Gods Zoon, vóór de vleeschwording zijn vader-naar-het-vleesch formeerende

Menigerlei Genade. Wekelijksche leerredenen

24e jaargang, onder redactie van K. Dijk en B. Wielenga
Kampen (J.H. Kok) 1934v
31,481-496 (2 december 1934)

a


Psalm 3 : 2.
_
Lezen: Genesis 32 : 22-32.
_
Psalm 18 : 7 en 8.
Psalm 147 : 5 en 6.
Psalm 146 : 3.
___


In den moederschoot hield hij zijnen broeder bij de verzenen; en in zijne kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God; ja hij gedroeg zich vorstelijk tegen den engel en overmocht hem: hij weende en smeekte hem.

Hosea 12 : 4-5a.


Het is altijd een ongeluk, wanneer de kerk niet meer weet, op rechte wijze de bijbelsche geschiedenisverhalen te lezen. In alle bijbelsche geschiedenis toch gaat het om den Christus. En alleen als men daarvoor het oog open houdt, kan men verstaan, wat eigenlijk de bedoeling is van den bijbel, als hij ons de geschiedenis vertelt. Vele menschen echter zien bij het lezen dien Christus voorbij; ze hebben alleen maar aandacht voor de z.g. „bijbel-heiligen”. Die worden dan bestudeerd, wat hun karakter betreft, hun zielsaanleg, hun zielestrijd, hun zegepraal of nederlaag; en dan gaan zulke lezers ten slotte een vergelijking trekken tusschen de ziel van die „bijbel-heiligen” en hun eigen ziel. Maar den „Geest van Christus” b, den Christus zelf, ziet men niet.

Dien kan is het ook vaak uitgegaan, wanneer men in de kerk nadacht over „Jacob bij Pniël”. Pniël werd dan gewoonlijk gezien als de plaats van een ziele-worsteling, van een ziele-crisis; en dan trachtte men vervolgens, door een nauwkeurige ontleding van de ziele-worsteling van vader Jacob in den „geest” van het verhaal in te dringen. En eindelijk: men mat zich aan — Jakob.

Maar als wij nu eens eerlijk ons afvragen, wat wij dááraan nu eigenlijk hèbben, is dan het antwoord niet teleurstellend? De ziel van Jacob, kunt gij die inderdaad verstaan? De man leefde zooveel duizend jaar geleden in een heel anderen tijd, en onder heel andere omstandigheden, ja, in een heel andere „wereld”. Geleerde menschen hebben jaren noodig, om van die ziel van Jacob iets |482| te verstaan, en om iets te begrijpen van de omstandigheden, het „klimaat”, waarin hij groot geworden is en geworsteld heeft. Maar hoe zou het dan moeten met òns, die hier bijeen zijn, niet als geleerden? Ja, wij kunnen ons makkelijk wijsmaken, dat wij de „ziel” van Jacob begrijpen, en wij kunnen ons zelf wel diets maken, dat wij iets hebben begrepen van zijn karakter-crisis, maar . . . is het wel waar? Wanneer het eens niet waar was, is dán niet een preek over de ziel van Jacob troosteloos en werkeloos aan u voorbij gegaan?

Ja, we vragen nog verder: neem eens even aan, dat wij werkelijk alles haarfijn wisten van de zieleworsteling van vader Jacob. Brengt ons dat nu verder?

Menigeen zegt nu gretig: „ja zeker, dat helpt mij wel verder, want ook ik moet „mijn” Pniël beleven; en ik kan nu aan Jacob zien, hoe het moet.”

Maar wees eens eerlijk, is er iemand hier, die ooit een Pniël beleefd heeft? Wij bedoelen nu niet een „vergeestelijkt” Pniël, doch Pniël, zooals het toen geweest is? Is er ooit iemand geweest hier, met wien de Heere geworsteld heeft als man tegen man? Dien Hij werkelijk in het vleesch verminkt heeft, zooals het met Jacob gebeurd is? Och, laten wij eerlijk zijn: er is niemand, die er op rekent, dat ooit zoo iets aan hem overkomen zal. En als er iemand ons zou vertellen, dat hij zoo iets inderdaad beleefd had, wanneer b.v. iemand hier in de kerk zou zeggen, dat hij in zekeren nacht aan de heup verminkt was, en dat dat nu kwam van een verschijning, die God hem gegund, of waarmee God hem verschrikt had, dan zouden wij achter zijn rug zeggen : „hij is wat in-de-war”. Werkelijk, wanneer het vandaag een preek over Jacobs ziel moest wezen, dán waren wij wel zeer ongelukkig; want dan wist eigenlijk noch de prediker, noch de hoorder raad met het onderwerp. Wie het anders zegt, fantaseert.

Maar gelukkig, wij behoeven niet, wij mogen niet eens Jacob’s „ziel” behandelen. Het gaat immers in de historie van den bijbel om God, die Zich openbaart in Christus Jezus? God is in elk punt des tijds op den langen weg van de heilsgeschiedenis aan een zeker punt van dien weg toegekomen, en komt zoo steeds verder tot zijn doel.

Dat is trouwens bij Pniël wel heel makkelijk te zien. Onze tekst spreekt immers van twee kampvechters, die daar in den nacht worstelen? De één is Jacob, de ander is een man-van-mysterie. Nu is Jacob de vader van het volk van Israël. En waarom is hij dàt? Omdat hij door God bestemd is, om te worden de vader van onzen Heere Jezus Christus. De aanstaande vader van Christus komt hier dus bij een bepaalde mijlpaal van zijn leven. Maar wie is dan die man-van-mysterie, die met Jacob worstelen gaat? Onze |483| tekst zegt: het is „de engel”; en van ouds weten wij reeds elkaar te vertellen, dat die „engel-des-HEEREN” de verbondsengel is, d.w.z. de Zoon van God zelf. Die Zoon is hier nog niet vleesch geworden; maar Hij is toch op weg naar de vleeschwording. Hij is dus hier bezig, zijn eigen geboorte uit dien man daar, uit Jacob, voor te bereiden.

