Gereformeerd farizeïsme?

De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het Gereformeerde leven

5e jaargang, onder redactie van V. Hepp, K. Schilder, C. Tazelaar en J. Waterink,
Goes (Oosterbaan & Le Cointre) 1924-1925
38,297v; 39,305v; 40,313v; 41,321-323; 42,329v; 43,333v (19 juni – 24 juli 1925)

a


IIIIIIIVVVb

I.

Wanneer ik hier enkele dingen in het midden brengen wil over „gereformeerd farizeïsme?”, dan moge ik beginnen met de aandacht te vragen voor de betiteling, gelijk ik ze gaf.

Ik schreef boven wat ik zeggen wil, niet: Gereformeerd Farizeïsme, met een uitroepteeken, doch een vraagteeken plaatste ik er achter. Dat vraagteeken moge door sommige drukkers weggelaten zijn 1), het stond er toch bij.

Nu wil het geval, dat sommigen de aankondiging lazen, zònder dat vraagteeken, en tegen de veronderstelde bewering van het werkelijk bestaan van gereformeerd farizeïsme bij voorbaat reeds hebben gedebatteerd. Zoo behelst „De Wachter” van 12 Juni de volgende opmerking b:

„’k Betwijfel, of er waarlijk Gereformeerd farizeïsme is. Ja, farizeeuwsch Gereformeerdisme ongetwijfeld wel; maar het is mij niet duidelijk, hoe het farizeïsme Gereformeerd kan zijn, wel, dat er onder de gereformeerden farizeeërs worden gevonden. Maar een adjectief, niet waar Ds. Schilder, kan nooit het substantief veranderen”.

Soortgelijke opmerking wordt door denzelfden auteur tegelijkertijd in een drietal kerkbodes gemaakt.

Naar is meen, is het vraagteeken hier over het hoofd gezien.

Men zal misschien tegenwerpen, dat een vraagteeken meer of minder er niet op aankomt. Ik antwoord daarop — en wil daarin graag alle farizeeërs in nauwkeurigheidsjacht bijhouden — dat een vraagteeken zoo ongeveer alles kan beteekenen. Misschien worden ze wel eens te haastig door de uitroepteekens verdrongen.

En wat het onderhavige geval betreft: ik meen, dat het vraagteeken vooralsnog goed gereformeerd is, juist omdat het zoo weinig farizeeuwsch is.

Want als ge het vraagstuk aan de orde stelt van het gereformeerde farizeïsme, dan zijn er direct twee uitersten op te merken.

Aan den eenen kant staan zij, die er alles van weten en die óók op hun manier bij hun eigen traditie zweren; een echt farizeeuwsche houding is dat. Zij weten bij voorbaat, dat gereformeerden natúúrlijk farizeeërs zijn; dat ligt zoo in hun aard; het is hun noodlot; want het gereformeerde dogmatisme en hun letterknechterij kan niet anders kweeken dan echte farizeeërs-kinderen. Aan de farizeeuwsche zelfvoldaanheid en valsche verzekerdheid, die ook dit oordeel zonder eenig nader onderzoek zoo maar onderschrijft, lijden b.v. wel eens bepaalde vertegenwoordigers van de liberale pers. Zij weten precies, dat de gereformeerden de menschen zijn, die àltijd gelijk willen hebben. Zij, de gereformeerden, hebben hun behaaglijke rust, en daarmee is voor hun verzekerdheid alles uit. Ze zoeken niet meer, die gereformeerden. Spencer heeft gezegd, dat er geen ontwikkeling mogelijk is, zonder dat er iets scheurt. En in de taal van Bolland 2) wil dat zeggen: dat er geen ontwikkeling is, waar niets en niemendal „kapot” gaat. Welnu, de conclusie is spoedig genomen. De gereformeerden vertoonen de minste scheuren; zij hebben niet de kracht, die er noodig is, om „kapot te gaan”, om te scheuren en te schokken en zoo te baren wat |297b| nieuw is. Zouden zij geen farizeeën zijn? Wat hebben wij nog voor getuigenis van noode? c

Doch daar komen dan uit den precies tegenovergestelden hoek de stemmen, die het bij voorbaat reeds voor een uitgemaakte zaak houden, dat het Gereformeerde en het farizeeuwsche type eenvoudig niet anders kùnnen dan tegenover elkaar staan. Voor hun besef zijn de farizeeën altijd de menschen, die Christus hebben tegengestaan en die bij het kruis naar hem gespuwd hebben. En hun liefde tot den Christus is zoo groot, dat ze niet eens zich plaatsen willen voor de vraag, of misschien in hun ziel iets van den farizeeuwschen zuurdesem d zit. Er is eens gevraagd, of Paulus wel wedergeboren èn godslasteraar kon zijn. Voor meer dan één kan de kwestie, zonder dat het vraagstuk ook maar een haar gewijzigd wordt, ook aldus luiden: kan Paulus een wedergeborene èn een farizeeër zijn? Die Paulus wàs immers farizeeër? e En een heel goede farizeeër ook? Ook al zouden zulke menschen toegankelijk zijn voor de gedachte, dat Paulus nog tijdens zijn farizeeërschap was wedergeboren, zij zullen toch met nadruk er op wijzen, dat er met dien Paulus heel wat gebeuren moest, voordat hij zijn brieven kon schrijven aan de gemeenten, zijn dogmatische brieven; en dat hij het farizeïsme toen duchtig bestrafte.

Nu meenen wij in gemoede, dat zoowel het eene als het andere standpunt verkeerd is. Tegenover de eerste groep verklaren wij, dat de dagen voorbij zijn, waarin men de critiek op dordtsche vasthoudendheid en consistoriaal conservatisme kon laten volstaan met een paar schimpscheuten van Betje Wolff-Bekker. Toen gezeide Betje in haar Santhorstsche geloofsbelijdenis uitsprak, dat het verlichte geloof de vrijheid aan de jeugd leerde, toen voegde zij er aan toe, dat er een burger van Genève was, die dat wel goedvinden zou.

Maar een beetje grimmig merkte zij op, dat die burger van Genève niet „Kalvyn” was; en ze had gelijk, want zij bedoelde Jean Jacques Rousseau 3). En later bedankt zij de „Eenzaamheid”, omdat die haar den tijd geeft, om „bedaardlijk na te gaan, wat Genèves burger zegt”:

Zijn vonnis wordt dan door partijzucht niet gestreeken,
Daar drift, noch kerkgezag, niet ’t allerminst beslegt. 4)

Gelukkig, dat er tegenwoordig veel menschen zijn, ook aan de overzijde, die beweren, dat die àndere burger van Genève, Calvijn, precies even zoo scheef is aangekeken door de menschen, als Betje vindt, dat aan haar zoeten lieveling Rousseau overkomen is. Betje vond de vijanden van Rousseau, de handhavers van het kerkgezag, „Farizeeërs, steilooren, huichelaars”, enzoovoort. En niet zonder zelfbehagen coquetteert zij met haar „Geest”:

Myn Geest! zo hebt gy my gewaagd aan huichelaaren,
Aan booze Dweepers; en hoe krygt gy ze aan ’t bedaaren?
Zie, zo gevaarlyk is ’t hen op den nek te treên;
Die Phariseeuwen zijn de afgoden van ’t gemeen. 5)

Maar gelukkig wordt deze Tante Betje verloochend en kenteren ook in haar familie de geesten. Als de farizeeuwsche ziekte is: de zelfvoldaanheid, die op den ander neerziet, en zijn vonnis van te voren in den zak heeft, dan hebben de discipelen van Betje, al scheldende op het farizeeërdom, zich onvervalschte typen er van getoond, en zich mèt hen geblameerd ook tegenover dien anderen burger van Genève: Calvijn. Natuurlijk zijn wij dankbaar voor dien omkeer.

Maar de erkentelijkheid voor de zelfherziening aan de overzijde, moet nu bij òns ook uitwerken dit gevoelen, dat het niet goed is, als wij blijven staan bij de tweede groep, die ik in het begin aanduidde: d.w.z., dat wij niet zonder meer met enkele uitroepteekens en een paar zuchten ons van de tegenpartij afmaken en zeggen, dat het bij voorbaat een onmogelijkheid is, dat het gereformeerde |297c| kan overslaan in het farizeeuwsche type. Want werkelijk, het vraagstuk is een eerlijk vraagteeken waard; en eerst, wie het vraagteeken heeft gesteld, kan achter zijn antwoord straks een uitroepteeken zetten.

Farizeeën nemen geen aanklachten aan. „Zijn wij dan ook blind?”f

Maar juist als wij tusschen farizeeuwschen en gereformeerden geest den afstand willen zien en toonen, moeten wij den tegenstander niet een te gemakkelijke overwinning geven door hem zelf het wapen in de hand te drukken, als hij met recht zou kunnen zeggen, dat ook wij „geen aanklachten” aannemen.

Want immers: de aanklacht is er. En om Gods wille zijn wij verplicht, ons rekenschap te geven van haar zuiverheid of haar lichtvaardigheid.

De aanklacht is er, zoo zeiden we. We zullen ze aanhooren, niet in elken vorm dien ze aanneemt. Want waar zouden we uitkomen, als we het koor wilden overstemmen van de velen, die de kerk eerst helpen leegbloeden, en die dan komen klagen, dat de kerk versteend is als weleer het farizeïsme, en dat zij voor het ideaal van het jonge christendom verloren is omdat haar recht-zinnigheid zoo nog eens recht „uitzinnigheid” is geworden?

Neen, wij willen naar hèn luisteren, van wie wij mogen verwachten, dat ze het eerlijk en ernstig bedoelen, als ze tusschen den gereformeerde en den farizeeër niet veel meer dan een stap zien.

Aan hèn willen wij de aandacht geven, die meer van nabij met argumenten trachten aan te toonen, dat er zooiets als „gereformeerd farizeïsme” bestaat of dreigt te ontstaan.

Onwillekeurig denkt men zonder eenige polemische bedoeling terug aan de artikelen van Dr. H.W. v.d. Vaart Smit, over „Vorm en Geest” g. Hij heeft daarin herinnerd aan de figuur van Ezra, den hervormer, „een machtig man in ’t rijk des Geestes, heerlijk beginselvast”, die „op een waarlijk recht gereformeerde wijze” Israël terugleidde tot wet en profeten. Maar, zoo werd daaraan toegevoegd: „maar wat hebben de navolgers van Ezra ervan gemaakt? Zijn uit Ezra’s school niet de Farizeeën en Schriftgeleerden voortgekomen? En hebben dezen niet een carricatuur gemaakt van Ezra’s reformatie? Is ’t niet jammerlijk, wat doodenveld ze gemaakt hebben van Ezra’s levend volk? Heeft niet de Heere Jezus Ezra’s navolgers met geeselen gekastijd, terwijl toch van Ezra’s wet en profeten geen tittel of jota voorbij zou gaan? De geschiedenis van Ezra’s reformatie en daarna van de verwording dier reformatie bij de epigonen, bij de navolgers, het geeft boekdeelen te lezen aan wie lezen wil en lezen kan” 6).

En in den laatsten tijd heeft onder ons de aandacht getrokken het boek van Dr. M. van Rhijn: „Een blik in het onderwijs van Jezus”7). In dit geschrift komen enkele passages voor, die onze pers het vermoeden hebben doen opvatten en straks als zekerheid doen uitspreken, dat de „gereformeerden” werden bedoeld.

Wat die uitspraken dan wel behelzen?

Och, het is de klacht, dat er rechtzinnigen zijn, die sterk opkomen voor de „leer” en die intusschen een „elementair gemis aan liefde” vertoonen. Er is onder hen een getrouw opkomen voor de „leer der vaderen”, waarin men zijn rijkdom vindt, terwijl dan op al de anderen met medelijden wordt neergezien, als op de menschen, die er toch niets van begrijpen, en die staan buiten „de waarheid”. Deze menschen vertoonen nu, volgens Dr. v. Rhijn, sprekend het beeld van de oude farizeeën uit Jezus’ dagen. Ook zij hebben gezworen bij „Mozes en de profeten”, ook zij hadden geen liefde voor de schare, die de „wet” niet wist, ook hun ziel had genoeg aan het geschreven machtwoord, dat van boven kwam; „men wist zich in eigen groep farizeeërs, d.w.z. afgescheidenen8). |298a|

Van meer dan één zijde 9) is beweerd, dat de schrijver, Dr v. Rhijn, hier het oog heeft op „gereformeerden van allerlei slag”. En al noemt hij hun naam niet, en al hebben wij geen enkele reden, om te veronderstellen, dat de auteur speciaal aan òns heeft gedacht — hij kan immers even goed aan den zelfkant van het gereformeerde leven zijn aandacht hebben gewijd — toch hebben onze persorganen den schoen naar zich toe getrokken, om te concludeeren, dat hij niet past. Tenminste, dat hij òns niet méér past, dan een ander.

Zoo heeft ons eigen leven de vraag van het „gereformeerd farizeïsme” gesteld en het vraagstuk reeds min of meer opgelost ook. Verschillende kerkelijke organen hebben zich tegenover Dr v. Rhijn in veroordeelenden zin uitgelaten; ook „De Reformatie”10) deed het h; en Ds Laman heeft herinnerd i aan een preek uit 1860 van Ds Zaalberg over den tekst: „Ziet toe, wacht u van den zuurdeesem der Farizeeën”, in welke preek de volgende passage voorkwam:

„Ze noemden zich Phariseeën, d.i. afgescheidenen . . . Kan ik het helpen, dat onze afgescheiden broeders geen Hebreeuwsch verstaan, en daardoor dien ongelukkigen naam gekozen hebben?”

En dan, zoo voegt Ds Laman er aan toe,

„en dan gaat hij in die preek allerlei vragen stellen, met het doel om te doen uitkomen of de uiterste vroomheid, die zich naar vaste regelen gedraagt; de eigenwaan, die zichzelven onder de uitverkorenen des hemels telt; de schijnrede der godzaligheid, die dille en komijn vertient; de liefdeloosheid, die zich afscheidt, andersdenkenden vervloekt en hen uit de synagoge werpt; de huichelarij, enz. enz., of dat alles niet duidelijk onder hen gevonden wordt.”

Men ziet, dat algemeen de indruk leeft, dat Dr v. Rhijn wèl op de gereformeerden het oog had. Volkslogica zou tegenover deze opinie aanstonds kunnen werken met de oppervlakkige spreekwoorden-wijsheid over den man, die zich excuseert en dus accuseert, alsmede over den schoen, die wordt aangetrokken, door wie hem passend vindt. Maar dit geeft geen oplossing; men zou wel doof moeten zijn, als men niet wist, dat, afgedacht nu van Dr v. Rhijn, ons door de tegenstanders ingevulde zondenregister telkens weer met deze punten van aanklacht „prijkt”.

Voor ons doel is het nu verder van geen belang te weten, wat nu precies de nevengedachten van Dr v. Rhijn geweest zijn j. Het is best mogelijk, dat de schuchtere stem 11) gelijk heeft, die verklaren kwam, dat het wapen niet tegen de waarachtig gereformeerden, maar tegen de karikatuur-gereformeerden gekeerd werd door hem k. Want óók àls Dr v. Rhijn aan anderen gedacht heeft, dan zijn er toch genoeg, die het gereformeerde op zichzelf altijd krachtens innerlijke noodzakelijkheid farizeeuwsch vinden. En wie zichzelf onderzoekt voor God, zal ook deze „brieven” voor Hem neerleggen l, opdat zijn overtuiging alleen op goede gronden ruste, dat hij een „brief” van Christus is m, den ook door Farizeeën gekruiste. Een brief, bezorgd door den dienst van Paulus, den voormaligen farizeeër.


*

II.

In den laatsten tijd kwam de vraag aan de orde, in hoeverre men kan spreken van een „gereformeerd farizeïsme”. De een acht het aanwezig, de ander ontkent het. Afgedacht van een bepaalden vorm, waarin de aanklacht zich zou kunnen aandienen, is het de moeite waard, de kwestie onder de oogen te zien: want, dat er menschen zijn, die gereformeerden en farizeeërs aan elkander verwant zien, valt niet te loochenen.

Wanneer we nu, dan van dezen, dan van dien kant, de bewering hooren, dat gereformeerden en farizeeërs elkaar ten nauwste verwant zijn, en dat het type van den farizeeuwschen mensch op het type van den gereformeerden mensch bedenkelijk lijken gaat, dan gelooven wij, allereerst te mogen opmerken, dat de aanklacht ietwat voorbarig is.

Want, aan den eenen kant blijkt, dat over de farizeeërs, over hun beteekenis en hun optreden, nog niet altijd eenstemmig geoordeeld wordt. Heel vaak wordt b.v. als een kenmerkend, typeerend verschijnsel in het farizeïsme genoemd, wat in het wezen der zaak slechts een uitwas er van is; terwijl over de grondgedachten van het farizeïsme zelf soms nog getwist wordt onder hen, die hun vonnis over de gereformeerden al in den zak hebben.

En aan den anderen kant doet zich het verschijnsel voor, dat onder de aanklagers der gereformeerden de acte van beschuldiging lang niet steeds eenstemmig luidt; ja, zelfs, dat de punten van aanklacht bij den een precies het tegenovergestelde zijn van wat bij den ander een argument voor onze veroordeeling vormen moet.

