijke stelling waarin de Academie te Leiden — even als de andere inrichtingen van hooger onderwijs in de Nederlandsche Provinciën — tegenover de Kerk stond. Deze had geene eigene hooge scholen; de bestaande Universiteiten waren Landsinstellingen en de Kerk kon dus de onderwerping der Professoren aan de Synoden rechtens niet eischen. Werden zij aan het oordeel van de Nationale Synode onderworpen, het was krachtens den wil der provinciale Staten, aan welke de Academiën onderhoorig waren. Dit blijkt ten allerduidelijkste uit het gedrag der Synode van 1618 zelve. De voorschriften, die de hooge Kerkvergadering met betrekking tot de Academiën in de 163e |25| zitting vaststelde, werden niet anders aangemerkt dan als een „verzoek aan de Heeren Staten van de Provinciën, daar Universiteiten of Hoogescholen waren” m, en vraagt men hoe lang die voorschriften gegolden hebben, het antwoord is: juist tien dagen, want reeds in de 177e zitting werd aan de „Executeurs der Dordtsche nalatenschap” in last gegeven er bij de Algemeene Staten op aan te dringen, dat zij „mochten gelieven te letten op de Artikelen, in den voorleden jare bij en van wegen des Synodus van Zuyd-Holland aan de Ed. Groot Mog. Heeren Staten van Holland en West-Vriesland overgelevert, en deselve aan de Ed. Mogende Heeren Staten der respective Provintie, in dewelke Universiteyten of Illustre Schoolen zijn, te recommandeeren.” n Dat wilde zeggen: de nalatenschap behoefde niet aanvaard te worden; nog beter: het legaat werd ingetrokken. Er was een aanmerkelijk onderscheid tusschen hetgeen in 1618 te Delft in de Provinciale Synode aangaande de Universiteiten was geconcipieerd en de wenschlijst, welke de Nationale Synode in 1619 vaststelde. 31) „Blijkbaar” zegt Dr. Kuyper terecht, „hadden de Synodalen van de Gedelegeerden (der Staten) reeds te verstaan gekregen, dat ze vooral niet verder moesten gaan, en lieten ze daarom hun latere en verder gaande eischen weder glippen.” 32) |26|

Het kon aan de scherpzinnigheid van mijn bestrijder niet ontgaan, dat met die eischen ook de onderteekenings-formule aan de Executeurs van zelf ontglippen moest. Die formule toch was, naar zijne zeer juiste uitdrukking, niets anders dan „het lichaam en de vorm” van de regeling, in het eerst aangenomen maar spoedig losgelaten concept der Synode ontworpen. Daarenboven, vóór dat de Kerkorde, in welker 53e Artikel de onderteekening van de Formulieren door de Theologische professoren was voorgeschreven door de Staten was goedgekeurd kon er van de Faculteit in dezen niets met reden worden geëischt. Het was — Dr. Kuyper zegt het puntig en juist — „sans rime ni raison”, dat de Zuid-Hollandsche Synode in 1621 bepaalde, „dat men de Professoren vragen zou om alsnog te teekenen.” 33) Hun antwoord „aengaende die onderschrijvinge naer advys, genomen aen de Heeren Curatoren ende Burgemeesters van Leyden” 34) had dan ook de strekking om te doen gevoelen dat de regeling van de betrekking der Theologische Faculteit tot de Kerk, zooals de Dordtsche Synode die had gewild, in haar geheel en in de onderdeelen geheel onaannemelijk was. Daartegen streed „de ordre van de acte en de coustumen van alle andere Academiën, so wel onder Princen ende Republycken staende, als onder de Kercken van Vrancrijck, jae oock selfs de Kerkenordeninge dezer Provincie, wanneer de Synode in de steden, daer de Academiën sijn, werden gehouden.”

De Synode had te veel geeischt en haar eisch ging daarom te loor. Men had de zaak opgezet onder de |27| leiding van de Zuid-Hollandsche leden, die kennelijk geen ander doel hadden, dan de Leidsche Academie, waar de geleden schade aan de Kerk was aangebracht, voor goed aan den band te leggen. Een wel verklaarbaar opzet, maar hetwelk mislukken moest.

De geschiedenis van het verloop der zaak is naar de onpartijdige en uitvoerige uiteenzetting daarvan in het Verweerschrift klaar als de dag geworden. Jammer maar, dat die „historische Toelichting” door een paar leelijke bladzijden ontsierd wordt.


II.

Dr. Kuyper verwijt mij op bladz. 39, vgg. eene „onbegrijpelijke aaneenrijging van fouten,” eene beschuldiging, die tot mijn spijt op hem zelven moet terugvallen. Ik zal de wijze, waarop hij mij op die bladzijden bejegend heeft, niet beantwoorden, maar zijne vergissingen liever toeschrijven aan de haastigheid van den ijver, waarmede hij mij in deze materie heeft willen „vernietigen.” Daartoe een kans ziende, schreef hij zoo triomfantelijk mijn vonnis van incompetentie, dat hij zeker zelf gecasseerd heeft.