En nu is dit het wonderlijke: Hij strijdt met zijn eigen vader-naar-het-vleesch. Hij verminkt zijn eigen vader, Hij werpt hem neer in het stof. En toch is Hij bezig, zijn geboorte uit dien vader voor te bereiden? Doe nu even de oogen dicht, want hier is de verborgenheid: als Gods Zoon vóór de vleeschwording zijn eigen vader-in-de-vleeschwording ter aarde werpt en verminkt, dan bouwt Hij hem op, dan maakt Hij hem bekwaam tot het vaderschap, dan „roept” Hij zijn eigen vader. Want deze Christus, of liever, het nog niet vleesch geworden Woord, is God uit God en licht uit licht. „Hij roept de dingen, die er niet zijn, alsof zij er waren” c; Hij „roept” den vader, dien Hij niet heeft, alsof hij er is. En daarin komt de Christus tot de wereld; Pniël is advent, meet is het niet, en reeds daarom moeten wij het niet herhalen; gedane zaken nemen geen keer, vooral — God zij geloofd — adventszaken niet. Pniël is advent. Maar minder is het ook niet: Christus komt! Hij komt, Hij komt. Hij bereidt zich zijn vader-naar-het-vleesch; Hij houwt de rots, waaruit Hij wil gehouwen worden d. Daarom willen wij heden tot u spreken over dit onderwerp:


Gods Zoon, vóór de vleeschwording zijn vader-naar-het-vleesch formeerende.

Wij gaan na:


I. het voorspel van die formatie;

II. het feit zelf van die formatie;

III. het eerste blijk van die formatie.


I. In de eerste plaats zouden wij dus spreken over het „voorspel” van de formatie van den aanstaanden vader van Christus door het nog niet vleesch geworden Woord Gods.

Wanneer in de kerk een koraal, een psalm gespeeld wordt, hooren wij eerst een voorspel. Een goed organist nu zal reeds in dat voorspel de melodie van den psalm zelf doen doorklinken. Wanneer hij „van het blad speelt”, dan is het voorspel het werk van den man, die de muziek geschreven heeft. Zoo iemand heet de componist. Ook die componist nu heeft, vóór hij het voorspel schreef, den koraal reeds in zijn hoofd gehad; ook hij laat dus de grondgedachte van den koraal en de psalm-melodie reeds |484| heerschen over zijn voorspel. Hij legt de motieven van den psalm reeds in dat voorspel in.

Iets dergelijks nu hebben wij in veel hoogeren zin ook bij den Heere onzen God. Hij had reeds van alle eeuwigheid bij zichzelf het voornemen, in Pniël Jacob te vormen, hem te bereiden voor de taak, die Jakob wachtte. Die taak is deze, dat hij de vader moet zijn van onzen Heere Jezus Christus. Dit vaderschap moet gij niet zóó eenzijdig en gebrekkig opvatten, dat het alleen al reeds voldoende is, indien Jacob vleeschelijke kinderen heeft, die dan later het volk Israël worden zullen, en uit wie de Christus dan te zijner tijd geboren worden zal. O neen, — dat vaderschap houdt veel meer in. Het houdt niet slechts in, dat Jacob naar het vleesch Christus’ vader zijn mag, doch dat hij, als opvolger van Abraham ook in bewust geloofsleven voor God, en in ambtelijk verkeer met den Heere God, de wegen van den Messias zal zien en banen. Hierom nu is het niet voldoende, dat Jacob kinderen heeft, uit wie de Christus naar het vleesch geboren zal worden. Neen, — Jacob moet als aartsvader optreden; hij moet in het geloof beginsel en begin zien van al de kinderen, van al de stamvaders van Israël, die niet slechts Israël heeten, doch die het ook zijn. Want niet alles is Israël, wat Israël genaamd wordt e. In de verbondsgemeenschap moet hij met de „verlichte oogen” „des verstands” f zien, welke de wegen zijn van het geloof, en van de heilsopenbaring Gods.

Daarom zal in Jacob zelf op een heel bizondere wijze — daar is hij vader voor — de strijd tusschen vleesch en geest, tusschen ouden en nieuwen mensch, moeten worden gestreden. Want het vaderschap in de kerk krijgt men niet zóó maar. Dat kost strijd en moeite. Zeker, het is waar, alle kinderen in het groote verbondsgezin hebben hun strijd en hun moeite. Maar een vader in den kring van dit gezin, een aartsvader, een vader van de twaalf aartsvaders, — die kan slechts vader worden, indien hij op bizondere wijze dien strijd heeft doorleefd.

Welnu, die strijd tusschen vleesch en geest was de eigenlijke koraal van Pniël.

Maar nu komt het voorspel op dien koraal bij Jakob’s geboorte.

Onze tekst geeft dan ook een tegenstelling, we kunnen beter zeggen: een climax. In den moederschoot was het zóó, en in zijn krácht, d.w.z. op mannelijken leeftijd, daar in Pniël, gebeurde er nog iets anders. In den moederschoot het voorspel, in zijn kracht de koraal. In den moederschoot een strijd met zijn broer, in zijn kracht een worsteling met God. En daarom is de hoofdgedachte van dien koraal reeds door het voorspel heengewerkt, en is het motief van den koraal zelf door God reeds in dat voorspel neergelegd en uitgewerkt. |485|

Wij moeten dus op dat voorspel wèl letten. Maar we kunnen het nu dezen keer slechts op goede wijze doen, indien wij weten, wat de koraal eigenlijk wil. Omdat immers Gods koralen tegen vleesch en bloed ingaan, daarom doen zijn voorspelen het ook. Slechts wie door het Woord weet, wat het thema van den koraal is, slechts die kan het voorspel verstaan.

En zie, nu heeft dat Woord Gods ons die beide verklaard en het verband tusschen die twee ons aangewezen. Dat gebeurde reeds vóór de geboorte door een openbaring des Heeren aan Rebekka. En eeuwen later gebeurde het door de openbaring des Heeren in den tekst van Hosea. Daarom zegt onze tekst dan ook, dat in den moederschoot Jacob zijn broeder Ezau bij de verzenen hield. Dát was het voorspel. En in dat voorspel wordt reeds geprofeteerd over de werkelijkheid van Pniël zelf, als den eigenlijken koraal.

