Oud en jong in vroeger eeuw

De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het Gereformeerde leven

1e jaargang, onder redactie van F.J.J. Buijtendijk, K. Dijk, V. Hepp en B. Wielenga,
Goes (Oosterbaan & Le Cointre) 1920-1921
5,33v; 6,41v (29 oktober — 5 november 1920)

a


III

I. 1)

In onze dagen, nu de strijd zich aangekondigd heeft tusschen oud en jong, ook in onze kerkelijke samenleving, kan het zijn nut hebben, terug te zien op het verleden, dat onder andere omstandigheden in ’t wezen der zaak denzelfden strijd der geesten heeft aanschouwd. Het is o.m. Prof. Bavinck geweest, die, gelijk in meer gevallen, zoo ook hier, in een van zijn lezingen over oudere en jongere generatie, ons geleerd heeft, terug te gaan van het speciale op het algemeene en uit de bijzondere ziekteverschijnselen, die de „jongeren” èn de „ouderen” van onze dagen vertoonen, af te lezen de algemeen geldende wet van het conflict tusschen gaande en komende generatie. Want dat conflict komt onherroepelijk, overal waar zich de menschheid overwerkt heeft en zichzelf schier voorbijgestreefd is.

Wijs is daarom, wie uit vervlogen tijden zich laat waarschuwen door den goeden raad der historie; deze goede raad is immers nog nooit duur geweest.

*

Niet vergeefsch zal daarbij de moeite zijn van wie zich met eenigen nadruk rekenschap geeft van het verhaalde in Zacharia 7 : 1-6.

Deze perikoop verplaatst ons in de dagen van Darius. Of, wat hetzelfde is, we zijn hier in de eerste jaren na het beëindigen der ballingschap van het heilige volk in Babel.

Het waren tijden, waarin licht en duister elkaar bekampten en nog niemand wist, welke macht de sterkste was: de drang der nieuwe geboorte van gelouterd leven en gezuiverden eeredienst, dan wel de bittere nawerking van het doorstane leed, dat eerst na den terugkeer uit het vreemde land zich in al zijn felheid toonde, toen de naakte stompen van in puin gelegde gebouwen zich somber afteekenden tegen Jerusalems avondhemel.

Wie kon ontkennen, dat gróót nog was de ellende van het heilige volk? De muitende herinnering aan de opgelegde vernedering in het vreemde land van ballingschap kon kwalijk troosten het zoo licht opstandige hart. Te minder was hiervoor kans, omdat dan toch nog steeds een vreemde, onbesneden heiden zijn wil oplegde aan het zich bewuste volk en de herbouw van de in de asch gelegde gebouwen in stad en dorp allerminst den armelijken schijn van noodzakelijkheidswerk kon bedekken achter het fraaie gebaar van schoonheidsherstel. Vooral, omdat toch maar al wat men deed als gunst van een vreemdeling, een heiden op een profanen troon, moest erkend blijven in stillen wrok.

En toch — ’t was toch ook weer een mooie tijd! Want er was een nieuwe lente en toch het heerlijke oude geluid b. Jerusalem! Jerusalem! En de tempel! De restauratie, de groote, van het heilige huis! Hoe grootsch was die opzet! Hoe vrijgevig was Cyrus, de koning, geweest, blijkens de in Babels boekerij nog steeds berustende oorkonde, volgens welke de nieuw te bouwen tempel in afmetingen en omvang dien van Salomo ver mocht overtreffen. En al zou het wel niet mogelijk blijken, die grootsche plannen te volvoeren, toch was het koninklijk edict waarborg, dat de verlangens van piëteit jegens het verleden en van aesthetischen zin in den tempelbouw bij hem, den vorst, volle eerbiediging zouden vinden. Reeds was men meer dan twee jaar met den herbouw bezig; waarlijk, Jerusalem begon weer te leven!

Deze innerlijke strijd nu van zich zelf bekampende vreugd èn over zichzelf ontevreden gevoel van depressie is in onze dagen opnieuw te speuren. Ook onze kerkelijke samenleving maakt soortgelijke crisis door. Uit den strijd der ideeën, die door het |33b| oorlogswee te feller ontbrand is, uit den greep van den geest des tijds zijn we niet ongerept te voorschijn gekomen. Wij zijn in ballingschap toch ook geweest. En nu we vragen naar herstel, naar reformatie, naar reconstructie, nu komt ook ons de historie der laatste jaren vertellen dat we, of we willen of niet, hebben rekening te houden in onzen empelbouw met luim en gril van onbesneden harten. Dat stemt tot droefheid en bezorgdheid.

