„Oppervlakkigheid”? — Wat Christus sprak

in: De Reformatie, dertiende jaargang, Goes (Oosterbaan & Le Cointre) 1932v, 17,130v (27 januari 1933) a



De Wekker schrijft, dat alleen oppervlakkigheid in de geref. pers kon schrijven, dat alleen De Cock tegen gezangen was.

Mij is deze „oppervlakkige” uitlating niet bekend. Iemand anders?




Wat Christus sprak

Heel wat dingen gaan leven, mòeten ook gaan leven, als men ze in levend verband zet met zijn geloof.

Zoo is het ook met de rectorale rede, die prof. dr S. Greijdanus te Kampen gehouden heeft over „het gebruik van het Grieksch door den Heere en zijne Apostelen in Palestina” b.

Dit onderwerp lijkt een beetje afgetrokken, en de rede zelf, dat zeg ik er bij, is als wetenschappelijk stuk natuurlijk niet voor al onze lezers even direct te genieten (al kunnen ze eigenlijk, desverlangd, haar toch wel volgen, wanneer ze een paar grieksche en andere citaten laten loopen). Maar zoodra men bedenkt, dat Christus volgens gereformeerd belijden God is, God in het vleesch, en dat de apostelen degenen geweest zijn, die met Hem waren, en die kerk hebben gediend, waar wij heden bij mogen behooren, wordt de zaak dadelijk anders. Dan wordt het een ontzaglijk ding, b.v., als uw jongen of meisje grieksch mag leeren op het gymnasium; uw kind kan dan niet alleen den bijbel lezen, wat het Nieuwe Testament aangaat, |131a| maar tevens woorden zeggen, nazeggen, indenken, die in den mond van God-in-het-vleesch geweest zijn, indien n.l. Christus Grieksch gesproken heeft. Nietwaar, ook om de dingen zóó te kunnen zien, mag men toch gelooven aan de vleeschwording des Woords.

Prof. Greijdanus heeft in dit geschrift willen aantoonen, dat de Heiland en de apostelen behalve het Arameesch ook het Grieksch gesproken hebben. „Bij het Arameesch als hunne moedertaal, hebben onze Heiland en Zijne Apostelen ook van der jeugd, door het verkeer met Grieksch sprekenden, deze taal leeren verstaan en gemakkelijk gebruiken, zoodat Petrus reeds op den Pinksterdag is kunnen beginnen, den Heere in het Grieksch te verkondigen, en later geen moeite had, te Caesarea aan Cornelius en de zijnen het Evangelie voor te stellen . . . ” (48).

Voor mij heeft deze studie van prof. Greijdanus veel nieuws gegeven, en juist in verband met wat boven aangeroerd werd, ben ik er dankbaar voor. De dingen gaan veel meer voor ons leven, en — hierom wijs ik in dit blad aan deze plaats op prof. Greijdanus’ studie — en, — de bijbel komt dichter naar ons toe. Of liever, Christus komt dichter naar ons toe.

Wanneer, gelijk prof. Greijdanus aanneemt, Petrus in het Grieksch de pinkstertoespraak gehouden heeft, dan hebben we de eerste preek van de christelijke kerk niet in vertaling, maar wat de termen aangaat, in het origineel voor ons. Is dat geen fijne ontdekking?

Wanneer, gelijk alweer prof. Greijdanus met anderen mogelijk acht, Christus het woord palingenesie ter aanduiding van het herstel der dingen in zijn wederkomst zelf letterlijk zoo gebruikt heeft, dan wordt die term mij ineens lief, dan schaam ik me, dat wij de wederkomst van Christus en de wederherstelling der dingen, zoo weinig nog met dien naam „palingenesie” aangeduid hebben, en dan neem ik me voor, bij de eerstvolgende preek over Zondag 22 mijn leven te beteren. Is dat niet fijn, op den preekstoel dan voorzichtig het net zoo te zeggen, als Christus, d.w.z. God in het vleesch, het heeft gezegd? Er is reden, in dit verband weer ons te bedienen van het in anderen zin (wedergeboorte van den enkelen persoon) door dr Kuyper vaak gebruikte, toch bij ons niet ingeburgerde woord: palingenesie.