Op zichzelf leek dat voorspel iets heel „gewoons”. Wanneer gij in Genesis het verhaal van Jacob’s geboorte nagaat, dan wordt u daar iets verteld, dat in het verhaal van Genesis zelf zonder verdere profetische belichting als feit vermeld wordt. Wij lezen daar, dat de beide broeders, van wie hier sprake is, Ezau en Jacob, tweelingbroeders waren. Ze zijn geboren in hetzelfde uur, in dezelfde kamer. Bij de geboorte was nu dit het eigenaardige, dat het kind, dat in de tweede plaats het levenslicht aanschouwde, Jacob, bij de geboorte met zijn handje de hiel van zijn broertje, Ezau, vasthield. Dat trekt even de aandacht van de omstanders; het wordt in Genesis verhaald; en dan is daarmede het bericht daar afgesloten.

Onwillekeurig vragen wij ons nu af: wat doet nu zulk een bericht in den bijbel? De bijbel is er toch niet voor het vertellen van bizonderheden uit een geboortekamer?

Alles wordt echter reeds anders, wanneer gij naast het verhaal van Genesis de profetie legt van onzen tekst. Immers in Hosea’s boek treedt de profetie op, die met een enkele forsche schetslijn de groote oogenblikken doet zien van Jacob’s heele leven. Hosea verbindt dadelijk dat verhaal van die geboorte, aan dat andere verhaal van Pniël. En Paulus gaat later nog verder, wanneer hij aan dit alles toevoegt, dat wij hier staan voor een diep mysterie. Eer de kinderen geboren waren, of iets goeds of kwaads gedaan hadden, zoo zegt hij g, was het woord van Gods profetie reeds over de kinderen heengegaan, en had de Heere gezegd: Jacob heb ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat.

Tusschen die twee kinderen ligt dus, wat de geboorte betreft, slechts een korte afstand. Een afstand maar van een paar minuten. Maar de Heere zegt bij voorbaat, d.w.z. eer de kinderen nog iets goeds of kwaads hebben gedaan, dat er een afstand tusschen beiden ligt, zóó groot, en een kloof, zóó diep, als de eeuwigheid. |486| Den één heeft God lief, den ander háát Hij. De één is naar de verkiezing, de ànder naar de verwerpingg. „Geest” is de één, „vleesch” de ander. Vrouwenzaad de één, slangenzaad de ander h.

Welnu, juist doordat dit alles de inhoud van het Woord Gods is, dat over de kinderen sprak, nog vóór ze geboren waren, krijgt in de geboortekamer alles een heel bepaalde beteekenis . . . voor wie geloof heeft in dat Woord. Wie door het Woord van den hemelschen Componist den „koraal” vernomen en verstaan heeft, die kan dat „voorspel” nu volgen en verstaan. Wie dat Woord Gods in zijn hart bewaard had, die — en ook die alléén — kon weten, dat er geen toevalligheden waren in die geboortekamer. Immers: de Heere had gesproken vóór de geboorte. Had niet Rebekka, toen zij wist, moeder te zullen worden. den Heere gevraagd, wat er geschieden zou? (Gen. 25 : 22). Zie, zij was gegaan naar de aanspraakplaats van ’s Heeren heiligheid i. Dat wil dus zeggen: de Christus zelf had haar getrokken naar die aanspraakplaats.

En dus komt er nu een „dienst des Woords” tot Rebekka. Zij heeft God gevraagd, wat het met haar worden zal.

Het antwoord, dat zij krijgt, valt in drieën uiteen.

In de eerste plaats: het zijn twee kinderen, die geboren worden zullen. En die twee kinderen beteekenen twee beginselen, twee machten, twee volkeren. Ja, vòlkeren: er zal iets geweldigs uit die geboortekamer te voorschijn komen: twee volkeren nemen vandaar hun loop in de wereld.

In de tweede plaats, zegt de Heere tot Rebekka, dat die twee volkeren met elkaar zullen strijden, dat die twee beginselen reeds in die broers elkaar bekampen, tegen elkander botsen zullen. Er komt dus tot déze moeder in het verbond een bevestiging, van wat reeds tot de eerste moeder in het verbond is doorgedrongen: de boodschap n.l. h: Ik zet vijandschap tusschen het ééne zaad en het andere zaad; het ééne is vrouwenzaad, het andere slangenzaad.

Maar in de derde plaats komt hier dan nog de verzekering bij, dat in de worsteling van deze twee kinderen, van deze twee beginselen, van dit tweeërlei zaad, een heel andere maatstaf door den Heere zal gevolgd worden dan door de menschen. Alle gewone menschen-wetten en alle gebruikelijke mènschen-ordeningen zeggen: het is betamelijk, dat de oudste de heerschende positie krijgt, en de jongste de ondergeschikte plaats behoudt. Het is betamelijk, zeggen de menschen, dat de oudste heersche, en de jongste dienaar worde. Dat verschil tusschen den oudste en den jongste moge slechts een heel klein verschil zijn, een afstand slechts van enkele minuten; maar niettemin, alle menschen zeggen toch: dien afstand van die paar minuten kan de jongste, die achteraankomer, die Jacob dus, |487| nooit inhalen. Maar hoor — nu zegt God de Heere: dien afstand zal hij wèl inhalen. Góds orde zal dezen keer een andere zijn dan de menschen-orde. Hoor maar, de mindere, d.w.z. de jongste, wordt de heerscher. En de meerdere, d.w.z. de oudste, wordt de dienaar. Die den voorrang heeft bij de menschen, die wordt de achteraankomer bij God. En, — de achteraankomer bij de menschen wordt de eerste bij God. De meerdere, zegt de Heere, zal den mindere dienen. Ook in het „gewone” leven keert de orde zich om.

Dat was wel een wonderlijke boodschap. Het was het zelfde als wat later Paulus zeggen zal j, wanneer hij verzekert, dat hetgeen wijsheid is bij de menschen, dwaasheid is bij God. En dat, hetgeen sterk is bij de menschen, zwak is bij God. En dat, hetgeen vooraan loopt bij de menschen, achteraan komt bij God. Inderdaad, daar komt een zekere spanning over die geboortekamer. En Rebekka, die als aanstaande moeder is aangesproken door het Woord des Heeren, ze heeft dan ook „al die dingen bewaard, die overleggende in haar hart.” k

Wij spraken daar van „spanning”. Wat wij hier bedoelen, wordt wel duidelijk, wanneer gij eens denkt aan de drie achtereenvolgens optredende patriarchen: Abraham, Izaäk en Jacob.

