Een „rechtsmoderne” geloofsbelijdenis — De noodzakelijkheid eener Christelijke logica

in: De Reformatie, dertiende jaargang, Goes (Oosterbaan & Le Cointre) 1932v, 22,170v (3 maart 1933) a



Het weekblad „De Stroom” publiceert een „geloofsbelijdenis van het werkverband-Roessingh”. „Na het overlijden van Prof. Roessingh”, aldus het orgaan, „hebben verschillende jongere theologen, die onder zijn leiding hadden gewerkt, in Januari 1926 zich aaneengesloten tot een „Werkverband-Roessingh”, dat sindsdien tweemaal per jaar enkele dagen in het Oolgaardthuis bijeenkomt. Enkele dezer bijeenkomsten zijn mede gewijd geweest aan het opstellen van deze geloofsbelijdenis, die niet anders bedoelt te zijn dan een bescheiden bijdrage om de reeds op vrijzinnig protestantschen bodem begonnen arbeid der geloofsformuleering te ondersteunen.”

De tekst van deze geloofsbelijdenis, die door ons in haar geheel aan „De Stroom” ontleend wordt, luidt aldus: |170c|

I. God.

Wij gelooven in God;

den Schepper en Onderhouder van alle dingen, zienlijke en onzienlijke,

die in en door zichzelf bestaat,

eeuwig en alomtegenwoordig;

den Almachtige,

wiens heerschappij gaat over alles, zoodat buiten Zijn wil niets geschiedt of bestaat,

die alles doet naar Zijn ondoorgrondelijk welbehagen;

den Heilige,

voor wiens oordeel niets, wat onheilig is, stand kan houden;

den Vader,

wiens wezen liefde is, waarin ook wij door genade zijn opgenomen.


II. Openbaring.

Wij gelooven, dat God verborgen is,

zoodat uit eigen kracht geen mensch Hem vermag te kennen, maar tevens, dat Hij zich openbaart.

Hij openbaart zich aan alle tijden en alle volken;

zoodat Zijn openbaring nimmer aan eenig heilig schriftuur, eenige leer of eenig ambt zoodanig mag worden verbonden geacht, dat iemand verhinderd zou worden, Zijn levend Woord te verstaan.

Wij gelooven, dat God zich openbaart

zoowel door het innerlijk licht, alsook in de Natuur door het wonder der schepping, bovenal in het geheimenis van het leven;

in den Mensch door het wonder der persoonlijkheid, bovenal in het geheimenis der ziel,

in de Geschiedenis, bovenal in den opbouw der cultuur, waarvan het godsdienstig-zedelijk leven de kern is.

Maar de volheid Zijner Openbaring, die elke andere openbaring vervult en te boven gaat, schenkt God in Jezus Christus.


III. Jezus Christus.

Wij gelooven in Jezus Christus.

Wij kennen Hem uit den bijbel en uit het Christelijk geloofsleven van verleden en heden, waarbij wij de methode en de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek ten volle aanvaarden.

Jezus Christus is voor ons:

de gestalte, in wie wij de heerlijkheid des Vaders aanschouwen,

het licht der wereld, waarin wij de waarheid Gods ontvangen,

de heilige macht, die mensch en menschheid voert op den weg van den goddelijken wil.

God openbaart ons de diepten van Zijn oordeel en de rijkdom Zijner liefde nergens zoo klaar als in het evangelie van hem, wiens leven en prediking, wiens kruis en overwinning verlossende kracht zijn voor mensch en gemeenschap.


IV. De Nieuwe Mensch.

Wij gelooven, dat God door de kracht van Zijn Heiligen Geest den mensch vernieuwt.

Wij belijden, dat wij allen, zelfs bij ons beste streven, deze vernieuwing van noode hebben en zonder haar het leven, waartoe God ons roept, niet vinden.

Wanneer wij het goddelijk oordeel over ons leven aanvaarden, onze zonde als schuld tegenover God erkennen,

Zijn vergevende liefde ervaren

en de richting van ons leven in gehoorzaamheid en vertrouwen willen zoeken,

dan hebben wij het nieuwe leven in beginsel ontvangen.