En toch . . . Wie zou niet danken? Tegenover het lijden van veel verschrompelend geestelijk leven staat, zelfs door buitenstaanders erkend, de betrekkelijke bloei van onze Gereformeerde kerken. En terwijl bij velen om ons heen, die aan geen opbouw denken, winkelhaak en passer en beitel even stil liggen als in de versteende symboliek van muffe vrijmetselaarsloges, daar heeft bij ons zich meer dan één opgemaakt, om in het vrije metselaarswerk aan den tempel der levende religie, al zoekend en schavend, al beitelend en metselend, den troffel niet minder werk te geven dan het zwaard.

Maar in zulke dagen vallen er zweetdruppels.

En wanneer, gelijk daar in Jerusalem, de troffel komt bij het zwaard, en dus het bouwwerk des vredes als een vesting gebracht wordt in staat van verdediging, dan komt daar in dubbele mate wat in simpelen vorm achter de schutting van elke karwei en achter den wal van iedere vesting zich afspeelt: het barsche woord tegen wie zijn tijd verbeuzelt en de korte vermaning tot wie in verkeerden ijver of in gebrek aan ijver den werker in den weg loopt. Dan komt daar het goedbedoelde conflict der gelijkgezinden; de tweedracht der eendrachtigen.

Zie het maar weer in Jerusalem. Daar komt op zekeren dag een gezantschap aan in de stad van de bouwers. Aan het hoofd ervan staan Sarezer en Regem-Melech. Zij hebben een wonderlijke opdracht. Hun missie heeft een godsdienstig-liturgisch doel. Ze komen vragen, of naar het oordeel van het priestercollege en den profetenraad in den Jerusalemschen tempel het nu eens niet komen kan tot afschaffing van enkele voorgeschreven boetedagen, die den laatsten tijd trouw gevierd waren.

In die ontmoeting van dit gezantschap met het officiëele profeten- en priestercollege van Jerusalem zien de jongere èn de oudere generatie elkaar in de oogen.

De jongeren . . .

Als zoodanig openbaren ze zich allereerst in hun vraag. Met doode vormen hebben ze niets op. Daarom willen ze ook niet weten van vastendagen, als de ziel niet tot vasten gestemd is en tot geween. Moet daar nog geweend worden, zoo vragen ze, geweend en gevast in publieken rouw, in de 5e maand?

In die vraag spreekt geen zucht naar revolutie, doch wel het verlangen naar reformatie. Revolutie breekt met het oude, zonder te vragen of ’t wel mag. Dat doen Sarezer en Regem-Melech niet. Zij hebben, met wie hen zonden, — ze zeggen ’t zelf — trouw de dagen gehouden in vasten en weenen, die als vaste jaarlijksche rouwdagen waren erkend. Revolutie gaat de profeten voorbij en snoert den priesters den mond. Maar dit gezantschap komt met zijn vraag aan het goede adres. Neen, dat is geen revolutie.

Maar het is wel reformatie.