Over de farizeeërs, zoo zeiden we, denkt men nog niet eendrachtig. Om maar iets te noemen: de een zegt het farizeïsme is in zijn wezen een secte 12). De ander, wat milder in zijn oordeel, noemt het farizeïsme liever een geestelijke strooming 13), en erkent, dat het heirleger der farizeeërs onder het volk zich bewoog en den band met het volk telkens bewaarde 14). Hier is er een, die vast en zeker weet, dat de naam der farizeeërs beteekent: de „afgescheidenen” . . . en dan volgt de rest vanzelf; maar ginds trekt een ander deze vertaling in twijfel en meent, dat het woord „farizeeër” is afgeleid van het werkwoord „uitleggen”; — dan zou dus niet zoozeer hun sectarische geest, als wel hun letterknechterij stof moeten geven voor smaadredenen 15). Volgens sommige geschiedschrijvers zijn de farizeeërs rasechte zonen van Ezra, maar mag men anderen gelooven, dan hebben ze Ezra’s werk leelijk verbasterd 16). Dat zij uiterst streng en ongenaakbaar waren, wordt van alle kanten verzekerd; maar toch zijn er ook, die hen — men vergeve het leelijke woord — het voorbeeld van „soepelheid” vinden 17). Beurtelings ziet men in hen de |305b| troetelkinderen 18) èn de zondebokken van het volk 19). Terwijl de een meent, dat Christus de Farizeeërs altijd en onder elken vorm veroordeelt en zelfs verklaart, dat Jezus hen niet heeft begrepen 20), daar meent de ander, dat Christus alleen tegen de caricatuur-typen onder hen zich teweerstelde, en dat hij dus het echte farizeeërdom welgezind, althans niet „gram”, was 21). Tegenover de berichten, die Jezus met nadruk laten waarschuwen tegen de leer der Farizeeën 22), staat de bewering van anderen, dat Hij alleen tegen hun leven, en allerminst tegen hun leer zich verzet heeft 23).

Dit met betrekking tot de farizeeën.

En nu de gereformeerden, — is men over hèn al uitgepraat? Het lijkt er niet op. De een vindt hen te ruim, de ander te eng van opvatting. Wie af en toe bij hen een kijkje nemen, verlaten hen deels met de betuiging, dat de ramen er nooit opengaan en dat het er dus ondragelijk muf is, deels met de klacht, dat het er veel te veel tocht. Het Bijbelsch Kerkelijk Woordenboek valt een oogenblikje uit zijn wetenschappelijke rol en decreteert, dat de naam farizeeërs (met het oog op de beteekenis van „afscheiding van anderen”) overeenkomst doet zien „met de leuze Hammabdil van hen, die vroeger afgescheidenen heetten24); en, als deze orakeltaal niet al te zeer door ons misduid wordt, dan herinnert ze aan de Gereformeerden, van wie een der leidende figuren, Prof. Dr H.H. Kuyper, een boek schreef onder den titel: „Hammabdil. Van de Heiligheid van het Genadeverbond” 25). In deze zinspeling ligt dus de overtuiging er boven op, dat de verbondsgedachte van de gereformeerden hen in den farizeeuwschen afzonderingshoek drijft. Maar tegenover deze woordenboekelijke wijsheid staat dan weer de verzekering van een heirschare van christelijk-gereformeerde, dordtsch-gereformeerde, vrij-gereformeerde, oud-gereformeerde, hervormd-gereformeerde betoogers, die zonder eenige twijfeling weten, dat de verbondsbeschouwing der Gereformeerde Kerken in Nederland de verwereldlijking heeft in de hand gewerkt en de heilige afzondering heeft gebroken. Het Bijbelsch Kerkelijk Woordenboek weet zeker, dat wie „Hammabdil” zegt, de kerk uit de wereld trekt, maar de anderen weten even zeker, dat men er mee de wereld in de kerk brengt.

Zoo moet het ons van het hart: „en alzoo is hunne getuigenis niet eenparig”. Dat is eenmaal eerder gebeurd, in een wereldbeheerschend uur. Maar toen stond het geschreven van . . . farizeeërs n.

*

Het zou evenwel uiterst gemakkelijk en goedkoop zijn, als wij in die lijn bleven doorredeneeren. Willen wij de zedelijke waarde of waardeloosheid van de aanklacht eerlijk onderzoeken, dan is nu de vraag: wat is eigenlijk het farizeïsme? En dan voorts: inhoeverre geeft het leven van de Gereformeerde Kerken in Nederland daarmee analogieën te zien of ook niet te zien? Laat het waar zijn, dat de aanklagers nog niet genoeg hebben doorgedacht, voordat ze hun ernstige beschuldiging ons in het gelaat slingerden, toch zal voor ons zelf op deze twee vragen een antwoord zijn te zoeken. Paulus heeft ook gebruik gemaakt in zijn apologie van de verdeeldheid zijner beschuldigers, maar hij had toch nog wat meer te zeggen!

*

Wat is het farizeïsme? |305c|

Er is gezegd: het farizeïsme is naar zijn wezen ouder dan naar zijn optreden als afzonderlijke partij onder eigen naam en zinspreuk. Zijn diepste oorsprongen liggen in de geestelijke strooming, die in het Jodendom na de Babylonische ballingschap overheerschend bleek, en die ook in de bedding van het Farizeïsme zich heeft gewrongen.

Als partij treden de farizeeërs evenwel, voorzoover thans nog is na te gaan, het eerst op in de periode der Makkabeeën. In het verhaal van Flavius Josephus komen ze althans voor in de beschrijving van dien tijd 26). Toen de Makkabeeën, althans in den aanvang van hun publieke optreden, met kracht opkwamen voor de gestrenge handhaving van de nationale eer van het Jodendom èn voor de onschendbaarheid van zijn voorvaderlijke wetten, toen was er een groote groep van voorvechters voor de vaderlijke zeden, die in den kamp der Makkabeeërs met hart en ziel meeleefden. En toen de worsteling voor de Joodsch-nationale onafhankelijkheid ten slotte haar geestelijk-religieus karakter al meer losliet, bleven zij aan de religieuse pretentie van Gods volk als uitverkoren en God afgezonderde natie vasthouden; zoo vertoonen zij het ideaal van de zuiver-wettische beleving der specifiek-israëlietische godsdienstige traditie. En daarbij voeren ze straks den naam farizeeërs. Onder dien naam treft de geschiedvorscher hen reeds in de dagen van den diplomaat-hoogepriester Jonathan (161 tot 143 voor Chr.), en straks ook onder Johannes Hyrkanus (134-104). Onder de regeering van laatstgenoemde kwam het reeds tot een openlijk conflict tusschen de regeeringsmachten, die Israëls leven slechts in nationalen zin de vrijheid en zelfstandigheid wilden veroveren èn de Farizeeën, die vóór alle andere dingen de geestelijke schatten van het volk, de wet en de geboden en de overlevering der vaderen, wilden beveiligen tegen den afval der tijden.

Waren dus in de eerste dagen van Ezra, den hervormer van Israëls eeredienst en rechtsleven (na 458) priesters en Schriftgeleerden nog één geweest, de splitsing tusschen hen dateert uit den tijd der Makkabeeën; uit de priesters ontwikkelt zich het sadduceïsme, uit de Schriftgeleerden het farizeïsme.

Tusschen Sadduceeërs en Farizeeërs werden de verschilpunten op den duur vanzelf almeer geaccentueerd. Niet alleen gingen zij uiteen op dogmatische terrein (waarover wij thans niet meer behoeven te spreken), maar vooral in de kwesties van de diepste levensovertuiging en de godsdienstige zelfbepaling gingen zij almeer uiteen.

Zoo zien wij de Farizeeën straks optreden met een eigen werkprogram, een aparte religieuse doelstelling en een sterk geprononceerd karakter.

Wat daarbij wel het allereerst opvalt, is: hun opvatting omtrent de geopenbaarde waarheid, omtrent de uitlegging en de autoriteit ervan. Wel wat al te ver gaat de onderscheidings-wellust van Oswald Spengler, die in de Sadduceeërs den mystieken en in de Farizeeërs de scholastieken geest ontdekt; volgens hem vertoont de Sadduceeër het type van Johannes en de Farizeeër dat van Paulus 27). Maar het staat toch wel vast, dat de Farizeeërs zich kenmerken door een vooropstellen van de wet en van haar eischen. Het farizeeuwsche is het wettische: daar staat geschreven!

Merkwaardig is daarbij nu evenwel, dat deze „wet”, deze schriftelijke overlevering der geopenbaarde waarheid, volgens de Farizeeërs volstrekt niet mocht worden losgemaakt uit de windselen van de „overlevering der ouden” (vgl. Matth. 15 : 2, Marcus 7 : 3). Wat de vaderen hadden gezegd, dat was wáár. De grondslag, waarop het godsdienstig leven van de leerlingen der Farizeeuwsche school moet worden opgebouwd, is niet de „wet”, niet de Heilige Schrift „zonder meer”, doch het is de „wet” naar de antieke, door de vaderen geijkte opvatting. De uiterst gecompliceerde uitwerking, die de Schriftgeleerde vaderen hadden |306a| gegeven aan de wet van Mozes, aan de heilige boeken, had nu eenmaal haar gezag; en daaraan mocht niemand tornen. De „halacha”, d.w.z. de traditioneele opvatting van wat mocht geschieden, kreeg hetzelfde bindend gezag als de schriftelijke oorkonde der Godsopenbaring. Men moest dan ook de Schrift uitleggen naar die overlevering. En gelijk het meer gaat, zoo verging het ook hier. Straks krijgen die „menscheninzettingen” een hoogere waarde dan de Schrift zelf. Dat gebeurt niet alleen bij de eenvoudigen, maar het overkomt ook aan hun leiders. Een beroep op de Schrift voldoet niet; een beroep op de overlevering der ouden wel. Wie den Bijbel, voorzoover men hem bezit, anders uitlegt dat de traditie aangeeft, die staat buiten het koninkrijk der hemelen 28).

Zoo komt bij Gods geboden die ontzaglijke last van „menscheninzettingen”; het aantal geboden stijgt, dat niet van Mozes afkomstig is, maar wel diens gezag heeft. Straks is de Talmoed de fixeering daarvan. En dat deze houding meer en meer bewust wordt, blijkt ten overvloede uit de polemiek van de farizeeërs tegen het Sadduceïsme. De Sadduceeërs erkenden alleen de schriftelijke wet („tora”) als gezaghebbend, en maakten zich bij de uitlegging en de nadere uitwerking er van met gerustheid los van de traditie der vaderen. Zoo worden de Sadduceeërs, behalve aristocratisch, ook eenigszins liberaal; zij zijn zoo „verzekerd” niet, en het dispuut is onder hen nog wel in eere. Maar de Farizeeën „zijn er al”: ze hebben aan dispuut geen behoefte meer. De beweging is bij hen stilgezet; het water rimpelt niet meer, want het is toegevroren 29).

Deze onderscheiding van de sadduceeërs als de aristocratisch-liberale partij en de farizeeërs als de vertegenwoordigers der democratische orthodoxie, spitst zich straks nog sterker toe: het proces is niet meer te stuiten. Alle nieuw-opkomend leven, elke jonge beweging in het religieuse volksleven trachtten de Farizeeërs in hun bedding te leiden. Zoo werd het aantal gevallen, waarin toch heel bepaald voorzien moest worden in de schreiende behoefte aan een vaste, alle verdere debat afsnijdende „uitspraak” al grooter; en in dezelfde mate werden de geboden vermenigvuldigd, de leefregels verscherpt. De poging om tot allen prijs Schrift en traditie te verzoenen, en beide in dezelfde ongeschokte verhouding te prolongeeren in elke nieuwe verhouding, moest wel leiden tot een angstvallig preciese casuistiek: voor ieder bepaald geval werd een „uitspraak” gefabriceerd; want alle onevenredigheid, die in de tot nu toe bestaande overlevering mocht schijnen te bestaan, mòest en zòu worden weggewerkt: het systeem mocht geen oogenblik in den steek laten en de eenheid tusschen voor- en nageslacht kon zich alleen handhaven door een knechting van den geest, die nooit tot de fundamenten van het gebouw van leer en leven mocht afdalen, maar alleen lijmen en krammen mocht. Immers, de vaderen hadden zich niet vergist. Naar beneden behoefde dus niemand den bouw te onderzoeken, want hij was wis en zeker goed. Het eenige wat men doen mocht was: naar boven den bouw verder optrekken door verbinding te leggen tusschen wat de vaderen achterlieten en de zonen hadden voort te zetten op de basis van het overgeleverde. Zoo werd aan reformatie niet meer gedacht; en de dogmatische en ethische machtspreuken begonnen legio te worden.

Wie de dingen zoo groeien, en ook wie ze zoo vast-groeien ziet, die kan toegeven, dat de opzet der farizeeën niet zoo verkeerd was als wel de uitkomst. Wij zeggen dit allerminst, om den joodschen hoogleeraar, Dr J.L. Palache in het gevlei te komen, als hij beweert, dat Christus de Farizeeërs heeft verongelijkt, omdat hij hen niet begreep. Want Dr Palache doet in zekeren zin monnikenwerk, als hij tegenover het Nieuwe Testament betoogen wil, dat de farizeeërs toch heusch niet allen de leelijke huichelaars waren, die een later geslacht van hen gemaakt heeft. En hetzelfde monnikenwerk doen de Engelsche theologen van den lateren tijd, voorzoover zij meenen, dat hun poging tot eerherstel van het farizeïsme 30) zich alleen handhaven kan door een botsing met het Nieuwe Testament. Palache zegt — om maar iets te noemen:

Er zijn zeven soorten (onechte) 31) Pharizeeërs: 1. de Sichem-Pharizeeërs, d.z. diegenen, die evenals de mannen van Sichem (Gen. 34) Gods geboden vervullen alleen om er zelf voordeel van te hebben en bij de menschen geëerd te worden; 2. die, om aan de wereld te toonen, hoe bescheiden zij zijn, zulke kleine pasjes maken, dat zij hun teenen tegen de steenen stuk stooten; 3. die, om niet naar een vrouw te zien, met hun hoofd tegen een muur oploopen en het bloedig verwonden; 4. die zoo krom loopen als een hamer; 5. die vragen: wat kan ik nog voor godvruchtig werk verrichten, dan zal ik het doen; 6. die de wet vervullen uit begeerte naar toekomstige belooning; 7. die het doen uit vrees voor straf. 32)

En dan voegt hij daaraan toe, dat de Talmoed |306b| zelf zùlke farizeeërstypen in het ootje weet te nemen en ze als karikaturen weet te beschouwen. Zoo — aldus luidt dan zijn conclusie —is het farizeïsme op zichzelf nog in het minst niet tot huichelarij gepraedisponeerd. Maar wie meent, dit alles te moeten uitroepen tegenover het Nieuwe Testament en zijn orthodoxe christelijke lezers, die vecht tegen windmolens, om de eenvoudige reden, dat het Nieuwe Testament en de officiëele exegese (iets anders dan de volksmond decreteert) van het N.T. nooit farizeïsme en huichelarij in elk geval heeft vereenzelvigd. De figuur van Paulus, den voormaligen farizeeër, zegt al genoeg; en Paulus de christen verdedigt niet het standpunt, maar wel den persoon van den vroegeren farizeeër Paulus. Ook onder de farizeeërs waren eerlijke strijders, waarachtige worstelaars die het ijzeren juk op zich namen en er mee niet den berg der zelfvoldaanheid, maar de brug der zuchten overgetrokken zijn, als in de tegenwoordigheid Gods 33).

Zeker, de doorloopende voorstelling der Evangeliën is wel degelijk die van een Christus, die twist tegen de Farizeeërs, en van Farizeeërs, die met Christus disputeeren, die hem verstrikken willen in woorden en hem willen inspinnen in het rag van hun eigen casuistiek en dialectiek. Maar men vergete niet, dat „Jezus soms minder tegen hun stelsel als zoodanig opgetreden is dan tegen de bij dat stelsel niet te vermijden praktijken van huichelarij” 34). Hun „zuurdesem” is verkeerd; in hun leer ligt een element, dat moet doorwerken en dat dan alles bederft en het geheel ten slotte overheerscht. De huichelarij is niet de inzet, maar het gevolg, dat intreedt bij krampachtige handhaving van het eens gevondene.

Deze afglijding naar het eigengerechtige standpunt is dan ook in haast elk opzicht te bewijzen. De versteening van het hart, de afstomping van het fijner-religieus besef laat zich als een somber spel van tragischen ernst schier met dramatische noodwendigheid afteekenen.

Daar is, om te beginnen, de kwestie van den naam. Het schijnt, dat de benaming „farizeeën” — afgescheidenen — oorspronkelijk niet hun eigen keuze, maar een scheldnaam geweest is 35). Het waren de tegenstanders, die hun dezen minder vriendelijken term — „separatisten” — hebben vereerd. Zelf noemden zij zich althans eerst heel anders, b.v. „chasidim”, de vromen; of: chaberim, het gezelschap, de broeders, de fellows. Maar de scheldnaam is later door hen zelf als een soort eerenaam aanvaard, en tenslotte zonder eenige bepaalde herinnering aan zijn oorsprong vastgehouden. De berusting in den naam maakte plaats voor de verheffing op den naam. Zooiets is in de geschiedenis meer beleefd; maar het is toch altijd een zekere vergroving van het gevoel: wie een scheldnaam accepteert en straks er mee pronkt, loopt gevaar, de scherpe punt van de aanklacht, die de naamgeving beheerschte, af te stompen en het waarheidselement er in te verdoezelen; het debat met den tegenstander snijdt hij af, door zijn scheldwoorden kalm over te nemen, en zoo levert hij in berusting den vijand over aan zijn dwaling en zichzelf aan zijn zelfgenoegzaamheid. En vooral in de sfeer van het heilige is de omzetting van scheld- in eere-namen altijd een verlies: want een naam is een sociaal verschijnsel; en wie den naam laat vormen door het toeval of door den tegenstander, die doet geen moeite meer, het werk van God, zooals hij het ziet, te belichten op zuivere wijze; dit kan niet anders dan op schade voor den mensch zelf en voor zijn omgeving uitloopen. En toen dus de farizeeën met den naam en dus ook met het begrip van „afgescheidenen, separatisten”, een behaaglijk spelletje van verzekerde menschen begonnen, hebben zij hun eigen afval verhaast. Want de afzondering is er wel, en de Bijbel zegt meer dan eens: „scheidt u af” o. Doch de „afzondering” is in den Bijbel altijd een gebod, om der wille van den nood gegeven. Doch de vervlakking van den gewenningsnaam maakte het noodgevoel tot een antiquiteit, die geen mensch meer begreep: de afzondering bleef geen noodstand, maar werd object van den wellust. Goede afzondering had Ezra gepredikt, want Ezra scheidt Israël van de vreemden, en Levi van de broederstammen af; hier is de scheiding organisch; hier bedoelt zij ieder volk, en iederen stam zijn eigen aard te hergeven, opdat elk deel aan het geheel en alle binnen-leven aan het buiten-leven dienstbaar zich stellen zou. Achter Ezra’s reformatie ligt het Pinksterfeest en de breedheid van het Messiaansche heil. Zùlke afzondering vinden we b.v. ook in Nehemia 9 : 2, Leviticus 20 : 24, Numeri 16 : 9. Maar die is dan ook absoluut vreemd aan de afzonderingstactiek van de latere farizeeën (al herinnert het Bijbelsch-Kerkelijk Woordenboek aan die teksten). Want de farizeeuwsche afzonderingswil is door en door valsch. Hij scheidt niet alleen wat God gescheiden, maar ook wat Hij verbonden heeft p. De Farizeeuwsche afscheiding is geen graven van een eigen bedding voor den stroom van het heil, die straks den oceaan van het wereldleven zoekt (zóó scheidt God af), maar een egoïstische |306c| kringvorming, waaraan alle breedheid, alle ontferming, alle uitbreidingsverlangen vreemd is. Het Oude Testament zegt tot den Israëliet: iedere Israëliet is uw „chabeer”, ook de naar uw meening ontrouwe, ook de onwetende, want hij is verbondskind, en de liefde legt hem op uw weg. Maar de farizeeën vragen: wie is mijn chabeer, wie is mijn naaste q, met wien heb ik nu effectief wat te maken? Zij laten hun volkje, zij laten de „kerk” los, en worden een volkje in het volk, een kerkje in de kerk 36). Eerst willen zij nog representanten zijn van de klassieke leeraren en schriftgeleerden van hun volk; maar na een poos zijn ze een secte. Dat kon niet uitblijven. (Vgl. Hand. 15 : 5, 26 : 5).

