Een klacht van Ds J.J. Buskes

in: De Reformatie, veertiende jaargang, Goes (Oosterbaan & Le Cointre) 1933v, 11,82-85 (15 december 1933) a



De dwaas-pompeuze manier, waarop de eindredacteur van het weekblad „Woord en Geest” zich telkens (met enkele andere redacteuren), en nog onlangs behalve tegen Dr H. Colijn (en de grondslagen zijner staatkunde) ook tegen mij (en mijn door hem met geen vinger aangeraakte beschouwingen) heeft uitgelaten, op eigen gelegenheid, of achter den breeden rug van een ander (b.v. Dr K.H. Miskotte) zou mij allen lust benemen, op wat dit blad zegt acht te geven, indien ik slechts de verhouding van dit blad tot mij persoonlijk zag. Omdat ik evenwel nog geen enkel blad heb gezien onder deze al te smalle verhouding, blijf ik wel degelijk acht geven op wat in „Woord en Geest” staat. En als ik het noodig vind, blijf ik er over spreken ook. Zelfs wanneer het dezen eindredacteur betreft, die overigens niet al te veel aanleiding geeft, om tegen zijn beschouwingen op te treden, al verbeeldt hij zich, blijkens zijn publieke verzekering, heusch, dat K.S. de kolommen van „De Reformatie” niet vol zou krijgen, als er geen eindredacteur van „Woord en Geest” was . . . . o zelfkennis!

Maar als dan bovendien het geval zich voordoet, |82c| dat men met een anderen redacteur van gemeld orgaan te doen heeft, in dit geval met Ds J.J. Buskes, dan valt het te gemakkelijker, zich nog eens met dit orgaan bezig te houden — terwille van de zaak, die men in ’t oog vat, zoodra men den engpas van de persoonlijke relatie uitgetreden is.

Ik zal daarom even stilstaan bij wat ik dezer dagen van de hand van Ds J.J. Buskes aantrof in „Woord en Geest”. Ds Buskes sprak daar over het bekende protest, dat Karl Barth heeft laten hooren tegen degenen, die in Duitschland de kerk achter den wagen van Adolf Hitler spannen willen, tegen het doen en drijven der z.g. „Duitsche Christenen”, die in den beruchten Ariërparagraaf de Joden, ook als ze tot Christus bekeerd zouden zijn, achteruit zetten, en op die manier een streep halen door het woord van Paulus, dat Christus „onze vrede” is. door n.l. de afscheidingsmuren tusschen Joden en Heidenen af te breken, zoodra ze zich tot Hem bekeeren. Ds Buskes meent, dat men aan dit moedig protest van Barth de volle aandacht schenken moet, ook als men tegen hem bezwaar heeft, temeer, omdat het uitkomen voor een eigen overtuiging in Duitschland grooten moed vereischt. En nu oordeelt, gelijk blijkt, Ds Buskes, dat er ook zijn, die dezen moed van Karl Barth maar niet eerlijk willen erkennen.

Als hij daarmee bezig is in zijn betoog, lezen wij het volgende:

Wanneer verder een hoogleeraar in de theologie in een groote vergadering, waar tegen Fascisme en Nationaal-Socialisme getuigd wordt, zegt, dat de dialectische theologie van Barth hier eigenlijk de groote schuldige is en over het protest van Barth geheel zwijgt — ook in zijn weekblad daarover permanent zwijgt — dan is dit toch inderdaad een symptoom van zeer groote theologische bekrompenheid, tegelijkertijd ook van zeer groote ondankbaarheid.

Dan is een man als Prof. Grosheide, die ondanks zijn principiëele bezwaren tegen Barth zijn groote waardeering uitspreekt voor zijn moedig optreden tegen de „Duitsche Christenen”, royaler.

Men mag zooveel bezwaren hebben als men wil, wij zullen op het oogënblik allen God moeten en mogen danken voor wat Hij de Duitsche Kerk in een van de voor haar meest beslissende momenten in den persoon van Karl Barth geeft.

Toen ik deze woorden las, vermoedde ik aanstonds, dat ik zelf erin bedoeld zou zijn. De vergadering, waarvan gewag gemaakt wordt, zou dan de groote meeting zijn, waar ik onlangs voor sprak te Rotterdam, de meeting van Anti-Revolutionairen, die men in de groote nieuwe Doelenzaal niet bergen kon, en die daarom een tweede plaats van samenkomst moest zoeken in de Westerkerk, Ammanstraat; de Heer Schouten voerde daar het woord, en ik; tevens, in de Westerkerk nog, Ds M. van Grieken. Om evenwel zekerheid te hebben, vroeg ik Ds Buskes, of mijn vermoeden juist was. Deze was zoo vriendelijk, mij onmiddellijk te antwoorden. Den brief laat ik hier grootendeels volgen:


Amsterdam-Zuid, 11 December 1933.


