Boekbespreking

in: De Reformatie, negende jaargang, Goes (Oosterbaan & Le Cointre) 1928v a



nummer 10,79 (7 december 1928)

„The Evangelical Quarterly.” A Theological Review, international in scope and outlook, in defendence of the historic christian faith. Published by James Clarke & Co., Ltd., 9 Essex Street, London, W.C. 2, and W.F. Henderson, George IV Bridge, Edinburgh.


Voor onze Engelsch verstaande lezers geef ik op verzoek van prof. Maclean ook in ons blad een aankondiging van bovengenoemd tijdschrift. Het is nog niet verschenen; want de eerste aflevering zal eerst worden gegeven in Januari 1929. Deze eerste aflevering zal dan o.m. artikelen bevatten van Rev. Prof. Caspar Wistar Hodge (Princeton); Rev. Prof. W.M. Alexander (Edinburgh), Rev. H.C. Morton (Ewell, Surrey), Rev. Dr Emile Doumergue (Montauban), Rev. A.P. Gold-Levin (Downton, Wilts). Tevens boekbeoordeeling en overzicht van litteratuur.

Wat de bedoeling is van deze nieuwe periodiek, wordt door den titel, nader zichzelf verklarende, duidelijk aangegeven. De bedoeling is wel allereerst uiteenzetting en verdediging van de gereformeerde, calvinistische gedachte, naar historischen ontwikkelingsvorm. En daar is in onzen tijd groote behoefte aan; de naam van Calvijn wordt in den laatsten tijd opgevorderd voor heel wat ideeën, die met Calvijns dogmatische structuur en met den historisch gegeven en duidelijk aanwijsbaren ontwikkelingsgang van het Calvinisme ten eenenmale strijden; en dat de usurpatie van den naam van Calvijn en de dekking van in wezen ongereformeerde lading met de calvinistische vlag soms op zeer lichtvaardige gronden en met zeer onvoldoend beroep op den naam van Calvijn meermalen geschiedt, dat leert — om maar bij Nederland te blijven — de jongste arbeid van prof. dr Haitjema wel; ik denk hier aan zijn poging, om voor eigen gedachten, en voor die van Karl Barth, den naam en een enkel uit Peter Brunner overgenomen, en, mèt hem, misverstaan, citaat uit Calvijn te annexeeren. Ik behoef hier niet meer over te zeggen na alles wat prof. dr A.G. Honig in „De Bazuin” heeft geschreven over deze zaak; en na wat ik zelf in „De Reformatie” er over gaf. En daar komt nog bij wat prof. Cramer publiceerde, en zoo voort. Doch er is meer. Het tijdschrift, boven aangekondigd, wil ook internationaal zijn. Het bedoelt calvinisten van onderscheiden bodem tot elkaar te brengen en dezelfde rostra te doen bestijgen. Reeds worden als medewerkers genoemd de volgende personen uit het buitenland:

Rev. Professor W.M. Alexander, M.D., D.Sc., D.D., Free Church College, Edinburgh; Rev. Professor O.T. Allis, Ph.D.., Theological Seminary, Princeton; Basil F.C. Atkinson, Esq., M.A., Ph.D., Under-Librarian, University Library, Cambridge; Rev. W.L. Baxter, D.D., late of Cameron, Author „Sanctuary and Sacrifice”; M. le Pasteur Leon Bouillon, Lic. es Lett. et Phil., Montauban; Rev. Professor J.K. Cameron, M.A., Free Church College, Edinburgh; M. le doy. hon. Dr Emile Doumergue, Facult. Theol., Montauban; Rev. J.M.B. Duncan, M.A., B.D., Bengali Expert, Edinburgh; David Hay Fleming, Esq., LLD., Historian, Edinburgh; Rev. A.P. Gold-Levin, LL.D., D.Litt., F.R.G.S., Downton, Wilts; Rev. Professor Floyd E. Hamilton, Korea; Rev. Professor C.W. Hodge, D.D., Theological Seminary, Princeton; Professor Dr Joséf Hromadka, Prague; M. le Pasteur Lecerf, la Faculté libre de theolog. Protestant, Paris; Rev. Principal D.M. McIntyre, D.D., B.T. Institute, Glasgow; Rev. Principal John MacLeod, D.D., Free Church College, Edinburgh; Rev. Professor Robert Moore, B.A. (Oxon.), B.D., Free Church College, Edinburgh; Rev. Dr H.C. Morton, Ewell, Surrey, Author „Bankruptcy of Evolution”; Rev. Professor Robert Morton, D.D., Orig. Secession College, Glasgow; Rev. Professor J. Gresham Machen, D.D., Princeton; Prof. G. McCready Price, M.A., Watford, Author „The New Geology”; Prof Dr Eugen Sebestyén, Budapest; Rev. W. Graham Scroggie, D.D., Author „Visions of Christ”, Edinburgh; Dr A. Rendle Short, Lecturer in Physiology, University, Bristol; Rev. Alexander Stewart, D.D., Author „The Prophet of Grace”, Edinburgh; Rev. Professor Robert Dick Wilson, D.D., Ph.D., Theological Seminary, Princeton.