En de sectarische mensch, als hij het niet zègt, dan dènkt hij het toch: Ik ben reiner dan gij. „Heere, ik dank U, dat ik niet ben als deze” r.

Voorts komt de afglijding der farizeeën ook uit in hun verhouding tegenover de gehoorzaamheid aan de wetsvoorschriften. Het Oude Testament heeft, o zeker, ook met sterken aandrang de wet naar voren geschoven. Maar de wet staat daar niet tegenover de belofte. Juist het omgekeerde vinden we: de wet is, als alle openbaring, vrucht van genade. En wel wordt door het O.T. de wet voorgehouden als een bedekking van de genade, als een sluier, die over haar glans getrokken wordt. Maar ook daarmee vernietigt het O.T. de genade niet, want zóó wil het O.T. juist door de wet het hart van den vrome prikkelen tot het verlangen naar meerdere genade; de wet wordt een paedagoog tot Christus s, tot den Messias, die het heil doet opgaan.

Maar wat hebben nu de Farizeeërs van de wet gemaakt?


*

III.

In den laatsten tijd kwam de vraag aan de orde, in hoeverre men kan spreken van een „gereformeerd farizeïsme”. De een acht het aanwezig, de ander ontkent het. Afgedacht van een bepaalden vorm, waarin de aanklacht zich zou kunnen aandienen, is het de moeite waard, de kwestie onder de oogen te zien: want, dat er menschen zijn, die gereformeerden en farizeeërs aan elkander verwant zien, valt niet te loochenen.

Al is de aanklacht nu zeer voorbarig en dikwijls ontbloot van deugdelijke argumentatie, toch valt zij te onderzoeken. Daartoe is allereerst noodig een inzicht in het wezen van het farizeïsme. Ze verklaren de „wet” overeenkomstig de overlevering; kennen daaraan bindend gezag toe; neigen over tot het sectarische; en miskennen straks het wezen van de „wet”.

Wat hebben de Farizeeërs met de wet gedaan?

Ze hebben ervan gemaakt wat ieder ervan maken moet, die wel boomen ziet, maar geen bosch; die wel woorden hoort, maar niet het Woord; die wel geschiedenissen kent, maar niet de ééne Geschiedenis des Heils en der openbaring; die wel letters eet, maar niet proeft den Geest, die ze verbonden heeft in goddelijke eenheid.

De farizeeërs hebben de paragrafen en de artikelen van de geschreven wet van buiten geleerd; ze konden er wel van droomen. Maar — ze hebben geen gevoel gehad voor de groote en de grootsche bedoeling van de wet des Ouden Testaments, d.w.z. zij begrepen niet, en vermoedden later niet eens meer, dat de wet drong naar het Evangelie; dat de eisch gegeven was, om plaats te maken voor den honger naar de genade en de stilling van dien honger. Ze hebben het Oude Testament zóó in de puntjes bestudeerd, dat ze geen oog hadden voor den grooten boog van Gods trouw, die het Nieuwe Testament der genade en der verzoening door genade deed geboren worden te Zijner tijd: „een licht, zoo groot, zoo schoon” t.

De oorzaak van die dwaling lag wel voornamelijk hierin, dat de Farizeeuwsche ontwikkeling der dogmatische theologie voor de oud-testamentische prediking van een „reddende gerechtigheid” van God in de plaats stelde hun eigen verkondiging van een „betalende gerechtigheid van God”. Tegenover de bijbelsche verkondiging van Gods recht, dat behoudt, en dat belofte is van zaligheid, stelden de Joden in hun latere eigendunkelijke theologie het geloof aan een z.g. „neutrale gerechtigheid” Gods; d.w.z.: de mensch handelt naar eigen goedvinden, goed of kwaad; en God van Zijn kant geeft eenvoudig strikt rechtvaardig het loon, dat verdiend is; de boosdoener ontvangt het zijne, de rechtvaardige eveneens 37). Van een praedestinatie uit welbehagen weet deze prediking van den „notariëelen” God natuurlijk niets.

En nu moet tot lof van de farizeeën erkend worden, dat zij in de bepaling van de verhouding tusschen den beloonenden God en den verantwoordelijken mensch zich hebben gewacht zoowel voor de eenzijdigheid van de Sadduceeën, als voor die der Esseners. Want waar laatstgenoemden den nadruk leiden, voorop de onveranderlijke |313b| voorbeschikking aller dingen door God met terzijdestelling (in de praktijk althans), van des menschen eigen verantwoordelijkheid; en waar de Sadduceeën meer den klemtoon legden op de eigen verantwoordelijkheid van den handelenden mensch, en dan zóó, dat de goddelijke factor van voorbeschikking en van zijn voorafgaand besluit min of meer wordt uitgeschakeld; daar hebben de leeraars van de Farizeeuwsche school zoowel op des menschen zelfstandige wilskeuze als op Gods ingrijpen op en heerschen over de menschelijke daden den nadruk gelegd. Inzooverre waren zij den tijdgenoot in menig opzicht vooruit 38). Maar toen dit alles losgemaakt werd van de prediking der genade, losgemaakt van de verkondiging der „geloofsgerechtigheid”, toen bleef er ten slotte niets anders over dan de verkondiging van een God, die loon uitkeert naar verdienste. God heeft van Zijn zijde de wet aan de menschen gegeven juist met het doel, dat zij in staat zouden zijn, bij Hem verdienste te hebben. En zijnerzijds heeft de mensch zich maar in te spannen om die verdienste zoo groot mogelijk te doen zijn. Dan toch zorgt hij voor zijn eigen zaligheid. Zijn goede werken komen altijd bij hem zelf weer thuis. Abraham heeft eens de engelen begeleid; daarom worden Abraham’s kinderen in de woestijn begeleid door God, veertig jaar. Het brood, dat Abraham aan de hemelboodschappers voorzette, komt eeuwen later in den vorm van manna naar de wet van prompte hemelsche betaling terug bij Abraham’s kroost. De waterdronk, dien hemelboden in Abraham’s tent hebben ontvangen uit de hand van den aartsvader, is met woeker teruggewonnen in de woestijn, toen de steenrotsen water gaven. En wie herkent niet in het vleesch der kwakkelen, die in de woestijn voor Israël neerstreken, de rente van het vleesch van dat dure kalf, dat Abraham heeft overgehad voor het onthaal van hemelgezanten?39)

Ieder voelt, hoe ver dit alles afstaat van die andere prediking, die de tot het christendom bekeerde farizeeër Paulus later deed hooren over dezelfde dingen. Hij heeft in het manna, dat de woestijn te eten gaf, en in het water, dat haar steenrots te drinken gaf, den Christus gezien u, dat is: hij heeft die wonderteekenen niet herleid tot de verdienste van Abraham, een verdienste, welke op Abraham’s zaad automatisch overkomt; maar hij heeft ze opgevoerd tot den Christus van genade en van gegeven heil, die in die woestijnteekenen zich reeds afschaduwde. Maar Gamaliël had hem dat dan ook niet geleerd. Want het Farizeeuwsche denken ziet niet anders dan verdienste, en nog eens weer verdienste, in de verhouding tusschen God en de ziel.

Zoo wordt de Farizeeër wéér het diensthuis ingeleid; maar dezen keer legt hij zichzelf het lot op van den gekromden rug en van de zwoegende ziel. Het juk van geboden en inzettingen wordt ondraaglijk; maar het is toch van groote vertroosting. Want het is het juk der eigen keuze. En de menschenziel draagt liever een centenaarslast op eigen gezag, dan het lichtste juk van een macht buiten en boven haar, die zegt: gij zult!

Zoo werd de reinheid, en die dan geheel uitwendig verstaan, de maatstaf van de verhouding, waarin de mensch tot God, of liever, waarin God tot den mensch staat. Bij het vermenigvuldigen der uitwendige kenmerken van reinheid en zuiverheid verflauwt natuurlijk de nadruk, die valt op de onderzoeking van het diepe, diepe hart. Wie zich alleen maar heeft te meten naar den maatstaf van de uitwendige gerechtigheid, die is tevreden met het „opus operatum”, dat is: met een uiterlijke daad van slaafsche gehoorzaamheid, welke eens voor altijd kláár en àf is, zoodra ze maar in het boek der verdienste is ingeschreven. Maar tegelijkertijd vergeet hij, dat er een stem is, die |313c| zegt: dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft v; de stem, die één werk predikt, en eerst daarna de vele werken; de stem, die één ding wil doen zoeken, en eerst daarna de vele dingen.

Wie ziet hier het bekende type van den farizeeër niet verschijnen? Daar staat hij straks: ten voeten uit geteekend. Deze farizeeërs — zij reinigen het buitenste van den drinkbeker, maar, vraag niet, wat er in zit; de ceremoniën zijn prompt in orde, maar o wee, het hart! (Matth. 23 : 25, Lucas 11 : 39). Proselieten maken ze bij het getal; en dat doen zedan door de menschen op sleeptouw te nemen achter de omnibus van hun partij-systeem. Maar vraag niet, of ze persoonlijkheden hebben,die door de zedelijke kracht van zijn geestelijk leven den man kan helpen behouden op de paden van waarachtige vroomheid: de proseliet, die achter hen aankomt, wordt straks een kind der hel, tweemaal erger dan zijn farizeeuwsche leermeester het is. (Matth. 23 : 15). Onder de preciese formuleering van de eeden, die ze zweren, gaat de waarheid te loor. (vs 16v.). De lichtere offers, die de wet van de beurs eischt, worden stipt gebracht; maar de zware zielegang naar den souvereinen tempel van Gods àl-opeischend recht staat op hun programma niet. (vs 23). De mug zijgen ze uit, den kemel zwelgen ze door. (24). Op straat bidden ze; en de publiciteit concurreert met de precisiteit; doch over hun eigen ziel loopen ze heen. Ze wasschen de handen, maar niet het hart. Den sabbath houden ze, maar niet als kinderen, doch als slaven, die uitrekenen, hoeveel slagen zij er mee afweren, hoeveel goede aanteekeningen zij er door verdienen kunnen. Aan een blindgeborene, die door Jezus Christus het licht heeft leeren zien, en het groote licht ook, peuteren ze net zoo lang, totdat de psalm, die in ’s mans ziel opklinkt, haast gesmoord wordt onder disputen en de gebruikelijke anathema’s. „Zelfs de zon zouden ze willen désinfecteeren”, zoo getuigt een tijdgenoot. Ze zijn als prachtige graven: de schrikkelijke walgelijkheid daarbinnen wordt onder mooien zerk en fijne beplanting bedekt. Ze pochen, dat ze niet alleen een tweede, maar ook een verbeterde editie van de vaderen zijn; want zij, de brave zonen, zouden den eerwaarden broeder profeet van zooveel jaar terug wel beter begrepen hebben, dan de vaderen, die hem doodden. Maar toch behouden zij zich het privilege van profetenvervolging voor. Wat ze, al vastende, om Gods wil uit den mond sparen, dat halen ze uit den berooiden boedel van weduwen en weezen wel dubbel en dwars terug. En ze willen Jezus wel ten eten vragen; ze hebben het trouwens gedaan. Maar ze hebben Christus gekruisigd; dat lag zoo in hun lijn. In de kleine kwesties weten zij zich van de Sadduceeën heel precies te onderscheiden. Maar straks gaan ze toch maar arm in arm naar Golgotha, — samen!

*

En in de derde plaats: er is nóg een bepaald punt te noemen, waarin de farizeeuwsche geest al meer afzakt en beneden zijn oorspronkelijke bedoelingen wegzinkt. We bedoelen: hun verhouding tegenover het volk, tegenover de schare, de massa, den „gewonen man”, het „volk des lands”.

Het strijdt met de waarheid van onze zooeven gemaakte opmerking over de farizeeuwsche proselietenmakerij niet, dat zij sterk waren in de kunst der verachting. Nietzsche heeft gezegd, dat de massa altijd respect heeft voor wie op haar trappen durft; en het element van waarheid, dat in zijn schamperen spot ligt, is tot het farizeeuwsche besef al spoedig doorgedrongen. Verachten was hun „gave”. En die verachting strekte zich verder uit dan tot de Hellenisten 40). Zoolang al wat buiten was, tot het farizeïsme niet overgekomen was, kenmerkte de farizeeuwsche praktijk ten aanzien |314a| van die „buitenwacht” zich meer door een afwerende, dan door een aantrekkende en opzoekende houding. Men vergete niet, dat in de moraal van het farizeïsme een heel groot stuk ressentiment zit: de farizeeër moet het jasje, dat hij van zijn doode vaderen erfde, zóó vaak verstellen, om toch maar zijn naaktheid te verbergen en in vredesnaam toch ook geen nieuwmodisch kleed aan te krijgen, dat hij er zenuwachtig van wordt; en nu gaat hij op àlle dragers van een ànder kleed dan het zijne flink en duchtig schelden. En tegen het geestelijk modemagazijn onderneemt hij geen veldtocht, om alle valsche kledij van de laatste snit dapper te verdoen, maar hij verschanst zich er tegen en trekt zich terug, prevelend en betuigend, dat het heusch piëteit is, en die alleen, die hem zich laat tooien met den mantel uit der vaderen achtergelaten boedel.

Deze verschansings-politiek wordt straks ook toegepast op den zogenaamden „’am-ha-árets”. Onder dezen term wordt verstaan: het volk des lands, en ook: de gewone man onder dat „volk des lands”. Dat „volk” is nu eenmaal de „schare, die de wet niet kent”. En deze schare is vervloekt w; en daarmee uit. De vertaling van „’am-ha-árets” door „massa perditionis” 41) moge grimmig klinken (massa perditionis beteekent zooiets als: de massa, die toch niet meer te behouden is, die nu eenmaal hopeloos er voor staat), ze geeft toch uitdrukking aan wat menig farizeeër voelde. Het barbarendom was vlak naast de deur, en het liep, o gruwel, op straat. Hoe de farizeeuwen over den z.g. „’am-ha-árets” dachten, leert wel Marcus 2 : 15v. Men kan hun standpunt ook gemakkelijk herkennen uit de indirecte aanduiding van Matth. 7 : 1v. Een zeer sterk spreekt de algemeen bekende scène van den farizeeër, die in den tempel bidt, tegelijk met den tollenaar, Luc. 18 : 11v. Het gewone volk heeft zelf geen beslissingen te nemen over leerstellige en godsdienstige vraagpunten: de schare is onmondig, omdat ze niet rein is (Joh. 7 : 49 v.).

Men moet hier ook tegenover de farizeeërs eerlijk blijven. Want als zij zich ver houden van het „volk des lands”, dan is dat geen aristocratie van geld, noch van stand, noch van hiërarchie, die in deze bewaring van den afstand, den doorslag geeft en die het grachtje, dat tusschen beide partijen gegraven is, zoo graag prompt op tijd laat uitbaggeren, opdat het toch vooral niet zou dichtloopen. O neen; de tegenstelling tusschen den farizeeër en den „’am-ha-árets” is niet: rijk en arm; en ook niet eens nog: ambtsdrager en ambteloos burger. Het is alleen het contrast van „wettelijke” en „onwettelijke”; de een is de preciese, de ander de „rekkelijke” 42). De Farizeeën waren de trotschaards niet, die den ambteloozen burger, den „idiôtes”, over wien Paulus zich later tegenover onchristelijk egoïsme van christenen uit den eersten tijd ontfermen zal x, hooghartig voorbij liepen. Ook de ongeleerde is welkom in den kring, ook de ambtelooze mag heeten de „chabeer”, de bondgenoot, mits hij maar deelt in de reverentie van de erfenis der vaderen, mits hij maar niet de opinie voorstaat, dat er een ander voorportaal van den tempel is dan de sterfkamer van de goede, echte vaderen. Ook de man van de straat is welkom, als hij maar tevreden is met de repetitie van de leuze, die daar luidt: patrimonium, vaderlijk erfdeel; over de vraag, welke talenten hij bij dat vaderlijk erfdeel voor het nageslacht kan winnen, als echte zoon der vaderen, behoeft hij zich dan minder te bekommeren.