Hooggeachte Professor.

Inderdaad heb ik U bedoeld. ’k Heb Uw naam niet genoemd, omdat ik aan onze lezers niet den indruk wilde geven, dat het gaat tegen iemand van de oude Geref. Kerk. U hebt waarschijnlijk wel gemerkt, dat ik ’t polemiseeren — wat de verhouding der Kerken betreft — wat moe ben geworden. Ik kan Uw methode van polemiseeren in dit opzicht wel waardeeren, maar ik kan U niet volgen.

Laat ik U nog dit mogen zeggen.

In den loop der jaren ben ik tot de ontdekking gekomen, dat ik in mijn kritiek op Uw en anderer Barth-beoordeeling inderdaad onbillijk ben geweest. ’k Geloof nog altijd, dat mijn kritiek een element van groote waarheid bevat. Maar ik zie in, dat het onjuist van mij was, Uw veroordeeling en afwijzing van Barth uitsluitend te verklaren op de door mij voor enkele jaren gebruikte manier.

’k Hoop dat, wanneer er aanleiding toe is, in „W. en G.” nog wel eens te zeggen. Intusschen moogt U er, wanneer U dat wilt, gebruik van maken. ’t Staat dus nu voor mij zoo, dat ik de kritiek handhaaf, maar dat ik er steeds meer van overtuigd ben geworden, dat er voor U en anderen heel zakelijke motieven zijn, die U er toe brengen, Barth af te wijzen.

Wat mijn laatste artikel betreft, wil ik U nog zeggen, dat het mij inderdaad verbaasd en verdriet gedaan heeft, dat U over ’t protest van Barth in „De Reformatie” gezwegen hebt — ik lees „De Reformatie” geregeld en heb er niets van gelezen — terwijl U ook in Uw rede te Rotterdam, van welke „De Standaard” een breed verslag gaf over Barths protest — toch inderdaad het eenig principiëele op dit oogenblik — geen woord gezegd hebt.

U moogt van dezen brief het gebruik maken, dat U noodig oordeelt.

Met hoogachting,


Uw dw.,

(w.g.) J.J. BUSKES Jr.

Uit dezen brief liet ik op verlangen van den schrijver één passage weg, welke betrekking heeft op een derde. Overigens nam ik hem, naar bekomen verlof, in zijn geheel op.

Ik zou er het volgende op willen antwoorden:


Kampen, 13 December 1933.

Hooggeachte Ds Buskes,

Voor uw brief, die meer meedeelde, dan ik U vroeg, ben ik U dankbaar. Vergun mij, hetgeen ik er op antwoorden wil, in enkele punten saam te vatten. |83a|

1.) In de eerste plaats ben ik U dankbaar voor de erkenning, dat U thans bij nader inzien erkent, onbillijk te zijn geweest in uw beoordeeling van de door anderen en mij tegenover Barth ingenomen houding. Het verheugt me niet minder, dat U bij gelegenneid dit óók zeggen wilt in „Woord en Geest”. Ik verwacht daarvan deze vrucht, dat de lezers van dit orgaan zullen beseffen, voor een deel, dat de eindredacteur van dit orgaan lichtvaardig inplaats van ernstig gehandeld heeft, toen hij zoo maar de volgens sommige Barthiaansch gezinden scherp-ontledende, volgens mij ontstellend oppervlakkige „beoordeeling”, die Dr K.H. Miskotte gaf van het grondschtma van Dr H. Colijns levenswerk, en van mijn eigen opvatting over Christus’ beteekenis voor het cultuurleven, met betuiging van instemming overnam, niet zonder eenige qualificaties, die slechts konden geschreven zijn in een tempo, dat geen ruimte liet voor de overpeinzing van de mijnerzijds hem voorgelegde vraag, of hij — Dr J.G. Geelkerken — niet al te gemakkelijk heel den Barthiaanschen hoorn van overvloed in naam der geloofs-ontlediging over zijn lezers uitstortte. Er zijn heusch meer en ingrijpender kwesties aan de orde tusschen Barth en ons, dan uw eindredacteur tot nu toe getoond heeft te beseffen; meer ook, dan U aanvankelijk in rekening gebracht hebt. Maar U is zoo eerlijk, dit thans te erkennen, en mij te machtigen, dit aan anderen door te geven. Ik ben U daar dankbaar voor; ik zie ook daarin een vervulling van een wensch, dien ik gedurende jaren koesterde, en welks vervulling ik niet dan na jaren tegemoet zag. Wie met tranen zaait, zal met gejuich maaien, ook in de polemiek. Overigens ben ik er van verzekerd, dat dit juichen nog lang niet volkomen is. Daarom blijf ik spreken, ook tegenover U. Want ik heb geen recht, de menschen los te laten, die nog op twee gedachten hinken; ik bedoel hiermee niet U, maar een deel van uw leerlingen.