Want reformatie, dat is het vragen naar nieuwe vormen voor het oude wezen. Reformatie, dat is het loswikkelen der zuivere idee uit onzuivere belichaming en het ontwikkelen van die idee in nieuwen, passenden stijl. Zoo is het hier. Waarom nog die vastendag van de 5e maand? Zeker, daarvoor was plaats gedurende de 70 jaren der ballingschap. Want in de 5e maand herdacht men, al die jaren door, hoe in dat zwarte jaar, ge weet wel, tempel en stad in brand gestoken zijn op den 10en dag c. Dat verschrikkelijke gebeuren werd jaarlijks weer opgehaald, de harp ging dan weer van de wilgen, maar vraag niet, wat er dan bij gezongen werd . . . . Die vastendag van de 5e maand was de grootste, |33c| die door heel het volk trouw in eere gehouden werd. En daaromheen had men ook in sommige kringen nog een anderen cyclus van vastendagen gegroepeerd: er was zoo’n boetedag geweest in de 4e maand; want op den 9en van de 4e maand was indertijd Jerusalem door Nebukadnezar ingenomen d: in de 7e maand, want op den 3en van die 7e maand was Gedalja vermoord e, en dat was ook een nationale ramp geweest, en ook in de 10e maand want op den 10den van de 10e maand was de belegering der heilige stad door Nebukadnezar begonnen f. En zoo hadden, al die jaren door, deze vierdagen den rampspoed van Juda’s val en den smaad van Davids huis weer in den volksgeest doen opleven. Nu, dat had ook zin. ’t Was toen de tijd van de antithese. Maar nu? Nu dan toch het heilige land met zijn tempel en stad, met zijn wijnbergen en akkers, was terusgegeven? Was ’t nu niet de synthese, die riep om positieven arbeid? Voorbij was de tijd van ’t klagen, van ’t doleeren over oude grootheid, die verschrompelde; en wel mogen de ouderen weenen, weenen, omdat de tempel, die daar oprijst, toch niet Salomo’s tempel is, maar tegenover de droefenis der ouderen, die hoofdschuddend over verval en achteruitgang strompelen naar het graf, stellen deze jongeren den roep, om, nu de nieuwe tijd noesten arbeid vraagt, te bouwen, te werken; niet langer te vasten om wat toch voorgoed voorbij is, maar te zoeken de vreugde van den arbeid voor de reconstructie van de groote toekomst.

Wie durft hier dezen vragers den rug verachtelijk toekeeren? Wie? ’t Is toch immers ook wel te begrijpen, dat ze zoo spreken? Let er op, die eene woordvoerder heet Sarezer. Een hebreeuwsche naam is dat niet, wel is ’t een uitheemsche, assyrische naam (vgl. Jes. 37 : 38, Jer. 39 : 3, 13). Blijkbaar is hij geboren in Babel; ’t is voor het eerst, dat hij thans Jerusalem ziet. Kunt ge ’t dien man nu kwalijk nemen, dat hij niet de tranen der ouderen mee kan schreien? Hij heeft toch nooit gezien den ouden, heerlijken tempel; en wat hij er nog van zag, dat waren verbrokkelde ruines, meer niet. Hij kàn daarbij niet staan met droef gelaat: hij wil vooruit, hij moet vooruit; hij wil wat nieuws zien bouwen. Volkomen terecht is de opmerking gemaakt 2) dat de vraag, die door Sarezer met zijn mannen hier gesteld wordt, bewijs is, dat ze niet veel óp hebben met de somber-ernstige, zwaar-gedrukte stemming van vastendagen in den tijd, die na de ballingschap hen riep tot daden. Maar zonder ernst zijn ze evenmin als de ouderen, die hun tranen schreien om wat niet weerkeert.

Trouwens, daar ligt, als die ouderen hun blik niet laten benevelen door korzeligen onwil, zelfs reden tot blijdschap in de aankomst van deze deputatie. Immers, vanwaar is ze afgezonden? Het tweede vers (mits gelezen niet naar onze onjuiste statenvertaling, doch naar den eigenlijken zin van den oorspronkelijken tekst 3)) zegt ons, dat ze uit Bethel kwamen. Bethel komt naar Jerusalem; wachter, durft ge nu nog zeggen, dat de dag niet komt g? Bethel moest toch immers vroeger niets hebben van Jerusalem; sedert Jerobeam te Bethel zijn stierkalverendienst had ingesteld, was Bethel altijd officieel de concurrent van Jerusalem; en Amos zegt het ons zelf, hoe daar vroeger in Bethel de ware profeten van Jahwe uit de stadspoort verjaagd werden naar het land van Juda, naar Jerusalem toe; want Bethel had immers zelf zijn koningsheiligdom, zelf zijn rijkstempel? (Amos 7 : 12 v.).

Ja, zoo wàs het geweest.

Maar de ballingschap heeft ook in dezen goed werk gedaan; en het gemeenschappelijk lijden heeft |34a| dezen onderlingen strijd beslecht. Nu ziet men gebeuren, dat Bethel, de stad der godsdienstige concurrentie h, komt tot Jerusalem en in wettigen weg den eeredienst wil regelen onder Jerusalems leiding.

