Een vervolg op Assen

in: De Reformatie, dertiende jaargang, Goes (Oosterbaan & Le Cointre) 1932v, 11,82; 13,98; 17,130 (16 december 1932 — 27 januari 1933) a



I.

De geschiedenis der Asser Synode heeft nog geen einde. Schreef ik verleden week, dat ze met den dag aan beteekenis wint (omdat ze tegenover de huidige probleemstelling in de theologie al |82c| duidelijker een tijdwoord blijkt gesproken te hebben, wat ieder onbevooroordeelde, hij moge het met haar eens zijn of niet, zal moeten toegeven), thàns is te melden, dat men zich nog nader over haar werk bezinnen kan. Immers, er is een boek gekomen, dat rechtstreeks de in Assen aan de orde gestelde vragen behandelt. Niet op onderdeeltjes (wat het „ongeluk” geweest is van het toen gevoerde wetenschappelijke discours, dank zij den historischen loop der dingen, die menig oog beneveld heeft) doch in groot verband, in samenhang met algemeene vraagstukken van openbaring, Schrift, profetie, schepping, ja, van Genesis 1 tot 3.

Dit boek is van de hand van Prof. Dr G.Ch. Aalders. Het is verschenen bij de N.V. Uitg. Mij J.H. Kok, te Kampen, en heet: „De goddelijke openbaring in de eerste drie hoofdstukken van Genesis”.

Ik mag wel verklappen, nu, dat ik iets afwist van de komst van dit werk. Juist daarom heb ik af en toe enkele gedeelten van artikelen, die Prof. Aalders in het Leidersblad schreef, hier in Persschouw opgenomen, omdat ik vermoedde, dat zij fragmenten uit het komende werk behelsden, en ik zoo de belangstelling reeds kon wekken voor zijn inhoud. Ik heb zelfs eenige weken geleden nog een artikel uit het Leidersblad voor Persschouw geknipt, maar intusschen is de uitgever voor den dag gekomen, en kan ik het niet meer plaatsen.

Hiermee is reeds gezegd, dat dit werk van prof. Aalders in breede kringen belangstelling verdient.

Rondom Assen toch liggen wolken van misverstanden, nog steeds.

Dat thans een werk gegeven wordt, waarin van gereformeerd standpunt de algemeene, „breedere” vragen, die Assen beheerscht hebben, rustig besproken worden, ver van den „kruitdamp”, dat is voor de gereformeerden een weldaad, omdat zij des te beter inzicht kunnen krijgen in wat nog steeds voor hun verantwoording ligt, en het is voor de buitenstaanders een aansporing, zich nog eens rustig af te vragen, of men Assen wel af kan doen met enkele algemeenheden, en hooge beweringen.

Ik hoop op het werk nog terug te komen.




II.

Het boek van prof. Aalders heeft voor wie in onze kerkelijk-theologische samenleving bewust zijn plaats innemen, en nog eens weer bepalen wil, reeds enkel door de breedheid van zijn stof groote waarde en opvoedende kracht. Het valt immers |98b| niet te loochenen, dat in de dagen van Assen velen op een dwaalspoor gebracht zijn, wijl ze alleen maar oog hadden voor den buitenkant der daar ter sprake gebrachte kwestie. Het ging voor hun begrip over een „slang” en over „een paar boomen”; maar dat achter die twee een ontzaglijk vraagstuk lag, begrepen ze niet. Nu heeft Prof. Aalders in dit nieuwe boek de vragen van Genesis I-III in het algemeen gesteld. Gesproken wordt niet slechts over die twee bizonderheden, doch over het vraagstuk der openbaring in algemeen en bizonder opzicht. Eerst komt de schepping aan de orde. Hierbij wordt gehandeld over het „dat” en het „hoe” der openbaring, waarbij tegen de ethischen en de „Zwitsers” de positie afgeteekend wordt. In verband hiermee krijgt ook het vraagstuk der openbaring voor de opteekening een beurt, en de nawerking van de scheppingstraditie onder de volken, het oude vraagstuk ook van Babel en Bijbel over de schepping, alsmede de verhouding tusschen Egypte en de Bijbel.

Dan eerst wordt — en ook hier wordt weer een breede behandeling van het algemeene vraagpunt telkens vooropgesteld — het materiëel gedeelte van dit eerste hoofddeel over de schepping gegeven.

Na algemeene beschouwingen wordt gehandeld over schepping en wereldbeeld, over Schepper en schepping, de scheppingsdagen, de orde der schepselen, den mensch. Dit alles vormt de inleiding en het eerste hoofddeel over de schepping. Het tweede hoofddeel daarna bespreekt paradijs en val. Weer wordt ook over deze onderwerpen dezelfde reeks van formeele vragen gesteld en beantwoord, als in betrekking tot de schepping gebeurd is, en wordt in het hierna volgend materiëel gedeelte gesproken over de verschillende opvattingen van het paradijsverhaal als geheel, over de ligging van het paradijs, de beide boomen en het proefgebod, de slang, val en vonnis.

Een volgenden keer hopen we nog iets over dit rijke boek te zeggen.




III.

Tot mijn spijt werd ik gedwongen, dit laatste artikel over het nieuwe boek van prof. Aalders eenige weken te laten wachten.

Nu het er thans van komen kan, moge ik met enkele opmerkingen mijn hartelijke aanbeveling van dit boek in de belangstelling van de lezers nog versterken.