2.) U hebt dus, naar thans blijkt, ingezien, dat het onjuist was, mijn afwijzing van Barth „psychologisch” te verklaren, als uiting van een zeker gereformeerd farizeïsme; waarvan ik overigens de klanken reeds opving, en in een rede voor den Theologischen Schooldag te Kampen trachtte te ontleden, lang vóórdat Assen er was, en „Woord en Geest” bestond, en daar door U, en Ds J.C. Aalders, en anderen, de afwijzing van Barth uit dit gereformeerde groepsfarizeïsme werd verklaard. Dat was in 1925. Zomer 1925. In den herfst van dat jaar begon „Woord en Geest” te verschijnen. In dit orgaan is de van ethische zijde vaak vernomen klacht over het gereformeerde farizeïsme dikwijls herhaald, gelijk zij trouwens in de lucht hing, ook in den later in dit orgaan het woord nemenden kring, vóór dien. Sedert heeft uw blad de rechtmatigheid van die klacht trachten te demonstreeren aan de van Gereformeerde („Asser”) zijde op Barth geoefende critiek. U is daar nu van terug gekomen. Maar toch niet geheel, gelijk uit Uw brief valt af te leiden. Ik merk het trouwens, want U is nog, in uw laatste, hierboven afgedrukte woorden, bezig met dezelfde fout, die m.i. ook in uw vroegere persuitingen, ter zake, begaan werd: beoordeeling van wat onzerzijds gezegd werd uit den z.g. psychologischen gezichtshoek. „Ondankbaarheid”, onvoldoende „royaliteit”. Aan objectieve gronden denkt U niet. Maar het is mogelijk, dat we op den duur het er over eens worden, dat deze toch althans bij mijzelf aanwezig schijnen te zijn. Om daartoe te geraken, wijs ik U op het volgende.

3.) In mijn spreekbeurt te Rotterdam had ik geen enkele reden, om mij uit te spreken over de jongste houding van Karl Barth ten aanzien van de vraagpunten, die in de nationaal-socialistische revolutie (ik zeg opzettelijk niet: ten aanzien van het nationaal socialisme, zie hieronder) aan de orde kwamen. Immers, mijn gedachtengang was een heel andere. Ik had het erover, dat er heel wat jongeren zijn, die zich van een „anti-revolutionaire”, „christelijke”, „principiëele” politiek afkeeren. Ze doen dat vaak abrupt, zoo zeide ik, onder den indruk van pakkende leuzen van de zijde van het fascisme, in een reactie tegen wat in den crisistijd (crisis zoo algemeen mogelijk genomen) naar voren treedt. Een deel van hen — zoo ging ik verder — zal terugkomen, een ander deel niet. Dat andere deel zal voor weer een zeker percentage later, als de roes-stemming van heden voorbij is, en als de eerste felle reactie-prikkeling niet meer instigeert, toch theoretisch blijven legitimeeren wat thàns nog meer uit een oogpunt van practijk door hen gedaan wordt: het verlaten n.l. van de vaandels der „christelijke politiek”. Legitimeeren, — waardoor? Onder meer, en zeker niet in de laatste plaats, door een beroep op de van de zijde der dialectische theologie verdedigde gedachte, dat „christelijke politiek”, „christelijke staatkunde” NIET MOGELIJK IS. Op DIE gedachte ben ik toen verder ingegaan.