En als dan straks de farizeeër vindt, dat de kleeren van een man uit het volk de nette kleedij van een schoongewasschen farizeeër verontreinigen, dan is het heusch niet een andere hoogmoed, dan die van den wetsman. Het is niet zoozeer de deftige, als wel de strenge heer-farizeeër, die den ’am-ha-árets met opgetrokken neus voorbijloopt aan den anderen kant van de straat.

En tegenover die koude strengheid en strakheid en stroefheid komt nu Jezus van Nazareth stellen het beeld van den koning, die zijn bruiloftsgasten roept uit heggen en stegen y: het zijn de blinden, de kreupelen, de ongekleeden, de onverzorgden. En de gelijkenissen van Jezus, die den kommentaar met opzet niet hebben gegeven, lieten de farizeeën heusch lang genoeg tobben over de niet te miskennen schildering van den „’am-ha-árets”, die ter bruiloft gaan bij God, terwijl de deftige, in hun gestrengheid versteende farizeeuwsche leidslieden mogen toezien, gelijk ze immers gewild hebben. Ja, nog scherper laat Christus hen herkennen in hun afglijding naar beneden. Die volksverachters, die de onreinheid van de geestelijke sloppen netjes en orthodoxistisch voorbijtrekken, en op den boulevard der gladgestreken aangezichten van Israël’s punctueelen, precies op tijd verschenen, ze gaan het beeld vertoonen van den oudsten zoon uit de gelijkenis. Die is altijd bij zijn vader; maar daar let hij niet op, want hij tobt zich af, niet zoozeer over het vraagstuk van den levenden vader, die met hem eet om de bitterste spijze zoet te maken, als wel over het vraagstuk van het doode bokje, dat hij zoo graag zou willen eten, liefst zonder vader. Die oudste zoon, hij weet |314b| niet, wat het is: altijd bij den vader te zijn, want hij is ook niet meer de zoon, maar de beste knecht in huis. Als vader zingt, moeten de knechten hem er van de exegese geven; de officiëele en dan vooral de knechtelijke exegese maakt hem al evenmin bereid, om in te gaan tot de vreugde van zijn vader en van zijn broeder als de uitgebreide hand van zijn vader zelf, die straks hem smeekt. Zóó kòud is nu een farizeeërs-ziel. Wie met hoeren en tollenaren eet is hun een gruwel; en aan gladgeschuurde tafels schudden zij het hoofd over den Nazarener, die uit ongewasschen bekers drinkt, die hij van de handen der „zondaren” zich liet vullen. Want ze konden niet zien, dat Christus achter de handen, die in tollenaarshuizen hem de tafel dekten, harten ontdekte van God, en daarom weer harten van goud. De Farizeeën ten niet met den „’am-ha-árets”. Christus ontvangt de zondaars en eet met hen. Zonen en dochteren Abrahams, zouden ze niet „chaberim”, zouden ze niet de naasten mogen heeten van wie óók uit Abraham’s zaad is?

Neen, zeggen de farizeeërs.

Ja, zegt de Christus.

En toen hebben de Farizeeërs dat conflict [gebracht] voor Pilatus, al hebben ze er van gemaakt een kwestie van keizer en Galileeër, van God en menschenkind. „Deze lastert God.” z. „Deze doet den keizer te kort” aa. Dat zijn de beschuldigingen die Pilatus hooren moet. Maar in hun hart zeggen ze: „Deze wischt de grenzen uit, die wij getrokken hebben, hij breekt de hekken, die wij gezet hebben”.

En die òns uit de beek wil doen drinken, die door den „’am-ha-árets” is besmet, die moet sterven.

*

We hebben getracht, in enkele korte trekken het wezen, de opkomst en de voornaamste typeerende eigenschappen van het farizeïsme aan te geven.

En nu keeren we terug tot ons uitgangspunt en raken daarmee tevens de tweede vraag, die we stelden, aan. Nu vragen we: in hoeverre beidt nu het leven der Gereformeerden, met name, gelijk zich dat aandient in de Gereformeerde Kerken van Nederland, met die farizeeërs al dan niet analogieën?

We kunnen, bij het zoeken van een antwoord op die vraag, twee wegen inslaan.

We kunnen den farizeeër secuur van den buitenkant bekijken en daarna den gereformeerden doorsneê-mensch eveneens op een stellage plaatsen en ook van rondom aan den buitenkant bezien.Willen we op die manier ons onderzoek instellen, dan volge hier bij voorbaat de verzekering, dat we verscheiden punten van overeenkomst zullen ontdekken.

We zouden echter, nu we toch al aan het vooruitloopen zijn op onzen gedachtengang, graag tegelijk verzekeren willen, dat we op die manier even goed overeenkomst zouden kunnen ontdekken tuschen gereformeerden en, om maar iets te noemen: Patagoniërs, of duivelen, of zoogdieren of zeepaarden of sodawater, of wat dan ook.

Want — om met ons bezwaar voor den dag te komen — deze methode is door en door valsch, óók al, omdat ze op ende op „farizeeuwsch” is.

Immers, juist de farizeeër let op den buitenkant, en kijkt precies, of het buitenste van den drinkbeker wel in orde is. Wat van buiten besmet is, dat gaat hij voorbij . . . . ook een zoon, die verloren was en gevonden is en aan de borst van vader uitgeschreid heeft. Voor de binnenzijde heeft hij geen oog. Hij bestudeert wel de uitloopers, maar niet den wortel van het gewas, dat hij tegenkomt.

En het moet ons van het hart: als er van die gemakkelijke critici zijn, die een gereformeerd mensch van den buitenkant bezien, en die óók de Gereformeerde Kerken van den buitenkant bezien, en die dan, zonder eenige moeite te nemen om tot het wezen, tot den verborgen achtergrond der dingen, bij hen door te dringen, zóó maar ineens decreteeren, dat die Gereformeerden Farizeeërs zijn, . . . . dan zijn dat in methode en redeneergang zonen van de Farizeeën. Ze lijken sprekend op deze hunne vaderen, al zijn ze te slap, om hun graven te bouwen . . . .

Daarom moeten we een ander standpunt innemen. We moeten het gereformeerde leven kennen naar den wortel, waaruit het leeft, naar het beginsel, waardoor het zich laat leiden; het uitgangspunt beslist hier meer dan een toevallige combinatie van willekeurig gevonden uitwendigheden. Dan is het onderzoek eerst zuiver in methode, eerlijk in bedoeling.

*

We willen de rechtvaardigheid van deze onze keuze tusschen het eene en het andere beginsel van onderzoek gaarne toetsen aan de praktijk.

Laat ons maar beginnen even de eerste — door ons verwerpelijk geachte — methode te volgen. Bezie den gereformeerden mensch, zooals hij daar reilt en zeilt, nu eens van den buitenkant, doet hijdan niet meermalen farizeeuwsch?

Och ja, laten we het belijden, laten we ook den tegenstander de volle maat geven: àls het onderzoek zóó moet geleid worden, dan ontkomen we niet aan het anathema over het gereformeerd farizeïsme. |314c|

We noemen maar een paar dingen, die iedereen met andere voorbeelden kan aanvullen.

Wie zal ontkennen, dat de „traditie”, de overlevering der ouden, door ons wel eens wat al te veel wordt aanvaard in haar beslissingen, zonder dat we haar uitkomst zelfstandig en rustig onderzoeken en toetsen en zoo noodig verwerpen? Ouderlingen, ook als ze van hun leven nooit gestudeerd hebben, zùllen en mòeten classicale examens bijwonen en met dezelfde rechten beslissen over den uitslag van het examen van de predikanten als de reeds fungeerende predikanten zelf. Want zóó eischte het de traditie, die dan ook veel goeds kan aanvoeren voor haar zelfverdediging. Zoo stond het nu eenmaal geschreven te Dordt en elders . . . lang geleden . . . Maar komt er een nieuwe praktijk op, ik bedoel, die van den missionairen dienaar des Woords, den man, die naar het zendingsterrein gaat, dan wordt ineens een regel gevolgd, die van de gewone wijze van examineeren zeer sterk afwijkt, doordat hij erkent, dat, wie examineeren, ook daartoe wetenschappelijke bekwaamheid moeten bezitten. Soortgelijke regeling geldt voor hen, die uit andere kerken overkomen in bepaalde gevallen, met de bedoeling, om het predikambt te verkrijgen bij de Geref. Kerken. En dit is maar een enkel voorbeeld. Wie het gereformeerde kerkrecht in zijn praktische toepassing kent, weet, dat het vaak een merkwaardige elasticiteit vertoont; maar hij weet óók, dat de traditie zeer sterk overheerscht, zelfs, waar ze wel eens toestanden schept, die nieuwen wijn in oude leeren zakken doen. In dit geval is de nieuwe wijn het tegenbeeld van het farizeeuwsche, en de critici van den overkant doen daarvoor goedmoedig de slaapoogjes toe. Maar met den vorm hebben zij het te kwaad; en inderdaad, daar is wel aan den buitenkant eenige gelijkenis.

Of: peuteren we wel eens niet te veel, zoo’n beetje talmoedisch? Een preekstoel moet bij ons het woord van God brengen, en wachte zich dus voor opmerkingen (dat past al niet eens in een preek: opmerkingen!) die op zijn minst onder de eerlijke exegeten van dat Woord in geding zijn. Toch zijn er wel eens preekstoelen, die uitmaken b.v., dat de scheppingsordinantie meebrengt, dat een dame leunt op den arm van den heer, maar niet de heer op den arm der dame, want het zwakkere moet leunen op het sterkere en niet omgekeerd. Maar Bavinck’s worstelingen met het vrouwenvraagstuk kwamen niet op den preekstoel, denzelfden bedoel ik. Er zijn er, die hun kind verbieden, te zeggen, dat het vandaag „leelijk weer” is, want dat weer komt ook van God.

Maar als de dominee zegt: de gansche schepping ligt onder den vloek, dan is alles goed. Zoo kunnen we verder gaan.


*

IV.

In den laatsten tijd kwam de vraag aan de orde, in hoeverre men kan spreken van een „gereformeerd farizeïsme”. De een acht het aanwezig, de ander ontkent het. Afgedacht van een bepaalden vorm, waarin de aanklacht zich zou kunnen aandienen, is het de moeite waard, de kwestie onder de oogen te zien: want, dat er menschen zijn, die gereformeerden en farizeeërs aan elkander verwant zien, valt niet te loochenen.

Al is de aanklacht nu zeer voorbarig en dikwijls ontbloot van deugdelijke argumentatie, toch valt zij te onderzoeken. Daartoe is allereerst noodig een inzicht in het wezen van het farizeïsme. Ze verklaren de „wet” overeenkomstig de overlevering; kennen daaraan bindend gezag toe; neigen over tot het sectarische; en miskennen straks het wezen van de „wet”.

Van de wet maken de Farizeeërs een complex van geboden en inzettingen, waaruit de idee van „genade” wordt weggeredeneerd; die van „verdienste” komt daarvoor in de plaats; gevolg: uitwendige gerechtigheid. Ten aanzien van het „volk des lands” nemen ze een afzonderingspositie in.

Nu kan men den gereformeerden mensch wel op uiterlijke verschijnselen wijzen, waarin hij met den farizeeër min of meer overeenkomt, al moet bij voorbaat gezegd worden, dat deze redeneermethode niet deugt.

Ja, werkelijk, als we alleen op uiterlijkheden willen letten, dan zijn er wel meer punten van overeenkomst te noemen tusschen den farizeeuwschen en den gereformeerden mensch, zooals wij hem meestal plegen te ontmoeten.

Zijn er wel eens niet te veel gereformeerde peuteraars? Och, laat de redacteuren van vragenbussen spreken: dierenbloed houdt vele vragers meer bezig, wanneer het eenmaal in bloedworst verwerkt is, dan wanneer het, vóór het zoover komt, ter sprake gebracht wordt door den vegetariër; en zwijnenbloed in worst is voor vele vragers eerder object van onderzoek dan menschenbloed op het slagveld van Europa. — Zit er op Zondag een meisje met de borduurnaald, dan zijn er aanstonds die er een kwestie van maken; maar onder dezelfde groep van onderzoekers moet men wel eens hooren, dat wie en mysticistischen broeder, die op zolder zijn sabbath ver van alle kerken en dominees doorbrengt met oude schrijvers, toch niet al te zeer moet becritiseerd worden: want „wie Mijn volk aanraakt, die raakt Mijn oogappel aan”, spreekt de Heere ab. — Zoo machtig is vaak de traditie, dat over een „Amen” al of niet na den doop jaren lang min of meer getwist is, terwijl er onder degenen, die de kwestie van een formulier aldus gansch scrupuleuselijk en curieuselijk uitpluizen, toch nog altijd menschen zijn, die een zegengroet naar de formuleering van Paulus toch graag een beetje opsieren met eigen bedenkselen, omdat het volk dat eenmaal zoo wil.

En wie zal durven zeggen, dat de liefde voor den buitenstaander, voor den onwetenden mensch buiten eigen kring, altijd even sterk in de ziel getuigenis geeft? Het opus operatum, de uitwendige daad, die met zichzelf tevreden is, wordt ook voor een gereformeerde wel eens een oorkussen, waarop hij in valsche rust zich neerlegt. Ook onder ons wordt wel eens geroepen: „palstaan”, terwijl de palstaanders niet eens altijd weten, wàt |321b| er eigenlijk achter de kwesties is, die zij bij voorbaat hebben beantwoord met axioma’s, die in stereotype editie worden uitgegeven. Ook onder ons zijn de casuisten; en ook zijn er de vrienden van den oudsten zoon uit de gelijkenis van Christus; en eveneens de rustige zielen, die alles in een boekje hebben, wier heele geloof in het notitieboekje kan. Wij kennen ze ook wel, de menschen, die over tuchtkwesties nooit in de war zitten, en die alle gevallen naar vast systeem weten te behandelen. Als anderen uit de Evangeliën een stuk uitlichten, dat hen bizonder treft, en dat ze met terzijdestelling van andere stukken, soms eenzijdig tot norm verheffen, dan is ook onder ons het argument, dat tegen hen wordt gekeerd, het argument n.l., dat we den bijbel niet mogen verknippen, wel eens te veel verstandswerk, te veel memoriepost; want wat de één te veel belicht, daarmee worstelen wij wel eens te weinig; ik denk hier b.v. aan de bergrede. Er zijn er, die over de veronderstelde wedergeboorte, over den samenhang tusschen roeping en wedergeboorte, over infra- en supralapsarisme alle synodale edicten kennen, en die heele kolommen weten te vullen of te doen en te helpen vullen over de werkelijk buitengewone kwestie, of een kerk zuiver is, als ze zegt, dat het „minder juist” dan wel „onjuist” is, te verklaren, dat de doop niet wordt bediend op veronderstelde wedergeboorte; terwijl dan diezelfde menschen meermalen doof zijn voor de boodschap van evangelisatie, ontoegankelijk voor een debat over volkerenbond, over internationale roeping van het christendom, over de vraag van „beginsel en meeningen”, van de samenhang tusschen psychologie en de leer der geestelijke bevinding van Gods volk. Ook wij hebben ze, die genoeg hebben aan predikers, die Zondag aan Zondag repeteeren: gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is . . . en wederom, dat van de ouden gezegd is, en ten derden male, dat van de ouden gezegd is . . . maar die dan iedereen, die zeggen wilde, en dan met de Schrift in de hand: „maar ik zeg u” ac, onmiddellijk rangschikken onder de „ethischen”. Het zijn altezamen menschen, in wie de traditie ongeveer het recht heeft, dat de „halacha” had voor zielige Farizeeërs. Er zijn werkelijk menschen, die er geen enkel bezwaar in zien, de pasgedolven graven van Kuyper en Bavinck te verontreinigen met gekwijl, maar die alle graven van oude schrijvers tegen de nieuwlichters beschermen met gekweel — uit de verte (!).

En zoo kunnen we wel door redeneeren. Ik erken, dat het lijstje voor verdere aanvulling aanstonds in aanmerking komen kan voor ieder, die langer dan een paar dagen bij de Gereformeerden thuis is geweest.

*

En nu: wij hebben gehoord, dat „van de ouden” onder de aanklagers der Gereformeerden gezegd is: wat hebben wij nog getuigenis van noode?

Maar, zonder eenige zelfverheffing, zeggen wij hun: wie zóó oordeelt, dieoordeelt een lichtvaardig oordeelad. En tegen zulke verzekerde rechters zeggen wij: „Gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, en een licht dergenen, die in duisternis zijn, een onderrichter der onwijzen, een leermeester der onwetenden . . . Die dan een ander leert, leert gij uzelven niet?” (Rom. 2).

Want waarlijk, de redeneering der aanklagers, voorzoover wij ze tot dusver gevolgd hebben, is verbijsterend goedkoop.

Laat ons allereerst mogen vaststellen, dat heel wat ziekteverschijnselen, die onder de Gereformeerden voorkomen, als men de diagnose zuiver stellen wil, niets te maken hebben met het wezen van het farizeïsme, doch herleid kunnen worden tot algemeen-menschelijke symptomen van deformatie en depravatie. Het klinkt aardig, en het flatteert werkelijk, als men een gereformeerde „farizeeër” noemt, en daarmee uit. Ik denk daartegenover er niet aan, te opereeren met David Friedrich Strauss, die gelukkig min of |321c| meer uitgepraat raakt. Maar hij is toch in ieder geval een onverdacht leverancier van citaten, voor het geval, dat hij een gereformeerde kan helpen tegen een heirschare van aanklagers. Laat dan Strauss nog maar eens ten tooneele komen: heeft hij niet eens geschreven, dat het duitsche volk bepaalde groepen in zich bevatte, die tot de Duitsche natie ongeveer in gelijke verhouding stonden als waarin de Farizeeërs stonden tot het Jodendom? 43) Men kan verder over de uitwerking van die gedachte bij Strauss twisten, zooveel men wil: maar voor ons doel is het genoeg, te weten, dat ook deze mensch het farizeïsme niet alleen zoekt in een bepaalde secte, in een zeker groepje van achterbaksche dissenters, maar dat hij erin erkent een soort van geestelijke strooming, die telkens in de geschiedenis weer zijn baan breekt. Ook Strauss geeft onopzettelijk toe, dat de ziekte van het farizeïsme interconfessioneel is, dat ze voorkomt „in de beste familie”, en niet alleen maar in de behuizingen der gereformeerden, die sommige critici als slopbewoners vermijden, vanwege het illustre feit, dat ze nog nooit hun straatje doorgeloopen zijn 44).