Dit nieuwe leven is het eeuwige leven;

het is de vrijheid, de blijdschap en de liefde van het kindschap Gods,

het is de kracht, de arbeid en het getuigenis in de wereld,

het is het leven, het sterven en de toekomst in God.


V. Het Koninkrijk Gods.

Wij gelooven in de komst van een heilige orde en gemeenschap: het Koninkrijk Gods, dat in Jezus Christus is geopenbaard.

Wij weten, dat dit rijk niet door menschen zal worden verwerkelijkt, maar wij gelooven, dat God hen roept om het voor te bereiden.

Dit houdt in:

het dienen van Zijn Kerk, die de gemeenschap der geloovigen is en de draagster en verkondigster van het Godswoord in leven en wereld; en

de arbeid aan de samenleving, waarin de doorwerking der Christelijke waarheid de vernieuwing zal brengen, waar de mensch naar hongert en dorst.

Wij gelooven en verwachten, dat God aan het einde der tijden Zijn oordeel zal voleinden en Zijn Koninkrijk zal doen komen als laatste en hoogste verwerkelijking van Zijn heiligheid en liefde.

Dan zal Hij zijn alles in allen.

Tot zoover deze geloofsbelijdenis.

Tot het werkverband-Roessingh behooren, behalve Mevr. de Wed. G.M.E. Roessingh-Everts als buitengewoon lid en Prof. Dr G.J. Heering als leider, o.a. Ds B.J. Aris, Dr J.C. Bleeker, Prof. Dr L.J. van Holk.

In de vergadering der Centrale Commissie voor het Vrijzinnig Protestantisme in Nederland, aldus ds B.J. Aris, is het eerste exemplaar aangeboden. De Centrale Commissie heeft met belangstelling kennis genomen van het feit dat de geloofsformuleering in vrijzinnige protestantsche kringen voortgaat. |171a|

Ik onthoud me hier van elke bespreking, doch wijs er alleen op, dat de bijbel hier geheel ontbreekt. Als ik den bijbel losliet, zou ik Jezus Christus ook loslaten, en er niets van gelooven, dat de volheid van Gods openbaring in Jezus van Nazareth gekomen is. Ik zou den naam „Christus” ook als antiquiteit verwerpen. En voorts vraagteekens schrijven, vraagteekens, vraagteekens.




De noodzakelijkheid eener Christelijke logica

Aan de Vrije Universiteit heeft Prof. Dr D.H.Th. Vollenhoven een rectorale rede gehouden over „De Noodzakelijkheid eener christelijke logica”. Bij den uitgever Paris, Amsterdam, verscheen ze in druk b.

Gelijk de schrijver zelf opmerkt, zullen er velen zijn, die de noodzakelijkheid eener christelijke logica niet inzien. Een christelijke wijsbegeerte, nu ja, die gelooven ze wel noodig te mogen of te moeten noemen. Maar dat ook de logica al christelijk moet zijn, wil er bij hen niet in. Dat een steen beweegt-of-niet-beweegt, dat een huis een huis is, daarover zijn toch heidenen en christenen het eens? Moet men nu alles christelijk maken?