En dunkt u nu niet, dat ook in deze gegevens meer dan één moment is, dat heenwijst op punten van overeenkomst met de „jongeren”, die thans van zich spreken doen?

Neen, ik heb het niet over de revolutie-jongeren. Die zijn meer jong dan Gereformeerd. Maar wie niet gegeneraliseerd heeft, die heeft er nog anderen gevonden onder hen.

Om slechts iets te noemen: is daar bij velen geen zoeken van reformatie geheel langs den wettigen weg? ’t Is waar, daar zijn Sarezers onder de reformatorische geesten, ’t zijn de geborenen ver van den ouden tempel. Zij hebben nooit gezien de wonderen van den tijd van groote daad en sterk geloof. alleen bij geruchte weten ze van ’34 en ’86. Tornen aan wat is overgeleverd, dunkt hun dan ook geen zonde, mits het dan blijve bij ’t program van Sarezer en Regem Melech, die immers niet disputeeren over wat God heeft ingesteld, maar over bijkomende menschelijke instellingen. En dan — ze overijlen niet. Ze vervoegen zich waar ze moeten zijn. Ze verlaten niet den kerkelijken weg; ze weten den weg van Bethel naar Jerusalem. Ook kennen ze niet meer den ouden concurrentiestrijd: ook bij hen heeft de doorleving van den ernst der tijden de bezieling voor binnenlandsch conflict gedoofd.

Dat nu de priesters en profeten er voor waken, deze menschen recht te beantwoorden. Want ze doen niet assyrisch, al draagt dan meer dan één Sarezer onder hen ook een assyrisch-klinkenden naam. Zij hebben ook, gelijk de Bethelietische gedeputeerden verklaren, tegenover Babel, tegenover de wereldmacht, getoond, te willen klagen met Gods volk. In Babel hebben ze geweend; ze schaamden zich niet. Maar nu Babel ze niet ziet, nu vragen ook zij . . . .

Ja, wat voor wonderlijks vragen ze eigenlijk? Hoor: Moet ik weenen? Hoort ge? Moeten, dat is het objectieve; weenen is het subjectieve. Weenen, och, dat gaat niet op commando. Wel kan dat bij de officieele menschen, die loon betrekken van anderen of van zichzelf voor een officieel in plooi gehouden gezicht; maar eerlijke zielen hebben het te kwaad met de vraag: moet ik weenen? En toch is dat het altijd pijnigend paradox van allen waarachtigen eeredienst. Er is een moeten; God beveelt. En God heeft zijn orde, zijn tijd; als de klok slaat voor de liturgie, als de zon opgaat tot den vastendag, dan is daar het moeten; maar is er het kunnen wel altijd van de tot weenen of tot vasten geroepenen? Wie, die eeredienst oefent, waarachtigen eeredienst, kent niet die eerlijke belijdenis van de zwoegers onder den zwaren eisch van dien God, die nog voor weenen een moeten en voor het moeten een datum bepaalt?

En denk nu niet, dat ze niet willen. Als God zelf het weenen wil op boetedag en het jubelen op feestgetij, ze zullen meedoen, en ook wel zich zetten tot gewilde zielsuiting. Maar, dan toch geen weenen, dat niet van Godswege een moeten is! Geen liturgische vormen, enkel om de traditie. Geen bestanddeel in den eeredienst, dat zijn periodieken terugkeer ontleent enkel aan den wil eener conservatieve partij, in plaats van aan den levendmakenden wil van God! Moet ik weenen, of mag ik bouwen? Moet ik klagen over ’t voorbije, of mag ik juichen den nieuwen dag tegemoet?

Waarlijk, zulke jongeren verdienen een antwoord. Wie in het vreemde Babel wil weenen, maar op het eigen erf met vreugd wil bouwen, die openbaart naar buiten de antithese, en verflauwt de grenzen niet. Doch naar binnen zoekt hij synthese en verzoent Bethel met Jerusalem; hij roept het tien- en het tweestammenrijk op tot het ééne offensief tegen den uitheemschen vijand; hij schaamt zich niet, eigen gewichtigheid, die de promotie van zijn eigen kringetje, zijn eigen partij, zijn eigen „Bethel” tot een klein, „Jerusalem” hem verleende, op te geven en te zoeken naar centralisatie, opdat het zwaarst wege, wat het zwaarst ook is. Die mensch zoekt een levenden eeredienst, waarbij het conflict tusschen moeten weenen en kunnen weenen voortaan alleen zal kunnen blijven voortduren krachtens de in het willig vasten der naar God schreiende ziel beweende zondigheid van het eigen hart, zonder dat daarbijnog komt de overbodigheid van gewoontegebod en conventiebevel.

