Nog eens: wereldbeeld of niet? — „Sola Fide”

in: De Reformatie, dertiende jaargang, Goes (Oosterbaan & Le Cointre) 1932v, 1,2v (7 oktober 1932) a



De redactie van „Woord en Geest” plaatst een artikel, waarin door den heer G.J. de Nie teruggekomen wordt op mijn (op verzoek) gegeven beantwoording van zijn klacht, dat Prof. Aalders „zichzelf bedroog” door te loochenen, dat de bijbel een wereldbeeld geeft.

Terwille van hen, die met dergelijke vragen van Schrift en Schriftgezag zich bezighouden, geef ik nog even bescheid.

De inzender in „W. en G.” beweert thans, dat, wanneer hij zeide: „de bijbel spreek zich uit over . . . (kosmografie, religie enz.)” het voorzetsel „over” hier beteekent „aangaande”, „wat betreft”, „wat ligt op het terrein van”, of iets dergelijks. En hij vraagt, of ik dit niet begreep. |2c|

Ik begreep slechts dit, dat men moet beginnen te onderstellen, dat iemand weet, wat hij zeggen wil. Indien evenwel de inzender thans al zijn voorzetsels met elkaar stuivertje wisselen laat, begrijp ik alleen nog maar dit ééne, dat hij zijn eerste bewergingen zakelijk terugneemt. De bijbel geeft b.v. heel wat uitspraken die „liggen op het terrein der opvoeding”. Maar hij geeft nergens een paedagogiek.

De Schrift spreekt zich bijna op iedere bladzijde uit in verband met den mènsch; maar ze geeft op geen enkele bladzijde uit een leer van den mensch, een mensch-kunde, een wetenschappelijk, systematisch ontwerp van den uit de dogmatiek bekenden locus de homine, leer over de mensch.

Zoo staat het ook met de kwestie van het wereldbeeld. Als de inzender in „W. en G.” zijn probleemstelling niet handhaven kan — het ging immers over de kwestie of de bijbel een systematisch opgebouwd wereldbeeld geeft — waarom zegt hij het dan niet?

Naast Gen. 1 : 7 (welke tekst volgens Schr. een wereldbeeld geeft) noemt de Schr. thans nog Ps. 104 : 3 en 5. Hij beweert dat die uitspraak strijdt met onze hedendaagsche natuurbeschouwing. Ik denk, dat heel wat natuurbeschouwers daar smakelijk om zouden lachen. Een hoogleeraar in de „kosmografie” wordt toch niet afgezet, als hij in zijn vacantietijd op Scheveningen zegt: ik zag vanavond de zon prachtig ondergaan? Hoewel hij doceert, dat de zon eigenlijk niet „ondergaat”? Als hij dan bovendien nog dichter was, en den zonsondergang „in dicht” bezong, zou ieder zich belachelijk maken, die in ’s mans poëzie naar een „wereldbeeld” ging zoeken, of verklaarde, dat het met eenige wetenschap „streed”. Moeten we de dichterlijke boeken van den bijbel als wetenschappelijke handboeken aanzien? Meent de redactie van W. en G. dat?

Dat de bijbel wetenschap geeft, toont de schrijver voorts nergens aan; en daarover loopt het alleen.

Eindelijk: een anecdote moet nu de onbezette plaats der argumenten innemen. Fruytier wordt geciteerd. De „De Reformatie” zou beantwoorden aan de teekening die Fruytier ontwerpt van degenen die den bijbel „alleen bequaam” achten, „om Zede-lesjens te leeren”, — dat laat de zeergeleerde Redactie van Woord en Geest heúsch drukken.

Omdat tenslotte inzender probeert, de door prof. Aalders gegeven opmerking als „cartesiaansche ketterijen” voor te stellen, laten we Calvijn maar eens spreken. En dan wel over de beide bijbelplaatsen, die Woord en Geest den inzender naar voren laat brengen. Men kan ’t krijgen, zooals men ’t hebben wil . . . .

In zijn exegese van psalm 104 : 3 merkt Calvijn al dadelijk op, dat heel dit vers een uitbreiding is van wat de dichter in beeldspraak (figuraté) had opgemerkt over Gods kleed (vs. 2).