En uit Nederland:

Prof. Dr G.Ch. Aalders, Vrije Universiteit; Prof. Dr F.W. Grosheide, Vrije Universiteit; Prof. Dr A.A. van Schelven, Vrije Universiteit; Ds K. Schilder, Rotterdam.

Niet alleen zal aandacht gewijd worden aan de fundamenteele calvinistische dogmata, maar ook aan de hier en daar opkomende „doctrines and ceremonies”, die door de Reformatie als onschriftuurlijk zijn afgewezen, doch niettemin in dezen tijd weer ingang zoeken te krijgen. Daarom is dit tijdschrijft, dat de engelsche taal bezigen zal, een poging, om de velen, die in Europa en Amerika overstroomd worden met litteratuur uit ongereformeerden hoek, niet zonder dat de aanvallen op calvinistische fundeering en calvinistischen opbouw, door gebrek aan eigen polemisch of thetisch werk, indruk maken en velen wegvoeren van het standpunt der zuivere reformatorische gedachte, te bereiken en hen te helpen en te bewaren. De redactie wordt gevormd door Rev. Prof. John R. Mackay, D.D. Edinburgh en Rev. Prof. Donald Maclean, D.D. Edinburgh.

Ik geloof, dat ieder, die iets voelt voor de openbaring en versterking van het internationaal calvinisme met hoopvolle verwachting deze periodiek zal tegemoet zien en door steunverleening de kans tot inwisseling der beloften er aan zal willen bieden. Prijs per jaargang tien shilling, franco.


K.S.




nummer 13,130 (28 december 1928)

K. Schilder, Een hoornstoot tegen Assen? Antwoord op een „Consciëntiekreet”

Kampen — J.H. Kok, 1928


Volgens gewoonte moet ik in „De Reformatie” mijn werk zelf aankondigen.

Zooals de titel verraadt, is deze brochure bedoeld als een nieuw exemplaar in de welhaast omvangrijke litteratuur, die rondom de Asser Synode zich heeft opgehoopt. Zij bedoelt een antwoord te geven op de brochure, die van anonieme zijde verschenen is onder den titel: „Zijn de mannen van Assen zelf aanranders van het Schriftgezag?” Deze brochure werd als „een conscientiekreet” aangediend.

In dit nieuwe vlugschrift tracht ik de bezwaren dezer conscientie te ontleden en stuk voor stuk te bespreken.

Misschien mag ik wel even zeggen, hoe ik er toe kwam, dit antwoord te geven.

Toen ik indertijd de anonieme brochure gelezen had, was de eerste indruk: niet op ingaan, noch in de pers, noch anderszins. Reden daarvoor scheen me te liggen in de anonymiteit van den auteur, die m.i. op ernstige menschen dadelijk afstootend werken zou, vanwege het wankelen der eerste grondslagen van de zedelijkheid in de naamloosheid van zoo felle aanklachten; voorts in de wetenschappelijke struikelingen van de brochure, die m.i. zelfs den ergsten anti-Asser-geest moesten treffen; en eindelijk in het feit, dat reeds tallooze malen op den inhoud van deze brochure was ingegaan, wijl zijn vraagpunten bijna alle reeds eerder waren aangesneden in het persdebat; hetgeen m.i. ook de felste anti-Asser-geest zou moeten toestemmen.