Was het nu noodig, in DIT verband speciaal in te gaan op de laatste daden en protesten van Karl Barth? Allerminst. Want het ging mij er niet om, Barth te bespreken, doch heel den gedachtencyclus, waarmee zijn „school” (al wil Barth zelf het woord liever vermeden zien) opgekomen is, summier aan te wijzen. En dan |83b| voorts: niet op zulken had ik het oog, die rustig, door eigen kennisneming van Barths en Brunners werk zich vertrouwd maakten met zijn opvattingen, doch op die groote massa van jonge menschen, Ds Buskes, die in de droeve dagen van na Assen — ik geef hier niemand de schuld — er aan gewend zijn, hun schouders op te halen over de kerk van hun vader, en over de „kristelijkheid” van hun vader, en over de „gereformeerdigheid” van hun vader, en over het geroep van „antirevolutionair und kein Ende”, zooals zij dat — ik citeer — van hun vader dachten vernomen te hebben. Die jongelui, die ik thans bij drommen wegloopen zie, en die ik met tranen wegloopen zie, als ik oostersch spreken wou, die jongelui maken werkelijk geen principiëele studie van Barth, uit de bronnen. Ze denken er niet over. Maar ze voeden zich met kranten, en met suspicies, en met rassche oordeelvellingen. Ze voeden zich ook met anti-gereformeerdigheids-ontladingen. Ze voeden zich met wat door U geschreven is, in „Woord en Geest”, over die farizeeuwsche gezindheid van wie Barth, dien profeet, bestrijden, en ze zeggen: heah! Dat U thans na jaren er anders over begint te denken — en dan nog maar voor een deel — dat wisten ze niet, want U schrijft zelf, dat U het nog niet eens gepubliceerd hebt in „Woord en Geest”; dat komt nog, zegt U. En kijk, al zou Barth vandaag een streep halen door heel zijn levenswerk, en al zoudt U al de Assen-menschen weer gaan zien als lieden-althans-van-goede-ziel-en-„geest”, en dit hardop zeggen, en dit wekelijks zeggen, — toch heeft UW barthianisme zijn werk gedaan. En de artikelen van Ds J.C. Aalders hebben hun werk gedaan. En de leeraren aan middelbare scholen, die hun studententijd uitgewandeld zijn met een hart vol vanonberedeneerde of beredeneerde sympathie voor Uw anti-farizeeuwsche, en pro-barthiaansche artikelen, opgenomen in het groot-verband van pro-barthiaansche uitlatingen in „Eigen Vaandel”, en „Algemeen Weekblad”, en zelfs — Ds v. Grieken zat er dien avond ook bij, en ik wist wel, waarom ik mijn hart ontlasten moest — en zelfs in „De Waarheidsvriend”, het heeft alles zijn werk gedaan, En den laatsten keer heeft Uw blad nog een heel dik schepje erop gedaan, door uit motieven, die ik niet ontleden zal, een dik applaus te geven aan Dr Miskotte, die met één daverende reeks van barthianismen, en zoo, heel den door Dr H. Colijn onder zijn „christelijike politiek” gelegden gedachtencyclus in de lucht liet vliegen. Ik heb getracht, daartegenover argumenten te geven. Natuurlijk gaf het geen zier. U zweegt ook. En dacht U nu heusch, dat de jonge menschen, die vandaag naar de C.D.U. gaan, en naar U trekken, en met zulke geestesproducten grootgeworden zijn, zich laten tot bezinning brengen door een jongst protest van Karl Barth? Wanneer ik dien avond gesproken had over het nationaal-socialisme, of over Barth zelf, dàn had ik het erover mòeten hebben. Maar ik had het alleen hierover, dat er tegenwoordig duizenden zijn, die zeggen: christelijke politiek, die bestaat niet, die is onmogelijk, die kan niet bestaan.

En ik heb gezegd: antirevolutionairen, dat is nog veel grooter ongeluk, als wanneer Kleerekooper u de huid volscheldt, wijl gij z.i. het christendom geweld aandoet. Want die Kleerekooper erkent tenminste nog, dat er christelijke politiek is; maar tegenwoordig ontkennen ze dat, en ze doen dat onder de zwaarste termen, en onder instigatie van een leer, die zich te weer stelt met de sterkste woorden over de hoogheid van God, en de majesteit van „Gods Woord”. En in DIT verband doet Karl Barth’s jongste protest niets ter zake. Een feit is, dat door de inwerking van het blad, waaraan U meewerkt, en door heel wat andere machten en krachten, door vele jongeren gelachen wordt om het begrip van „christelijke politiek”. En dat kunt gij niet meer achterhalen, Ds Buskes, al zoudt gij dat willen. Dat gij het overigens wilt, geloof ik niet; in mijn bureau ligt nog een brief met citaten, die iemand me zond ter opneming in „De Reformatie”, citaten, waaruit nog steeds gelijke geest spreekt. Misschien komt die brief nog aan de orde, in een loopende artikelenreeks. Loop ik vooruit? ’t Kan zijn, en misschien denkt Uw hooggeschatte eindredacteur wel weer aan mijn „woordenstroom”. Misschien echter voelt U, Ds Buskes, er den spijt in van iemand, die in de onzalige losweekingsperiode, waarin wij beiden ieder op eigen wijs gestreden hebben, heele groepen menschen weg ziet loopen van het vaandel van Groen en Kuyper, en die deze dingen heeft zien aankomen, en die het heeft gezègd, aanvankelijk onder protest zelfs van menschen, die thans den verloren grond trachten te herwinnen; wat hun niet lukken zal: ze moeten het wagen met een nieuwe schare van wèl-overtuigden; hierop werk ik ook in de laatste jaren. En nu moet uw eindredacteur maar weer lachen, als hij het niet laten kan.