Beeldspraak is dus volgens Calvijn heel dit vers. En zouden we nu ten gerieve van propagandistische anti-Assen-lectuur ons moeten laten opdringen, dat het ongereformeerd is, te beweren, dat hier geen systematisch ingedacht wereldbeeld wordt „geleerd” door de Schrift? De uitdrukking van vs 3 in den psalm heet bij Calvijn een metaphora, ook: een hyperbool, die dus niet bedoelt een systeem van gedachten (wereldbeeld) uit te spreken, doch slechts de heilige verwondering (admiratio) wil opwekken, juist wijl de zaak zelf onbegrijpelijk is (incomprehensibilis). En wat vs. 5 in denzelfden psalm betreft, wel meent Calvijn, dat hetgeen daar gezegd wordt, met de ervaring (experientia) volkomen overeenkomt (m.a.w.: tusschen wat de Schrift zegt, en wat werkelijk feit is, kan, als men elk Schriftwoord naar zijn eigen aard uitlegt, geen strijd zijn), maar overigens ziet hij in den tekst een leerregel over de regeering Gods, die de aarde haar plaats wijst, en op haar oppervlak water en vast land scheidt, naar Zijn behagen. Wat dus leerregel is in den tekst, heeft met „experientia” niets te maken, doch is geloofsstuk; en wat over de experientia gezegd wordt, is geen wetenschap, geen kosmografie”. In dien stijl gaat Calvijn verder; in vs. 6 ziet hij ook weer een „metaphora”.

Hoe goedkoop de redeneering in „Woord en Geest” toch eigenlijk is, blijkt wel, als men Calvijn leest op den in „Woord en Geest” als wereldbeeld ontwerpend aangehaalden tekst Gen. 1 : 7. Inzake de scheiding tusschen wateren en wateren merkt hij op, dat hij er zéker van is (certum principium est), dat daar alleen gesproken wordt van de zichtbare gedaante (forma) der wereld; astrologie en andere verborgen wetenschappen, zegt hij, moet men niet hier, maar desverlangd elders zoeken. Gods Geest heeft hier allen zonder onderscheid willen onderwijzen; wat paus Gregorius ten onrechte van de beelden opmerkte, dat zou terecht van Genesis 1 (de scheppingsgeschiedenis) kunnen gezegd worden: dat het n.l. een boek is voor de leeken, de eenvoudigen (idiotarum). Zóóver is Calvijn van de Woord-en-Geest-tractaten over een wetenschappelijk wereldbeeld verwijderd, dat hij in overeenstemming met het voorgaande, de „wateren” niet anders op wil vatten, dan „ook” (!) de eenvoudige, |3a| ongeleerde, onwetenschappelijke bijbellezers het doen (rudes et indocti). Met „wetenschappelijke” termen opereert dus volgens Calvijn de bijbeltekst niet; wie dat er uit haalt, die begaat volgens Calvijn een ernstige hermeneutische fout. De schrijver van Genesis 1 koos zijn woorden uit het ongeschreven lexicon der niet-wetenschappelijke (iets anders, blijkens het boven geciteerde „óók”, quoque, dan anti-wetenschappelijke) bijbellezers, tot wie hij te spreken had.

Ja, Calvijn noemt het zelfs een onrecht, gepleegd aan den bijbelschrijver, als sommigen, met een beroep op hun „geloof”, wetenschappelijke beweringen afleiden uit dit vers. De tekst is toch concreet-aanschouwelijk genoeg? 1) En dan leest Calvijn in dit vers verder iets heel gewoons: het gaat over de wolken, den dampkring, zegt hij, en nergens anders over.

Heel deze proeve van exegese bewijst, dat Calvijn uitgaat van de dubbele gedachte: a) geen wetenschap wordt gedoceerd, ook geen kosmografie; anderzijds: b) met feiten kan de bijbeltekst niet strijden. En verder: men moet geen natuurwetenschappelijke bril opzetten, nòch om met een beroep op zijn bijbelgeloof wetenschappelijk theorieën te verkondigen, die ten onrechte rechtstreeks aan de Schrift ontleend heeten (wijl ze geen wetenschap rechtstreeks doceert) noch — en hier raken we de kwaal van Woord en Geest — om de Schrift eerst te laten zeggen, wat ze niet wil gezegd hebben (wetenschappelijke uitspraken) om dan te constateeren: ja, maar dat kàn toch niet.

Zoo sprak Calvijn; en de misverstanden van sommigen, die nog nooit de probleemstelling van Assen hebben begrepen, behoeven ons niet te verleiden tot een prijsgeven van deze allereenvoudigste oer-gereformeerde, van Calvijn tot Aalders doorloopende, lijn.