Maar ik heb me in de ontwikkeling der dingen vergist.

Ik meende, dat de gemeenschappelijke erkenning van de zedewet niet alleen de Assen-getrouwen, maar ook de anti-Assen-gezinden zou saamvoegen in de afkeuring van zoo’n anoniem bedrijf. Ik vergiste me; de pers van de groep-Geelkerken betuigde adhaesie; en een dominee te Rotterdam (ds E.L. Smelik) belegde onmiddellijk een vergadering waarin ook die naamloosheid van de brochure verdedigd werd. De „geest” van niet-Assen?

Voorts meende ik, dat de pers van de groep-Geelkerken met mij het eens zou zijn hierin, dat de brochure van den anoniemen man onbeteekenend was. Men behoeft toch niet een kerkelijk verschilpunt te maken tot een rechtvaardige oorzaak van wetenschappelijke lethargie? Helaas! De pers van de groep-Geelkerken begon, eerst voorzichtig, later wat luider, den lof dezer brochure te zingen. En toen de geref. pers zweeg — om welbekende redenen — toen werd gezegd, en wederom gezegd: ze kunnen niets antwoorden, ze zijn verlegen, ze spreken voorwendsels, en wat meer in die lijn uit te vinden is. Het kwam zelfs zóóver, dat de redevoeringen van den theologischen doctor Geelkerken en den kerkelijken leidsman Van den Brink afgewisseld werden met den verkoop dezer brochure, en dat zij op een vergadering van een kerkeraad, en zelfs van declassis” der groep-Geelkerken, officiëel werd besproken, en tot aanknoopingspunt van een wetenschappelijk, reformatorisch, streven werd verheven . . . .

En ten derde: ik vergiste me, toen ik meende, dat de herhaling zelfs de pers van dr Geelkerken zou gaan vervelen. Het bleek omgekeerd; ze stelde |103c| er een ongemeen belang in, dat de „bezwaren”, die eerst in losse nummers en driestarren van „Woord en Geest” verspreid lagen, thans gebundeld, uitermate populair, met veel vette en cursieve letters, werden aangeboden.

En alzoo is het geschied, niet alleen, dat „professoren en doctoren” den anoniemen man via zijn uitgevers brieven van lofprijzing schreven — gelijk hij ons zelf in derden druk verzekert, maar ook, dat het kerkelijk instituut sinds officiëel, en het kerkelijk organisme officieus, zich inlieten met een brochure van een „man van Assen”, die toch immers, volgens de eerste logica van dr Geelkerken (iemands handteekening gelooven, zoolang niet het tegendeel noodzakelijk bleek) geacht moet worden mèt zijn kerk tot God te bidden, dat Hij de kracht van de schismatieke beweging breke; want in dit gebed vereenigen zich allen, die erop staan, dat men „hun handteekening zal eerbiedigen en aanvaarden als eerlijk gemeend, zoolang deze staat onder kerkelijke stukken, formulieren, etc. en niet teruggenomen is!”

Toen werd de zaak anders.

De brochure kreeg nu beteekenis niet uit oorzaak van schrijver of inhoud, maar krachtens den steun, de annexatie, de inlijving in den geestelijken inventaris der groep-Geelkerken.

Ja, de propagandadinst ginds werd eindelijk geheel en al in dienst gesteld van het anti-Assen-geschrift van den „man van Assen” (maar dan verkapt).

Ik hoorde uit betrouwbare bron, dat aan intellectueelen, oud-gestudeerden, studenten, het geschrift gratis werd toegezonden. Om er mee te pleiten voor het forum der waarheid en der gerechtigheid en der wetenschappelijke eerlijkheid.

En toen was het, docht mij, de tijd, om eens een woord aan het geval te wijden.