Evenwel, wie zoo spreekt, heeft toch niet een juisten kijk op den toestand. Als iets in de laatste jaren duidelijk is geworden, dan is het juist dit: dat ook „de” logica slechts betwiste beweringen doen kan. Reeds heel lang vóór Christus heeft men getracht, aan te toonen, dat haar stellingen lang niet altijd opgaan. En later heeft men wel de voorbeelden, waaraan in de oudheid de betwistbaarheid der logische grondstellingen duidelijk gemaakt werd, opgeborgen in het museum (men maakte er dus leuke denktechnische aardigheidjes van), maar de vragen, waarom het in die bekende logische raadseltjes ging, bleven kwellen. En in de laatste jaren zijn die antieke voorbeelden weer uit het museum gehaald, en worden ze in de wetenschappelijke discussies weer druk besproken. En menigeen zucht: dat men er toch maar niet veel over zeggen kan. Op wiskundig gebied zijn er velen, die verkondigen, dat de logica niets in te brengen heeft dan (’t is een aardige uitdrukking in dit verband) „leege briefjes”; anderen willen die leege briefjes laten volschrijven niet door de beoefenaars van de logica, doch door die van de wiskunde. Weer anderen willen voor alle wetenschappen heelemaal nieuwe „briefjes” schrijven, letterlijk en figuurlijk gesproken. En niet alleen dit. Ook op wijsgerig en „theologisch” gebied worden de grondstellingen der logica in het gedrang gebracht. Onze lezers weten al, dat Prof. Haitjema verdedigd heeft, dat in het geloof A gelijk is aan niet-A. En, afgedacht nu van dezen éénen denker, heel het avontuur der dialektische theologie beweegt zich nog altijd om de vragen van christelijke of niet-christelijke logica, en verklaart op hetzelfde oogenblik, dat ze eigenlijk niets waard zijn. Intusschen gaat men toch door met in die oude vormen te denken, en te „profeteeren”.

We willen slechts zeggen, dat reeds een eenvoudige kennisneming van wat dezer dagen te koop is, duidelijk maakt, dat, wie geen geloof heeft, heusch niet denken moet, dat hij op zijn ongeloovig standpunt nog het recht heeft, te verzekeren, dat een of andere bewering „logisch” juist, en daarom waar is. Dat kan alleen het geloof zeggen.

*

Daarom is het van groote beteekenis, dat prof. Vollenhoven dit onderwerp aangepakt heeft.

Nu kan men het thema zijner rede van twee kanten benaderen. Men kan zeggen: de niet-christelijke pogingen, om tot een christelijke logica te komen, zijn in den loop der geschiedenis telkens mislukt; wij moeten dus als christenen op eigen beenen gaan staan. Men kan zich echter óók geheel en al van de geschiedenis losmaken, en zeggen: Gods Woord leert ons, het ligt erin, dat ook deze uiterst gewichtige wetenschap slechts dàn abc spreken kan, als ze zich gevangen geeft aan het Woord, dat geopenbaard is.

Al heeft prof. Vollenhoven duidelijk uitgesproken, dat hij de laatste redeneerwijze de juiste acht, en al is het voor ieder duidelijk, dat hij als geloovige zijn Heiland belijden wil in zijn wetenschappelijk denken (gehoorzaam zijn), toch heeft hij voor deze rede hoofdzakelijk de eerste der beide zooeven genoemde methoden gevolgd. Hij heeft eerst den strijd in het verleden geteekend, met een bewonderenswaardige kennis van zaken. Dat deel („de strijd in het verleden”) liep uit op de stelling: de pogingen zijn niet gelukt, de synthese tusschen christelijk en niet-christelijk denken tot stand te brengen, dat is mislukt.

Daarna volgt dan: „De les van het verleden”. Hier wordt dan betoogd, dat, nu vroeger de gezochte synthese mislukt is, thans een christelijke logica meer dan ooit noodzakelijk blijkt; in verband waarmee enkele grondlijnen getrokken worden.

*

Voor deze rede van prof. Vollenhoven hebben we grooten eerbied.

Niet alleen om de buitengewoon groote kennis van zaken, welke eruit spreekt. Deze is veel waard, maar voor ons niet het meeste. |171b|

Hoofdoorzaak en voornaamste reden van onze waardeering is, dat hier een man aan het woord is, die met het beginsel der Vrije Universiteit ernst maakt, die toont te verstaan, dat het bloedige ernst is, als we deze inrichting hebben. Hier is de overtuiging levendig, dat het geloof zijn eigen woord te spreken heeft, en dat het over heel het veld van het denken scheiding maakt.