4.) Tenslotte: waarom zou ik zoo blij zijn met Barths protest? Er is voor mij geen enkele reden toe. Gij hadt maar niet moeten schrijven, dat ik wegens een psychisch defect — nietwaar, daarop kwam het toch neer? — Barths protest onbesproken liet. Want dat protest van Barth geeft mij |83c| geen troost tegen datgene, waarover ik mij bij hem en bij U en de uwen heb bedroefd. Ik vergeet niet, dat Brunner — over wien ik dien avond meer sprak dan over Barth — nog in 1933 schreef, dat christelijke politiek niet mogelijk was. Ik vergeet evenmin, dat Barth, hij moge nóg zoo dapper zijn als hij inderdaad is, met die dapperheid toch geenszins de struikelblokken wegruimt, waarover naar mijn vaste meening — U kent ze — U en de uwen zijn gestruikeld. Hebben de menschen, zoo vraag ik me af, wel goed Barths protesten gelezen? Neen, ik zal me niet beroepen op de brochure van Franz Tügel, wiens „Wort wider Karl Barth”, onder den titel „Unmögliche Existenz” hier voor me ligt (4. und 5. Tausend). Ik zal me alleen inlaten met de beide, eveneens hier vóór me liggende, brochures van Barth zelf, die ik voor het gemak aanduid met de cijfers I en II. Brochure I heet: Theologische Existenz heute!; ze is door den schrijver voltooid op Zondag 25 Juni 1933. No. II heet: Für die Freiheit des Evangeliums, en is no. 2 van een reeks: Theologische Existenz heute (onder red. van Barth en Thurneysen). No. II heeft onder het voorwoord den datum October 1933 staan. Ze is dus de laatste. Is het oneerlijk, als ik met de laatste begin? Op uw standpunt niet, want ge meent, dat Barth zich in goede richting beweegt; ik zelf had toen ik sprak echter alleen van I kennis genomen, en daaruit reeds geconcludeerd, dat deze brochure op mijn theologisch standpunt me slechts verblijden kou, als ik met doode musschen blij wilde zijn. No. II bevestigt nu deze meening. Want in II staat uitdrukkelijk, dat de vrijheid van het evangelie, waarvoor Barth in de bres springt, NIET bedreigd wordt door den tegenwoordigen nationaal-socialistischen staat. Sie ist nicht bedroht vom heutigen nationalsozialistischen Staate her (8). Die vrijheid wordt bedreigd van BINNEN uit, zegt Barth, van de kerk zelf uit. Geht uns die Freiheit des Evangeliums und geht uns damit das Evangelium selbst verloren und hört damit die Kirche auf, Kirche zu sein, so wird das nicht die Schuld des nationalsozialistischen Staates, sondern die Schuld der Kirche selber sein (9). Telkens, ook op S. 10, legt Barth er den nadruk op, dat de vrijheid van het evangelie bedreigd wordt, aus der Kirche selbst heraus, van den kant der kerk zelf, door wat uit háár boezem opkomt. En nu zeg ik niet: hiermee is al een heel groot stuk van de „gevaarlijkheid” van Barths protest weggevallen. Want ik geloof, dat hij geen gevaar ontzien zou, voor zich, als hij andere dingen had willen zeggen. Maar ik beweer wèl dit: nu Barth het zóó zegt, nu is er voor mij geen enkele reden, Ds Buskes, om tot mijn lezers te zeggen: luistert toe, goede menschen, Barth trekt bij. Want ik beweer, dat een nationaal-socialistische staat weldegelijk de vrijheid van het evangelie aan banden legt, dat hij er onmiddellijk aan te kort doet, dat hij onvereenigbaar is met wat de christelijke kerk, zoover zij christelijke kerk is, moet willen, en prediken. Onvereenigbaar ook met die christelijke politiek, die de christelijke kerk begeeren moet, waarom ze God bidden moet, waarvoor ik bidden durf, des Zondags, daarmee biddende, Ds Buskes, ook tegen de gevolgen van uw werk, in theologisch, en in politiek opzicht (we worden hier niet boos op mekaar, want we zouden elkaar eerlijk in de oogen zien).