In het leven van alle deze drie is de tegenstelling er geweest tusschen „vleesch-mensch” en „geest-mensch”. Maar let nu eens hierop: hoe verder God de geschiedenis in hen laat voortschrijden, des te dichter komen die „vleesch-mensch” en die „geestmensch” bij elkaar te staan. Abraham staat heel ver af van Ur der Chaldeeën. Als hij verhuisd is „uit zijn land en uit zijn maagschap” l, dan is er, óók aardrijkskundig gesproken, een zeer groote afstand tusschen Abraham als „geest-mensch” en de gemeenschap van Ur, dat „vleeschelijk” was. Reeds anders wordt het bij Izaäk. Naast hem als „geest-mensch” treedt Ismaël als „vleesches-mensch”. Doch zie, hoe hier reeds de afstand tusschen die beiden inkrimpt. Zeker, er is nog wel afstand, want de één is enkele jaren ouder dan de ander, en bovendien: de moeder van den één is slavin, en die van den ander de vrije vrouw. Toch is de afstand al heel klein, want zij zijn beiden kinderen van één vader, en ze hebben samen op één erf gewoond. En ach, nog erger wordt het straks, wanneer Jacob optreedt als derde in de rij. Ook hij wordt vergezelschapt van den „mensch des vleesches”, want Ezau is de „vleesches-mensch”. En zie nu eens, hoe klein de afstand tusschen deze beiden wordt. Zij zijn beiden zonen van één vader. Maar dat was al eerder zoo geweest. Iets nieuws komt er nu bij: ze zijn n.l. ook zonen van één moeder; het onderscheid in jaren is óók weg: zij vormen een tweelingpaar, in hetzelfde uur zijn zij geboren. Inderdaad, de spanning werd steeds grooter. Het was déze spanning, die reeds voorzegd was |488| door het Woord des Heeren. En daarom heeft Rebekka die dingen in haar hart bewaard en overlegd.

En ieder, die nu met of door haar het Woord des Heeren over dit tweelingspaar had gehoord, móest nu wel een „voorspel” op een komenden „koraal” daarin zien, dat bij de geboorte het tweede kind de hiel van het oudste, het eerste, vasthield. Neen, dat is nu niet maar een doodgewone bizonderheid, die ge vertellen kunt als een interessante anecdote, maar die ge dan weer van u afschudt. Want het is profetie, het is symbool, het is inleiding op wat volgen zal, schaduw van komende goederen en — oorlogen. Die geboortekamer-bizonderheid wordt nu een zinvol symbool. Het leek wel, alsof dat jongste kind het oudste bij de hiel wou grijpen om hem in zijn voor-gang, in zijn voorrang, in zijn voor-sprong tegen te houden. Het leek wel, als waren het hier twee loopers, van wie de achteraankomer dengene, die vóóraan kwam, wilde doen struikelen, om dan zoo zelf hem voorbij te schieten. Het was, alsof dat jongste kind zeggen wou: die paar minuten afstands zijt gij mij vóór, maar ik zal trachten, ze in te halen. En niettemin, dat kind blijft toch de achteraankomer; Jacob blijft de tweede. De paar minuten blijven volgens menschen-inzicht een afstand scheppen, dien men niet overwinnen kan . . . door en in „het vleesch”, langs gewone menschen-wegen, met gewone-menschen-berekeningen.

Natuurlijk was het slechts een zinnebeeldige daad. Of liever, het was heelemaal geen daad, die voor de verantwoording van Jacob zou liggen. Ook hier geldt het, dat die hand van Jacob om de hiel van Ezau gelegd is, nog vóór de kinderen iets goeds of kwaads gedaan hadden. God zelf had die hand om die hiel gelegd, „in den moeder-schoot”. Maar al was het dan geen bewuste daad, het was daarom te meer een zinnebeeld. Het voorspelde, wat tusschen deze kinderen plaats grijpen zou, wanneer zij grooter geworden zouden zijn.

En zoo als het zinnebeeld bij de geboorte reeds een aanduiding gaf van den strijd, die volgen zou, zóó is het later óók uitgekomen in de werkelijkheid. Straks worden de kinderen grooter. En nu is dit het opmerkelijke: als Jacob grooter wordt, dàn neemt hij voor eigen verantwoordelijkheid een reeks van daden en handelingen, die eigenlijk hetzelfde doen, als wat reeds in dat zinnebeeldig gebaar bij zijn geboorte scheen geprofeteerd te zijn. Straks wordt die Jacob inderdaad de „hiel-vatter” van zijn broer. Hij tracht werkelijk, Ezau in diens snellen loop te stuiten, hem den voor-rang, den voor-gang, te verhinderen. Wij allen kennen de historie. Hij gaat zijn broeder bedriegen, hij gaat sjacheren, om het eerstgeboorte-recht aan zich te trekken, hij bedriegt zijn vader, gaat oneerlijk om met de menschen, en probeert op deze wijze zijn |489| broeder vóór te komen, nummer één te worden in den wedloop. Die afstand van die paar minuten, die moet weg.

Maar mocht dit dan niet? Was het dan niet zoo voorspeld?

Ja zeker, het was voorzegd. Maar — het zou een wònderwerk van den Heere zijn, en niet een natúúrlijk werk van Jacob. Want omdat Jacob vader moet zijn in den kring der geloovigen, gaat het hem evenals vader Abraham: hij moet het hebben, niet van berekeningen van het vleesch, doch alleen van de wonderdadige openbaring van den Heere, en van de bizondere genade, als een verbondsgeschenk. Jacob moet de eerste worden, niet door de vleeschelijke kracht van Jacob, maar door de van boven af op zijn leven ingrijpende mogendheid, en door de genade, van den verkiezenden Verbondsgod. Zóó alleen kan hij vader zijn van dàt volk, welks roem niet is „in dengene, die werkt, maar in den zich ontfermenden God.” m Zoo alleen kan hij in eigen geloofsverkeer met God vader zijn van den Christus.