Laat het waar zijn, dat onder de gereformeerden de clubgeest slachtoffers maakt, en dat er onder hen zijn, die den schat van hun geloof en hun religie liever in de kluis houden, dan dat ze er mee naar buiten gaan, om den vreemde te zoeken, . . . is men dan vergeten, hoe in de kunstwereld de clubgeest telkens weer zich laat herkennen, hoeveel kringetjes er daar zijn van wederzijdsche verdoening en verdoeming? Heeft men nooit gehoord van de koffiehuisletterkunde? En wat denkt men van de loge, en de knusse gezelschapjes van philanthropie?

Is er verketteringsvaardigheid onder veel gereformeerden? Maar ik haal maar weer de litteratoren erbij. Vriend Kloos weet niet alleen tegen de orthodoxe theologen te toornen; zijn pijlen vallen ook op korten afstand. De anathema’s vallen ook in de kunstwereld bij getallen; en dat ze niet synodaal geijkt worden, is geen verdienste, die ze hebben boven de traditioneele banbliksems der kerk; want om een gemeenschappelijk anathema te slingeren moèt men tenminste nog een zeker getal van gelijkgezinden hebben; hier evenwel gaat het individualisme vaak zóó ver, dat het niet eens tot een gemeenschapsvonnis komen kan. In zulke gevallen kwam men er dan ook niet over heen, doch nog niet eens er aan toe. En nu zwijgen we nog maar van zooveel anderen, als daar zijn: de menschen van wetenschap, de sociale hervormers, de diplomaten en de heel groote rest . . .

In de tweede plaats: achter alle uiterlijkheden ligt een innerlijk wezen; en wie niet de moeite neemt, door te dringen tot den achtergrond der verschijnselen, zal meer dan eens zich vergissen in zijn diagnose. Ook in het onderhavige geding wordt meermalen farizeïsme geheeten, wat bij nauwkeuriger kennisneming er niets mee te maken heeft. We spraken van de bloedworst-theologie, die ook aan liberale bladen wel eens copie levert. Maar als men meent, dat het preciseeren van het standpunt des christens ten aanzien van bloedworst „farizeeuwsch” is, dan vergist men zich gruwelijk. Want: de farizeeër legt de traditie der ouden op aan de exegese van den bijbel. Maar alle vragenbusbestormers, die met de bloedworst in de maag, of eigenlijk niet in de maag zitten, dènken er niet aan iets anders te weten, dan de opvatting, die de gereformeerde exegese geeft van de verhouding van den nieuwtestamentischen christen tegenover wettelijke voorschriften van oud-Israël. Daar is dan ook een kwestie achter, die meer dan één gnuiver nooit |322a| van zijn leven ook maar geroken heeft. Bovendien is het wezen van het farizeïsme: het opleggen van eigen inzicht aan anderen. Maar men kent de menschen niet, die de gereformeerde kerkbodes met zulke vraagstukken lastig vallen. Want zij denken er niet aan, een ander iets op te leggen; zij verdragen de idee der tolerantie; ze willen alleen maar voor zichzelf weten, wat hun plicht is.

En zoo is er meer te noemen. Niet alleen de gereformeerden lijden immers aan het odium theologicum? En ik zou wel eens willen weten, naar welken kant de vergelijking gunstig uitvallen zou, als men eens ging onderzoeken, bij welke groepen van christenen het odium theologicum (de twistgierigheid der theologen) het meest de keerzijde was van den amor theologiae (de liefde voor de waarheid, voor de theologie).

Wie over de gereformeerden het hoofd schudt, als hij hun uiteenzettingen hoort over „Sabbathskwesties”, over tuchtgevallen, over vragen van bijbeluitlegging, die moet zich eerst opwerken tot de hoogte, die hem in staat stelt, de toch wezenlijk belangrijke theologische vragen, die achter deze disputabele punten liggen, te bestudeeren. Een gereformeerde, die de kwesties nog nieet heeft dóórgedacht, en daarom fouten maakt in zijn redeneering, is verder en staat hooger, dan menig criticaster, die van de kwesties nog niets heeft begrepen.

In de derde plaats zouden we willen opmerken, dat de critici, die de gereformeerden zoo gauw in den kuil der farizeeën werpen, toch eigenlijk de waarde van hun vonnis zelf verminderen en de lichtvaardigheid er van zelf demonstreeren, door een niet onvermakelijke eenzijdigheid. Want het is opmerkelijk, dat men wèl de parallel tusschen gereformeerde en farizeeër trekt, als ’t er op aankomt, de schaduwzijden van het farizeïsme te doen zien in het geestesbeeld der gereformeerde zielen, maar dat men niet er aan denkt, dat de farizeeërs in hun optreden en hun werk ook lichtzijden vertoonen; en àls men er nog aan denkt, dan worden die getuigenissen ten gunste van het farizeïsme niet op rekening van de gereformeerden gebracht. Wij hebben er niets op tegen; daar niet van. We zijn er zelfs een beetje blij om; want op die manier bewijzen de aanklagers zelf, dat ze ten eerste niet onbevooroordeeld zijn; en ten tweede, dat ze nog niet hebben aangetoond, dat het wezen van het gereformeerde één is met het wezen van het farizeeuwsche. Want àls dat zoo is, dan moeten niet alleen de donkere, maar ook de lichtere partijen in het beeld van farizeeër en gereformeerde te herkennen zijn.

Werkelijk, de rechters, die over de gereformeerden ten troon zitten, mogen toezien, dat de bom niet aan den verkeerden kant gaat barsten. Want het gaat den Farizeeërs net als Xanthippe, en precies als de vrouw van Job; ze komen er zoo langzamerhand weer aardig boven op. Reeds herinnerden we er aan, hoe in Engeland hun reputatie weer wordt verdedigd; hoe zelfs onze gezegende volksuniversiteit — die het weten kan! — reeds de farizeeërs weer uit het slijk der eeuwen ophalen komt. We kunnen er nog een derde instelling van algemeen erkende wijsheidsuitvloeiïng bij noemen: onze „Nederlandsche Bibliotheek”. Heeft Carolina Eitje niet veel goeds van de farizeeën verteld? 45) Hoor, hoe ze de loftrompet steekt: „Elk politiek, elk nationaal streven was hun vreemd”, heet het. Wil men die opinie bestrijden, men zal er wel gronden tegen kunnen aanvoeren 46). Maar een gereformeerde mag toch wel even daarop wijzen, om te vragen, hoe het dan komt, dat Ds Lingbeek de gereformeerden (pardon: „Gescheidenen”) zoo de hegemonie ziet veroveren, en hoe hij kan meenen, dat tegen hun politiek een andere moet komen, die de rechten der vaderlandsche kerk tegenover hen moet beschermen, aangezien de Gereformeerden hun kerkelijk leven laten inwerken op hun politiek? Een beschouwing, waarin anderen hem volgen . . . En als Carolina Eitje opmerkt, dat het de Farizeeën eert, dat zij geen poging deden om te schipperen, dat hun „instinct onfeilbaar” was, toen het hun ingaf, dat de weg van het vreemde, van het on-joodsche het joodsche leven bedreigde, en dat daarin het „rechtvaardige oordeel der historie” hen heeft in het gelijk gesteld tegenover de Sadduceeën, nu, dan mag men, wat ons betreft, deze beschouwing bedenkelijk achten; maar wie ze accepteert, die moet dan niet langer gereformeerden en farizeeërs vereenzelvigen op de oude methode: van de farizeeërs alleen het leelijke overdragen op de gereformeerden, en dan bovendien achter de gereformeerde vasthoudendheid aan dogma en antithese en achter hun opkomen tègen valsche synthese een heel andere mentaliteit en bedoeling zoeken dan Carolina Eitje bij de farizeeën aanwezig ziet. Gereformeerden kunnen rustig zijn: evenals van de vroeger door iedereen gescholden Farizeeërs nu weer erkend wordt, dat zij, binnen de grenzen van hun inzicht, „alles wat zij in zich hadden aan liefde en aan opoffering aan hun eene, geweldige ideaal, gaven”, en dat zij daarin „de waardige opvolgers van de profeten en Godsmannen van vroeger |322b| eeuwen geweest zijn” 47), ja, de redders van het Jodendom 48), zoo kan ook de weegschaal der kritiek nog wel eens ten gunste van de Gereformeerden omslaan. Met nadruk stellen wij voorop, dat het zooeven geciteerde waardeeringsoordeel over de Farizeeën het onze niet is. Maar met even groote stelligheid zeggen we tot de modieuse gereformeerdenvloekers: denkt er aan: de papieren van de Farizeeën rijzen; houdt uw tijd bij; slikt uw voorbarige klachten in en kijkt uit eigen oogen.

In de vierde plaats willen wij tegen alle dergelijke oordeelvellingen aanvoeren, dat gebrek aan congenialiteit menigeen het onmogelijk maakt, het wezen van het gereformeerde denken en doen op zuivere wijze te taxeeren en te peilen. Om maar een voorbeeld te noemen: Van Vloten was een man, zegt iemand 49), „die moeilik Christenen van Farizeeërs onderscheidde en alle predikanten voor levensgevaarlike parasieten aanzag”. Hij ging dan ook formidabel te keer tegen „vermolmde kansels”. Maar hij had dan ook van het christendom niet al te veel begrepen 50).

En in de vijfde plaats: nu we toch aan Van Vloten bezig zijn, kunnen we heel gevoegelijk aan hem illustreeren onze vijfde tegenwerping: de aanklacht kan heel gemakkelijk worden teruggekaatst tegen velen onder die ze stellen. Wie hebben Van Vloten indertijd ontslagen als hoogleeraar, toen zijn gefulmineer tegen de „sinterklaaschristenen” al te bar werd? Toch zeker niet de „fijnen”, en niet de „Gescheidenen”, die het spook van Ds Lingbeek, noch de „Kuyperianen”, die het fantoom van Ds Kersten zijn? Want de fijnen hàdden toen niets in te brengen (ongeveer 1867). Maar het waren de hooggeleerde enz. heeren Curatoren van het Athenaeum (een plaats — dit in ’t voorbijgaan — waar het „schotje” geplaatst is tot ergernis van De Genestet ae, die het ook tegen de gereformeerden aanvoeren zou). En heeft Van Vloten alleen de „fijnen” tot mikpunt van zijn uitvallen gekozen? De modernen kregen er niet minder van langs. Ach ja, de historie werkt nòg met knoetslagen op den rug van wie ze aan anderen uitdeelt.

Ds Zaalberg vond uit, dat de „fijnen” farizeeërs waren. Maar Multatuli gaf hèm niet minder ervan langs dan den „fijnen”. Het zou ook in het belang der aanklagers zelf zijn,als ze een tikje spaarzamer waren met het étiketje. Het prijkt op hun eigen rug, terwijl ze ’t ons op de mouw willen spelden.

Wil men even goedkoop redeneeren als zij, dan kan men zich van de zaak afmaken naar hun eigen methode. Verwijten ze ons de scrupuleuse leer der Farizeeuwsche constructie, dan kan men antwoorden: maar de Farizeeërs hebben het leven als het voornaamste erfgoed uitgegeven; en dat is in onze dagen bij vele niet-gereformeerden juist de leus: het leven meer dan de leer! Verwijt men de Gereformeerden farizeeuwsche gezindheid, en als gevolg daarvan een hooghartige afwijzing van den buitenstaander en een koude ziel tegenover den man uit de groote massa, dan kan men zich herinneren, dat „De Hervorming”, het weekblad van de moderne richting in Nederland, zich onlangs niet zonder zelfbehagen beriep op de „impopulariteit” van de moderne prediking; want . . . dat was juist een bewijs van haar hoogstaand karakter! Legt men ons partijvorming ten laste, dan kan een verwijzing naar de Hervormde Kerk, waar de partijgeest ondanks het karakter van „volkskerk”, de verhoudingen buitengewoon verscherpt, tot tegenweer dienen. Dan kan gevraagd worden: wie nu wel de buitenwereld meer aanraken: de Gereformeerde kerken dan welke partij of groep dan ook uit de Hervormde Kerk. Ds Lingbeek, niet zonder eenige (althans objectieve) vermakelijkheid, klaagde, dat de „Gescheidenen” een zeker Farizeïsme vertoonen, maar moest tegelijk erkennen, dat zij het volksleven zóó danig beheerschen, dat hij het noodig achtte tegen hen een dam op te werpen. En tegelijk moest hij de Gereformeerde Kerken aan de Hervormde Kerk ten voorbeeld stellen, omdat ze, krachtens haar leven uit eigen positief beginsel voor den vreemde, voor den buitenlander zelfs, méér kunnen doen dan de verdeelde Hervormde Kerk vermocht. Hoe deze erkenning van den breeden zin der Gereformeerden te rijmen is met zijn alweer ongeveer gelijktijdige verzekering, dat Gereformeerden aan hun kinderen bij den doop weldaden van God toebeschikken, die aan Hervormde kindertjes dan toch maar niet zoo gemakkelijk in den schoot vallen, is een andere vraag. Maar in ieder geval geeft hij stof genoeg voor onze bewering, dat de aanklacht in veel gevallen tegen wie ze stellen is terug te werpen.

En nu in de zesde plaats: de beschuldiging is zóó door en door voos, zoolang zij de door ons gewraakte redeneermethode volgt, dat ieder, die wil, de aanklagers tegen elkander kan uitspelen.

Hier is er een, die buikpijn zegt te hebben, vanwege der gereformeerden ongeschokt geloof aan |322c| de traditie. Maar aan den anderen kant zuchten „Banier” en „Staat en Kerk” heele kolommen vol over de Kuyperiaansche zonde van de loslating der vaderen inzake artikel 36 der belijdenis. De klagers vergeten, erbij te zeggen, dat toen de confessie, ook art. 36, werd ingediend bij de overheid (Vermaninghe tot de Ouerheyt), de vaderen zelf weer de nòg oudere vaderen gladweg verloochenden met open oogen. Ze schreven zonder blikken of bloozen, dat „het meeste deel der oude Leeraers” een andere opinie had voorgestaan, dan thans in art. 36 werd geleerd 51) zoodat wie thans de verwerpers van art. 36 naar de redactie van de laatste eeuwen te lijf gaat, toch kwalijk loochenen kan, dat zij eenzelfde elasticiteit vertoonen als de vaderen; en dat de vaderen en zonen beiden hebben getoond, dat de overlevering der ouden geen bindend gezag heeft onder ons.

Gereformeerden zijn Gescheidenen; en Separatisten; en daarom familie van de Farizeeën; aldus vele Hervormde broeders. Maar tegelijk moesten zij beleven, dat de heer Kersten met zijn separatistische politiek overal beter terecht kon om voor zijn afscheiding slachtoffers te maken, dan juist in de Gereformeerde Kerken. Terwijl daartegenover stond, dat twee Hervormde predikanten zich naar voren schoven, beiden voor een afzonderingspositie in de Kamerverkiezingen. Waarbij de bedoeling voorzat: tegen Rome en tegen dit en tegen dat!

Gereformeerden zijn farizeeërs, zeggen velen; ze hebben den greep op het volksleven losgelaten. Maar daar staat tegenover het armoedige figuur van enkele politieke nieuwelingen onder niet-gereformeerde theologen, die men van z’n leven nergens bij kon sleepen, als het ging om positief werk voor de doorwerking in het volksleven van het Koninkrijk van God, wanneer tenminste dat werk ook maar even buiten de grens van preekstoel, „evangelisatie”-lokaal (voor kerkleden!) of catechisatie-kamer lag. Zoodra evenwel de ontevredenheid, de negatie, de aanklacht, zich organiseeren ging, werden de heeren ineens wakker en gingen het politieke pad op, ter jacht.

Gereformeerden zijn farizeeërs, zegt meer dan een: ze verstrikken zich in geboden en inzettingen van menschen, ze zijn onmogelijk streng en knechten hetleven met hun verboden. Maar tegelijk vindt prof. Haitjema uit, dat de leer der „gemeene gratie” van Dr A. Kuyper aanleiding werd van de „acute verwereldlijking van ons leven”. af

Men ziet: de aanklagers zijn vele. Maar zoolang de slag op soortgelijke wapenen geleverd wordt, kan men hen tegen zichzelf verdeelen.

En om alle genoemde redenen komen wij er tegen op, dat op dergelijke gronden het stempel van farizeïsme ons wordt opgedrukt.

Men moet heusch ànders argumenteeren, zoo men iets bereiken wil.

*

Maar àls men dan anders te werk gaat, àls dan in waarheid naar het wezen van het farizeïsme, en evenzoo naar het wezen van het gereformeerde onderzoek gedaan wordt, houdt dàn de beschuldiging steek?

Wij antwoorden daarop: neen. Oók dàn blijkt ze nòg onhoudbaar.

Het is onze vaste overtuiging, dat waarachtig gereformeerd niet farizeeuwsch is; en evenzoo, dat wezenlijk farizeeuwsch niet gereformeerd is.

Een gereformeerde zal niet ontkennen, dat de geest van den farizeeër in zijn kerk is. Maar hij heeft geleerd, onderscheid te maken tusschen wat in de kerk en wat van de kerk is. Hypocrieten zijn in, maar niet van de kerk. En zóó staat het met den farizeeër ook. Hij is er, maar hij hoort er niet, en komt van buiten in, zoo vaak hij komt. De Farizeeuwsche zonde is geen gereformeerd gewas. Ook niet een uit-was aan den gereformeerden stam. Hoogstens is hij een woekerplant, die van buiten af den stam bedreigt. De ervaring heeft geleerd, dat, als ’t erop aankomt, gezond-gereformeerde ontwikking in staat gebleken is, zich tegen de woekerplant te verdedigen, beter dan menige andere boom in den geestelijken en kerkelijken hof dat vermocht.