„Sola Fide”

Met een enkel woord willen we nog even wijzen op het onder hierboven afgedrukten titel verschenen geschrift 2), waarin dr J.G. Ubbink andermaal getracht heeft, een terugblik te (doen) werpen op den gang van zaken, met betrekking tot het kerkelijke proces, dat zich gericht heeft tegen zijn poging tot vereeniging van zijn denkbeelden met den inhoud van wat een gereformeerd predikant krachtens bekomen bevoegdheid binnen het raam van het vrijwillig aanvaarde onderteekeningsformulier leeren mag.

Het is niet onze bedoeling, hiervan een breede bespreking te geven. We hebben ons indertijd reeds breed genoeg uitgesproken. Het verwondert ons niet, dat dr Ubbink nog aan zijn denkbeelden vasthoudt. Het bevreemdt ons van hèm wél eenigszinds, dat hij met geen enkel woord terugkomt op zijn onjuiste bewering, dat in het rapport, ingediend ter synode inzake de uitbreiding der belijdenis, een beschouwing gegeven werd, die het gezag der Schrift afhankelijk maakte van dat der kerk. Ik meen met letterlijke citaten aangetoond te hebben, dat dr Ubbink hier ten eenenmale onjuist geciteerd heeft, dat hij dit rapport het omgekeerde heeft doen zeggen, van wat er duidelijk in stond. Hoewel zijn onjuist citeeren in de gereformeerd-vijandige pers tot betreurenswaardige kommentaren aanleiding gegeven heeft, omdat men op dr U.’s vergissingen verder bouwde, heeft dr U., zoover mij bekend is, met geen enkel woord zijn vergissing erkend.

Er is echter één ding, waarop ik hier nog wijzen wil; dat is: het voortdurend stellen van onjuiste dilemma’s in dit nieuw geschrift.

1) Daar is allereerst zijn grondleggende tegenstelling tusschen „meening” en „werkelijkheid”. De „meening”, zegt dr U. is dikwijls verkeerd; tegen die verkeerde „meeningen” botst dan de „werkelijkheid”, „die daadwerkelijken tegenstand biedt aan onze dwalende meening, en zoo haar dwalen ons doet kennen” (bl. 12). Dr U „meent” nu, dat hij gestreden heeft tegen verkeerde „meeningen”, meer niet; en dat nu de „werkelijkheid” als getuige aan zijn zijde staat.

Maar wij kunnen deze „meening” niet deelen. Omdat wij — tenzij dr Ubbink een ander begrip van de „werkelijkheid” hebben mocht, dan in dit vraagstuk onder gereformeerden eigenlijk alleen aan de bespreking ten grondslag gelegd worden mag, — tusschen „meening” en „werkelijkheid” nimmer die verhouding kunnen zien, welke dr U. tusschen die beide stelt. „Meeningen” b.v. op natuurwetenschappelijk gebied kunnen strijden, en blijken te strijden, met de zintuigelijk waargenomen „werkelijkheid”. Maar in de kwestie van Schrift en kerk en belijdenis hebben wij zùlk een „meening” en zulk een „werkelijkheid” nimmer. Men versta ons wel: natuurlijk denkt dr U. er niet aan, over zùlke „werkelijkheid” hier te spreken. Hij heeft het over de werkelijkheid in den breedsten |3b| zin van het woord. Wij geven dan ook onmiddellijk toe, dat „meeningen” van ons kunnen botsen met de werkelijkheid, gelijk God ze ziet. Alleen maar: om dit vast te stellen, hebben wij over die werkelijkheid het onderricht der openbaring noodig. Deze toch leert alleen de werkelijkheid werkelijk kennen.

Wat in de kerk als kerk „gemeend” wordt, moet op de openbaring zich gronden. En deze openbaring gaat juist uit van de gedachte, dat haar inhoud niet uit eenige „werkelijkheid”, die binnen onze wetenschappelijke waarneming zou liggen, valt af te leiden. De openbaring wil niet anders dan „dwaasheid” en „ergernis” zijn voor wie de aanschouwelijke werkelijkheid, zònder al zijn meeningen te onderwerpen aan het Woord, mocht willen oproepen als getuige voor zijn „meeningen”, oude of nieuwe. Er is dan ook geen conflict tusschen „meening” en „werkelijkheid” in geding, als dr U. met de Geref. Kerken een strijd heeft; alleen is aan de orde de vraag, of zijn, dan wel ònze „meening”, los van alle voor oogen zijnde werkelijkheid, zich onderwerpt aan het Word, dat zijn „werkelijkheid” alleen bewijst voor wie gelooft-en-niet-ziet. Slechts na dit geloof ziet de „meening”, en dan alleen voorzoover zij gelooft, haar inhoud als „werkelijkheid” uit God. Het conflict, het dilemma is niet „meening-werkelijkheid”, niet eens — hoewel deze probleemstelling van den ouden Gunning dieper, wijl hier concreter, „werkelijker”, was — „meening-beginsel”, doch „meening-Woordopenbaring”.