Mijn geleerde bestrijder had het interdict der Staten aan een antagonisme tegen de Calvinistische beginselen toegeschreven. Daartegen deed ik opmerken, dat men van de Staten van Holland in 1619, toen de groote verandering in dat Collegie pas had plaats gegrepen, zulk een antagonisme niet aannemen mocht. Ik schreef t. a. p.: De „nieuwe Staten hadden terstond en onvoorwaardelijk in de Synode bewilligd,” en ik noemde daarbij Wagenaar, 35) die een paar Resolutiën van Holland aanhaalt, |28| waaruit dit blijkt. Uit de tegenspraak van mijn bestrijder is duidelijk, dat hij op die aanhaling niet heeft gelet. Hij las, blijkens zijne eigene aanhaling, bij Wagenaar niets anders na dan wat zeventig bladzijden vroeger verhaald wordt omtrent den tegenstand der oude Staten tegen het houden der Synode Nationaal vóór het „veranderen van de wet” in de Hollandsche steden, een tegenstand, die gebroken werd door het afdanken van de waardgelders. Het verhaal van dien tegenstand en van den onwil, waarmeê op het punt van de Synode toen werd toegegeven, moet dienst doen om mij van onkunde te overtuigen, wegens hetgeen ik met het oog op hetgeen later gebeurd is schreef. Het is Dr. Kuyper onbekend geweest en gebleven, in weerwil van mijne verwijzing naar den nauwkeurigen historieschrijver, op wiens aanhalingen wij altijd gerust mogen acht geven, dat de zaak der Synode in de Vergadering van Hollands Staten na den 25en Augustus nog meermalen behandeld is, en dat dit Collegie in October 1619 o heeft gedaan, wat het, toen de wil van Oldenbarneveld daar heerschende was, steeds had geweigerd.

Daar Wagenaar slechts van een paar van de desbetreffende Resolutiën in eene noot 36) melding maakt, zal ik ze hier allen laten volgen: het zal eene lacune aanvullen in het overigens doorgaans vrij nauwkeurig overzicht van het Verweerschrift:

Den 20en September 1618.

Aengaende de Nat. Synode zijnde geproponeert, dat dewijle als nu alle de Leden int houden van denselven hadden geconsenteerd, of niet noodich en waere Sijne Mat. van Vrankryck mitsgaders de Gedeputeerden |29| van de Fransche kercken daervan advijs te geven, ende te versoecken jegens den gestelden dach eenige Godsalige, geleerde ende vreedsame Theologanten te mogen worden gesonden, om deselve Vergaderinge by te wesen en alles ten beste helpen dirigeeren. Te meer alzoo den 20en Julij voorl. van wegen deze Vergaderinge anders aldaer was geschreven geweest. Is daarop generalicken goet gevonden, dat ’t schrijven aen syne Mat. ende de Gedepden. van de Kercken soude mogen worden gedaen, ende den Heere van Langerak bij Missive vermaent die te willen adresseeren ende vorderen dat die Gedeputeerden mogen worden gesonden, adviserende herwaerts met den eersten van zijn debvoir ende wat sal wezen gevolcht.

Is mede geordonneert geschreven te worden aan D. Johannes Poliander ende Simonis Episcopius, Professoren in de heylighe Theologie tot Leyden, datse hen behoorlicken willen prepareeren om in persoone jegens den eersten November tot Dordrecht te verschijnen ende aldaer de Synode Nationaal te assisteeren ende met goeden raet ende advyze by te wesen.

De „nieuwe” Staten wilden nu alles goedmaken wat vroeger bedorven was. Er was met name aan den Koning van Frankrijk geschreven „om te verhinderen ende vruchteloos te maken (was het doenlijk) de Nationale Synode.” (Resol. van 20 Juli.)

Den 3en October 1618.

Is ontfangen schrijvens van de Ho. Mo. Heeren Staten Generael van den 29en September, daerby geadviseert wordt, dat heure Ho. Mo. noodich bevonden hebben te convoceeren een Nationael Synode van alle Kercken dezer landen jegens den 1en Nov. aanst. binnen de stadt Dordrecht om in deselve Synode wettelijck te laten examineeren ende opt gevouchtlijckste neder te leggen veele misverstanden, oneenigheden, quaestiën ende geschillen, die binnen eenige jaren herwaerts inde Kercken Christi ende onder de goede gemeinte sijn gerezen ende ontstaen tot seer grooten ondienst van ’t Landt, daeruyt dat vorder noch meerder swaricheden ende onheylen souden hebben mogen volgen (het quaet dagelijcks voortcruypende) zoo verre als deze christelijcke gewoonlijcke maniere van doen niet en hadde voorgenomen geworden, ende dat mitsdien vereyst datter goet tyds eenen generalen Vasten- ende Bededach aengestelt worde over alle de Vereenichde Provinciën en |30| geassociëerde Landen ende steden van dien omme Godt den Heer almachtich vieriglick te bidden dat Hy de voorsz. Synode Nationael met synen Heylighen Geest wil bywonen ende zegenen ende zijne genade verleenen dat alle zulcken daerinne verhandelt ende affgehandelt mogen worden in sijne vreeze tot sijnder Eere ende conservatie van de waere Christelijcke Gereformeerde religie mitsgaders de vorderinghe van de ruste, vrede ende eenicheyt van de Kercke van de Vereenichde Provinciën int Generael ende van elcke Provincie int particulier opdat daerdeur de oude gemeenschap, vrintschap ende correspondentie, die voor desen onder malcander is geweest, wederom gerestaureerd mogen worden, gelyck dat behoort voor de verseeckertheyt ende den welstant van den Staet vant Lant, soo is eenpaerlijck by ons goed gevonden den voorsz. Generaelen Vasten- ende Biddach aen te stellen ende te ordonneren gehouden te worden van Woensdach in XIIII daghen eerstcomende, dat wesen zal den XVIIen October toecomende na den nieuwen styl, daervan wy UEd. wel hebben willen adverteren, vrintlijck versouckende ende ernstelijck begeerende dat haer gelieven den voorsz. Vasten- en Biddach in de Provincie van Hollant ende Westvriesland alomme daer dat gebruyckelijck is, te doen vercundigen ende publiceeren, verbiedende eenen iegelijcken van alle hantwerck dien dach op te houden by verbeurte van alsulcke penen als Uwe E. sullen goet vinden te statueren” — welcke schryvens gesien Geordonneert is terstonts de uytschryving van voorsz. Vasten- ende Biddach gedaen te worden, Officieren ende andersints, als voorgaende te geschieden plach.