Daarom breekt Jacob ook alles bij de handen af, zoolang hij in zijn eigen vleeschelijke kracht werken wil „naar het vleesch”. Het helpt hem niet, wat hij onderneemt; de afstand tusschen Ezau en Jacob blijft. Die paar minuten, — neen, zelfs die kan Jacob nimmer ongedaan maken. Zie hem straks vluchten naar zijn oom, heel ver weg. Zie, hoe hij daar bedrogen wordt, onrecht lijden moet, dienen moet, een heel langen tijd. En als Jacob dan eindelijk besluit, terug te gaan naar zijn geboorteland, en op den terugtocht den Jabbok nadert, waar hij het veer overtrekken wil, dan komt in eens in bitteren ernst de benauwende werkelijkheid voor zijn oogen staan. Wat heeft hij eigenlijk bereikt? Niets. Aan den anderen kant van de rivier staat Ezau, tot de tanden gewapend, en hier staat Jacob, — angstig en bezorgd. Wat er van worden moet, weet Jacob niet. ’t Is waar, — hij heeft, om Ezau gunstig te stemmen, een geschenk vooruit gestuurd. Maar in dat geschenk belijdt hij eigenlijk, dat Ezau nog steeds den voor-rang heeft, waarom dan ook Jacob tracht, hem door een geschenk tot vrede te stemmen. Jacob rekent nog. Ja, in dien nacht schijnen alle bergwanden te weerkaatsen het woord van Jacob’s nederlaag: die paar minuten, Jacob, zijn nog niet ingehaald: de meeste is nog steeds de meeste, en de minste is nog steeds de minste; en er is nog geen sprake van, dat de jongste heerscher wordt over den oudste. Met al uw berekeningen-van-het-vleesch hebt gij toch niets kunnen veranderen aan déze situatie van het vleesch.

Ja, zeggen wij — en nu worden wij óók nog vroom in ònze „berekeningen” — ja, zeggen wij, er zou nog één middel kunnen zijn, waardoor toch nog uit kan komen wat de Heere beloofd heeft. Dat ééne middel zou hierin kunnen gegeven zijn, dat de Heere |490| zelf neerkwam, en tegen Ezau strijden ging. En haast willen wij voor Jacob, en vóór den Heere uit, gaan bidden n: och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat Gij in den strijd tusschen de twee broeders nederkwaamt, ter verlossing van Jacob, en dus ter neerwerping van Ezau. ja, zeggen we, dan zou het groote ding nog kunnen gebeuren, als de Heere Ezau aangrijpt, met hem worstelt, en dien snellen looper verminkt aan de heup. Dàn, dàn kàn het nog. Het lijkt ons de éénige remedie.

En zie, nu is dit het wonderlijke: de hemel scheurt ook inderdaad in dien nacht, en de Heere komt ook werkelijk neder in dien nacht, en Hij mengt zich ook zeer konkreet in den strijd tusschen de twee broeders, heusch. Maar . . . . als Hij het doet, dan werpt Hij niet Ezau ter aarde, maar Jacob. En niet Ezau verminkt Hij aan de heup, maar Jacob. En niet Ezau komt Hij dus tegen, maar Jacob.


II. En dat is nu de „koraal” van Pniël, dat is nu het feit zelf, waarover wij in de tweede plaats zullen spreken, het feit van de formatie van Christus’ vader naar het vleesch door het nog niet vleesch geworden Woord zelf. Want wanneer Christus’ aanstaande vader, en niet Ezau, door dien Man-van-mysterie ter aarde wordt geworpen, en in dien donkeren nacht wordt bestreden, dan toont de Heere ons, dat de tegenstelling tusschen „vleesch” en „geest”, tusschen „vleesches-mensch” en „geestes-mensch” nòg scherper kan gesteld worden, dan wij het reeds hebben gezegd.

Wij zeiden daareven, dat op het schaakbord van de geschiedenis der wereld die twee pionnen, de ”geest-mensch” en de „vleeschmensch”, àl dichter bij elkaar komen. Abraham en Ur der Chaldeeën liggen heel ver uit elkaar, zoo zagen wij. Izaäk en Ismaël komen reeds dichter naar elkaar toe, zoo bleek ons vervolgens. Jacob en Ezau lagen vlak naast elkaar, zoo zagen wij eindelijk. Toen scheen het ons, alsof wij niet verder konden. Maar nu zegt de Heere: het kan nog verder, de pionnen kunnen nog dichter bij elkaar komen, de „vleesches-mensch” en de „geestes-mensch” kunnen elkaar nòg dichter naderen. Want niet slechts in één moederschoot kunnen de „vleesch-” en de „geest-mensch” naast elkander leven, gelijk het was in den schoot van Rebekka, in haar tweelingpaar. Neen — nog erger: in één en denzelfden mensch kunnen „vleesch” en „geest” tezamen zijn, en met elkander strijden. De oude mensch, en de nieuwe mensch.

En zóó was het bij Jacob. Nu moet de scherpe snede van het zwaard des Heeren dwars door Jacobs ziel gaan, opdat hij, die reeds wedergeboren is, en den nieuwen mensch reeds ontvangen heeft, op een zeer bizondere wijze door den Heere worde onderworpen aan de strenge keur, die in het huis des Verbonds geldt, |491| onderworpen aan de wet der bestrijding van den „ouden mensch” door den „nieuwen”, onderworpen aan de wet der kruisiging en der dooding van het vleesch door den Geest.

Daarom strijdt de Heere niet tegen Ezau ; want in Ezau is de tweeheid niet van vleesch en geest; Ezau is ènkel vleesch. Maar de Heere strijdt tegen Jacob, die reeds wedergeboren is, omdat in hem, dank zij die wedergeboorte, de tweeheid er is van vleesch en geest. Zal Jacob vader van Christus worden naar den regel der verbondsgemeenschap, dan moet hij zeer scherp zien, dat de Geest het vleesch niet verdraagt. Hij moet dat aan den lijve voelen; men wordt niet „zóó maar” vader in de kerk, kerkvader.