Ik geloof, dat zelden een geestelijk bedoelde beweging op kerkelijk-theologisch terrein zich zóó geblameerd heeft, als de groep-Geelkerken het deed in dit geval.

Vooral de poging tot verlokking van de intellectueelen is min of meer verbijsterend door de erkentenis, dat men onder hen ook gemakkelijk zielen veroveren wil met een minimum van wetenschap en een maximum van lichtzinnigheid.

Het spel heeft nu lang genoeg geduurd.

De groep-Geelkerken heeft zich officiëel aan deze brochure gehecht; ze komt er niet weer van af. Ze heeft hem aangekondigd als een getrouw verhaal van hare hoofd-argumenten, een kort begrip van haar conscientiekreten.

Dan worde ze ook als zoodanig aanvaard. Beteekenis ontleent het boekje nu niet meer aan zijn schrijver, zijn inhoud, maar aan de beweging, die er achter zit en zich ervan bedient.

En nu moge men overwegen, wat er van deze brochure van den anonymus aan zij: of zij ijzer is, dan wel leem, eikenschors dan wel kaneel.

Ik zeg nu natuurlijk verder niets over den inhoud van mijn antwoord.

Alleen volsta ik hiermee: ik heb getracht, begrijpelijk te zijn voor ieder. Maar, terwijl ik het gereformeerde volk zoek, de massa der belijders, wil ik daaronder ook verstaan hebben, die belijders, die onder de intellectueelen te rangschikken zijn. Ik wil hen, voorzoover ze in aanraking gekomen zijn met dit anoniem geval, verzoeken, hun positie er tegen te bepalen, als in Gods tegenwoordigheid, in het besef, dat in vraagstukken van kerk en waarheid en geloof de mensch niet leven kan bij het relativistische, maar uit het absolute alleen. En ja, dan weet ik het wel, dat er ook intellectueelen zijn, die het zoeken naar een absoluut standpunt allang verleerd hebben, en die door de ideeën van ds Buskes, en ds Aalders, nu gezien als leerlingen van Karl Barth, daarvan voorgoed misschien afgebracht zijn, helaas. Maar zelfs op dit standpunt behoeft men zich nog niet te laten beleedigen door de onderstelling, dat men niet meer de eenvoudigste dingen onderscheiden kan. En deze beleediging ligt op de grens van de opzettelijke poging, om intellectueelen (!) te bewerken met deze anonieme brochure, vanwege den propagandadienst, die den prijs nu al met 37 pCt. verminderd heeft. Och ja, er zijn tegenwoordig veel intellectueelen, die op hun eigen terrein thuis zijn als de beste, maar die van de zaken van christendom en theologie niet veel weten. Ik geef den propagandadienst ginds toe, dat zulke menschen wel spoedig te winnen zijn met een catalogus van begripsverwarringen, als ze maar tegen dat stijve Assen gaan. Maar als deze intellectueelen nog zèlfrespect hebben, en willen bedenken, dat de kwestie van Assen geen zaak is van theologen als wetenschapsmenschen van een andere faculteit of een andere hoogeschool, maar een zaak is van onze belijdenis als christenmenschen, dan zullen zij toch uit zelfrespect en ook uit eerbied voor den eenmaal gestelden eisch om te antwoorden, van de contra-argumenten kennis moeten willen nemen. Tenzij ik me ook daarin al weer vergis . . . . En dan? Heb ik dan spijt van het schrijven? Neen. In heel den strijd tegen de groep-Geelkerken heeft me een tweetal dingen altijd voor oogen gestaan; het eerste is, dat tenslotte uit ieder maar komen moet, wat in hem zit; en het tweede, dat voor de bewaring van ook maar één individueel persoon dezelfde arbeid noodig is als die, welke voor een groot getal gemakkelijk wordt ten koste gelegd.


K.S.




nummer 21,165 (22 februari 1929)

Ds W. Tom en Ds J.E. Vonkenberg, „Zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan”.

Huizen — A. de Braal.