De Staten van Holland deden alzoo nu alles wat de Staten-Generaal met betrekking tot de Synode Nationaal verlangden. De Biddag werd uitgeschreven. Geen kosten werden gespaard. Zij wilden voor „de logeering en de teering” der Synodale leden gezorgd hebben zonder murmureeren en tegenspreken, zooals uit de volgende Resolutie blijkt:

Den 13en October 1618.

Voorgedragen zynde ’tgene in de Vergaderinge van de Staten Gen. was verhandelt aengaende de praeparatie tot den Synodum Nationalem, midtsgaders van te vinden prompte penningen tot vervallinge vande oncosten nodich, — Is daarop verstaen, dat by de Gedeputeerde die gaen sullen in de Vergaderinge van de H.H. St. Gen. |31| sal mogen ingebracht worden, dat twee ofte meer personen worden gedeputeert, die gaen sullen naar Dordrecht om alles daer te praepareeren soowel de plaets als de logeringen ende teerplaetsen ten naesten ende bequaemsten, dat moge geconsenteerd worden in die somme van Cm overde Geünrieerde Provintiën, tot vervallinge vande oncosten daervan de penningen souden worden gefurniert in handen van den Ontfanger Generael, ten eynde alleen in saecke vande Synode te worden geëmployeert.

Den Remonstranten werd nog gelast, bij de Provinciale Synode hunne bedenkingen in te zenden, opdat alles voor de Synode Nationaal mocht kunnen worden gereed gemaakt:

Is gecompareert d’Heere Eerste Raet Cromhout. Heeft in ’t corts rapport gedaen wat tot Vrydach verleden toe inde Vergaderinge van de Synodus Provinciael tot Delft was gepasseerd ende dat verscheyden classen, daeronder Remonstranten waren, niet en waren gecompareert en exhiberende requeste van wege de Synodus, daerby ’t zelve worde verthoont ende versocht schryvens aen de Remonstranten kerckendienaren in de classe van Leyden, Gouda, Rotterdam, Brielle ende Wourden, daerby deselve mochten bevolen worden heure bedenckingen den Synodus deur eenige te laten toecomen ofte aen deselve over te seynden alle ’t gene sy luyden mogen hebben tegen de aangenomen Leere in de formulieren van eenigheit, de confessie ende catechismo verclaert ende begrepen, zoo de substantie van alle en een yeder leerstuk aengaende als de maniere derselver, met deductie van de redenen, waeromme sy souden meynen dat inde voorsz. Formulieren eenige veranderinge ofte naerder verclaeringe soude noodich syn, midtsgaders ook ronde ende oprechte verclaringe schriftelijck over de articulen ende tegen articulen, die in de conferentie van Delft in den jare 1613 voorgehouden zijn, opdatse alsoo des te beter en te bequaemelijcker den Staet vande geschillen soude mogen formeeren ende totten aenst. Syn. Nat. gebrachtworden, welck rapport gehoordt ende gelet sijnde op den voorsz. versoucke, Is goet gevonden ende geordonneert ’t voortz. schrijvens aan de Kerckendienaren Remonstranten in de voorsz. classen alsoo te worden gedaen met last al ’t selve in geschrifte den Synodo toe te zeynden binnen den tyd van Maendach toe naest comende ende acht dagen, sonder daervan te wesen in gebreecke. Doch hebben die van der Goude verclaert inde Synode niet te hebben geconsenteert, enz. |32|

De Staten gingen in hunne goede zorgen voor de aanstaande Synode steeds voort. Zij wilden waken tegen jalousiën op het punt der vooraan-zitting. De uitheemsche Theologanten moesten ook een extra-penning hebben om zich te tracteeren:

Den 18en October 1618.

Gehoort zijnde ’t rapport van den Heere Ewout Jacobus Van der Dussen neffens andere Gedeputeerden, geweest zijnde tot Dordrecht, om te letten ende ordre te geven op de plaetse van de Vergaderinge van de Synode Nat., ’t ontfangen van degene, die daer compareren souden, haer logeringe en teringe, Is na deliberatie ’t project van de Gedeputeerden op alles goet gevonden, mits mochte gelet worden op de sessiën omme jalousiën t’eviteren, ende dat men d’Uytheemsche seeckeren penningh daeghs soude toevoegen om henselven te tracteren; doch refereerden hen tot het beter vinden van de ander Provinciën, ende dat dese saecke mocht worden verhaest.

Festus Hommius werd rijk beloond voor zijn bekend geschrift tot voorlichting van de Synodale leden:

Festus Hommius, kerckendienaer tot Leyden, is midts besondere consideratiën voor ’t presenteeren van seeckere Exemplaren van sijn Boecxken geïntituleert: Specimen Controversiarum Belgicarum, etc. toegevoeght tot een vereeringe tweehondert Caroli guldens, enz.

Eindelijk de onvoorwaardelijke toestemming, die nu nog uitdrukkelijk verleend werd, omdat men bij de andere Provinciën niet wilde achterstaan.

Den 25en October 1618.