Gereformeerden gaan nooit „kapot”, hoorden we zeggen. Zij zijn altijd zoo akelig zeker van hun zaak; en van twijfel weten ze niet. Men kent het nog al farizeeuwsch-pedante rijmpje van De Genestet: „gij strompelt op uw afgebakend paadje naar uw eng, fantastisch hemelpoortje voort; wij zwerven op des Geestes breede, diepe stroomen”. Och ja. Zoo, zoo. Maar een gereformeerde loopt evenmin met zijn geestelijke genezing als met zijn twijfel te koop. Wie de Farizeeën op straat ziet bidden, zal bedenken, dat een keerzijde van dezelfde houding òòk kán zijn: het te koop loopen met zijn twijfel en met zijn onverzekerdheid, bijaldien het agnosticisme of relativisme in de mode is; tijdens de Farizeeërs was het opperste weten in de mode. Een gereformeerde kan daarom toch wel worstelen in de stilte, al brengt hij naar buiten, niet zijn onwetendheid, die niemand helpen en die God alleen verhelpen kan, maar alleen zijn uit God gewonnen zekerheid. Heeft men nooit van Epaminondas gehoord? „Epaminondas had slechts één mantel met welken hij |323a| op straat verscheen. Wanneer dus die mantel gewasschen moest worden, kon Epaminondas niet op de straat komen vóór hij zich weder met denzelfden maar nu gereinigden mantel bedekken kon. Evenals deze Thebaansche held zijn wij vaak op de straat voor het oog der menigte, steeds den mantel derzelfde overtuiging dragende; maar wijzelve weten het wel best, hoe dikwijls hij te huis in stilte gereinigd wordt”.

Vindt men dit gereformeerd-stiekum, farizeeuwsch, onwaarachtig? Dan bedenke men, dat dit niet een zin van een Gereformeerde, maar van een ethische is; een man, die door zijn eigen zonen soms op dit punt verloochend wordt en door menigen gereformeerde gevolgd 52).


*

V.

In den laatsten tijd kwam de vraag aan de orde, in hoeverre men kan spreken van een „gereformeerd farizeïsme”. De een acht het aanwezig, de ander ontkent het. Afgedacht van een bepaalden vorm, waarin de aanklacht zich zou kunnen aandienen, is het de moeite waard, de kwestie onder de oogen te zien: want, dat er menschen zijn, die gereformeerden en farizeeërs aan elkander verwant zien, valt niet te loochenen.

Al is de aanklacht nu zeer voorbarig en dikwijls ontbloot van deugdelijke argumentatie, toch valt zij te onderzoeken. Daartoe is allereerst noodig een inzicht in het wezen van het farizeïsme. Ze verklaren de „wet” overeenkomstig de overlevering; kennen daaraan bindend gezag toe; neigen over tot het sectarische; en miskennen straks het wezen van de „wet”.

Van de wet maken de Farizeeërs een complex van geboden en inzettingen, waaruit de idee van „genade” wordt weggeredeneerd; die van „verdienste” komt daarvoor in de plaats; gevolg: uitwendige gerechtigheid. Ten aanzien van het „volk des lands” nemen ze een afzonderingspositie in.

Nu kan men den gereformeerden mensch wel op uiterlijke verschijnselen wijzen, waarin hij met den farizeeër min of meer overeenkomt, al moet bij voorbaat gezegd worden, dat deze redeneermethode niet deugt.

Zoolang men toch aan deze methode vasthoudt, vallen de aanklachten licht te weerleggen en is haar onhoudbaarheid al uiterst gemakkelijk aan te toonen. Men behoort dan ook een andere methode van onderzoek te volgen en te vragen, of het wezen van het farizeïsme op dat van het gereformeerde lijkt. Dan antwoorden we óók nog: neen.

Nu zijn er menschen, die tot den gereformeerde zeggen, dat ze wel willen erkennen, dat achter zijn min of meer verzekerd optreden naar buiten, achter zijn strijd om zuivere vormen en heldere begrippen, waarachtige liefde tòt, en een eerlijke worsteling òm de waarheid ligt, — maar dat ze juist daarom meenen, dat het gereformeerde zoo haast vanzelf overslaat in het farizeeuwsche. Het gereformeerde wordt dan daarbij speciaal aangemerkt als het beginsel der „zuivere” belijning, der preciese formuleering. En dat is dan voor menigeen een eenzijdigheid, die ten slotte weer gecorrigeerd wordt door het leven zelf. Immers, na den vloed komt altijd de ebbe, na de actie de reactie. „Een ebbe, waarbij de uitwendige vorm haar (zijn) levende deining verliest door het droogloopen der gronden daaronder; een reactie, die de uitgestippelde beginsellijnen als onnut en ten slotte als schadelijk zal doen verwerpen, indien men niet bijtijds de eischen der ziel leert stellen boven de eischen der lijnen, de eischen van den geest boven de eischen van den vorm”.

In ditzelfde verband pleegt men dan ook te spreken van de „tragiek”, die er ligt in de „golving van het leven”, waardoor steeds de „ebbe de werking van den vloed moet corrigeeren, maar ook de vloed de werking van de ebbe corrigeert” 53).

In zekeren zin is er voor den gereformeerde eenige vriendelijkheid in deze redeneering. Immers, ze slijpt al vast de scherpe punt van den pijl af, |329b| die de verklager der gereformeerden op hen zou willen afschieten uit den koker van zijn anti-farizeeuwschen wapendrager. Zij erkent althans, dat de precisiteit in den strijd om vorm en begrip opkomt, tenminste opkomen kàn, uit een gezonde beweging van reformatorische kracht! Ook zegt ze niet alleen tot den farizeeër, dat hij een eenzijdige is; want tot wie hem te lijf wil, roept ze eveneens overluid, dat hij eerlang in hetzelfde oordeel der eenzijdige ontwikkeling, dat is dus, in de deformatie dreigt te vallen. Eigenlijk heeft op deze manier de farizeeuwsche vormenmensch zich niet meer in het stof te buigen en gaat de anti-farizeeuwsche broeder ook zelfs in Gods oogen, niet gerechtvaardigd naar huis, meer dan die; want ebbe en vloed zijn beide gelijk, ze heffen elkander op, en houden elkaar in beweging: „de Heere heeft ze beide gemaakt”. Is deze beschouwing recht, dan heeft de gereformeerd-farizeeuwsche man geen standjes meer te accepteeren, van wie hem wil bestraffen; want zij onderwijzen en corrigeeren elkander.

Maar al is deze beschouwing voor den gereformeerde nog al vriendelijk, ze kan ons niet bekoren, omdat ze het ook is voor zijn karikatuur. Immers de ebbe is goed, en de vloed is ook goed. Maar alle eenzijdigheid is verkeerd, omdat ze niet ziet hoe eb en vloed elkander dragen; ze kiest of de eene, of de andere. De vergelijking van ebbe en vloed binnen de gereformeerde oevers gaat hier niet op. Zoodra het gereformeerde overslaat in het farizeeuwsche, is het opgehouden gereformeerd te zijn, juist omdat de gereformeerde niet kan leven bij de gratie der eenzijdigheid. Men moet den gereformeerde niet achtervolgen met het schrikbeeld van den broeder, die „vormen” zoekt zonder „geest”, en „lijnen” zonder „ziel”; want men kan evengoed tot den gezonde zeggen: man, wordt toch in vredesnaam geen skelet, want dan zou een volgend geslacht weer spieren om uw beenderen moeten slaan, òf ook: zie toch toe, dat uit uw vleesch het gebeente niet wordt weggesneden, want dan zou een latere geneesmethode uw spieren weer moeten opvullen met behoorlijke beenderen. Laat ons goed begrijpen, dat de man, die vormen zoekt zonder ziel en geest en wezen, niet gereformeerd is en het ook nog nooit geweest is; dat hij het goed-gereformeerde van z’n leven nog nooit geroken heeft. Men moet hem dan ook niet legaliseeren, want dan krijgt hij een plaats in het gereformeerde kamp aan een der uiterste flanken. Maar feit is, dat hij in het kamp nog nooit is doorgedrongen, tenzij dan als een vreemde, die zich vermomde en er alleen krachtens hypocrisie in terecht gekomen is. Het gaat toch niet aan, een Geus te waarschuwen, dat hij zoo gemakkelijk Spanjaard worden kon, omdat er wel eens de een of andere deserteur is overgeloopen naar het Spaansche kamp. En evenmin kan men den gereformeerde vertellen, dat hij zoo haast vanzelf moet overhellen tot het vormelijk-farizeeuwsche. De verhouding is niet die van eb en vloed, maar van vuur en water.

Eb en vloed houden elkaar in evenwicht en wisselen elkander af. Maar het farizeeuwsche kent geen beweging meer; het fixeert ze slechts. De „tragiek der tegenstellingen” is er niet tusschen gereformeerde en farizeeër, omdat tusschen die twee ligt: de vijandschap. Wat hebben de navolgers van Ezra gemaakt van Ezra’s zuivere en goede reformatie? Op die vraag, eens gesteld, antwoorden wij: ongetwijfeld veel goeds. Want wie er niet iets goeds van maakte, wàs Ezra’s „navolger” niet, doch zijn vijand, zijn caricatuur, de verknoeier van zijn levenswerk. „Zijn”, zoo vraagt dezelfde, „zijn uit Ezra’s school niet de Farizeeërs en Schriftgeleerden voortgekomen?” Wij antwoorden: neen; evenmin als de Arianen uit de „school” van Paulus, de Wederdoopers uit de Reformatie, de Zevendedagsadventisten uit de school van de eerste adventsgemeente uit de dagen van het jonge christendom voortgekomen zijn. „Heeft niet de Heere Jezus Ezra’s |329c| navolgers met geeselen gekastijd?” zoo gaat men verder. Ik geloof er niets van. Men heeft dat wel van hem gezegd, om hem aan het kruis te kunnen slaan; maar zijn verdedigingsrede was dan ook, dat hij niet den arbeid van mannen als Ezra brak, maar vervulde; dat hij daarom niet de navolgers, niet de opvolgers, maar de brekers van Ezra’s werk geeselen kwam. Opvolgers zijn nog geen navolgers.

„De geschiedenis van Ezra’s reformatie en daarna van de verwording der reformatie bij de epigonen, bij de navolgers, geeft boekdeelen te lezen”, zoo is al weer geschreven 54). Inderdaad. Die geschiedenis geeft vooral dit te lezen, dat epigonen nog volstrekt geen navolgers zijn, en navolgers geen epigonen. Epigonen zijn de menschen, die het vleesch van de vaderen erfden, maar hun geest kan aan die vaderen totaal vreemd zijn. Maar de navolgers hebben den geest der vaderen geërfd, en zij zetten hun werk voort in nieuwe banen, maar op de basis van de waarheid en het leven, dat hen beiden bond. Wie gereformeerden wil waarschuwen tegen het farizeïsme met de herinnering dat Ezra’s erfenis in farizeeuwsche handen kwam, kan even goed tot koningen zeggen: draag geen juweelen, want de epigonen betalen er de revolutie mee: zie maar naar Rusland. Er is plaats voor waarschuwing tegen inbrekers. Maar die waarschuwing mogen de feilentoonende vrienden aan iedereen doen hooren, werkelijk niet aan de gereformeerden alleen. En zij doen dan wijs, als zij niet tegelijkertijd de gereformeerden vermanen, hun inboedel wat minder verzekerd te houden.

Of wij dan niet erkennen de werking van eb en vloed?

Natuurlijk. Wij danken zelfs daarvoor. Maar wij weigeren te gelooven, dat zij iets te maken heeft met de farizeeuwsche infectie van het gereformeerde leven.

De wisseling van eb en vloed blijve het beeld voor elke deining van leven en leer, die binnen de perken van het gereformeerde blijft.

Maar de farizeeër staat er buiten. Paulus is wel uit het farizeïsme bekeerd tot het christendom. Maar zijn christendom heeft geen neiging meer gehad tot het verlaten standpunt van het farizeïsme.

*

Want immers: dat „gereformeerd” en „farizeeuwsch” tegenóver elkander staan, blijkt wel uit de manier, waarop beiden te werk gaan.

Ik noem de kwestie van Schrift en overlevering. Doen de gereformeerden als de farizeeërs; stellen zij officiëel en met opzet vast, dat de traditie de officiëele kommentaar is op de Schrift, en straks daarvan de noodzakelijke aanvulling ook? Het lijkt er niet naar. Het is belachelijk, hier aan te komen dragen met een of anderen dwaalzieken broeder, die zoo erg aan de overlevering houdt.

Want, ten eerste komt dat in de beste families voor. En ten tweede staat daar tegenover de zeer stellige uitspraak van de gereformeerde belijdenis zelf, die met nadruk verklaart, dat men geener menschen schrift, hoe heilig zij geweest zijn, mag gelijk stellen met den Woorde Gods, noch de gewoonte, noch de oudheid, noch de menigte, boven de waarheid Gods; want de waarheid is boven al ag. Dat is een rechtstreeksche aanval, óók op het farizeïsme; en het is wel wat al te droef-vermakelijk, dat zij, die ons om het hardst van farizeïsme beschuldigen, juist om ons vasthouden aan de belijdenis, niet tevens erkennen willen, dat wij, zulks doende, tegelijk vasthouden aan een kerkelijke veroordeeling van het farizeeuwsche standpunt. Zoolang wij de belijdenis werkelijk beleven, ook op dit punt, kùnnen gereformeerden geen farizeeërs worden. Dat kunnen zij slechts als zij hun belijdenis verloochenen, waartoe ze herhaaldelijk worden uitgenoodigd.

Intusschen, ik geef gaarne toe, dat we met spelletjes niet verder komen. O ja, men kan wel vasthouden aan de letter der confessie, die nu eenmaal |330a| geschreven staat, en toch over den geest, die in de letter getuigenis geeft, zich nooit hebben afgetobt. Dat zou ook wel het geval kunnen zijn bij deze anti-farizeeuwsche uitspraak der gereformeerde belijdenis.

En daarom wil ik óók even wijzen op de praktijk, die de beleving ook van deze leer bij de gereformeerden toont. Weet men niet van artikel 36 der belijdenis? Liberale debaters waren nog altijd bezig in de dagen der oude Kamerverkiezingen stemming te maken tegen de „clericalen” met behulp van art. 36 der belijdenis, (waarin de overheid de taak zich ziet toegewezen met het zwaard uit te roeien alle ketterij enz.), toen de gereformeerde kerken reeds lang de woorden geschrapt hadden; daarin even elastisch als de vaderen, die het bedoelde zinnetje schreven, naar eigen verklaring, tegen de meening weer van hùn vaderen 55). De Gereformeerden, speciaal in Nederland, hebben zich altijd verre gehouden van een geijkten kommentaar op de overgeleverde leer, een kommentaar, die de vrije ontwikkeling der gedachten en de eerlijke exegese aan banden zou leggen. Wel hebben b.v. verschillende Presbyteriaansche kerken in Schotland en Amerika „een reeks nadere verklaringen aan de Confessie toegevoegd” 56), maar in de gereformeerde kerken van Nederland zoekt men naar iets dergelijks tevergeefs. De traditie wordt niet uitgelegd op gewrongen manier (dat is het farizeeuwsche schipperen, om toch tot elken prijs elke letter van iederen vader te behouden), maar ze wordt belicht en verklaard naar den geest en de bedoeling der opstellers zelf. En komt er bedenking tegen, dan wordt die eerlijk onderzocht. De liberale pers kan heel goed grapjes maken over de gereformeerden en hun „gravamina” tegen de belijdenis. Maar ze moest ook eens bedenken, dat geen synode in Nederland meer geestelijk werk doet en meer theologischen „nieuwbouw” verricht, dan juist die der Gereformeerde Kerken. De Acta zijn bewijs ervan. Gravamina worden met ernst onderzocht. De kommentaren van den nieuweren tijd, voorzoover gereformeerde hoogleeraren c.s. ze bezorgen, durven vaak beweringen aan, die van de vaderen niet zouden zijn uitgegaan. Prof. Dr H. Visscher klaagde reeds ah, dat Prof. Dr H.H. Kuyper, en Dr C.B. Hylkema ai, dat Prof. M. Noordtzij veel te vrij omsprongen met den Bijbel en den „overgeleverden” tekst; een bewering, die reeds weerlegd werd, maar die waarde heeft als argument tegen de klacht van gereformeerde traditievergoding. Prof. Grosheide zegt in zijn exegese meer dan eens: non liquet, het is nog niet duidelijk, terwijl de vaderen over alle moeilijkheden heenhuppelen of in het andere geval ze toch absoluut zeker „oplossen”. Wat nog dezer dagen verschijnt van de zijde der Gereformeerden (o.a. de Korte Bijbelverklaring met nieuwe vertaling) valt onder ieders bereik, en spot met de bewering, dat trouw aan de confessie moet samengaan met kneveling door de traditie.

Neen, de gereformeerde ramen hebben geen farizeeuwschen afsluitboom. De Gereformeerden vertroetelen elkaar niet, met verwerping van den vreemde. Want de Gereformeerde Kerken hebben de sterkste stroomingen en de zwakste partijvorming. Toen de partijstrijd ging luwen, kwamen de stroomingen te sterker voor den dag en stelden nieuwe vraagstukken aan de orde. Afgedacht van de vraag, hoever reeds invloed ten goede viel waar te nemen, wijst dit alles op een aanleg, die tegen het farizeeuwsche ingaat.

En dan kunnen wij verder vragen.

Nemen Gereformeerden geen aanklachten aan? Maar de tijd is nog niet zoo lang geleden, dat sommige candidaten, misschien wel wat al te veel onder pressie van een zeker traditionalisme in de critiek, het zoo ongeveer als roeping schenen te beschouwen, hun eerste kanselbeklimmingen te doen uitloopen in preeken tegen het farizeïsme: de oudste zoon uit de gelijkenis is een tijdlang lievelingsonderwerp der stichtelijke woorden sprekende jongeren geweest. Tot belooning werden zij met beroepen overladen; en dat was heusch geen belooning als van Belsazar, die den profeet van zijn haastigen ondergang tooide met goud aj. Want het verlangen lag er in: spreek ons nader van deze dingen.