Toen dus de hemel scheurde, en toen in dien Man de Heere zelf nederkwam, om tegen Jacob te worstelen, toen werd de spanning tot het uiterste opgevoerd. Het zwaard van Gods kritiek en toorn snijdt nu door Jacobs leven heen. En dit niet alleen. Heel zijn leven wordt nu gebracht onder de scherpe keur van het Woord des Heeren. Tot nu toe heeft Jacob geconcurreerd met zijn broeder, en dat was mogelijk. Want concurreeren kan men doen met zijn gelijken, met mènschen, die op eenzelfde levensvlak met ons staan. Concurreeren kan men in de wereld, waarin de voorsprong, dien de een op den ander heeft, slechts een kwestie van een „paar minuten” is, of van graadverschil. Maar wie zal „concurreeren”, als God hem tegenkomt? God staat met ons niet in eenzelfde levensvlak van nature. Tegen Hem is geen concurrentie in der eeuwigheid bestaanbaar. Daarom staat er ook, dat Jacob in de geboorte met zijn broer, doch in zijn kracht met God te doen kreeg. Dat hij werd aangevallen door den engel, en dat hij zich nu vorstelijk gedroeg tegen God. Dat wil dus zeggen, dat de man, die hem hier bestreed, de „Engel des Heeren” zelf was, de tweede persoon der drieëenheid, het Woord Gods, de Zoon Gods. Is niet hier met één slag alles veranderd? Eerst was het alleen maar strijd met zijn broeder, nu is het strijd met God. Eerst een strijd met iemand, die slechts op een afstand van een paar minuten van hem afstaat. Thans een strijd met God, die een oneindig verschil met Jacob heeft.

En nu het wonderlijke: dezelfde Jacob, die in zooveel jaren niet in staat is, een afstand in te halen van een paar minuten, hij heeft , in een korte spanne tijds, in één nacht, een afstand overwonnen, die anders zóó groot is als de afstand tusschen hemel en aarde. Want, zoo zegt Hosea, hij gedroeg zich vorstelijk met God, met den Engel. Wij kunnen zonder meer vertalen: hij worstelde met God, hij worstelde met den Engel. Hij bleef al maar door worstelen. De strijd was begonnen van de zijde van God ; en hij blijft ook een strijd van God met Jacob. Maar het wordt ook een strijd van Jacob zelf met God, met den Engel. |492|

En in die worsteling met God is Jacob met één slag ontrukt aan den vleeschelijken concurrentiestrijd, die tot nu toe zijn leven bepaald had. Want hier geldt het niet meer zijn broer, die slechts een eindig, en dus nog maar een klein verschil niet hem heeft, doch hier geldt het God, God gelijk Hij komt als Gezant van zichzelf, maar dan toch met een kracht, die Jacobs kracht verteren kan, en die hem kan maken en breken. En zie, nu eerst komt hij voor zijn besef, waar hij wezen moet. Nu kan hij een inzicht krijgen, dat hij zijn leven lang bewaren kan, overleggende al die dingen in zijn hart. Nu voelt Jacob in die worsteling den toorn Gods tegen zijn vleeschelijken strijd, en strijdmethode, vaardig worden tegen hem. Maar tevens houdt hij in dien strijd toch het hoofd omhoog. Hij zinkt niet machteloos neer, en ruimt het veld niet, doch blijft zóólang worstelen met den Heere, totdat hij de zekerheid ontvangt, dat deze niet meer tegen hem is, doch vóór hem.

Dus wordt in dezen strijd de vader-van-Christus-naar-hetvleesch toebereid. Nu leert hij op die heel bizondere manier zien, dat hij in den strijd met God slechts met het geloofswapen iets uitrichten kan. En in dien strijd, die alleen met geloofswapenen gestreden worden kan, wordt de „vleesches-strijd” verteerd. In dienzelfden nacht, zoo lezen wij in Genesis, is Jacob lichamelijk gewond, verminkt. Hij hinkt straks, zijn heup is beschadigd. En zie, ook dat is nu symbool. Het zal het naspel zijn, tot Jacobs dood toe. En dit symbool is een tegenhanger van dat andere symbool, dat bij zijn geboorte te zien kwam. In de geboorte greep hij zijn broeder bij de verzenen, alsof hij zeggen wilde: laat mij de eerste zijn, ik heb lust aan vlugge, sterke beenerk. Maar nu in Pniël worden die „sterke beenen” ontwricht, en dat is heusche werkelijkheid. Aan hem wordt vervuld de waarheid van het psalmwoord, dat zegt: „de Heere heeft geen lust aan de beenen van den man” (ps. 147). Hinkende aan de heup, is Jacob in het zichtbare uitgesloten van elken concurrentiestrijd. Maar daarin juist vervult zich aan hem het woord: als ik zwak ben, dan ben ik machtig o, als ik naar het vleesch hinkende ben, dan loop ik op het pad Uwer geboden p, als mijn vleesch ontwricht is, dan ben ik Uw gewrocht, o God, mijn God. Daarin juist wordt aan hem de spreuk waarachtig:

God wil al ’t vee steeds spijzen, laven;
Hij hoort de stern der jonge raven:

Hij heeft geen lust aan ’s menschen krachten,

Aan hen, die daaruit heil verwachten;

De macht van ’t paard en ’s mans vermogen
Zijn beide nietig in zijn oogen:

Aan die vertrouwen op hun beenen

Wil Hij geen gunst of hulp verleenen. |493|


De Heer betoont zijn welbehagen
Aan hen, die need’rig naar Hem vragen;

Hem vreezen, zijne hulp verbeiden,

En door zijn hand zich laten leiden;

Die, hoe het ook moog’ tegenloopen,
Gestadig op zijn goedheid hopen.

O Salem! roem den Heer der heeren:

Wil uwen God, o Sion, eeren.

(Ps. 147 : 5 en 6).