Is naer omvrage en deliberatie verstaen, dat hoewel de Synode Nationael van wegen den Lande van Holland ende West-Friesland ware gehouden voor ingewillight op de acte van non-praejudicie, ende in achtervolgh van de uitschryvinge by de Staten-Generael daervan gedaen, nochtans dewyle geen schriftelijcke Acte daervan is gemaeckt, nochte in de Generaliteyt te boek gebracht, gelyck wel van de andere Provinciën, dat men daertoe Acta zal concipiëren ende hier resumeren, inghestelt met goede consideratiën ende alle circumspectiën tot conservatie van ’s Lands vry- en gerechtigheden, ende zyn om ’t zelve te doen versocht de Pensionarissen van Dordrecht, Delft en Amsterdam. |33|


Den 26en October 1618.

Gehoort zijnde de lecture van ’t concept van de Acte in de Generaliteyt in te brenghen tot consent van de Synode Nationael, is verstaen dezelve by eenige Gedeputeerde uit deze Vergaderinge naerder met circumspectie zoude worden geëxamineert, ende sulcks gestelt als mocht dienen tot memorie voor altijd; daertoe gecommitteerd zijn eenen van Dordrecht, Delft, Amsterdam, Alckmaer, Enckhuyzen ende degene anders, die daerby souden willen wezen.

Er zullen stemmen geweest zijn, die tot „circumspectie” rieden, en andere, die alles wat naar voorbehoud zweemde afkeurden. Stonden Alkmaar en Enkhuizen misschien tegenover elkander? Hoe het zij, men zou trachten het eens te worden, en des anderen daags werd de acte verleend, onvoorwaardelijk.

Den 27en October 1618.

Is gearresteert d’Acte in de Generaliteyt over te brengen, ende aldaar tot kennis te doen te Boeck brengen, dienende tot consent op ’t inwilligen van de Synode Nationael, gelijck deselve Acte hier volgt:

De Staten van Holland ende West-Vriesland verklaren dat in de Vergaderinge van Haer Ed. Mo. van den beginne dat de Religions ende Kerckelijcke dispuyten ende oneenigheden sijn ontstaen tot nederlegginge van deselve het houden van de kerckelijke ende Synodale Vergaderinghe is voorgeslagen, ende hoewel daerjegens veele consideratiën ende difficulteyten sijn ghemoveert, dat nochtans haer Ed. Mog. bemerckende de continuatie ende vermeerderinghe van de voorsz. misverstanden, ende op de serieuse instantiën ende aanmaninghen, die zoo van binnen als buytenlandsche omme een Nationale Synode worden aanghewend, daerop tot meermalen ernstelick hebben gedelibereert, ende eyndelick goedghevonden op de convocatie van de Nationale ende Praeparatoire Provinciale Synode haer te conformeren nevens d’andere Provinciën, volghens de verklaringhe by deselve tot conservatie ende voorstand van haer Hoogh- Vry- en Gerechtigheyt respectivelijk gedaen, aengenomen ende bewillight. Ende hebben haer Ed. Mo. ten selven eynde haer Provinciale Synoden in Zuyd en Noord Holland tydelijck doen uytschryven, met meyninge omme door Gedeputeerden uyt de voorsz. Synoden, ende dien haer Ed. Mog. als politycke |34| Persoonen daernevens sullen committeren, de aenstaende Nationale Synode ter bestemder tyd en plachte te laten assisteren; vertrouwende dat Godt Almachtigh daertoe sijnen ghenadigen zegen sal verleenen, ende de christelijcke intentiën van de Heeren Staten Generael tot der Landen, Kercken en Ingezetenen welvaren, ruste ende eenigheyt te laten gedyen. Gedaen in den Hage, etc.

Edoch hebben de Gedeputeerden van de stede Gouda verklaert in desen te blyven by voorgaende hare verklaringe, mits sy niet anders en waren gelast; nevens het overleveren van welcke Acte de Gedeputeerden gaende in de Generaliteyt gelast zijn geworden aldaar aen te houden dat ten aenzien van de grote van de Provincie van Holland ende West-Vriesland, ende de menichte van de kercken, zes persoonen uit de Politycke staet op de Synode Nationael souden mogen verschijnen, die drie stemmen jegens d’andere Provinciën elck eenen mochten hebben, of soo’t selve niet soude willen vallen drie stemmen jegens een van de andere, dan ten minsten twee stemmen jegens elcken van de andere Provinciën een stem.

Wie heeft zich hier vergist?


III.

Even weinig is het aan bedenking onverhevig, dat Dr. Kuyper het drijven der Zuid-Hollandsche leden in de Synode ten onrechte vereenzelvigt met „de zuiver Calvinistische beginselen.” Hij maakt zich daarmede schuldig aan dezelfde ongerechtigheid, die wij hem bijkans wekelijks zien plegen in een wel bekend periodiek geschrift, waarin hij zonder onderlaten ééne bepaalde wijze van zien en van doen als het Gereformeerde en hen, die zóó doen, als de Gereformeerden uitroept.

De Staten van Holland en de Leidsche Curatoren zijn in zijne oogen, waar en wanneer zij zich verzetten tegen de eischen der kerkelijken, als „anti-Calvinistisch” gebrandmerkt. Want, zegt hij, „zij namen de consequentiën |35| van het Calvinistisch systeem niet aan.” Nu, die consequentiën heeft de Synode van Dordrecht ook niet aangenomen, noch in de kerkleer, noch in het kerkrecht; men zou een merkwaardig boek kunnen schrijven van de gelukkige en ongelukkige inconsequentiën dier achtbare Vergadering. In casu zou immers de consequente toepassing van de Calvinistische theorie hebben geëischt, dat de Synode tot de oprichting van eene kerkelijke Hoogeschool had besloten, doch dit streed met het compromis, waarin de Kerk reeds van 1572 af met den Staat was geraakt, en hetwelk door de samenwerking van Kerk en Staat bij het beleiden der Nationale Synode van 1618-19 was bevestigd. Een middenweg van zelfstandige samenwerking tusschen Kerk en Hoogeschool, zooals Voetius dien later aanvaardde, was het eenig mogelijke geworden. Wat men in de genoemde Synode met betrekking tot de Academiën wilde doordrijven was een onwettig ingrijpen in bestaande rechten en in de „praeëminentiën ende coustumen van alle andere Academiën.”