Immers, wat dit laatste betreft: wij zijn niet zoo rustig verzekerd, als men smaalt. Het huisbezoek levert veel moeite op, omdat men telkens weer moet strijden tegen het gebrek aan verzekering van geloof.

Zijn gereformeerden zoo in de puntjes? Maar juist hun kansels leenen zich het allerminst voor een casuistiek. Over de sabbathskwestie, over de kwestie van verzekering, etc. geven gereformeerde boeken en preeken genoeg beginselen, en een breede beschouwing, die de casuistiek buiten de deur houdt, omdat de beginselen zelf de vrijheid, de christelijke vrijheid, als Gods gave, en niet als menschelijken roof doen zien.

Zijn de gereformeerden zoo intellectualistisch? De prediking, en vooral de uitwerking daarop bij het volk, leert anders.

Zijn ze zoo gauw klaar met hun tucht? Maar een |330b| tuchtgeval duurt ontzaglijk lang. En er wordt binnenkamers meer gedaan, om vrede te houden met dissenters, dan menigeen weet en menig dissenter, als hij eenmaal aan het klokluiden slaat, wel erkennen wil.

Neen, neen, farizeeërs zijn de gereformeerden niet.


*

V(b) 57)

We denken nog aan de verhouding tegenover de wet.

De Farizeeërs hebben de wet naar voren geschoven als middel tot verdienste. Maar de Gereformeerde prediking schuift onder de „dankbaarheid” het fundament der souvereine verlossing. De Synode van 1905 heeft met nadruk gewezen op het rapport tusschen Gods werk in de eeuwigheid en ònze verantwoordelijkheid in den tijd, zelfs zoo nadrukkelijk, dat velen buiten de Geref. Kerken het alweer rijkelijk kettersch vinden.

En de Gereformeerde prediking bewijst, dat de Gereformeerde van de farizeeuwsche werkheiligheid vreemd blijven wil; dat hij ook aan zijn geloof en zijn geestelijke bevinding niet den minsten steun wil ontleenen voor zijn verzekerdheid, tenzij hij ook deze heeft leeren zien als vrucht van wat God in zijn hart heeft gedaan. Hierin gaat de gereformeerde dan ook rechtsdraads in tegen den geest van het farizeïsme.

De ontwikkeling van de gereformeerde theologie geeft hier óók getuigenis. Zij heeft zich wel op het dogma geworpen met ontzaglijke kracht. Maar van de ethiek heeft ze lang niet in dezelfde mate werk gemaakt; en àls zij het deed, dan was het vaak op een manier, waarbij de inconsequentie van het gereformeerde denken niet viel te miskennen, soms zelfs voor het grijpen lag. Bij den Farizeeër zou de verhouding juist omgekeerd geweest zijn.

En dan: hebben de Gereformeerden ooit de Farizeeën gevolgd in hun opeenstapeling van geboden en voorschriften? Hebben zij soms naast de „geboden” hun „evangelische raadgevingen” gesteld? Of spitsvondig onderscheid gemaakt tusschen dood- |333b| en andere zonde? Het lijkt er niet op. Gerard Brom heeft nog pas aan de bestrijders van Rome het recht ontzegd, om aan de Roomsche ascetische neiging, welke „boven ’t minimum van geboden nog „raden” voor vrije toewijding overlaat”, „het begrip Farizeïsme te hechten”. Want, zoo zegt hij, de Farizeeërs „eischten met woorden wat ze metterdaad niet deden”, zoodat ze dus „anderen ondragelike lasten durfden opleggen, die ze zelf met geen vinger aanraakten”. Tegenover hen stelt hij dan de Roomsche priesters, die „zich allesbehalve vrijstellen van de algemeene regels, wanneer ze daarbij nog biezondere bepalingen op zich nemen om hun buitengewone verplichting als zielzorgers te bekrachtigen” 58). We laten de bewering van Brom verder rusten. Maar als hij zóó zich kan verdedigen tegen de aanklacht van Farizeïsme, dan mogen de Gereformeerden wel in ieder geval hun pleitrede opstellen, de Gereformeerden, die immers aan de opstelling van extra-bijkomende evangelische „raden" zich niet gewaagd hebben, en die van de geboden der goddelijke wet geen enkele editie met supplement hebben gegeven.

Wij noemen nog een ander kenmerk van het farizeïsme: zijn verheerlijking van het officiëele gezag, van al wat maar den tabberd draagt. Nietwaar, de farizeeën, dàt zijn de menschen, die de wet kennen; de rest is de schare, die de wet niet kent. En achter hun bestrijding van Jezus ligt ook de wrok van den drager van het ambtsgewaad tegen den verkondiger van het vrije woord; het verzet van den reglementair „geëxamineerde” tegen den (in hun oogen althans) autodidact. De Farizeeër, zoodra hem het vuur te nauw aan de schenen gelegd wordt, mòet trouwens wel de vlucht nemen tot de onschendbaarheid van het „ambt”; het vrije woord, de intuïtie, de inspiratie, die van boven komt en het instituut van het officiëele leergezag niet heeft gepasseerd, kan bij hen geen genade vinden.

Maar óók als we daaraan denken, kan de Gereformeerde mensch van dezen tijd rustig zijn. Waar hebben de eerbied voor het ambt èn de frissche aanleg van den ongeschoolde elkander ooit op gelukkiger wijze ontmoet, dan juist bij de Gereformeerden? Hun kerkorde houdt de baan open voor de buitengewone gaven, van hen, die ook zonder officiëelen leergang te hebben gevolgd, dragers kunnen zijn van de profetie. En niet zoodra zijn ze ontdekt, of hun plaats wordt hun toegewezen op voet van gelijkheid met wie langs den weg van studie tot het ambt kwam. Waar hebben de ouderlingen evenveel gelijkheid in machtspositie met de predikanten als juist in de Gereformeerde Kerken? Waar is de poging tot vermenigvuldiging van „ambten” krachtiger onderdrukt dan bij de Gereformeerden? De praktijk wijst uit, dat er andere kerkgroepen zijn, waar men gezegend is met een heirleger van ambtsdragers, die allen min of meer „gewijd” zijn, en die toch ook onderling weer zeer scherp van elkaar onderscheiden zijn, want een catechiseermeester is heusch toch geen dominee, en een bezoekbroeder of neger-zendeling is dan toch maar niet Zijn-WelEerwaarde. Ook is een diakones maar een diakones, maar „gewijd” is ze toch. Zulk een tegenstelling tusschen ambt en „leek” was van ouds een kolfje naar de hand der Farizeeërs, die immers ook de scheiding tusschen priester en volk niet ophieven maar forceerden. Maar kom eens bij de gereformeerden. Op het ambt staan ze; maar niet zooals velen, die om hen lachen, en die zelf de plechtige inwijdinkjes en inzegeninkjes en wijdinkjes vermenigvuldigen. De Gereformeerden blijven eenvoudig bij de ambten, die zij uit den Bijbel afleiden en wierpen met de looppas heel wat traditie-ambtelijkheid overboord. En nergens is er minder afscheiding tusschen ambt en volk dan juist bij hen. Hun preeken zijn het diepst, hun exegese het meest |333c| doorzichtig. Zij hebben trouwens niets achter te houden op de studeerkamer, zooals de preekbroeder, die zijn „wetenschap” laat op de studeerkamer, maar het „geloof der gemeente” behoudt voor den preekstoel; wie zien wil, kan weten, dat de laatste houding eerder dan de eerste kan doen overhellen tot het farizeeuwsche begrip van afscheiding tusschen den man, die het weet en den „leek”. Het zijn trouwens de gereformeerden, die het hardst vochten tegen het begrip „leeken” en het meest deden voor het „begrip” vàn de „leeken”.

En de historie bewijst, dat het gereformeerde de dood is voor de hierarchie. Gereformeerde sanhedristen zijn er niet. De gereformeerde kerken hebben geen classicale besturen met vaste presidenten en ze hebben geen classicale en synodale vergaderingen met blijvend gezag. Hun „meerdere vergaderingen” kunnen niets behandelen, dan wat uit het volk zelf opkomt; haar agendum wordt haar voorgelegd door de kerkelijke kringen van beneden af. Bij de sluiting is de „meerdere vergadering” tegelijk ontbonden ook. Het is eenvoudig ridicuul, dat menschen, die zelf zuchten onder verambtelijkte heeren van een of ander kerkelijk verzuurd (ik bedoel: verduurzaamd) college, den gereformeerden het farizeïsme durven aanwrijven: den gereformeerden, die de hierarchie de deur uitgeworpen hebben en die tot in de kleinste plaatsen toe verplichte aftreding van kerkeraadsleden invoeren.

Ik noem een ander punt, n.l.: de verhouding van den man der kerk tegenover denvreemde”. Men herinnert zich het farizeeuwsche standpunt tegenover den „’am-ha-árets”.

Verwijt men den Gereformeerden een tekort aan barmhartigheid tegenover den vreemde? Zij zullen zelf het eerst het hoofd buigen en klagen, dat ze vaker zeggen dan beleven, dat „de genade mededeelzaam is”. Misschien is het niet onjuist gezien, dat in de praktijk (de theorie was al ver vooruit aan de praktijk) bij een groep gereformeerden het verzet tegen de leuze, dat „godsdienst privaatzaak” is, eerst recht levendig werd, toen in het linksche kamp de kreet werd aangeheven, als wachtwoord in den oorlog.

Maar zulke beperktheid van blik is bij iedere groep te vinden; iedere kring moet vechten met hen, die de consequentie niet aanstonds zien.

Zeker, het heeft wat lang geduurd, eer de gereformeerden klaar stonden voor evangelisatiewerk. Maar behalve uit de noodzakelijkheid van de vooropstelling van den arbeid tot grondlegging van het eigen kerkelijk leven, is tot verklaring daarvan ook aan te voeren het feit, dat gereformeerden, voordat zij een zaak aanpakken, eerst over de methode en de richting en de doelstelling van hun werk zich willen vergewissen; men denke aan de congressen voor evangelisatie in hun kring. Methodisten begrijpen van dit „methodisch” werken niet veel; gereformeerden des te meer; en de uitkomst geeft hun meestal gelijk.

En inzake het werk naar buiten, naar den vreemde buiten de grenzen, denk ik weer aan Spengler. Hij maakt 59) onderscheid tusschen de Joden van Mesopotamië en die van Judea. Hij zegt, dat de Joodsche geest zich in den vreemde wat gemakkelijker bewoog dan in het eigen orthodoxe Judea. Vandaar dan ook, aldus Spengler, dat de mesopotamische richting meer in het apokalyptische, en de Judeesche meer in het talmoedische zich zocht uit te leven. De mesopotamische Jood verlangde dan ook de uitbreiding van het Joodsche leven; de expansiezucht was zijn kenmerk. Maar de Judeesche Jood was meer de man van de verschansing, van de retirade, van de hooghartige zelfonttrekking aan den vreemde. Dus heeft volgens Spengler het apokalyptisch besef bij de Mesopotamische Joden de propaganda in de hand gewerkt en den geest verruimd. De Schriftgeleerden bleven liever thuis, proper en netjes.

Nu wil het geval bij de Gereformeerden, |334a| dat zij beschuldigd worden van gebrek aan apokalyptisch besef (te weinig toekomstvragen, te kort aan adventsstemming, gebrek aan bewogenheid met het wereldleven en onwil om de groote idealen der toekomst in internationaal leven en strijden te dragen, naar men klaagt). Toch moet tegelijkertijd erkend worden, dat zij, naar draagkracht, zich voor de zending het meest inspannen tot in alle geledingen van het volk toe. De horizonten worden afgezocht. In Silezië gingen Gereformeerden kerkvisitatie doen. Hongarije heeft geheeten het gereformeerde wingewest. Er wordt prachtig werk geleverd in Indië; in Amerika eveneens, om van Afrika maar te zwijgen. Bij de Farizeeërs, zegt Spengler, stond Galilea reeds onder verdenking vanwege de onzuiverheid, wel te verstaan. En in Babylon mocht geen rabbijn gewijd worden. En proselieten moesten toch in elk geval goed en wel voelen, dat ze maar van buiten waren. Maar als de gereformeerde zending werkt, dan is het haar een eer, een kerk te kunnen institueeren van inlanders, en een vreugde, aan de ambtsdragers van die geïnstitueerde kerk te geven de volle rechten. Dat is toch anders dan farizeeuwsch.

En dan moet men nog weten, dat de Gereformeerden in Utrecht, 1905, zeer bepaald de farizeeuwsche proselietenmakerij hebben veroordeeld. De Farizeeën wilden hun bekeerlingen zooveel mogelijk wringen naar de instellingen van hun geestelijke leermeesters. Maar de Gereformeerden hebben er op aangedrongen, dat het Oostersch type zich naar eigen aard zou uitleven, tot in de liturgie en de kerkorde en de confessie toe. Zie Art. 27 van de Utrechtsche Acta 1905.

Wie aan de farizeeuwsche vasthouding aan tempeltaal en tempelgeld en tempelritueel ook voor den man van buiten denkt, en dan de gereformeerden, die toch heel erg op de formulieren en op de letter heeten te staan, in hun officiëele zendingsorde ziet zorgen voor een Oostersche liturgie enz. bij hun bekeerlingen, die moest eindelijk eens ophouden, zijn onbehoorlijkheden over hun farizeïsme uit te geven.

Trouwens, de steenen zouden haast spreken. Iedereen wist zoo ongeveer, wat de farizeeërs wilde; het stond ook allemaal netjes op een briefje. Maar aan de Gereformeerden heeft niet zoo’n klein getal buitenstaanders niet het minste houvast; vandaar ook, dat ze van alle kanten worden bestreden precies met tegenovergestelde redeneeringen.

Farizeeërs vormen een partij. Gereformeerden een kerk; hun kerkelijkheid is niet sectarisch, maar zoekt de breedte.

Farizeeërs verachtten het kinderwoord, dat Jezus met zijn „Halleluja” (Matth. 21 : 15) prees: wat zouden kinderen? Maar gereformeerden heeten juist de „verbondspredikers”, die om hun grooten eerbied voor het beginsel der genade in een kinderziel veel laster hebben moeten verdragen.

En vooral: farizeeën zijn eenzijdig. Uit de tegenstellingen, die het Oude Testament deed zien, en die het Israëlietisch denken hadden willen opschrikken, tot het rust vond in den Christus, zijn zij gevlucht in de eenzijdigheid. Preekte het Oude Testament zoowel de wet als de verdwijning der wet door de genade, zij waren te zwak voor die tegenstelling, ze verdroegen de spanning niet, en vluchtten in de eenzijdigheid van een wetsverheerlijking, die in der eeuwigheid niet mocht aangevochten worden. Precies zoo ging het met de verbinding van de idee, dat de genade particulier, en ook, dat ze universeel is, want de Farizeeërs hielden zich voor het gemak maar bij het eerste. Zoo gaat het den Farizeeër altijd. Het is zijn vloek, dat hij te gemakkelijk is; dat hij de antinomie, de waarheid met tegen-waarheid, niet aandurft. Zelfs als hij worstelt, is hij op z’n gemak gesteld. Want ge kunt gemakkelijker u in het zweet werken, om alle oneffenheden weg te krabben, die ge aan den buitenkant iet, dan tot de fundamenten der geestelijke schatgroeven af te dalen. Dit laatste doet de farizeeër niet. Maar de gereformeerde theologie is niet bang voor de schijnbare tegenstrijdigheid, voor pool en tegenpool, voor deze gedachte en de andere, die haar aanvult. Zij aanvaardt zoowel uitverkiezing als verantwoordelijkheid; zoowel verlossing uit loutere en souvereine genade als plicht tot geloof en bekeering. Niet alleen de verbondsgedachte, maar ook de persoonlijke aansprakelijkheid, niet slechts het particuliere, maar ook het universeele durft zij in de genade te verkondigen. Zoolang de gereformeerde theologie deze tegenstellingen aandurft, kan zij niet farizeeuwsch zijn. Want de farizeeër kan alleen maar teren op de eenzijdigheid.

Zijn gereformeerden verstandelijk, en daarom farizeeuwsch? Het is een praatje. Christus heeft in de Farizeeërs niet gelaakt hun verstand, noch hun dogma, maar wel, dat ze niet genoeg verstand hadden en niet genoeg doordachten. Zijn de gereformeerden zoo tuk op de bewaring der grenzen en heeten ze daarom farizeeuwsch? Maar Christus verfoeide niet hun afzondering, maar hun wellust tot afzondering. Het is de oude kwestie. De een zegt: zet de kerk uit en zet geen mensch de kerk uit. De ander zegt: alleen door zuiverhouding van mijn bezit kan ik de wereld een zegen zijn. Farizeeuwsche afzonderingswellust is onbarmhartig. Gereformeerde zuiverhouding is barmhartig, want |334b| zoo alleen kan ze den wereldmensch dienen met een onbedorven geestelijk bezit.

Dat de Farizeeën Israëls boom niet wilden kappen, dàt was hun fout niet. God zelf wilde dat niet, zegt Paulus. Zij wilden alleen maar tot geen prijs de nieuwe loten erkennen, die God inentte op den ouden stam. Maar dat is de gereformeerde ziekte niet.

Men moet eerlijk zijn. Zeker. Christus protesteert tegen de farizeeën, die vinden, dat de kleeren van een „’am-ha-árets” hem besmetten. Daartegenover stelt hij de idee: niet het uiterlijke, maar slechts het innerlijke kan verontreinigen. Maar die zelfde Christus heeft óók gezegd, dat niemand de bruiloftszaal inkomt, dan met een zuiver kleed. De bruiloftsgasten komen in Christus’ gelijkenis uit heggen en stegen . . . dat is een woord tegen de farizeeën . . . en de gereformeerden hebben ernaar geluisterd. Maar alle bruiloftsgangers in Christus’ gelijkenissen moeten toch een wit kleed aanvaarden, al behoeven ze het dan niet zelf te weven, zooals de farizeeër leert, omdat God het zelf geeft. Maar dat laatste hebben vele gereformeerdenschelders juist vergeten.