Wat zult gij nu antwoorden, gij profeten en priesters, wat zult gij nu antwoorden aan deze eerlijke boden van uw eigen volk?


II.

Sarezer en Regem Melech zijn, blijkens ’t eerste artikel, door Bethel naar Jerusalem gezonden, om afschaffing te verzoeken van de vastendagen, ter herinnering aan de ellende, bij de intrede van de ballingschap, den laatsten tijd gevierd. Zij doen dat niet uit onwil tot vasten, ook niet op eigen autoriteit, maar dringen toch aan op verwerping van wat geen wezenlijk bestanddeel is van den zuiveren eeredienst; en ze bewandelen daarbij den zuiveren weg van eerbied voor het historisch gegevene en voor het wettig gezag. Zoo zijn ze beeld van die jongeren, die, niet om tegen de oude waarheid in tegaan, doch om deze zuiverder te beleven, reformatorisch willen optreden.

Welk antwoord ontvangen nu de gezanten van Bethel en uit wiens mond zal de wonderspreuk klinken, waarop hun vragende Bethelieten wachten?

Het antwoord komt — om met het laatste te beginnen — van den profeet Zacharia. Let daar wel op. In dagen van crisis is het antwoord op menige kwellende vraag niet altijd van de officieele voorlichters te wachten, maar van den profeet. Niet het beroepscollege, maar de individueele hartstocht van den helderzienden geest grijpt dan naar het woord: gelukkig de eeuw, die in zulke tijden den éénen prediker hoort uitdragen de grondgedachte der Schrift. Want zoo is het hier. De vraag was gericht tot het geheele college van profeten en priesters, tot de beroepsmenschen dus met hun gemeenschappelijk zinnen. Maar Zacharia springt op: de bliksem van Gods inspraak is geflitst door zijn hoofd: en hij profeteert . . . Hij alleen. De beroepsmenschen doceeren niet, maar luisteren naar hèm.

Ook in onze dagen, dagen van crisis immers, wordt weer het recht der individueele profetie erkend. Nu ook wij „door geleidelijke overgangen en catastrofale gebeurtenissen gekomen zijn in een veelszins andere wereld” (vgl. no. 1 van dit blad 4)), nu is onze rustige boeken- en preeken- en courantenwijsheid niet geheel meer bijgewerkt. Geheel euvel duiden kan men haar dat niet. Dat voelen de profeten, de helden van den geest; en zij spreken, ze mogen dan ware of valsche profeten zijn: ze spreken hun tijdwoord. Wee, als de profeet dan geen Zacharia is, geen vertolker der gedachten Gods! O de macht van den enkelen mensch over de velen, ook na en in de tegenwoordige wereldcrisis! En de zegen over de harten, die Gods Woord hooren van profetenmond!

Zacharia spreekt. Hij spreekt, maar zijn tong is niet van fluweel, al is zijn verschijning ook de openbaring van hartstochtelijke liefde. Geen wonder ook. Valsche profeten vleien met een koude ziel; echte profeten geeselen hem, in wiens schuld hun liefde zelf het grootste aandeel neemt.

Zacharia spreekt. Hij spreekt als profeten doen. Hij gaat niet peuteren, niet disputeeren, niet uitmeten, in hoeverre dit en tot op welke hoogte dat juist is of onjuist. Hij gaat terug van de partij op het volk; van de kwestie tot haar grond, van het bijzondere naar het algemeene. De vraag der enkelen inspireert zijn antwoord tot het volk. Want alle leven en denken der individuen, ook der „jongeren” in onze dagen, evenals van de „ouderen”, het hangt onverbrekelijk samen met heel den ontwikkelingsgang van allen, van de massa, van het geheele organisme, waaruit ze opkomen.