Dr. Kuyper zal nu niet weder de data zoozeer voorbijzien, dat hij mij als met Hugo de Groot in de Remonstrantsche twisten overeenstemmende aan de gemeente ten toon stelt, wanneer ik opkom voor de „piëteit van Hollands Staten” 37) in hun gedrag |36| tegenover „de executeuren der Dordtsche nalatenschap.” Hun eisch, dat de Theologische Professoren ten minste eerst zitting zouden moeten hebben in de Provinciale Synode, wanneer zij hunne Professie zouden onderwerpen aan de kerkelijke tucht, was alleszins billijk, waarom dan ook die eisch door Polyander, Walaeus, Rivet en Thysius in gemoede werd ondersteund. Dat de Staten van Holland in 1619 het doel zouden gehad hebben met dezen hunnen eisch de Gereformeerde Kerk van Holland en West-Friesland los te scheuren van de andere kerken in de Vereenigde Nederlanden en haar als eene Kerk op zich zelve te doen beschouwen en optreden; dat zij dáártoe bepaaldelijk voor hunne Professoren zitting in de Provinciale Synode zouden hebben geëischt 38), is eene uit de lucht gegrepen onderstelling, die nauw samenhangt met de beweering dat deze Staten tot het houden van de Nationale Synode niet eens „zonder nadere bepaling en onvoorwaardelijk” hadden toegestemd. |37|


IV. Nog een paar punten.

A. De Doctoren.


(Verweerschrift; bl. 23, 105.)

Ik schrijf geen recensie van het Verweerschrift, en wil dus niet geacht worden alles wat daarin gezegd wordt te beâmen wanneer ik het laat voor hetgeen het is. Een paar punten roer ik ten slotte nog aan.

Dr. Kuyper heeft omtrent de Doctoren in de Theologie beweerd, dat zij beschouwd werden als „niets hebbende uitstaan met den dienst der Kerk” 39) en dat ik geen recht had aan te nemen, dat de Leidsche Professoren (en ook die der andere Academiën) de onderteekening van de Formulieren, zooals die voor hen later werd ingevoerd, hadden vastgesteld met het oog op hetgeen de Kerk voor de Leeraars in haar midden vorderde.

Dat men, door eene onderteekening van de Doctoren te eischen in overeenstemming met de Kerkleer, toonde hunne waardigheid als een dienst in de Kerk te beschouwen, en dat men daarbij zag op de Kerkorde, die haar onder de Kerkelijke diensten telde, is dunkt mij ontwijfelbaar. De verplichting tot onderteekening — met uitdrukkelijke onderwerping aan de Kerkelijke rechtspraak, |38| zooals b. v. te Utrecht 40) — is zelve daarvan het bewijs.

Liever dan mij bij dit ondergeschikte punt op te houden, doe ik hierbij opmerken, dat in 1629 de formule, voor de Professoren in 1619 te Dordrecht voorgesteld, waarover zooveel te doen geweest was, voor de Doctoren te Leiden niet werd overgenomen. De Doctoren zouden verklaren „in alles in te stemmen wat met de leer der Kerk overeenkomt,” terwijl te Dordrecht de verklaring werd geeischt dat de leer der Formulieren „in alles met Gods Woord” overeenstemt. In 1629 hebben de Leidsche Professoren zich nog veel verder van het Dordtsche Formulier verwijderd gehouden dan in 1620. 41) Eerst in |39| 1691 heeft men de Dordtsche Formule te Leiden begonnen te volgen.

Het is mij opmerkelijk voorgekomen, dat juist in 1629, het jaar van het voorgestelde compromis, 42) die onderteekening voor de Doctoren is ingevoerd. Zou het wellicht onder de maatregelen ter oplossing van het verschil tusschen Kerk en Academie hebben behoord, dat men eene onderteekening voor hen verordende om den band tusschen beiden nauwer te maken? Het is althans opmerkelijk, dat te Utrecht geene onderteekening voor de Professoren werd ingevoerd, maar dat men er de formule „met de schroef” voor de Doctoren gebruikte. Men heeft boven gezien hoe Voetius voor het compromis van 1629 was. |40|


B. Is de Dordtsche Kerkorde in Holland nooit geapprobeerd?


Dat er nooit eene openbare autorisatie bij opzettelijk besluit der Staten van de Dordtsche Kerkorde in de Provincie Holland heeft plaats gehad, is boven allen twijfel verheven. Ypey en Dermout en vooral Hooyer hadden het aangetoond en Dr. Kuyper heeft in het Verweerschrift belangrijke bewijsstukken te dezer zake bijeengezet. En toch was er wel grond voor de beweering van sommigen, dat de kerkorde ook in Holland werd „geapprobeerd.”