Heeft Christus de Farizeeuwsche leidslieden gegeeseld omdat ze de preciesen waren, of de menschen van de letter? Het lijkt er niet op. Hij heeft zelf gezegd: haat ook den rok, die van het vleesch besmet is ak; en dat is ook heel „precies”; en ook is uit zijn mond gegaan de verzekering, dat geen tittel of jóta van Gods Woord ter aarde zal vallen al; en dat is alweer heel „letterlijk”. Maar Christus heeft getoornd, tegen de precisiteit in de voorschriften, die menschelijk zijn en niet goddelijk; en tegen de letterknechterij, die de letter losmaakte van den geest. Dat maakt een heel groot verschil.

En als straks de Geest van Christus den man vormt, die met Christus’ evangelie tot de heidenen zal gaan, Paulus, dan haalt hij hem uit de school van Gamaliël en uit de klasse der Farizeeën. Opdat de precisiteit, die eerst de farizeeuwsche ketterij uitwerkt, nu dienstbaar zal zijn aan de uitwerking van de Christelijke waarheid.

Ondoordachte critiek heeft zoo gemakkelijk spel, omdat ze precies is als het orakel der Farizeeërs. Dezen speelden voor het volk de mooie rol: ze waren de mannen van de ijzeren consequentie van het gehalveerde dogma. De goddelijke antinomieën waren er uit weggedaan. Daarom waren ze erg populair, niet het minst bij de vrouwen. Met al zijn strengheid is het farizeïsme geen „mannelijk” type van religie. Maar Gereformeerden zijn niet erg populair; van beide kanten vallen tegen hen de schoten. En dat juist, omdat ze de antinomieën van Gods Woord onverzwakt handhaven.

Het Bijbelsch Kerkelijk Woordenboek heeft grapjes gemaakt over hen, die „Hammabdil” zeiden; dát waren zoo ongeveer de hedendaagsche farizeeërs, de separatisten, de genadeverbondelingen. Maar weet de auteur van dit zinnetje niet, dat in het boek van Dr H.H. Kuyper, Hammabdil, geschreven is over: de goddelijke scheidslijn? Farizeeën schrijven over de scheidslijn der menschen. Weet hij niet, wat in dit boek geschreven is over „het katholiek karakter van het genadeverbond” dat de schrijver handhaven wil, omdat „het genadeverbond zich zoover uitstrekt als de Christelijke kerk zich uitstrekt”? (bl. 135).

Hammabdil . . . . het is ongetwijfeld een aardige vinding, als men de gereformeerden er mee slaan wil. Maar het woord is door Dr H.H. Kuyper ontleend niet aan de praktijk der Joden na Ezra, niet aan de reformatie van Ezra zelf, doch aan het scheppingsverhaal van Genesis 1. Daar staat, dat God scheiding maakte tusschen land en zee, tusschen wolk en rivier, tusschen licht en donker.

Zoo is uit den chaos de kosmos geboren.

En deze scheiding, dit „hammabdil”, maakt dus geen afzondering, die uiteenscheurt wat bijeen hoort (dat is farizeeuwsch), doch maakt scheiding tusschen wat uiteen behoort te gaan, opdat elk deel zijn eigen aard zou volgen en vruchtbaar zijn aan het schoone geheel.

Een gereformeerde trekt zich niets aan van de schamperheden om het dogma van „hammabdil”; want dat heeft met het farizeïsme geen zier te maken. Wie het goud, dat God den menschen geeft, in een kluis bergt, die is separatist, farizeeër. Maar wie het „scheidt” van het slijk, die doet naar de wet van „hammabdil”. Wie zoo tegen de Gereformeerden strijdt, heeft het niet tegen een farizeeuwschen uitwas der verbondsprediking, doch tegen die verbondsgedachte zelf.

Daarom wijzen wij de aanklacht af. De Gereformeerde kerken zijn niet geboren uit den strijd om een gezangetje, noch om de vraag naar een paragraaf van een reglementenbundel. Het ging om de breede, de diepe waarheid. De historie heeft reeds veel gesproken. De volkskerk, zegt Dr H.H. Kuyper terecht, laat het genadeverbond opgaan in het uitwendige 60), en dát is juist het overhellen naar het farizeeuwsche. Buiten de Gereformeerde kerken is reeds veel leven, dat verloopt in gepeuter, in armoedige zuiverheidskenmerkjes, in |334c| onderscheidingen (b.v. tusschen verzekering en pensioen), die gemaakt zijn om de traditie toch maar te redden. Buiten de gereformeerde kerken zijn ze, die tusschen sociëteitsliederen en evangelische gezangen geen verschil zien, maar in gereformeerde evangelisatie zoo maar remonstrantisme ruiken 61); die schier krimpen van een frisch en vroom Wilhelmus in de kerk op Oranjedag, maar die met rust moderne lidmaten inschrijven in het register met gereformeerde pen en inkt.

De historie waarschuwt. Het gereformeerde wordt geen farizeïsme. Slechts de eenzijdige loslating van één waarheid ten koste van de andere leidt er toe.

Het zou de moeite loonen, dit nader te ontwikkelen en met argumenten te ondersteunen.

Maar wij willen dezen weg niet op. Wij willen niet de aandacht van de Gereformeerde Kerken afleiden, door de aanklacht op anderen te schuiven. Laat die anderen voor zichzelf toezien. Maar voorzoover de Gereformeerde Kerken, die van zekere zijde altijd maar weer de „Gescheidenen” heeten, in het geding kwamen, wilden wij de aanklacht onderzoeken.

Tot de aanklagers zeggen wij: gij oordeelt niet rechtvaardig.

Tot de dissenters: wacht u voor de eenzijdigheid en voor den wellust der afzondering.

En tot de Gereformeerden: Wacht u, nu en immer, voor het spelen van de mooie rol voor de oogen van het volk, door op één gedachte door te draven, als de andere er tegenover staat. Van Gods antinomieën moeten we afblijven, van de menschelijke niet. Het farizeïsme is niet gereformeerd, maar de zonde ligt voor de deur am, en de zondaar vlucht zoo licht in het kleed van den farizeeër weg van God, om zich te presenteeren aan de deur der synagoge. Laat ons blijven worstelen met de waarheid, mer dan met vele waarheden op zichzelf. En onze afzondering zij niet als die der farizeeërs, doch als van het Israël Gods, dat naar Gods eigen bedoeling uit alle volken werd afgezonderd om zoo den stroom der genade zuiver te houden en een zegen te zijn voor alle volkeren.

Want zóó alleen worden wij pinkstergemeente: breed, o ja, maar met den Geest vervuld.

Zoo alleen zien wij rijkdom in „hammabdil”.

Want wie de gedachte van dit woord, eerlijk uitgelegd, verwerpt, wil van den kosmos der genade terugvallen in den chaos der zonde. Hij zal den vreemde niet kunnen verlossen en zichzelf evenmin.


K. S.




1. De inhoud van de hier volgende artikelen komt zakelijk overeen met dien van mijn referaat op den Theologischen Schooldag, dat denzelfden titel voerde als deze artikelenreeks.

2. Zie G.W. Wolthuis. Wijsbegeerte v.d. Godsdienst, bew. naar dictaten van Prof. Bolland, Leiden, 1923, 283, 285.

3. Zie Het Leven en de uitgelezen verzen van Elisabeth Wolff-Bekker, verz. door Dr. J. v. Vloten, Schiedam, 1866, bl. 70.

4. a.w. bl. 133.

5. a.w. bl. 196.

6. „De Reformatie”, 2e jaargang, no. 16.

7. J.B. Wolters, Groningen—Den Haag, 1924.

8. v. Rhijn, a.w. bl. 110, 111; vgl. bl. 145/6.

9. B.v. „Geref. Kerkbode v. Leiden” (Ds Bouwman), „Geref. Kerkbl. v. Drente en Overijsel” (Ds Laman), „Geref. Kerkb. v. Amsterdam (redacteur niet vermeld). Andere bladen in gelijken zin.

10. 1 Mei 1925.

11. Van B. in „Fraternitas”, Groot-Geref. Studentenblad, Rtd. J.H. Donner, 10 Juni 1925, bl. 123-125.

12. Zie b.v. Schürer, Geschichte d. Jüd. Volkes im Zeitalter Jesu Chr., II, 4e Aufl., 465.

13. B.v. Alfred Edersheim, The Life and Times of Jesus the Messiah, London etc., Longmans, Green & Co, ed. rev. vol. I., 310.

14. Friedländer, Die religiösen Bewegungen innerhalb des Judentums im Z.A. Jesu. Berlin, Georg Reimer, 1905, 12. Bestreden door König, Gesch. d. Altt. Rel., 1905.

15. Vgl. Bijbelsch-Kerkelijk Woordenboek, Groningen, Wolters, 1920, II, 92 . Schürer, a.w. 466/7; R. Leszynsky, Die Sadduzäer, 1912, 27, 106.

16. Vgl. Palache, Inleiding tot den Talmoed, 41. Sillevis Smitt, Hanb. Heilige Gesch., Kampen, 1914, II, 68/9.

17. Friedländer, a.w. 12, cf. 229.

18. Friedländer, 12.

19. Adolf Gerson, Der Chacham Kohelet, Frankfurt a.M., Kauffmann, 1905, 119.

20. Palache, 29. Vgl. R.T. Herford, Pharisaism, its aim and its method, Crown Theol. Libr. XXXV, London, 1912, duitsche vertaling van Rosalie Perles, Das Pharisäische Judentum in seinen Wegen u. Zielen dargestellt, Leipzig, 1913, 133-139. Ook R.T. Herford, What the world owes to the Phar., 1919.

21. König, Gesch., 622; Friedländer, 230.

22. Matth. 16 : 6; Lucas 12 : 1.

23. Friedländer, 111, die verwijst naar Matth. 23 : 3, 23.

24. II, 92.

25. Amsterdam, H.A. van Bottenburg, z.j.

26. Antiq., XIII, 5, 9.

27. Untergang des Abendlandes, II, 1922, 255.

28. Schürer, II, 456-458.

29. Schürer, II, 480.

30. Zie noot 9 [20] en ook I. Abrahams, Studies in Pharisaism and the Gospels, 1917.

31. Haakjes van dr Palache.

32. Zie Palache, 27, Edersheim, I., 312.

33. Dr J. Ridderbos, Zie Geref. Theol. Tijdschr., XX, 199.

34. Dr F.W. Grosheide, Kommentaar op Matth., Amsterdam, Bottenburg, 196, vgl. 271/2.

35. Bijb.-Kerkel. Woordenb., II, 92, Schürer, II, 467/8.

36. Schürer, II, 471 v.

37. Dr J. Ridderbos, Geref. Theol. Tijdschr., XX, 193.

38. Schürer, Gesch. d. J. V., 4e dr. 1907, II, 461/3.

39. Dr J. Ridderbos, a.w.

40. Edersheim, a.w. I, 7.

41. Bijbelsch-Kerkel. Wdb., s.v.

42. Schürer, 468/9 noten. Ook Edersheim, I, 311.

43. Das Leben Jesu, Bonn, Emil Strauss, 1904, S. 87.

44. Op den Theol. Schooldag te Kampen verklaarde Prof. Dr A. Noordtzij een criticus te kennen, die van de gereformeerden alles en nog wat wist, maar die dan ook zich er op beroemde, dat hij hun belijdenisschriften nooit gelezen had.

45. De Jeugdgeschiedenis van het oude volk, 163, v.

46. Schürer, Friedländer, e.a.

47. Eitje, 169.

48. Wellhausen, Die Pharisäer und die Sadducäer, Eine Untersuchung zur inneren jüdischen Geschichte, Greifswald, 1874, 95.

49. Brom, De dominee in onze litteratuur, Utrecht, Nijmegen, z.j. 50/1.

50. Kalff, Gesch. Ned. Letterkunde, VII, 1912, 584/5, 640/1.

51. Zie o.m. Acta Generale Synode Utrecht 1905, bl. 282.

52. J.H. Gunning Jr., Beginsel en Meeningen, 2e druk. Utrecht, Gebr. v.d. Post, 1880, 97.

53. Dr H.W. v.d. Vaart Smit, Reformatie, 2e jaargang, no. 16, 19.

54. V.d. Vaart Smit, a.w., no. 16.

55. Acta Gen. Synode, 1905. Rapport over art. 36.

56. Acta enz., bl. 278.

57. Door de verschijning van het blad in vacantieformaat moest art. V worden gesplitst. Hier volgt (met eenige uitbreiding) het achtergebleven deel van art. V.

58. Gerard Brom, Katholiek, Romen & Zn. Roermond, 1924, 141.

59. Untergang des Abendlandes, 1922, II, 253 v.

60. Hammabdil, bl. 140 v.

61. Historisch!




a. Zelfstandig uitgegeven onder de titel Gereformeerd Farizeïsme? Zijn de Gereformeerden de Farizeeërs van dezen tijd?, Delft (Boekhandel & Drukkerij W.D. Meinema) 1925.

b. Vgl. Sjabbe Datema (1868-1957), ‘Aan mijn vriend Sufridus’, De Wachter 23 (1924v) 30 (12 juni 1925).

c. Vgl. Lucas 22:71.

d. Vgl. MatteŁs 16:6 par.

e. Vgl. Handelingen 23:6; 26:5.

f. Vgl. Johannes 9:40.

g. Vgl. Hendrik Willem van der Vaart Smit (1888-1985), ‘Vorm en Geest’ I-V, De Reformatie 2 (1921v) 16,119; 17,127v; 18,135; 19,141; 20,149v (20 januari — 17 februari 1922).

h. Vgl. Valentijn Hepp (1879-1950), ’Hoe een Ethische over zijn Gereformeerde broeders denkt’, De Reformatie 5 (1924v) 31,243. Hepp citeert de passages bij Van Rhijn (110v; 145v), die Schilder hier ook afschrijft.

i. Vgl. Hendrik Willem Laman (1870-1933), ‘?’, Gereformeerde Kerkbode voor Drente en Overijssel, ? 1925.

j. Vgl. de brief van Van Rhijn zelf, opgenomen in De Reformatie 5 (1924v) 41,324, onder ‘Kerkelijk leven’ (10 juli 1925):

Hooggeachte Redactie,

Zoo juist lees ik in „De Reformatie” van 19 Juni 1925 in een stuk van Ds Schilder en in een recensie van Prof. Hepp, dat er hier en daar onder Gereformeerden onzekerheid bestaat, of ik bij de teekening van het Farizeïsme in mijn boek over Lucas 16 aan de Gereformeerden heb gedacht. Het spijt mij bijzonder, dat ik dit niet eerder gemerkt heb, want dan had ik het dadelijk kunnen tegenspreken. Ik heb expres in mijn boek opgemerkt, dat de daar geteekende houding een karikatuur is van vrome orthodoxie en heb er uitdrukkelijk bij gezet: „ook van vrome confessioneele orthodoxie” (blz. 110). Duidelijker kan het toch niet! Niet het minst door de N.C.S.V. heb ik veel te veel eerbied voor waarachtig Gereformeerd leven gekregen, dan dat ik er ooit over zou denken de Gereformeerden een steek onder water te geven in een hoofdstukje over het Farizeïsme ten tijde van Jezus.

U, Mijnheer de Hoofdredacteur, dankende voor de plaatsruimte, teeken ik mij

Hoogachtend,

Uw dw.,

Driebergen, 22 Juni 1925.

M. van Rhijn

k. Vgl. B., ‘„Hoe een ethische over zijn gereformeerde broeders denkt”’, Fraternitas. Groot-Gereformeerd Studentenblad 11 (1925) 5, 123-125.

l. Vgl. 2Koningen 19:14; Jesaja 37:14.

m. Vgl. 2KorintiŽrs 3:3.

n. Vgl. Marcus 14:59.

o. Vgl. Numeri 16:21; Ezra 10:11; 2KorintiŽrs 6:17.

p. Vgl. MatteŁs 19:6; Marcus 10:9.

q. Vgl. Lucas 10:29.

r. Vgl. Lucas 18:11.

s. Vgl. Galaten 3:24.

t. Vgl. de Lofzang van Simeon, berijmd door het genootschap ‘Laus Deo, Salus Populo’, vers 2.

u. Vgl. 1KorintiŽrs 10:1-4.

v. Vgl. Johannes 6:29.

w. Vgl. Johannes 7:49.

x. Vgl. 1KorintiŽrs 14:16, 23v.

y. Vgl. MatteŁs 22.

z. Vgl. MatteŁs 9:3; vgl. MatteŁs 26:65, Marcus 14:64.

aa. Vgl. Lucas 23:1v, Johannes 19:12.

ab. Vgl. Zacharia 2:8.

ac. Vgl. MatteŁs 5:21v, 27v, 33v.

ad. Vgl. Johannes 7:24.

ae. Vgl. Petrus Augustus de Genestet (1829-1861), Eerste gedichten, ‘Uit het studentenleven IV. Het schotje’.

af. Vgl. Theodorus Lambertus Haitjema (1888-1972), ‘Zwervers zonder Vaderland’ I-II, Op den Uitkijk 1 (1924-1925) 4,110-112; 5,139-140 (15 november – 6 december 1924).

ag. Vgl. Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 7.

ah. Vgl. Hugo Visscher (1864-1947), Heilig Evangelie of Pseudoschrift. De Heraut met Marcus XVI: 9-20 voor de vierschaar der belijdenis, Zeist (Van Lonkhuyzen) [1921].

ai. Vgl. Cornelis Bonnes Hylkema (1870-1948), Oud- en nieuw-calvinisme. Een vergelijkende geschiedkundige studie, Haarlem (Tjeenk Willink) 1911, 108, 346v.

aj. Vgl. DaniŽl 5:29.

ak. Vgl. Judas 1:23.

al. Vgl. MatteŁs 5:18; Lucas 16:17.

am. Vgl. Genesis 4:7.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001