2) Een tweede dilemma, waarmee dr U. het debat termineeren wil, is dat van: „leer-nood” of „kerk-nood”. Dr U. klaagt erover, dat men in de bestrijding van zijn „meeningen” alleen maar og had voor den „leer-nood”; hij daarentegen stelde het vraagstuk aan de orde van den reëelen „kerk-nood”. „De werkelijkheid van den kerk-nood, en niet maar de gedachte-afwijking van een bestaand formulier” (bl. 16).

Maar ook dit dilemma aanvaarden we niet; de tegenstelling is onzuiver, is zonder zin. Want in de kerk, die leeft bij de Woord-openbaring, is de „leernood” onmiddellijk kerk-nood. Juist wijl de kerk, die kèrk is, alleen leven kan bij het geopenbaarde Woord, en wat dit Woord zegt, in leer- (wijl denk-)vorm moet uitspreken, ten bewijze, dat de eigen „meeningen” van het „vleesch” (1 Cor. 2) onderworpen zijn, met tuchtiging, aan de gezaghebbende waarheid van God en Gods Woord, — juist daarom is de „nood” der kerk geen andere, dan dat zij de „leer” in vreeze en beven houde naar het Woord. Men kan geen kerknood isoleeren van leernood; zoodra immers de leer, en vooral de manier, waarop men tot „leer” kòmt, in de „kerk” niet zuiver meer gesteld en verkregen wordt, is daar een aller-reëelste kèrknood. Dan is zelfs heet wèzen der kerk rechtstreeks in „nood”.

3) Het derde dilemma van dr Ubbink is dat tusschen „crimen” of „crisis”, d.w.z. — ik gebruik zijn eigen weergave —: „misdaad” of „wending”. De Boeren van Transvaal, de vaderen in Nederland, die Prins Willem volgden, de man, die bij een overstrooming de boot van een ànder neemt, om een gezin te redden, ze begaan volgens dr Ubbink, wel een „crimen” (misdaad), zoolang men ziet uit het standpunt van de Engelsche, de Spaansche regeering, de overheid, maar verstandigen zien, dat zij in een „crisis” stonden, en krachtens die crisis hebben gehandeld volgens hoog gebod. Zoo heeft men ook ten onrechte dr Ubbink’s boek als „crimen” (misdaad) gezien, volgens de versleten logica van de zittende „regeering”; maar dr Ubbink had er, vindt hij, toch recht op gehad, als levend getuige, en werker, in „crisis”-tijd te worden gezien en bejegend.