Van de hand van ds D.Tom Wzn. en ds J.E. Vonkenberg verscheen een brochure, die mij voor deze rubriek toegezonden werd ter aankondiging, onder den titel: „Zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan”. En de ondertitel is: „Het goed recht van den vroegdoop in het licht gesteld en verdedigd”. Men weet dat de zaak in den laatsten tijd weer op het tapijt gebracht is. De classis Amsterdam behandelde een door bovengenoemde auteurs ter zake ingediend rapport, en dit is thans in den vorm van een brochure verschenen. De brochure is zeer duidelijk geschreven, en, voorzoover zij polemiek voert, doet zij het in christelijken toon. Kennisneming ervan zou ik zeer willen aanbevelen; niet zoozeer omdat er een polemiek van den laatsten tijd zijdelings verband mee houdt, doch voornamelijk om twee redenen: 1. omdat ik het met de hier verdedigde praktijk eens ben, wijl ze het oude geref. beginsel naar verschillende zijden uitwerkt; en 2. omdat door de chr. geref. pers gezegd is: kijk, we hebben ’t altijd wel gezegd dat vroegdoop iets nieuws was en een beetje Roomsch. Men kan zijn gaven en krachten ten nutte der chr. geref. (en andere) christenen het best aanwenden (en dus volgens Zondag 21, Cat., gemeenschap der heiligen met hen oefenen) door hun argumenten te geven. Hetgeen hier in deze brochure duidelijk gedaan wordt. Helpt daarom deze chr. geref. christenen en uzelf door de brochure te lezen en te laten lezen. Nabestellingen zijn te richten tot den heer A. de Braal te Huizen (N.-H.). Prijs: 1 ex. 50 cent; bij minstens 10 ex. 25 cent.

Een christelijk-geref. dominee zegt naar aanleiding van deze brochure in „Stichtsche Kb.”:

„Het moet wel een aanvechtbare, een zwakke doopsbeschouwing zijn, als men tot meerdere waardeering van den H. Doop zijn toevlucht neemt tot „vroegdoop” en die tot elken prijs wil stellen tot een criterium van gereformeerdheid.”

Hij zelf vergeet, dat het woordje tot hier van hem zelf is. Gereformeerden schrijven in plaats daarvan: uit.


K.S.




nummer 22,173 (1 maart 1929)

„De Tempel des Geestes, welke is uw lichaam”. Bijdrage tot de kennis van een christelijke lichamelijke oefening, door Joh. de Vries en C.A. de Bruijn.

Leiden — Dagbl. en Drukkerij Nieuwe Leidsche Ct.


Schrijvers van deze, 32 blz. tellende, goed uitgegeven, brochure, zijn beiden leeraren M.O. lichamelijke oefening bij het chr. onderwijs. Menschen dus van de praktijk. Het mooie van deze brochure is nu dat zij de praktijk opbouwen uit eigen wel-overwogen en hier nader omschreven beginsel. Ik heb de hier saamgebrachte voordrachten met belangstelling en intemming gelezen, en geloof met de auteurs, dat behandeling van het onderwerp onder ons niet overbodig is. Eenerzijds, om sommigen te doordringen van het nut, den plicht, der lichamelijke oefening, anderzijds om wie daarvan reeds alles meenen te weten, ook hier te wijzen op den eisch hunner christelijke overtuiging, die nergens buiten staat. Het geschrift is niet in het gevaar van overdrijving gevallen, laat zich prettig lezen, neemt ook van wat van de overzijde gezegd wordt, behoorlijk kennis en bekoort door zijn zuivere probleemstelling, waarbij ook de bijbel niet „aangehaald” wordt in een losse, en dan nog misduide uitspraak, maar — zooals het behoort — door tot zijn diepere beginselen en groote lijnen af te dalen, en eerst daarna in het licht daarvan een enkele uitspraak te noemen. Hartelijk aanbevolen. Dergelijke pogingen tot zelfbepaling van ons christendom moeten gewaardeerd worden. En op dit terrein is eenige zelfkeur werkelijk niet overbodig.


K.S.




nummer 24,189v (18 maart 1929)

„Lustrum-Almanak” van het Studentencorps „Fides Quaerit Intellectum” voor het jaar 1929.

Kampen — Drukkerij G. Bos.