Als, gelijk prof. Greijdanus waarschijnlijk acht, het bekende gesprek van Christus met Petrus na de opstanding (hebt gij Mij lief?) in het Grieksch gevoerd is, en dit dan opzettelijk, omdat het arameesch niet rijk genoeg was, om de in het verhaal duidelijk onderscheiden begrippen „philein” (liefde als natuurlijke levensfunctie van den op een bepaald moment gegeven mensch) en „agapaan” (liefde in haar geestelijke, ambtelijke, bewuste, zelf zich plaats toewijzende kracht) uit te drukken, wel, dan liggen hier een schat van nieuwe dingen voor ons. Dan hebben wij b.v. een aanwijzing voor onze „gemoedelijkheid”. Ik weet geen gemoedelijker ding, dan dat gesprek, waarbij de tranen in de oogen schieten kunnen. Als wij gemoedelijk zijn, dan vergeten we alle vreemde woorden, vervallen in ons dorpsdialect, verliezen ons systeem, onze overweging, onze zelfbepaling, keeren terug tot den naieven natuurstaat. En vinden dat eigenlijk de ware stichtelijkheid. Als Christus evenwel met Petrus het gemoedelijkste, en privaatste, en ingrijpendste ziel-aansprekende gesprek, bovenbedoeld, opzettelijk voert in het Grieksch, en dus óók Petrus dwingt, de fijne nuance tusschen die twee begrippen aan te voelen, en er op te reageeren, dan heb ik niet alleen een krachtige steun voor de prediking, die deze werkwoorden altijd onderscheiden moet, maar dan heb ik eigenlijk ook — een gewichtige les over de vraag, wat gemoedelijkheid, en wat stichting, en wat het „uur der minne” is. Ik voor mij zou dit graag geweten hebben, toen ik in ons blad, later in „Tusschen Ja en Neen”, schreef over den naieven christenmensch, ik zou er een mooi argument aan hebben kunnen ontleenen. Is het niet een groot ding, te moeten rekenen met de mogelijkheid, dat God in het vleesch, de eenige Harmonische Mensch, als Hij vertrouwd, en gemoedelijk spreekt, in staat is, bewust, systematisch, woorden uit een vreemde taal te kiezen? En dat hij Simon Petrus ook daartoe noopt? Heel de kwestie van naiviteit en reflexie, van spontaan en bewust leven, krijgt door zoo’n enkele opmerking weer nieuwe kleur.

En nu weet ik wel, dat we hier heel weinig met zekerheid kunnen zeggen. Prof. Greijdanus spreekt wat die bepaalde gevallen betreft, ook niet met zekerheid.

Maar dat is nu eigenlijk juist het mooie.

Want nu zijn we aangewezen, niet op een rekensommetje: dit vers is in het Grieksch gezegd, en dit àndere niet, maar nu moeten we rekenen met mogelijkheden. Het is mogelijk, dat Christus die twee woorden van daarnet (philein en agapaan) in het gesprek met Petrus heeft gezegd, opzettelijk, in het Grieksch. Zooals wij wel eens, als we niet-gemoedelijk zijn, en niet-intiem, opzettelijk een onderscheiding in een vreemde taal tot haar recht doen komen.

Dit rekenen met de mogelijkheid geeft bij het lezen van den bijbel aansporing tot nòg grooter |131b| voorzichtigheid, tot nóg nauwkeuriger studie van den „grondtekst”, en tot nóg sterker verlangen naar een nieuwe bijbelvertaling.

Als uw jongen, uw meisje Grieksch leert, dan leert hij (zij) de taal, waarin naar prof. Greijdanus aanneemt, behalve het „gemoedelijkste” gesprek (zoo goed als zeker) het „vreeselijkste” gesprek vóór de vernedering gevoerd is: het onderhoud tusschen Christus en Zijn rechter, Pontius Pilatus. Nieuwe eerbied voor die taal, nieuwe stof ook voor de overweging van Christus’ lijden. Als het òns benauwd wordt, als òns het gericht, of het Gericht overvalt, dan zijn wij, al weer, geneigd in ons dialect terug te vallen. Dan verliezen wij onze zelfbeheersching. Maar Christus heeft dan tot Pilatus moeten spreken, in een taal, die van zijn menschelijke natuurlijkheid bewust nadenken, voorzichtigheid, systematische woordkeus vroeg. Dat Christus bewust gesproken heeft, zonder ooit in de positie van den naieve, den gedrevene, te vervallen, dàt wisten we al; dat ligt reeds opgesloten in het geloof, dat zijn offer bewust geschied is, vòl-bewust. Maar het mooie is, dat wat ik als geloovige al wist, nu nader geïllustreerd wordt, in de feiten, ook van de taal, zich daarin openbaart.

Om deze redenen mogen wij dankbaar zijn, dat prof. Greijdanus op dit punt eens het licht heeft laten vallen onder ons.


K.S.








a.


b. Cf. Seakle Greijdanus (1871-1948), Het gebruik van het Grieksch door den Heere en zijne Apostelen in Palestina, Kampen (J.H. Kok) 1932.