Kijk, zóó zien nu profeten. Ze spreken, als er maar één wat vraagt, een vraag zoo stillekens voor hem zelf, tot het „gansche volk” (vs. 5). Zij spelen niet de ééne partij uit tegenover de andere; zij praten de ouderen niet in den dommel, door te wijzen op de gebreken van de jongeren; en evenmin storten ze over hun hoofd uit al de verwijten, die de jongeren hebben; en de jongeren zelf nemen ze niet apart voor een gewichtig privatissimum. Zouden wij Zacharia niet eens gaan hooren, ook in onze eeuw? Hebben ook bij ons de partijen haar saamhoorigheid gevoeld? Haar verantwoordelijkheid |41b| voor elkander? Mag Zacharia u eens, o jongeren, voor een keertje onder één preekstoel verzamelen met de ouderen, en wilt gij, ouderen, nu eens, als hij spreekt, niet den neus ophalen voor kinderen uws volks, ook al herinneren ze aan wat u vreemd is of minder sympathiek; al heet de één wel wat vreemd „assyrisch”, en al komt de ander uit een kring, die vroeger u concurrentie aandeed: Sarezer . . . . Bethel? Ja zelfs, gij volksvoorlichters van professie, gij, die het recht van spreken hebt, omdat God U plaatste in Zijn tempel, en omdat tot U, tot U, zeg ik, de vraag gericht is: wilt ook gij eens voor ’n keertje stil wezen en hooren wat óók tot de priesters (vs. 5), de toga-menschen, de ambtsdragers, Gods profetie te zeggen heeft? Wilt ge ook eens ontvangen, vóór ge weer in dienstijver uitdeelen gaat en doceeren?

Hoort dan wat Zacharia zegt. Als de jongeren klagen: gij vast te veel, en de ouderen smalen: gij, oppervlakkigen, weent te weinig, dan roept Zacharia den vastendag uit over het vasten en hij leert weenen over aller geween. Want vóórdat de wijze, de mate, de duur, de datum van de vastendagen in dispuut komt, moet eerst oud en jong, Jerusalem en Bethel, priester en volk weten dat zijn vasten verkeerd is geweest. „Toen gij vasttet en rouwklaagdet in de vijfde en in de zevende maand nu 70 jaren, hebt gijlieden Mij, Mij eenigszins gevast?” Uw vasten, zoo wil de profeet zeggen, is geen daad geweest, die ge met het oog op God verricht hebt. Ge hebt gevast en geweeklaagd, maar de vernedering van uzelf was daarbij méér de inhoud en het thema van uw treurzang dan de onteering van Mijn naam, spreekt Jahwe. Uw ascese was evengoed als uw feestelijk zwelgen een daad van uzelf voor uzelf: uw vasten was een celebreeren van uzelf en was dus evenals uw vette maaltijden een armelijke prediking van de magerheid uwer ziel. Uw zonde was de overtreding niet van een partij, doch van het volk.

Goed, profeet, goed.

Maar de oplossing nu? En het antwoord?

Profeten spreken ook door wat ze verzwijgen. Zie maar weer Zacharia. Tot de ouderen, de rouwklagers, zegt hij niet: vast maar, zoovaak ge wilt; en evenmin: geeft Bethel zijn zin en breekt af al uw klaagmuur. En tot de vragers uit Bethel, de menschen van de nieuwe gedachte, spreekt zijn woord al evenmin in vriendelijke loftuitingen, die hun een triomf zouden zijn tegenover de ouderwetsche menschen, als in stuursche gereserveerdheid, die ze aan de kaak zou stellen omdat ze ’t wagen te tornen aan heilige gebruiken van oude traditie.