Uit de stukken zelve, door Dr. Kuyper als Bijlage achter zijn Verweerschrift afgedrukt, blijkt, dat de Staten van Holland in 1619 gearbeid hebben om de Kerkorde door de Staten-Generaal vastgesteld te krijgen, „met reservatie van de interpretatie van alle duisterheden,” en dat zij daarna, toen dit schipbreuk leed op den tegenstand van Zeeland en West-Friesland, de zaak zelf ter hand genomen hebben. Toen stelde men zich eerst vóór de kerkorde te autoriseeren met eenige reserves, zooals b.v. in de Provincie Gelderland geschiedde, maar allengs werden deze reserves eene oorzaak van verschil. De Staten werden allengs minder meêgaande en hunne praetensiën werden door de kerkelijken onaannemelijk gekeurd. Maar de Staten dachten er niet meer aan, eene Kerkorde aan de Kerk op te leggen, zooals in 1615. Men liet de Kerk over het algemeen handelen naar hare ordeningen, terwijl nu en dan het gezag der Staten ingreep bij verschil tusschen een kerkeraad en een plaatselijk bestuur. |41|

Zeer zeker heeft het in de bedoeling der Staten van Holland gelegen, althans in den eersten tijd na de Dordtsche Synode, de kerkorde slechts met eenige reserve, publiek te autoriseeren. Zij beschouwden haar in beginsel en zakelijk reeds als geapprobeerd en „gearresteerd,” omdat dit was geschied bij resolutie van den 2en Juli 1619. Zij haalden haar zelfs als zoodanig aan in hunne resolutiën van dien tijd. b.v. in die van den 18en December van hetzelfde jaar, „aangaande het onderteekenen door de schoolmeesters van de gerequireerde beloften bij de Kerkelijke Ordre, tot Dordrecht geraamt, en alhier aangenomen en geapprobeert.” Zie het Kerkelijk Placaatboek, III, bl. 273, en verg. de Voorrede van Prof. te Water, die aan deze eerste approbatie veel gewicht bleef hechten.

Men zal uit Holland geene uitgaven van de Kerkorde vinden in naam der Staten, zooals die gevonden worden uit andere Provinciën (b.v. Tot Utrecht bij Salomon de Roy, Anno 1620), maar wel telkens verklaringen bij de oude Kerkleeraars, dat zij de Kerkorde alom als metterdaad goedgekeurd achtten, 43) terwijl de Staten uit het ontbreken der publieke autorisatie dikwijls aanleiding namen om de approbatie als niet geschied te doen voorkomen. Zoo lezen wij bij Voetius 44): „Door de Staten van de meeste Provinciën is zij formeel en plechtig bevestigd. Door de anderen kan zij geacht worden metterdaad goedgekeurd en bevestigd te zijn. 1. Omdat de Staten den Catechismus met de Liturgie en de |42| Confessie èn in de Synode van 1619 èn daarna in hunne Provinciën hebben goedgekeurd. Deze schriften bevatten de algemeene beginselen der Kerkorde. 2. Omdat de Kerken met hun wil en goedkeuring naar die orde worden bestuurd. 3. Omdat al wat in de Synoden Prov. besloten werd door hunne eigene afgevaardigden in die Vergaderingen steeds ter hunner kennis werd gebracht. 4. Omdat in de Groote Vergadering van 1651 de Gereformeerde Kerk, naar hare drie Formulieren, is bevestigd.”




1. De Leidsche Professoren en de Executeurs der Dordtsche nalatenschap. Verweerschrift door Dr. A. Kuyper. Amst. J.H. Kruyt, 1879.

2. In de Haarl. Courant en de Heraut. Zie Bijlage D. l.c.

3. Ik schreef: „De reden was deze: daar de Hoogleeraren geen zitting hadden in de Provinciale Synode, aan welke zij zich moesten onderwerpen, achtten de genoemde achtbare mannen in overeenstemming met Curatoren den band, waaraan zij gelegd werden, onbetamelijk. Doch dit daargelaten, verzuime men niet op te merken, dat inderdaad bij de Leidsche Faculteit het door de Synode „blijkens hare acte” bepaalde werd vervangen door eene eenvoudige, eerlijke en ruimere verklaring.” Stemmen voor W. en Vr. 1878, bl. 639, vg.

4. Bl. 63. — Resol. v. H. fol. 1178.

5. Zie het Concept van Correspondentie tusschen de (Prov.) Synode en de Professoren, hetwelk van de zijde der Staten in 1623 aan de Synode in den Briel werd aangeboden. Opera Walaei, fol. 423.

6. Acta Syn. Leid. 1619.

7. Zie de Bijlagen bij het Verweerschrift, bl. 101.

8. „Speramus — omnibus fratribus reliquis Academiae quoque hujus dignitatem et libertatem, quae ei ad exemplum aliarum Academiarum semper competivit, curae quoque fore ac cordi, ut tanto majori cum fructu labor noster in Theologiae Studiosos et Min. Candidatos occupari etiam deinceps possit.” — Synodo Z. Hollandiae, nomine Fac. Theol. Ant. Walaeus, Opp. l.c. fo. 424.

9. T.w. de zitting in de Prov. Synode.

10. Het is hopeloos voor mij langer op het punt van „de Revisie” met Dr. Kuyper in discussie te blijven. Vóór eenigen dagen viel mij een nommer van de Heraut in handen, waarin zeer lang en zeer breed |8| tegen mij betoogd werd, dat de Dordtsche Synode geene zakelijke verandering in de Geloofsbelijdenis heeft aangebracht. Alsof ik dat ooit beweerd had!