5) Neen, ik juich Barth niet toe; ik had dat móéten doen, als ik het had over goede, dappere zielen (maar dàn had ik het al lang daarover moeten hebben). Maar U hebt het al eens meer gelezen: mij kunnen zielen ten aanzien van den mensch Barth geen schrijfobject zijn voor de krant. Ik heb het over beginselen, die doorwerken. En ten aanzien dáárvan zie ik in Barths jongste protesten geen winst, die ik in Rotterdam zou hebben moeten melden. In het wezen der zaak toen blijkt zijn protest te gaan NIET tegen het NIEUWE, dat in Duitschland zich baan brak langs revolutionairen weg, maar tegen het OUDE kwaad, het kwaad van de „KERK”, waartegen Barth al zoo vaak getoornd heeft, maar in welken toorn ik — op objectieve gronden, zoo U thans erkent — hem niet volgen kon. Zeg ik te veel? Laat het dan Barth zelf zeggen mogen: II,10: Barth ziet de vrijheid van het evangelie bedreigd door a) de beweging der Duitsche Christenen, b) de „Duitsche Evangelische Kerk”). Welnu, deze beide bedreigingen van de vrijheid van het evangelie zijn in werkelijkheid één. En vooral: één en dezelfde OUDE ZIEKTE van de kerk is in die beide gestalten tot een uitwerking gekomen. Eine und dieselbe ALTE KRANKHEIT unserer Kirche ist in diesen beiden Gestalten zum Ausbruch gekommen. Waarom zal ik me nu verblijden? Zegt Barth iets anders? Iets nieuws? Vecht hij tegen Hitler? Komt hij op voor een christelijke politiek? Er is geen schijn of schaduw van. Hij heeft het over wat hij reeds eerder aanwees als zonde der kerk (zie ook nog II,14).

6) Integendeel: het blijft een strijd om onwezenlijkheden. Het blijft een verwarring van problemen, gelijk ze m.i. in heel zijn denken aan het licht trad. |84a|