Zoo heeft de profeet voor beiden een waarschuwing. Wie wil vasten en klagen over velerlei achteruitgang, die bedenke, dat het niet genoeg is, uitwendig tegen ’t vervloekte Babel te protesteeren, als niet in innerlijk beleven de band aan Babel, aan de profane wereld, doorgesneden is. Over de boetedagen Gods, over de vierdagen, die Mozes’ wet vaststelde, wordt natuurlijk niet eens geredeneerd; die vallen buiten het debat. Maar voor wat de menschen daarnaast vaststellen, ligge het reglement in het hart. Niemand legge den ander iets op; daar is pluriformiteit van beleving; in de speling der menschen ligt wel eens het spel der engelen; als maar het terrein van de wet niet verlaten wordt. En tot de jongerengroep komt ook een conscientievraag. Ze willen afschaffen het oude en bouwen het nieuwe. En de profeet zal hun geen tranencommando geven. Maar als ze de vastendagen afschaffen willen, is dat dan, omdat ze over dat vasten heengekomen zijn of misschien ook, omdat ze nog niet eens eraan toegekomen zijn? Nietwaar, dat maakt verschil. Is hun het ware vasten uit eigen ervaring bekend, dan hebben ze gelijk; niet in vermenigvuldiging, maar in verdieping van de vastendagen ligt dan hun heil. Maar is er onder hun reconstructie-roep, |41c| is daar in hun lachen over den nieuwen dag, meer roes dan feest, dan mogen zij bedenken, dat Gods profeet geen enkelen vastendag heeft afgeschaft, ook al legde hij niemand iets op: want wie altijd vast, die vast nooit en — wie vasten kan, die kan ook eten. Alleen wie klagen leerde, slechts die kan juichen over den toekomenden dag.

Voor ons ligt in al die dingen de toepassing vanzelf gegeven.

Allereerst: laat oud en jong buiten discussie laten wat zich aandient als evidente openbaring der Schrift. Met de jongeren wil de profeet wel spreken over het vasten der 7e maand, dat aan Gedalja’s vermoording herinnert, maar van dien anderen vastendag, óók in de 7e maand, van den grooten verzoendag van Gods wetboek, moeten ze afblijven. Zoo mogen ook wij critiek oefenen, niet op het essentieele, maar alleen op het bijkomstige in eeredienst en belijdenis.

Maar als wij dit op zichzelf goede werk aan de orde stellen, doen wij het dan op de goede wijze? Of als wij er tegen protesteeren, doen wij het dan uit zuiver motief?

Gij jongeren, werpt in uw reformatorischen ijver niet al het oude omver. Beeldenstorm is altijd een uitwas van reformatie; er is nog geen enkele beeldenstorm geweest, waarin niet de iconoclast zijn eigen zaak geschaad heeft. Begrijpt gij, jongeren, dat menige traan om wat voorbijging en niet weerkeerde, toch ook in Gods flesch bewaard i wordt, menige traan, die u slechts een glimlach waard is? Bethel kon gemakkelijk ’t vasten afschaffen; Bethel had ook slechts de ineenstorting van een caricatuur-heiligdom gezien, en bij zijn ruïnes paste geen klaaglied; maar Jerusalem, ach, het heeft ook zoo heel veel verloren. Denkt u in, gij die komt, hoe zij, die gaan veel schoons hebben beleefd, dat nu zijn metamorfose ondergaat in den onverbiddelijken gang der eeuw. En vergeet het nooit: men kan ook te vroeg zijn tranen drogen over den smaad der kerk, te vroeg haar datums vergeten. Was het louter ironie der historie, of was het nog wat anders, dat twee van de vastendagen, die hier van den kalender afgevoerd moesten worden, later weer in de historieboeken van Gods volk een rouwrand kregen, een zwarten rand, die er nog staat? Want niet alleen is in de 4e maand op den 17en Jerusalem bestormd onder Titus, maar ook is, naar Josefus en volgens den Talmud, op den 10en van de 5e maand de tempel, de tweede tempel, door de Romeinen verwoest 5). De vastendag over de verwoesting van den eersten tempel, ach neen, Zacharia legt hem niet op; maar diezelfde dag is de ondergang geweest van den tweeden tempel, die met gejuich begroet werd. Wie de historie vergeet, wordt door haarzelf gestraft; zij wreekt de tranen in de toekomst, die in het verleden te gauw zijn gedroogd.

En gij ouderen, verneemt het welsprekende zwijgen van den profeet, die niet met u meespreekt; de profeten eeren anders zoo gaarne de grijze haren! Uw klagen over de ruïne van den ouden tempel kàn toch wrevelige ondank worden bij de fundamenten van den nieuwen. Wie reformatie revolutie scheldt, is zelf revolutionair. Want, hoe ge ook uw hoofd moogt schudden: in één ding geeft de profeet de jongere generatie volmaakt gelijk: de toekomst is niet verloren. Hoort maar z’n woord: „Het vasten der vierde en het vasten der vijfde en het vasten der zevende en het vasten der tiende maand zàl den huize Juda tot vreugde en tot blijdschap en tot vroolijke hoogtijden wezen!” (8 : 19). De tempel rijst! En de geestelijke tempel komt! En vooral: Christus komt; uit dit heiligdom, dat eens, niet van buiten af, maar van binnen uit, door God zelf tot ruïne wordt gemaakt als het voorhangsel scheurt, uit dit heiligdom verschijnt God straks blinkende j. En ook uit onze zware dagen verschijnt andermaal God in Christus. Onze achteruitgang is toch vooruitgang; onze val wordt opstanding. |42a|