11. De irenische gezindheid van Walaeus, die hem in 1615 schrijven deed, dat „de Leeraers in alle middelmatige saecken, (*4Vn@D") den Overheden gheerne wijcken moet”, en waaraan Dr. Kuyper „sommige uitdrukkingen in zijne correspondentie met de kerkelijken” toeschrijft, (bl. 78) was hier buiten het spel. Overigens verdient de aangehaalde plaats te worden nagelezen in het merkwaardige geschrift: Het ampt der Kerckendienaren, bl. 103, of in de Opera Walaei II, 40, waar het, vertaald door Prof. van Renesse, voorkomt.

12. De „Heeren Curatoren” en de Heeren Staten „wilden arbeyden, dat de geheele Universiteyt werde gereformeert.” Acta Syn. Leid. aangehaald in het Verweerschrift, bl. 57.

13. De beteekenis dier formule is zeer juist wedergegeven in den brief van de gedeputeerden der Zuid- en Noord-Hollandsche Synode aan de Faculteit (2 Dec. 1622): „Narraverunt fratres Leydenses, certam quandam formulam a Vestris R. R.dis conscriptam et provisionaliter ut loquerentur subsignatam, re et substantia cum ea, quae in Synodo Nationali est constituta, convenientem.” Zie Archief voor Kerk. Gesch. van Kist en Royaards, IX, bl. 484.

14. Zoo als hij doet in het Verweerschrift, bl. 20.

15. Evenals het Concept van de Correspondentie tusschen de Synode en Professoren, wanneer het Responsum van Walaeus wordt medegedeeld. Dit Concept is volgens Dr. Kuyper zelven „stellig niet van Walaeus.”

16. De Nederlandsche Professoren ter Synode waren: Jo. Polyander, van Leiden; Sibr. Lubbertus, van Franeker; Fr. Gomarus, van Groningen; Ant. Thysius, van Harderwijk; Ant. Walaeus, van Middelburg. De twee laatstgenoemden werden eerst na den afloop der Synode, in den loop van 1619, te Leiden aangesteld.

17. Vita Walaei, fol. 37.

18. Sess. 178.

19. „Consiliis.”

20. In dezelfde 163e zitting.

21. Opera Walaei, II. fol. 423.

22. Zij zouden naar den wensch der Synode „in den aanvang van hunne bediening de Belijdenis en den Catechismus onderteekenen.” Van de Canones wordt hun dit niet opgelegd. Zeer terecht, want dezen bevatten de theologische ontwikkeling en handhaving van „eenige poincten der voorseyde Leere.” Zij hebben een zeer bepaald theologisch en wijsgeerig karakter, en mogen buiten den strijd met de Remonstrantsche gevoelens, niet met de Belijdenis en den Catechismus gecoördineerd worden.

23. Hij meende reeds in 1615, dat „de Leeraars in alle middelmatighe saecken den Overheden gheerne wijcken moeten.” Walaeus was een zeer irenisch man, maar goed Gereformeerd en beginselvast tevens. Lang heeft hij op een onderling kerkelijk verdragen van Remonstranten en contra-Remonstranten gezonnen.

24. Politica Eccles. Tom. IV, p. 197.

25. Ook Voetius vergist zich hier. Zie de Handelingen der Dordtsche Synode van 1578, Art. 52. De professoren mochten dan gezamenlijk ééne stem uitbrengen.

26. Hij was er zelf bij en betreurde het dat het plan niet kon doorgaan. Immers hij schrijft elders in de Pol. Eccl. (III, p. 78): „quae conventio paribus Synodi suffragiis recepta cum per Synodales ad classes referretur, ratihabitionem et effectum sortita non fuit, non sine meo et aliorum a Synodo ad tractandum cum clar. DD. Professoribus deputatorum dolore.”

27. Foederatum Belgium Orthodoxum, sive Confessionis Ecclesiarum Belg. exegesis, p. 435, seq. Tegen deze bladzijden is het betoog van Voetius gericht, schoon hij zijnen tegenstander niet noemt, maar het blijkt uit de drukfouten, die hij aan de opgaven omtrent sommige Synoden ten laste legt, en die juist bij M. voorkomen. Ook het: „wereldsche priesters” (hiërophanten) ziet op M.

28. Ook op de naamlijsten der leden van de Nationale Synoden, ter Dordrecht in 1578 en te ’s Hage in 1586 gehouden, komen de namen van een der Leidsche Professoren als extra ordinem deputatorum voor. De kerkorde van 1586 kent aan geen Professoren zitting toe in eenige Synode, en evenmin die van 1618. Hun rang als Doctoren in de Kerk maakte hen verkiesbaar, maar gaf hun geen recht van zitting en stem.

29. Sess. 25.

30. Het is mij meer voorgekomen dat zelfs aan de Synode van Dordrecht geen onfeilbaarheid mag worden toegeschreven. O.a. bij de uitgave van het werk van Ruytinck (Marnix-Vereeniging Serie III, Dl. 1), waarin men lezen kan, hoe zij den afgevaardigde van de Engelsche moedergemeenten verloochende voor den afgevaardigde van den Bisschop van Londen. De Staten wilden het zóó en „de Praeses wist er van.” (Voetius.)

31. Zie de beide stukken in het Verweerschrift, bl. 50, vg. en bl. 53, vg.

32. Hoe de onderteekening van het Request aan de Staten-Generaal door Polyander zal moeten strekken om mij te „vernietigen”, (bl. 55, 56) kan mijn brein niet bevroeden. Een der Scribae teekent niet: natuurlijk, omdat hij niet in commissie gesteld was; maar Polyander teekent, even natuurlijk, omdat hij lid van de commissie was. En het adres bevatte onder vele andere belangrijke zaken (kerkleer, kerkorde, bijbelvertaling, huwelijk, enz. enz.) ook de Delftsche wenschen omtrent de Universiteiten. Polyander kon dezen gerust overbrengen.