Dat ook op het gebied der logica het geloof zijn eigen wetenschap zoekt, is op zichzelf reeds een geloofsuitspraak. En ze is, als men ze rustig indenkt, reeds daarom, en vooràl daarom, een ernstig verweer tegen de in den laatsten tijd meer dan vermoeiende ongeloovige vráágziekte op wiskunstig gebied en, tenslotte, ook het beste afweerwapen tegen de aartsketterijen van de dialektische theologie.

*

Hier en daar rezen bij mij enkele vragen. Ik geloof niet, dat men bij een zoo scherp denker als prof. V. is, aan een onnauwkeurige zegswijze denken moet, als hij de kerk de kern der menschheid noemt. Natuurlijk kan dat anders bedoeld zijn, dan ik het opvat; maar zóó als ik het meen te moeten verstaan, kan ik het er niet mee eens zijn. Ook de functie-leer van prof. V. ontmoet bij mij, voorzoover ze hier voor den dag komt, bedenkingen. En in de derde plaats is mij niet duidelijk, wat de schrijver bij de bespreking van de verscheidenheden in wat hij noemt den „logischen wetskring” met de wedergeboorte wil. We lezen, dat „uit het hart de uitgangen des levens zijn”, dat dus iemand, die b.v. zichzelf zoekt, de rechte belangstelling voor de wondere verscheidenheid mist, die in woordopenbaring en kosmos valt te ontwaren, dat hij dus zoo tot willekeur vervalt, en dat nu de wedergeboorte redding brengt. Natuurlijk zijn we het daar allen mee eens. Maar ik geloof niet, dat men inzake dit vraagstuk van dezen kant beginnen moet. Ik weet, dat men zich hier op dr Kuypers Encyclopaedie beroepen kan, maar nog steeds acht ik te moeten handhaven, wat ik reeds vroeger schreef, dat op bepaalde punten de palingenesie door dr Kuyper naar voren is gebracht in haar beteekenis voor het denken, daar, waar ik het logisch deduceeren uit de (klaarblijkelijke) openbaring naar voren zou willen schuiven. De gereformeerde belijdenis, die de klaarblijkelijkheid der openbaring zóó krachtig handhaaft, dat ze den onwedergeborene (ook afgedacht van de erfzonde) „niet-te-verontschuldigen” noemt, als hij niet gelooft, heb ik daarin achter mij, naar ik meen. Daarom wil ik niet de palingenesie, maar de openbaring in het bepalen óók van de „verscheidenheden” in den „logischen wetskring” op den voorgrond stellen. Zóó alleen kan ik verklaren, dat de grootste egoist, de duivel — en nu spot ik niet, al denkt misschien De Wekker dat — als hij maar wilde, perfect logica kon doceeren (om „mefistofelisch” te kúnnen doen, moet hij scherp logisch denken), want aan hem is veel openbaring geschied. Zoo alleen kan ik verklaren, waarom de eene ongeloovige met hand en tand vasthoudt aan de logische axioma’s, die de andere ongeloovige met hartstocht verwerpt. Ze hebben als ongeloovigen beiden evenveel „belang” erbij, als die axioma’s konden geloochend worden. Maar niettemin staat de een met prof. Vollenhoven die axioma’s te verdedigen, hoewel hij ongeloovig is, terwijl de ander, eveneens niet-geloovend, ze verwerpt. Ik meen, dat de een scherper aangegrepen is door een openbaringsinhoud dan de ander. En dit zie ik als de voornaamste oorzaak (naast de variatie van den menschelijken geest) voor de verscheidenheid, die er is binnen dezen kring. De vraag, of een denker wedergeboren is, ja dan neen, komt dan voorts te pas in andere verbanden.

Maar ik kan hier niet verder op ingaan, daartoe leent ons blad zich niet. Hoofdzaak is, dat we met grooten eerbied de poging van prof. V. volgen: over heel de linie te willen zijn: een geloovende, die de openbaring (niet de wedergeboorte) haar recht wil geven, gevende daarin God de eer.


K.S.








a.


b. Cf. Dirk Hendrik Theodoor Vollenhoven (1892-1978), De noodzakelijkheid eener Christelijke logica, Amsterdam (Paris) 1932 (rede Amsterdam VU).