Aan ons dan de taak om te bouwen den komenden tempel. Wee, als wij verstarren in conservatisme! Wee, als wij de traan, den vastendag begeeren enkel om te vasten. Een geslacht, dat zóó blijft weenen, het versteent zijn hart en kristalliseert zijn smart, al vloeit ook óver zijn oog van tranen. Zulk een geslacht zal het lot niet ontkomen van de latere Joden 6), die, toen ze het heilige feest van Israëls geestelijken tempelbouw in Jezus Christus met koude harten hadden laten voorbijgaan, aan den vastendag van de 5e maand en den boetedag van de 4e maand nog weer nieuwe wijding gaven door almaar op te tellen, óp te tellen, zóóveel smarten als ze maar even konden bedenken, of fantaseeren, maar die gemist hadden — voor eeuwig — de groote blijdschap, de zeven blijdschappen van Israël, dat uit den Geest geboren is. Waar de koude der ziel de tranen stolt, daar is verstijfd ook de mond in laatsten glimlach.

Zoo mogen dan oud en jong samen beleven het „einde” van de vreugde der wet en het doel van de vasten van Jerusalem: Jezus Christus. Nog eenmaal zal hij komen, de rechter van ’t heelal. Hij komt en Bethel zal Jerusalem niet meer benijden. Hij zal Sarezer geven zijn nieuwen naam en alle priesters en profeten zullen dan spreken te rechter tijd. In Bethel dan geen onevenwichtigheid meer: en in Jerusalem geen praerogatief van den individueelen profeet boven een schare van tot spreken geroepenen, maar onmachtigen. Daar zullen oud en jong beiden verstaan, dat hun synthese lag in Jezus Christus, den held van Zacharia, die voor de weenenden van gister en voor de bouwenden van heden gister en heden dezelfde is en tot in der eeuwigheid k; in Hem, die als Hij nabij de stad kwam weende over Jerusalem en als Hij tot haar gekomen was met de vreugde der gehoorzaamheid zijn nieuwe rijk gebouwd heeft; Hem, die weenend bouwde en bouwend weende; die den strijd tusschen moeten en weenen heeft opgelost en zoo den eeuwigen vrede belooft op het eenmaal voor altijd beëindigd conflict van moeten en lachen, lachen over de zeven blijdschappen Gods.


K. Schilder.




1. Het voornemen bestaat bij de Redactie, binnenkort een serie artikelen te plaatsen over „De beweging der Jongeren”. Dit artikel moge als inleiding dienen. De Redactie.

2. Ed. König, Geschichte der altt. Religion, 2e Aufl. 1915, S. 566.

3. Op verschillende, hier niet nader te noemen, gronden meenen wij, ondanks de bezwaren van Nowack, e.a., te moeten vertalen in vers 2: „dat Bethel Sarezer en Regem-Melech enz. gezonden had”.

4. Dr. B. Wielenga, Openingsartikel van „De Reformatie”, weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven, 24 Sept. 1920.

5. Dr. J. Benzinger, Hebr. Arch.; Tübingen 1907, S. 404.

6. Vgl. C.F. Keil op Zach. 7 : 1-3, noot.




a. Opgenomen in Licht in den rook, 19231, 7-23.

b. Vgl. Herman Gorter (1864-1927), Mei. Een gedicht, Amsterdam (W. Versluys) 1889, beginregels.

c. Vgl. Jeremia 52:12v.

d. Vgl. Jeremia 52:6.

e. Vgl. Jeremia 41:1v.

f. Vgl. Jeremia 52:4.

g. Vgl. Jesaja 21:11v.

h. Vgl. 1Koningen 12:26-32.

i. Vgl. Psalm 56:9.

j. Vgl. Psalm 50:2.

k. Vgl. HebreeŽn 13:8.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000