33. Verweerschrift, bl. 66.

34. Opera Walaei, fol. 422.

35. Dl. X, bl. 308, 309.

36. Die van 3, 27 Oct. Bl. 309.

37. Gelukkig dat de Leidsche Professoren mij in dezen zijn voorgegaan. In 1625 schreven zij aan hen in de Opdracht van de Synopsis purioris doctrinae conscripta per J. Polyandrum, Andr. Rivetum, Ant. Walaeum, Ant. Thysium: „Vos nostram hanc Academiam omnigena virorum eruditorum ad eam exornandam undecumque vocatione florentem praestitistis, remotisque heterodoxarum opiniorum zizaniis, quae nonnulli apud nos disseminaverant, Theologiam orthodoxam non modo in integrum restituistis, sed ab iniquis contradicentium criminationibus vestro quoque suffragio in Synodo Dordracena nuperrime liberatam, aucto insuper, qui Theologiam profiterentur, numero, inexoptato dignitatis fastigio collocastis.”

38. Verweerschrift, bl. 47, vg.

39. Bl. 24.

40. Zie het Archief, t.a.p. bl. 499.

41. De tekst dier verklaring, door Kist opgegeven (Archief, t.a.p. bl. 414), is niet duidelijk. Er schijnt eene fout in te schuilen. Door de vriendelijke hulp van Prof. Scholten ben ik in staat gesteld hier den oorspronkelijken tekst, met eenige belangrijke aanteekeningen van zijne hand, weder te geven:

„Ego sancte coram Deo profiteor, me agnoscere doctrinam, quae in Ecclesiis ex verbo Dei reformatis et in Universitate hac Lugduno-Batava publice docetur Orthodoxam esse scriptisque propheticis et Apostolicis conformem, atque ita in ea acquiescere, sicuti/ut in omnibus, quae ratione doctrinae Confessioni Ecclesiarum Belgicarum et aliarum quae cum eadem sancta Harmonia conveniunt; ut quoque Canonibus de articulis antehac in controversiam adductis, scilicet de Praedestinatione et Connexis, in Dordracena Synodo nationali, ex sacra Scriptura conceptis, confirmatisque, certa scientia et bona conscientia assentior. Promitto et — paratus sum” (voorts conform den tekst bij Kist).

„De tekst is wegens ratures en emendaties niet zeer duidelijk, maar in zijne tegenwoordige gedaante conform aan den gedrukten tekst bij Kist, met uitzondering van reg. 8, waar het origineel heeft: „quae cum eadem,” terijl K. dit cum heeft weggelaten. In het origineel stond verder reg. 2 het woord nostris achter Ecclesiis, wat echter later werd doorgeschrapt en dus ook door K. niet afgedrukt. Nog merkte ik op, dat reg. 5 achter: „ita in ea acquiescere,” oorspronkelijk stond: „ut in omnibus” etc. Later werd dit ut in den tekst doorgehaald en er boven geschreven sicut of sicuti, wat wederom is doorgehaald, met onderschrijving van het oorspronkelijke ut. Nog verder zie ik, dat |39| reg. 5 het oorspronkelijk geschrevene: „quae doctrinam spectet” later voor zooveel noodig is uitgeschrapt en vervangen door: „quae ratione doctrinae” zooals K. heeft. Reg. 11 stond oorspronkelijk achter Synodo een adjectivum, dat wegens doorhaling thans onleesbaar is, en waarvoor secunda manu in de plaats gesteld is nationali. Eindelijk is er aan het woord assentior reg. 13 gekrabbeld, zoodat het onzeker is of assentior dan wel assentiar de oorspronkelijke lezing is.”

„De vraag kan oprijzen, bijaldien ut de ware lezing is, of het moet verstaan worden, afhankelijk van ita (zóó berusten dat), of wel in de beteekenis van sicuti. In het laatste geval zou echter m.i. het woord quae, reg. 8 geplaatst vóór „cum eadem” abundeeren. Misschien is dit 2de quae schrijffout, het gevolg van eene reduplicatie van quae reg. 6. In dit geval zou de onderteekenaar verzekeren, dat hij de leer voor orthodox houdt en alzoo derhalve zich daarbij neerlegt, evenals bij alles, wat, voor zoover de leer betreft met de Confessie der Nederlandsche en andere Gereformeerde Kerken overeenkomt. Ik erken echter, dat hoe ut ook wordt opgevat, de zin niet goed marcheert.”

42. Zie het Verweerschrift, bl. 73, vg.

43. Zoo b.v. bij J. Koelman in Ambt en plicht der Ouderlingen en Diakenen, aangehaald door den Eerw. S. van Velzen, in de Bazuin van 23 April l.l.

44. Politica Eccl. I, p. 292, beg.




a. Reactie op Abraham Kuyper (1837-1920), De Leidsche Professoren en de Executeurs der Dordtsche nalatenschap. Verweerschrift, Amsterdam (J.H. Kruyt) 1879. Vgl. voor een overzicht over de discussie aldaar, Bijlage D.

b. Vgl. voor de tekst van het formulier H.H. Kuyper, De Post-Acta of nahandelingen van de Nationale Synode van Dordrecht, Amsterdam/Pretoria (Höveker & Wormser) 1899, 229-231.

c. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 169.

d. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 282v.

e. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 149v.

f. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 166.

g. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 167-170.

h. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 171v.

i. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 150.

j. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 228v.

k. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 226.

l. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 229.

m. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 167.

n. Vgl. Kuyper, Post-Acta, 265.

o. Moet wel zijn: 1618.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001