III. Laat ons eindelijk ook nog letten op het eerste blijk, dat wij krijgen van de formatie van Christus’ vader-naar-het-vleesch. Hij weende en smeekte Hem, staat er. Dezelfde Jacob, die zooeven nog een geschenk had gezonden aan zijn broer, en toen zijn broeder had gesmeekt, had in dàt smeekgebed tot Ezau zijn laatsten „zet” gedaan in het veld, waarin men concurreeren of . . . . retireeren kan. Hier echter weent hij en smeekt hij, niet zijn broer, maar God, den Engel. Dat wil zeggen: hij erkent door het geloof, dat men gaan mag en gaan moet tot God in het gebed, ook al komt God ons tegen. Dat smeekgebed tot Ezau bedoelde Ezau’s toorn te bezweren. Maar het smeekgebed tot God erkent dien toorn, rechtvaardigt dien toorn, ondergaat dien toorn. Het is vrij van alle berekening. Het is tevens vrij van alle valsche lijdelijkheid. Zeker, Jacobs vleeschelijke werkzaamheid, die moest gebroken worden, want hij moest de verkiezing eeren. Maar die verkiezing is een verkiezing tot genade, en dus tot geestelijke werkzaamheid, tot gehoorzaam werken. Dus worstelt hij, hij werkt. Maar hij worstelt weenend en smeekend, hij werkt dus overeenkomstig den God der verkiezing, der souvereine beschikking. Jacob weet, dat God niet om te koopen is. En als hij dat nog gedacht mocht hebben, dan leert God zelf het hem wel anders, wijl de engel almaar door tegen Jacob strijden blijft, en hem eindelijk verminkt. En toch blijft Jacob smeeken, en laat zijnerzijds den kamp niet eindigen, eer hij gezegend is, dat is, eer hij weet, en verneemt, dat Gods toorn gestild is, en dat nu de weg hem geëffend wordt, niet door het knappe kunnen van Jacob, maar door het eeuwige, souvereine welbehagen van den Heere, die Jacob verkoren heeft.

Zoo is dan dit smeekgebed, dit weenen, niet slechts een wapen in Jacob’s worsteling, maar tevens het eerste blijk hiervan, dat die worsteling, die tegen zijn vleesch zich keerde, hem naar den geest heeft gevormd, en bekwaamd, voor het vaderschap met open oogen, en in vrij bewustzijn, het vaderschap van Jacob in de kerk, in de verbondsgemeenschap, het vaderschap over Christus-naar-het-vleesch. Nu wordt hij vader van het vrouwenzaad, die uit kan zien naar het vrouwenzaad, omdat hij weet, welke de wet is die in de verbondsgemeenschap geldt, en welke de regel is, die alleen de zaligheid kan schenken aan Israël, het Israël Gods. Weenen en |494| smeeken! Wie weent, heeft zijn oogen vol tranen; hij kan niet meer het slagveld van wereldsche concurrentie overzien; op dàt terrein geeft hij den strijd op. En wie smeekt, steekt de handen omhoog, werpt de wapenen van den concurrentiestrijd weg, geeft zich over op genade. En zoo wordt dat weenen en smeeken een levenskreet. Het is geen eerste teeken van wedergeboorte, maar wel een uiting van het verscherpt ambtelijk zien; van het inzien „in de volmaakte wet” q, het inzien in het koninkrijk, waaruit alleen de Christus komen kan.

En in dat weenen en smeeken, waarin de boeteling pleit op genade, komt de genade zelf dan ook reeds mee. Ook deze vrucht is ontvangen van God zelf. Dezelfde Man, die met Jacob worstelt, en die dus tegen hem is, is toch eigenlijk reeds vóór hem; Hij geeft hem, als vrucht van verkiezend welbehagen, dat weenen en dat smeeken. In dat weenen en smeeken zien wij het wonder van ’s Heeren trouw, die met de ééne hand Jacob neerwerpt, en met de andere hem opricht; die in lichamelijke worsteling Jacob ter aarde werpt, maar tegelijk in den geestelijken strijd zijn hoofd omhoog heft; die naar het vleesch Jacobs kroon in het slijk vertrapt, doch naar den Geest hem doet de eerkroon dragen, door God, door God alleen, om ’t eeuwig welbehagen r. In dat weenen en smeeken is de kracht van Jacobs nieuwe leven opgewekt tot nooit gekend vermogen, en is zijn geloofsoog gescherpt als nooit tevoren. Het einde van den concurrentiestrijd met Ezau is gekomen; maar Israël, de worstelaar met God, is nu tot vader-worstelaar gemaakt. Gij kunt nu komen, Heere Christus, Gij kunt nu komen. Het vrouwenzaad kan u weer zien, uw dag verwachten, het overblijfsel naar de verkiezing is nu vastgelegd, het heeft zijn vader nu gekregen.

Zoo zien wij dan nu Christus tot de wereld komen. Wij staan verbaasd over zijn heerlijkheid. Tot alle vleesch toch klinkt de roepstem d: aanschouw de rots, waaruit gij gehouwen zijt; d.w.z. let op het voorgeslacht, waaruit gij zijt geboren. Maar van den Christus geldt, naast deze zelfde gedachte, toch óók nog een andere: Hij zelf behouwt, en behoudt, de rots, waaruit hij straks gehouwen wordt, „zooveel het vleesch aangaat” s. Hij maakt hier zijn eigen vader. Zijn komen in het vleesch is, óók reeds in de voorbereiding, bewijs van souvereine vrijmachtige genade, vertoon van oneindig welbehagen, van goddelijke majesteit en heerlijkheid.

En als nu in de Adventsdagen weer ieder onzer zingen gaat: hoe zal ik U ontvangen, hoe wilt Gij zijn gegroet? dan is het antwoord: zie naar Pniël.

O ja, zegt iemand, nu begrijp ik het: ik moet zeker toch eigenlijk ook nog „mijn Pniël” hebben?

Maar dat bedoelen wij niet. Pniël immers wordt nooit |495| herhaald. De schepping is maar één keer gebeurd, de wet is maar één keer gegeven, de zondvloed is maar één keer gebracht over de aarde, slechts éénmaal is het kruis geplant, slechts éénmaal Pinksterfeest gekomen, slechts éénmaal Paulus geroepen, slechts éénmaal komt Christus weer, en ook slechts éénmaal is er Pniël. Pniël wordt niet herhaald. Ook voor u niet; en „in u” heelemaal niet. Want Pniël, nog eens, was geen wedergeboorte, het was een bizondere bewerking van een wedergeborene tot een bizondere taak.

En toch gaat Pniël u en mij rechtstreeks aan.