De Kamper Almanak is dit jaar eenigszins over den tijd. Maar het is lustrum geweest, en dat verontschuldigt veel

Het corps heeft een al te bescheiden redactie. De wonderdadige spreuk: „Even tijd voor ’n Caravellis”, behoeft nog niet ontleed te worden (gelijk zulks, terecht, dezer dagen is geschied), als symptoom in den afval der tijden, en als hulpmateriaal in derzelver psychologie, om terecht afgewezen te worden als inspireerend model voor den waarlijk op een der eerste pagina’s te treffen spreuk: „Even tijd voor den almanak”. Want de almanak heeft recht op meer tijd, dan hij zelf vraagt. C(orps) & A(lmanak) is toch voordeeliger?

Van de illustraties — naieve kinderen en recensenten beginnen daarmee en belijden het ook — noemen we een zeer goed, en voorzoover ik weet, versch portret van prof. Honig. Eveneens een sprekende foto van dr J.J. Esser, aan wien ds Wiersinga van van Weesp een warm, en verdiend, woord heeft gewijd. Voorts de senaat, een foto van wijlen den heer T. Barkema, eertijds theol. stud., en een teekening, die bedoelt „een symbolieke weergave” te zijn „van de verschillende zijden, van welke één persoon zich kan laten zien, en tegelijk van de verschillende persoonlijkheden, die in ’t algemeen te zien zijn” b. Ik heb letterlijk geciteerd, want dat is het veiligst als men een terrein betreedt, waarop men zich onbekwaam voelt. Gelijk in dezen het geval bij mij is. Alleen belijd ik grooten eerbied voor de praestatie. En ook voor de praktische verzoening tusschen sabelliaansche en ariaansche vagaties van den geest.

De almanak van Fides heeft dit jaar enkele bizonderheden. De verzameltitel „Farrago” of „Mengelwerk” of iets anders van dien aard, is thans vervangen door „Mozaiek”. Hetgeen tot nadenken stemt. Het mozaiek is dezen keer uit niet al te veel inlegstukken geconstrueerd: ik weet niet, of dat ligt aan de productiviteit van den geest, dan wel aan de inhoudsmaat van het boek. Gezien het aantal van de menschen, en de voortbrengselen van vroeger jaren, neig ik tot de laatste, tevens vriendelijkste, mogelijkheid van oplossing. Het „Mozaiek” is trouwens goed. Bizonder goed lijkt me een opstel „Eenige Gedachten over Tijd en Eeuwigheid”. De schrijver c toont ook met de polemiek dezer dagen gerekend te hebben. Vox geeft vier verzen, die mij, evenals het sluitstuk van K., bizonder toespreken Van d.Gr. te K., blijkbaar denzelfden, die ook de symbolieke teekening gaf, is er een opstel „De goede koning”. „’t Land is de Chr. romanschrijverij, de koning is de Chr. kritiek”. Een heet hangijzer, vooral sedert iemand in een ethisch blad, dat zelf den vijver met visch van „allerlei” aard pleegt te vullen, het goedgevonden heeft, den recensent 1) überhaupt te noemen den „bekvisch”, „naar aanleiding” van het fenomeen van gezeiden naam dragenden visch, die enkel bek is, en uiteenspat, zoodra hij uit zijn eigen water gehaald wordt. Een treffende vergelijking, die me herinnerde aan enkele fata van genoemd blad; en die me voorts hier in deze recensie van de recensie onzer recensie noopt tot voorzichtigheid. Gelukkig verdraagt zich hiermee de oprechtheid mijner verklaring, dat ik het opstel met vreugde las. En dat men te Kampen actueel is, blijkt uit „Iets over Gösta Berling”. Orienteerend, duidelijk, en ten aanzien van de schrijfster niet eens „bekvisch”-achtig, want de waardeering is groot genoeg.