Want wat ik voor enkele weken schreef, dat n.l. „Assen” bij den dag belangrijker wordt, dat meen ik nog ten volle. Over dat woord is in het weekblad „Woord en Geest” naar een bekend recept een beetje gespot; de man, die het deed, scheen niet te begrijpen, dat hij daarmee zijn eindredacteur en heel de kerkelijke samenleving, waarin hij zich om „Assen” begeven heeft, feitelijk in een hoek duwde. Als ik zeg, dat „Assen” steeds belangrijker wordt, dan is het natuurlijk duidelijk, dat daarmee niet de personen bedoeld zijn, die er vergaderd hebben, of de rapporten, die er ingediend zijn, voorzoover ze al of niet op wetenschappelijke argumenten hun conclusie gaven, maar alleen, wat ieder voelt, dat de daar behandelde kwestie met den dag meer in het leven ingrijpt, met den dag meer actueel wordt. |130c|

Want de in Assen het geding beheerschende kwestie was er een van de verhouding van Schrift en Woord Gods, van oergeschiedenis (om dit licht misverstane woord te bezigen) en hedendaagsche geschiedenis, van goddelijken en menschelijken factor van openbaring en wetenschap, van openbaring en wijsbegeerte, van heilsfeit en heilsverkondiging, van evolutie of schepping, van evolutie of openbaring, van menschelijke zelf-ontwerpen in heilige boeken dan wel van Goddelijke neerbuigende openbaringsdaad. En zoo voort. Deze vragen nu komen meer en meer in het middelpunt der belangstelling te staan; wel zijn er theologen, die in hun populaire lectuur (bladen) de kwestie niet zoo gretig bij den naam noemen en ze niet graag zóó scherp stellen, en die dan zich in nevelen hullen, als het erom gaat, duidelijk te maken, wat die Gereformeerden nu eigenlijk willen, en wat zij er tegenover te stellen hebben in de nuchtere practijk, maar dit schuilevinkje spelen zal toch niet altijd kunnen voortgaan, en wordt straks doorzichtig genoeg. Deze kwesties zijn er; en ze zijn aan de orde gesteld in breed verband, ook in kringen, die met Assen niets te maken hebben en er niets van weten. Hoe dwaas het was, dat „Woord en Geest” met deze uitlating den spot dreef, is duidelijk, als ik verklaar, dat ik even goed had kunnen zeggen: „de kwestie-Geelkerken wordt met den dag belangrijker”. Is het zoo goed?

Daarom is het boek van prof. Aalders een aanwinst van beteekenis.

Want wat mij juist uit dit oogpunt zoo belangrijk toeschijnt is dit, dat de auteur zich niet vergenoegd heeft met een gereformeerd gedachte interpretatie van de teksten uit Genesis I-III, of een bespreking van de daarbij zich op den voorgrond dringende kwesties, die dan „moeilijkheden” opleveren, en dat hij zich evenmin heeft gemaakt tot een apologeet, die, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, den overgeleverden traditioneelen denkinhoud tegen aanvallen vrijwaart, en die dan straks met een benepen gezicht concludeert, dat het dus „heusch zoo gek nog niet is, te gelooven”, maar dat prof. Aalders, vóórdat hij thetisch uiteenzet, wat hij van de bekende bijbelteksten en van de bedoelde vraagpunten als Gereformeerde denkt, eerst ronduit zegt, waar het eigenlijk op aan komt, wat er aan algemeene vragen van openbaring en geloof, etc., etc. achter al die „bizonderheden” liggen.

Dàt is voor mijn besef de grootste waarde van het boek.

Want daarom is het, behalve een vervolg op Assen (in de concrete behandeling der daad gestelde kwesties) eigenlijk ook een nadere Begründung van Assen.

Assen heeft het ongeluk gehad, dat het conflict op een paar „bizonderheden” werd toegespitst, en dat dus de synode, die immers geen theologische conferentie, maar een uit het leven zelf opkomend geschil behandelend college was, wel gedwòngen werd, voor die „bizonderheden” alle aandacht te vragen, en dáárover ten slotte speciaal te spreken. De oppervlakkigheid van het lezend publiek, die over openbarings-vragen gauw heenloopt, maar over „een slang” en een „paar boomen” vlot praatstof vergaren kan, deed de rest, om den indruk te vestigen, alsof de zaak afgehandeld was met een exegese van bepaalde teksten. Dat was wel jammer, maar het feit lag er eenmaal toe.

En nu doet prof. Aalders’ werk weer dezen dienst aan ons volk, dat hij dwingt, aandacht te geven aan die algemeene, heel het probleem van Assen beheerschende vragen. Vóórdat de hoogleeraar van wal steekt met de bespreking van die bepaalde „punten”, snijdt hij eerst met groot geduld die algemeene vragen aan.

Zijn boek is daardoor voor den lezer van te grooter waarde geworden. En het is in waren zin opvoedend. Het verlost ons van de „wereldgelijkvormigheid”, die de zoowel pro als contra Assen pratende gemeente in haar debatten voor een deel beheerscht heeft.


K.S.








a.


b. Cf. Gerhard Charles Aalders (1880-1961), De Goddelijke Openbaring in de eerste drie hoofdstukken van Genesis, Kampen (J.H. Kok) 1932.