7) Ik begin met het eerste: Barth strijdt voor onwezenlijkheden, zooals ieder, die zich bij hem aansluit, en dan afbreekt, zonder op te kunnen bouwen, naar christelijken maatstaf. Het is al veelbeteekenend, als hij (II, 9) staande vóór de verkiezingen in Bonn, opmerkt: geloof staat MIDDEN IN DE KERK tegenover geloof. Best. Maar nu: aan dan éénen kant staat dan volgens Barth het door Barth beleden „geloof aan het vrije evangelie”, en aan den anderen kant een geloof, — waarvan hij niet weet, hoe hij het object moet beschrijven. Dit laatste verwondert ons niet: Barth kan niet precies onder woorden brengen, op welke concrete punten zijn tegenstanders hem in de wielen rijden, omdat zijn getheoretiseer over het „vrije evangelie” zelf niet „concrete punten” van principiëele, maar dan concrete politiek, noemen kan. Geen wonder, bij wie van den staat van Adolf Hitler geen gevaar ducht. Geen wonder bij wie de grondslagen der christelijk-concrete politiek ondermijnd heeft. Geen wonder, zeg ik, ach neen. Want als men daar op let, ontdekt men meer zwakke punten, juist voor wie naar concrete verlangens zoekt, maar a priori weet, dat ze hier, krachtens het ingenomen standpunt, niet te vinden zullen zijn (en dáárover had ik het nu juist in mijn Rotterdamsche redevoering). Wat Barth wil, zal niet in concrete daden zijn te realiseerrn. Een bewijs voor deze bewering zie ik, behalve in zijn eigen grondgedachten, ook in wat hij zelf thans schrijft. Men lette maar eens op zijn houding tegenover de „jong-gereformoerden”, „die Jung-Reformatorische Bewegung”. Eerst heeft BARTH ZELF beweerd, dat een kerkHERVORMING dan pas KERKhervorming wezen kan, als de hervorming uit „de innerlijke noodwendigheid” van de kerk zèlf opkomt. (I,8). Of, gelijk het elders (I,13) heet: ze moet uit het leven der kerk zelf opkomen, „hervorgehen”. Ik meen, dat dit een onvolledige probleemstelling is, maar daar gaat het nu niet om. Ik let hierop: dat Barth zelf nooit in staat zal zijn, zulk een hervorming, die dan volgens hem KERKhervorming heeten mocht, in concrete, registreerbare, notuleerbare kerkpolitieke resoluties en decreten te bewerkstelligen. Want (I,31) aan het adres der Jong-reformatorische beweging richt hij dit verwijt: „Maar wàt heeft men dan toch wel onder het „wezen der kerk” te verstaan in een oproep, een manifest, waaronder men o.a. de namen van Heim, Gogarten, v. Tilling, Jacobi, Lilje, Brunstäd, Knak, Lütgert, Rotter, Georg Schulz, Schreiner, W. Stählin NAAST elkander vindt?” En hij vraagt hun dan met nadruk, wèlk „wezen der kerk” het is, waarvan ze alles schijnen te weten? Wèlke kennis, van wèlk wezen, van wèlke kerk? De vragen striemen. Maar een nuchter mensch vraagt zich af: |84b| zou Barth ooit een lijstje van namen kunnen krijgen onder een manifest van zijn eigen hand, zonder dat die namen eenzelfde verscheidenheid vertoonden als het hierboven gegeven lijstje doet zien? En zouden — stel dat Barth een lijstje van gelijkgezinden kreeg voor een door hem geschreven oproep — de onderteekenaars heusch allen weten, wèlk wezen van wèlke kerk ze kennen, en met wèlke kennis ze dat kennen? Ik geloof er niets van; U, Ds Buskes waarschijnlijk ook niet. En Barth zelf evenmin. Hij houdt in deze nieuwe protesten nog vast aan zijn oude ideeën; hij verwijt deze jong-reformatorische beweging, volgens zijn bekend gedachtenschema, dat zij toch eigenlijk uit de oude Vermittlungstheologie, en het oude liberalisme voortgekomen is; dat is het negatieve (I,32, 34). Maar zoekt men naar mogelijk positieve daden van „christelijk protest”, om maar niet te reppen van „christelijke politiek”, bij Barth zelf, dan blijft men zoeken, en stuit hoogstens op een kerk, die geen adres hebben zal, gelijk het christendom bij Barth überhaupt geen adres heeft. Geen wonder: zijn kerk is de natuurlijke grens (GRENS! de oude klanken) van ELKEN (!), ook van den „totalen” staat (van Hitler). Kerk en theologie zijn BEIDE die GRENS. Maar een kerk, die christelijke politiek kan zoeken, en kan begeeren van God, en ook deze in de groote lijnen (zij het dan in niet-kerkelijke functies van haar trouwe leden) weet aan te geven, in een „christelijke politiek” (daarover sprak ik immers) die kent Barth niet. Geen wonder alweer: de „kerk” van Barth heeft überhaupt den mensch niet te dienen (I,24); wat wij ontkennen. „Zij dient alleen het Woord Gods”, wat wij ontkennen. Zij mag zichzelf niet helpen (I,13), wat wij, in den zin, gelijk het hier bedoeld wordt, weerspreken, (wijl „zichzelf helpen” hier blijkbaar anders bedoeld wordt dan wanneer Paulus het heeft over het hanteeren van wapenen des VLEESCHES; hier is bedoeld zùlk een werk, als wij, als ook ikzelf, begeeren in een christelijke politiek, ook kerkpolitiek). De kerk van Barths ideaal heeft dan ook TERECHT (I,11) zich onthouden, zegt hij, van een politiek oordeel in de revolutie van 1918; op welk punt wij zwakheid noemen, wat Barth kracht, en nederigheid noemt. Voor Barth is er een tegenstelling (I,7) tusschen theoloog en politicus; voor ons, die op àlle levensterreinen de wet Gods haar eischen hooren stellen, en de mogelijkheid van CONCRETE daden van gehoorzaamheid zien stellen, staat het heel anders. De kerk van Barth, ja, die zal zich, zegt hij, wel afteekenen, wanneer men behoorlijk stemt te Bonn, en elders, na de verkiezingsrede, die Barth hield, maar ze zal geen adres krijgen, geen institutairen vorm aannemen, want ze |84c| blijft VEBBORGEN leven onder hen, die IN de verwoeste kerk de knie voor Baäl niet buigen (II,15, 16). Voor welken Baäl niet? Voor den Baäl eener onchristelijke (kerk)politiek? Neen, voor den Baäl, die preekstoelbetreders aan banden legt. Maar volgens mijn meening is er óók een Baäl, die christelijke kamerzetel-bezetters aan banden legt. En deze Baäls zijn één. Maar op dàt punt juist weerspreekt Barth mijn innigste overtuiging, en blijft de afstand gapen, dien ik aanwees in mijn Rotterdamsche rede.