Overigens heeft deze almanak een bizondere attractie door de verslagen van het gevierde lustrum; zij zijn in alle toonaarden gezet, die men voor zulke verslagen maar bedenken kan. De pen des teekenaars heeft ook haar bijdragen gegeven; en, zooals gewoonlijk, zeer goed. Al de luim van het lustrum weegt niet op tegen den volkomen ernst der openingsrede, zoodat men veilig zeggen kan, dat het lustrum een ernstig feest geweest is. En dat de houding van F.Q.I. inzake de G.S.B. een eerste officieele |190a| beschrijving krijgt, die eerst na den dood der G.S.B. verscheen, is niettemin toch nog gelukkig; want nu kan iedereen constateeren, dat te Kampen althans de guillotine voor de G.S.B. niet gebouwd is. Die is trouwens nergens opgesteld, omdat de oude G.S.B. alleen daarom onderging, wijl ze een huis was, tegen zichzelf verdeeld. — Kennisneming van den almanak hartelijk aanbevolen.


K.S.




nummer 33,259 (17 mei 1929)

Dr Ralph Bronkema, „The Essence of Puritanism”.

Goes — Oosterbaan & le Cointre, 1929.


Aan de Vrije Universiteit is onlangs gepromoveerd tot doctor in de theologie dr R. Bronkema op een dissertatie, die boven afgedrukten titel voert. Het boek is in het Engelsch geschreven en zal daarom voor velen van onze lezers gesloten blijven (de auteur is geboortig uit en woonachtig in Grand-Rapids). Maar voor hen die de engelsche taal kennen, is kennisneming van deze dissertatie alleszins aanbevelenswaardig. In de eerste plaats om het onderwerp zelf. Het puritanisme is een niet zoo heel gemakkelijk te omschrijven ding; de een pleegt in puriteinen alleen maar Calvinisten en in Calvinisten alleen maar puriteinen te zien; en de ander verwart puriteinen met piëtisten. Niets is minder juist. En daarom is een dissertatie over dit onderwerp reeds om deze reden een oorzaak van vreugde. Maar als tweede reden, waarom ik de bestudeering van Dr Bronkema’s werk gaarne aanbeveel, noem ik zijn prettige wijze van behandeling en rangschikking der stof, zijn duidelijke en degelijke bewerking van het materiaal en zijn gereformeerde critiek. Voor de Vrije Universiteit is deze dissertatie een eereteeken, voor den auteur eveneens.


K.S.




nummer 34,267 (24 mei 1929)

A. Schouten, „Naar de Voleinding”.

Aalten — N.V. De Graafschap. 1928.


Dit boek bevat 12 preeken over teksten, perikopen meest, uit de Openbaring van Johannes. Ds Schouten heeft gerekend met zijn hoorders, hetgeen ook voor een preek een eerste vereischte is. Twee preeken voeren het opschrift: „Het Zevende Zegel”, maar den tweeden keer is dat blijkbaar een correctiefout; bedoeld zal zijn: „de zevende bazuin”. Persoonlijk meen ik, dat Openb. 12 : 1-6, dat gedeeltelijk van deze laatste preek over de 7e bazuin de tekst is, niet onder dit opschrift kan worden saamgevat; maar aangezien preeken — terecht — hun argumenten en materiaal niet uit de keuken brengen op tafel, kan ik ook niet nagaan op welke exegetische gronden ds Schouten tot deze opvatting gekomen is, en de andere, die ik met veel anderen deel, verwerpt. Het baat dan ook niet, daarover hier te disputeeren.

Overigens heb ik dezen bundel met veel waardeering gelezen. Met homiletische formeele regelen breekt de auteur zich het hoofd niet; ook hierin kunnen de meeningen verschillen. Het boek is helder en bevattelijk geschreven, bevat veel opmerkingen, die aan het geestelijk leven leiding kunnen geven en is sober in zijn behandeling.


K.S.






1. In dit ethisch orgaan was sprake van „den” recensent, in het algemeen. De N.R.C. — die zelf ook recensenten heeft — was zoo vriendelijk tegenover zichzelf, en zoo onvriendelijk tegen de Kerk, te beweren, dat het treffende bekvisch-verhaal sloeg op de kerkelijke heeren. Maar dat is niet juist.




a.


b. Het gaat om de volgende plaat: klik voor groot formaat en toelichting


c. C. Veenhof.