Want omdat Jacob vader in het geloof worden moest, is hèm wel op een bizondere manier de regel des verbonds ingescherpt, in strijd, in verminking van het lichaam. Maar al mag dan die bizondere manier voor Jacob alleen blijven, de huiswet, die aan Jacob op die heel aparte wijze ingescherpt is, die huiswet, diè geldt voor ons allen. Wij willen geen copie van Pniël begeeren, maar wél den regel van Pniël verstaan. En die regel is: niet naar het vleesch, maar naar den Geest zal het geschieden, zegt de Heere. Die regel is: wat vleesch is, moet gekruisigd worden door den Geest. Die regel is: dat Christus niet wonen wil ineen huis van „vleesch”, doch slechts in den tempel van „Geest”. En die algemeene regel is in den Adventsnacht van Pniël aan Jacob ingescherpt, opdat hij als vader in de verbondsgemeenschap hem overgeven zou aan de kinderen van het groote huisgezin, dat Christus straks baren moet naar het vleesch. Die regel is er nog vandaag.

En met nog meer kracht, dan in die Adventsdagen van Pniël, wordt hij òns gepredikt, en ingescherpt nu Pniël voorbij is, en Kerstfeest ook, en Golgotha en Pinksteren. Want straks komt Christus zelf, om het raadsel van Pniël in zijn eigen lijden en zijn kruisdood op te lossen. Zooeven zagen wij, dat dezelfde Engel, die met de ééne hand Jacob verminkte, en tégen hem was, met de andere hem genas en vóór hem was. Hoe dat kon? Dat kon alleen door Golgotha. De koraal van Pniël wordt zelf weer op zijn beurt tot voorspel; voorspel van Golgotha. Want op Golgotha laat Christus zelf zich neerwerpen, en laat zich als „vleeschesmensch” behandelen, en laat zich verminken aan de heup en aan den voet, en aan de handen, en aan het hart. Hij sterft den dood, den eeuwigen dood. Hij heeft gedragen den toorn Gods tegen den ouden mensch van Jacob. En hij kon daarom Jacob tot zijn vader-naar-het-vleesch formeeren, omdat hij Jacobs Heer en God was, omdat Hij zelf Jacob verkoren heeft. Dáárom kon hij ook Jacobs kind worden, voortgekomen uit dat zelfde heilige geslacht dat zelfde vrouwenzaad, waarvan aan Eva en Rebekka voorzegging is gedaan, en dat door de enge spleet van Pniël heengewrongen wordt, en alzoo ingang neemt in deze wereld. |496|

Zoo willen wij dan op het Adventsfeest niet roemen in onszelf, doch Hem slechts roemen, die ons blijdschap geeft. Die ons blijdschap geeft, ook al komt Hij ons tegen, om ons vleesch te kruisigen, te verminken, te dooden. Hoe wil Hij zijn ontvangen? Hoe wil Hij zijn begroet? Naar den regel der kerk, en met het wapen der kerk: in „Geest”, met weening en smeeking.

Die huis-wet, die verbondsregel, geldt nog heden als Advents-boodschap. Want gelijk Christus bezig was, in Pniël, aan de voorbereiding van zijn eerste komst, zoo is Hij vandaag, December 1934, nog even ernstig, en even konkreet, bezig aan de voorbereiding van zijn laatste komst. Hij komt naar ons toe, Hij komt naar de kerk toe, Hij komt straks naar Gods troon met de kerk mee; maar die kerk moet dan ook leven „niet naar het vleesch doch naar den Geest” t.

En nu moest Jacob deze huiswet leeren op die heel aparte manier. Er was toen nog geen Bijbel. Gij hebt vanmorgen diezelfde wet hooren verkondigen op die heel gewone manier; zonder heusche lichaamsworsteling; onder den kansel; in een preek. Gij zit hier heel rustig in de bank, op uw stoel. Maar de boodschap van die huis-wet des verbonds is dezelfde. En dat uw heup niet verminkt wordt, dat maakt de zaak er niet gemakkelijker op. God slaat geen heup meer; Hij doet ’t zoo „rauw” niet meer, d.w.z. zoo „gemakkelijk” niet meer. Hij wil, dat ge het woord zult hooren. Zintuigelijke teekenen wijken achteruit, het hooren, het zien met het oor en oog van den geest treedt als Gods eisch naar voren. En dat is moeilijker, dan een zintuigelijk-waarneembaar teeken te ontvangen. De leer-methode wordt verzwaard. Want de tijd is zwaarder geladen, dan toen Jacob leefde. De verantwoordelijkheid is grooter. De bedeeling van de tweede komst-bereiding is scherper en feller in den gloed van Gods vuur dan de bedeeling van de eerste komst-bereiding.

Laat ons dus hooren naar den regel van Pniël, en niet zoeken naar een copie van Pniël.

Want het blijft voor ons de groote advents-boodschap, welke altijd door vervolgd wordt: als ik zwak ben, dan ben ik machtig; als ik verminkt ben aan de heup, dan kan ik loopen als een held; wanneer ik als Jacob ben ontledigd, dan sta ik met Israël op, vervuld van genade en van deugden vol, door Hem, die ons heeft liefgehad, door Hem, door Hem alleen, om het eeuwig welbehagen.


Amen.



a. Opgenomen in VWP II,5-22. Vgl. ‘De Logos asarkos „roept” den vader van den Logos ensarkos’, De Reformatie 14 (1933v) 46,346 (17 augustus 1934).

b. Vgl. 1Petrus 1:11.

c. Vgl. Romeinen 4:17.

d. Vgl. Jesaja 51:1.

e. Vgl. Romeinen 9:6.

f. Vgl. EfeziŽrs 1:18.

g. Vgl. Romeinen 9:11.

h. Vgl. Genesis 3:15.

i. Vgl. Psalm 28:2.

j. Vgl. 1KorintiŽrs 3:19.

k. Vgl. Lucas 2:19.

l. Vgl. Genesis 12:1.

m. Vgl. Romeinen 9:16.

n. Vgl. Jesaja 64:1.

o. Vgl. 2KorintiŽrs 12:10.

p. Vgl. Psalm 119:35.

q. Vgl. Jakobus 1:25.

r. Vgl. Psalm 89, vers 8 (berijming 1773).

s. Vgl. Romeinen 9:5.

t. Vgl. Romeinen 8:1.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000