8) En eindelijk: Barths probleemstelling blijft m.i. verwarrend, ook in deze jongste actie. Als de Duitsche christonen Schrift EN HISTORIE (die geschichtliche Stunde) beide aangrijpen, om Gods wil te verstaan, dan ben ik het met Barth eens, als hij zegt: dat niet. Neen, zóó als zij het willen, wil ik het ook niet. Maar als Barth dan zegt: dat is roomsch, want hier wil men het boek der natuur en dat der genade op één lijn plaatsen, dan beweer ik: dat is onzuiver gedacht; daar gaat óók overboord wat beweerd wordt in het Gedenkboek der A.R. partij: Schrift en HISTORIE. (II,11). Als hij aan die Duitsche christenen verwijt, dat zij ten onrechte datgene, wat de bijbel zegt, in een noodwendigen positieven samenhang willen brengen met de wereldbeschouwing en de moraal van den huidigen, nationaal-socialistischen staat, dan ben ik het met hem eens, als hij daartegen protest aanteekent. Maar als hij dan in zijn ijver doorslaat, en zegt: dat is nu precies hetzelfde, als wanneer de roomsche kerk zich door Aristoteles den vorm laat geven, waaraan zich de christelijke inhoud moet aanpassen (II,11) dan hoor ik hier wel Haitjema, en wel Woord en Geest, en wel Miskotte, maar ik hoor dan meteen dezelfde probleemverwarring, waaraan deze allen ten prooi gevallen zijn. Want tusschen de waarheid Gods en de zuivere logica is geen tegenstelling, de verhouding is allerminst paradoxaal; en tegenover Barth houden wij voorts vol, dat wel degelijk de kerk, en het evangelie direct heeft in te grijpen op de wereldbeschouwing en de moraal van den dag, en dan heel beslist bepaalde staatsvormen afwijzen, en andere als de van God gewilde aanprijzen moet (iets anders, dan revolutie plegen tegen een in de historie eenmaal opgekomen staatsorde). Het „evangelie” van Barth beteekent: God voor den mensch, en dat ALLEEN. Het beteekent bij Barth NIET: de mensch voor God (II,6). En hier ligt, en blijft liggen, de diepe kloof. Evangelie beteekent, o.i. óók: de mensch voor God. Wel is waar: alleen tengevolge van dat eerste: God voor den mensch. Maar dan toch wel degelijk óók het tweede: de mensch voor God.

9) En hierom, Ds Buskes, heb ik, noch uit een oogpunt van redebeleid, noch uit een oogpunt van |85a| christelijke waardeering, den plicht gehad in mijn Rotterdamsche rede, of in mijn „Reformatie”-artikelen, de scherpe prikkels van mijn bezwaren tegen wat door U en anderen in navolging van Barth, is omgeworpen, af te stompen door een zalfje, te strijken over de wonden, in een aanprijzing van Barths jongste houding. Ik zie niet voorbij, dat Barth zichzelf niet voorbijzag. lk houd hem aan zijn woorden, ik blijf zijn „leer” funest vinden voor den christelijken staat, en de christelijke politiek, ik blijf hopen, dat velen zullen zien, dat de strijd, ook van „De Reformatie”, een strijd was, niet van theologen voor tbeologen, maar van den éénen arbeider voor Gods koninkrijk mèt en vóór den anderen. En ik ben U dankbaar, dat U, door Uw eerlijke uitspraak, mij de gelegenheid gegeven hebt, dit gevoelen nog eens nader te adstrueeren. Voor jaren schreef ik: de strijd begint pas. U hebt toen gezegd: dat is zoo. Laat ons beiden dat onthouden; we zullen dan om deze scherpe probleemstelling elkaar niet als zedelijke of onzedelijke individuen verdoemen, doch verstaan, dat over en weer getracht wordt, de positie af te bakenen, te weten, waar we aan toe zijn in den slooperstijd, dien wij beleven.

En voorts blijf ik, met hoogachting, steeds Uw dw


K. SCHILDER.








a.