Leervrijheid, hoordwang

De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het Gereformeerde leven

13e jaargang, onder redactie van K. Schilder, C. Tazelaar en J. Waterink,
Goes (Oosterbaan & Le Cointre) 1932-1933
51,380 (22 september 1933)

a



We schreven onlangs over het geval-De Bildt; Dr de Lind van Wijngaarden was daar beroepen in qualiteit van vertegenwoordiger der Gereformeerde groep in de Herv. Kerk, maar veranderde in den loop der jaren algeheel van overtuiging. De leden, voorzoover zij gereformeerde prediking hadden verlangd van hem, waren daarover bezwaard. De kerkeraad liet de zaak zoo ze was. Ik merkte toen op, dat leervrijheid wr hoordwang bleek te zijn. Thans schrijft in het „Haarlemsch Predikbeurtenblad” (Hervormd) Ds C.J. v. Paassen het volgende: |380b|

K. S. in „De Reformatie” heeft zijn oordeel al klaar. Hij meent, dat uit deze historie opnieuw blijkt, dat er in de Herv. Kerk leervrijheid is en hoordwang. Dr de Lind van Wijngaarden kan z.i. leeren wat hij wil, en tegen de belijdenis ingaan, en zijn gemeenteleden zijn gedwongen hem te gaan hooren.

Deze voorstelling is onjuist. Vooreerst mag Dr de Lind van Wijngaarden niet in openbaren strijd zijn met den geest en de beginselen van de belijdenis der Herv. Kerk (art. 6 van het reglement voor kerkelijk opzicht en tucht), en in de tweede plaats wordt niemand door den kerkeraad gedwongen om naar de prediking van dezen leeraar te luisteren. Ik zou wel eens willen weten welke dwangmiddelen een Hervormde kerkeraad tot zoo iets had. De opmerking in „De Reformatie” is meer aardig dan juist. Wordt ze als aardigheid bedoeld, dan kan ik ze zelfs waardeeren. Bijzonder geestig is ’t wel niet, maar ’t gaat nog al.

Tot zoover de aanhaling.

We merken op:

a. Over de kerkrechtelijke zijde van de zaak oordeelde ik evenmin als Ds van Paassen; ik zei dat ook.

b. Ik ben niet „al” klaar met mijn oordeel, als ik hier van hoordwang spreekt, en constateer, dat de leervrijheid daarop neerkomt. Ds v. P. blijkt van meening te zijn, dat dat een kersversche meening van mij is. Had hij de gereformeerde oordeelvellingen gekend, dan zou hij geweten hebben, dat mijn bewering al tientallen jaren oud is, ouder dan ik zelf. Ik zei alleen, dat de door anderen lng vr mijn geboorte geponeerde, overbekende stelling, dat de vrijheid van de sprekende dominees dwang voor de hoorende gemeente beteekent, opnieuw bevestiging vond.

c. Ik heb niet de mate der vrijheid van Dr d.L. v. W. uitgemeten; wat Ds v. P. opmerkt over diens begrenzing binnen de overigens nog al vage grenspalen van „geest en beginselen van de belijdenis der Herv. Kerk” gaat mij voorbij.

d. Wat die dwangmiddelen betreft: ik fantaseerde ze niet. Maar Ds v. P. redeneert om de werkelijkheid heen. Recht is recht; indien dus Dr d.L. v. W. zoo doen mag, als hij deed, op een plaats met meer dan n predikant, dan kan het ook gebeuren met iemand, die ergens alleen staat. Dan moet de gemeente maar hooren, wat haar „belijdenis” verloochent, is dat geen dwang?

e. Bovendien: reeds in De Bildt is er dwang. Stel, men heeft de oude meening, dat een belijdend kerklid recht heeft op twee diensten per Zondag. Zijn predikant verandert van meening: wat dan? Misschien houdt hij n dienst over, waarin zijn overtuiging aan het woord komt (bij een ander predikant), misschien gn n. Is dat dwang-in-het-hooren, ja dan neen?


K. S.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Vgl. ‘Leervrijheid — hoordwang’, De Reformatie 13 (1932v) 48,360 (1 september 1933) en ‘De moeilijkheden te De Bildt’, De Reformatie 13 (1932v) 49,364v (8 september 1933).

b.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001