Ook hier aanvaarden wij de tegenstelling niet. Wij zouden kunnen wijzen op dr Ubbink’s eigen onderscheiding van „meening” en „werkelijkheid”. De Boeren streden tegen de „meening”, welke het vigeerende besluitenboek — die wèrkelijkheid — van Engeland’s politiek beheerschte; niet tegen de „werkelijkheid”, meenden zij, van „Gods recht”, waarnaar alle „meening” (ook van Engelsche besluitenboeken) moest herzien worden. En ze hebben zelfs menige letter van Engelands werkelijke wetboeken nog op hun hand gehad. Met de Geuzen achter Willem stond het evenzoo. Christus heeft ook duidelijk geleerd 3), dat de man, die een boot van een ander neemt, in doorbraak-nood, niet botst met de werkelijke wèt van God, waarschijnlijk evenmin met de wèrkelijke wet van beneden, doch den zin der wet en de geheelheid van haar letter volbrengt. In de wet ligt een tendenz niet slechts, maar ook een duidelijke uitspraak, dat zùlk een optreden overeenkomstig den zin en ook overeenkomstig de letter der wet is, de letter der wet als geheel. „Crisisbreekt geenwet”; kan hoogstens „aanleiding” (!) zijn tot het wederom stellen van de vraag: drukt de door menschen geteekende wet Gods wil zuiver en volledig uit? Daarom hebben we met de „crisis” niets te maken („een” disputabele „werkelijkheid”), als wij dr Ubbink’s „meeningen” willen toetsen. Want voor „crisis”tijd, zoo goed als voor (schijnbaar) rustige tijden, geldt de letter der wet, die God gaf; ze heeft voor àlle gevallen haar vasten, duidelijken regel gegeven. Wie een door menschen |3c| vervalschte of onvolledig gelaten „letter” der wet op „wettige” (reformatorische) wijze ont-dekt, d.w.z. de „meeningen” van zich en de anderen toest aan de letter der wèrkelijk gegeven openbaring van God, die doet daarin, en daarin alleen, waarlijk „critisch” werk, „crisis”-werk. Maar de „crisis” rechtvaardigt nooit. Nood breekt nooit wet. Rechtváárdiging geeft, in en buiten wat onze „meening” als „crisis” ziet (onze „meening” vergist zich hier onophoudelijk!) alleen de door Woord-openbaring gekende, duidelijke wèt van God. De regel dus, die voor àlle tijden voorzag. Háár handhaving, is waarachtig crisis-werk. Heeft dr Ubbink gelijk gehad met zijn stellingen, dàn deed hij daarin crisis-werk. Maar dat was dan alleen kenbaar door het Wóórd. Wat onze zenuwen als „crisis” betitelen, is vaak heel wat anders. De groote vraag is dus alleen: strookt dr Ubbink’s werk, in inhoud en methode, met het uitgedrukte Woord?

4) Daarna spreekt dr Ubbink nog over de inderdaad werkelijke tegenstellingen van „vleeschelijk of geestelijk”, „leugen of waarheid”, en over de derde (die slechts tegenstelling is, indien „mensch” hier beteekent „natuurlijke” mensch): „mensch of God”. Hij tracht telkens aan te toonen, dat zijn opponenten „vleeschelijk” handelden, de „waarheid” niet dienden, den „mensch” zich lieten verheffen tegen God.

De hier dan aan vastgeknoopte betoogen gaan evenwel steeds weer terug op de boven door ons afgewezen grond-tegenstellingen; argumenteeren niet op de „werkelijke” basis van de door dr U. vrijwillig aanvaarde belijdenis, en „werkelijk” onderteekend formulier van onderteekening, en zouden dus door ons alleen bestreden worden, indien wij gingen herhalen wat uitvoerig reeds besproken werd.

5) Het is goed, op deze tegenstellingen even te wijzen, omdat ze den gedachtengang van dr U. onophoudelijk beheerschen, en daarin den ontwikkelingsgang van zijn denken doen zien.

Dezen te zien, beteekent een mogelijkheid, om den „werkelijken” dr U. te verstaan, in zijn „meeningen”, en hem als persoon alleszins te blijven houden voor iemand, voor wien men het goede zoekt. Maar het bevestigt tevens de „meening” van wie gelooven, dat hij de „werkelijkheid” van het predikantschap (het ambt) in de gereformeerde kerken heeft miskend door verwarde „meeningen”.

In dit geding tusschen zijn en ònze „meening” heeft alleen de Woord-openbaring te beslissen.

En wie het anders wil, begaat een „crimen” tegenover de „kerk”. Een wèrkelijk crimen tegen de wèrkelijke wèt van den wèrkelijken God. Die tot spreken bewogen God staat boven alle meeningen; maar verbiedt ons daarom ook o.m. de „meening”, dat er geen „vaste” „meeningen” kùnnen zijn; m.a.w., dat Hij openbaring zou hebben gegeven, die niet „voldoende” (sufficient) zou zijn tot het vestigen van geloofs-meeningen, en tot neerwerping van „vleeschelijke meeningen”.


K.S.






1. Unde statuo, aquas hic intelligi quas rudes quoque et indocti perspiciant. Quod enim quidam se fide amplecti dicunt quod hic legunt de aquis supercoelestibus, utcunque eas ignorent, Mosis instituto non est consentaneum. Et vero rei apertae et expositae supervacua est longior inquisitio.


2. Uitgave Veenman & Zonen, Wageningen.


3. David en de Toonbrooden!




a. Cf. ‘Nogeens: Wereldbeeld’, De Reformatie 13 (1932v) 4,27 (28 oktober 1932).