IX

De weegschaal



En toen het het derde zegel geopend had hoorde ik het derde dier zeggen: kom en zie. En ik zag, en zie, een zwart paard en die daarop zat, had een weegschaal in zijne hand.

En ik hoorde eene stem in het midden der vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor eenen penning, en drie maatjes gerst voor eenen penning . . . . .

Openb. 65, 6. a


Nu wordt het derde zegel door het Lam geopend . . . . .

Na het roode paard met zijn martialen berijder stuift daar het zwarte paard naar voren.

Wie is zijn ruiter?

De Honger!

Na den oorlog de honger: dat is wereldwet!

En bij den honger de duurte!

De ziener aanschouwt, hoe een derde paard, nu zwart, wordt losgelaten over de aarde. Zwart is in den Bijbel altijd de onheilspellende kleur; zwart is de nacht en de donkerheid, Matt. 5 : 36, Openb. 6 : 12. En zoo is ook die derde ruiter op een zwart paard gezeten; want hij brengt den hongersnood mee. Dat bewijst de „stem”, die Johannes verneemt, en die, in haar bedoeling gemakkelijk genoeg te verstaan, uitroept: „Een |125| maatje tarwe voor een penning en drie maatjes gerst voor een penning”.

Wie van deze woorden den jammer verstaan wil, die er in uitgedrukt is, bedenke, dat één maatje tarwe aanduidt de normale hoeveelheid voedsel van één mensch voor één dag. 1) En deze allernoodzakelijkste hoeveelheid voedsel kost dan één penning. Een denarie of penning was voor het begrip van de lezers der Openbaring het normale dagloon, dat een arbeider bij vlijtig werken verdienen kon. (Matt. 20 : 2). Zoodat in dit alles een duistere dreiging ligt, de aankondiging van bitteren nood. Wie toch met alle macht werkt, kan hoogstens voor zichzèlf alléén het allernoodzakelijkste voedsel bemachtigen. Van kleeren, schoeisel, genotmiddelen, huishuur, meubilair is dan daarbij nog geen sprake. Alleen aan de allereerste behoeften is te voldoen: den honger kan men amper stillen. Maar dan nog maar alleen voor één persoon. Voor vrouw en kinderen te zorgen, gaat niet meer; het loon is daartoe niet toereikend. Zoo komt vanzelf het zoeken van „Ersatz”; men krijgt zijn „oorlogsbrood”, zijn „oorlogswaar”. Als tarwe te duur is, dan koopt men maar „gerst”. „Drie maatjes gerst voor een penning”. „Gerst” nu was in die dagen het gewone voer voor de ezels. Maar ook dit beestenvoer is voor |126| de menschen nog veel te duur. Want in normale tijden kosten 12 maatjes tarwe één denarie en 12 maatjes „gerst” denarie. 2) Nu betaalt men voor 3 maatjes „gerst” een heelen penning. Er zijn schrijvers, die de waarde van een „penning” of denarie schatten op een franc naar den gewonen koers. 3) Hoe dit zij, de troost is wel heel schraal: men kan dus, door zich met minderwaardig voedsel tevreden te stellen, althans zijn dagelijksch rantsoen verdrievoudigen, maar ook dan nog slechts om met de Armoede een ongelijken kamp te beginnen, een kamp die eindigt in wanhopig bezwijken.

Geen wonder dan ook, dat bij den honger en de duurte de distributie komt. De ruiter op het zwarte paard draagt een weegschaal in de hand. Dit embleem wijst duidelijk in de richting van distributie: ieder wordt zijn portie met zorgvuldigheid krap toegemeten.

Ontdaan van alle uiterlijke visionaire vormen wil dus dit alles zeggen, dat de „honger”, die stamgast der geschiedenis, die heele volkeren, vooral in de middeleeuwen, heeft uitgeroeid 4), niet uit de historie der wereld is weg te werken.

Men heeft dat wel gehoopt. Men heeft |127| gezegd: de honger is een tyran, die zich zelf op den duur onmogelijk maakt. De tegen hem muitende menschheid had hem toch veel dank te weten; want juist die honger had — en dat was nu zijn kunst — de menschen gedwongen tot den arbeid. Wat in het verleden de zweep van den slavendrijver deed, dat deed, volgens deze geschiedschrijvers, in later tijd de honger: hij dwóng tot werken, en was zoo een weldadige pijn; een element in het proces der wereldevolutie. Maar wanneer eenmaal de arbeid, los van priesterheerschappij en andere belemmerende machten, zich geheel zou vrijgemaakt hebben, dan zou hij het distributie-proces opvoeren tot volmaakte evenredigheid, en het bewijs zou geleverd worden, „dat de vaste loop der stoffelijke gebeurtenissen weldadiglijk gericht is naar de hoogste welvaart van het menschelijk geslacht.” 5). Laat — zoo prediken de mannen der physiocratische school — laat de natuur onbelemmerd den vrijen loop, en het zal blijken, dat zij wetten heeft uitgevaardigd, die de aarde een andere gedaante zullen geven, door de regelmatigheid van de „natuurlijke orde” schitterend te demonstreeren. 6).

En anderen zijn gekomen, die het begrip „distributie” uit de sfeer der ellendigheden hebben |128| overgebracht in den kring der zegenende machten. Als maar eenmaal de productie gecentraliseerd en het geld afgeschaft zou zijn, dan konden de inkomens verdeeld worden, en de rantsoeneering van kleeding en voedsel den staat, den rechtvaardigen staat, behaaglijk worden overgelaten. 7) Distributie, hoewel in den nood geboren, zou dan regel worden, maatregel van hooge orde en van rechtvaardige gemeenschap.

*

Het is goed te weten, dat het visioen van „de weegschaal” óók over déze utopieën uitspreekt, dat ze „gewogen en te licht bevonden” zijn.

Want in het weegschaal-visioen van het derde zegel is de honger en ook de distributie.

Doch de honger komt hier voor, niet als een phase in het ontwikkelingsproces der wereld, doch als één der wereld-verdervende machten: hij is hier niet minder dan „gericht”. Niet de evolutie der menschen werkt hij, doch hun revolutie (tegen God) breekt hij. En zóó ver is het er vandaan, dat hij zou weg te werken zijn door een terugkeer tot de natuur, of door een nadere regeling van productie en consumptie, dat hij in het oordeel der laatste dagen gepredikt wordt als vaste schakel in den hechten keten der gerichten, die de wereld zullen voeren tot haar consummatie.

En wat voorts de distributie betreft: ook deze |129| spelt Johannes hier niet als weldaad, niet als de kroon op den wereldarbeid, doch als de totale verlamming van dien wereldarbeid. Geen kunst, maar lot, straf, is ze bij hem.

Honger en distributie; duurte en schaarschte!

Neen, als ge den Bijbel laat uitspreken, dan zegt hij u veel eerder, dan anderen dat hebben gezegd, dat de „staatsroman” nooit had moeten geschreven worden, dat hij op een smalle, ja, al te smalle strook van den bodem der werkelijkheid is opgebouwd. 8) Dan zegt hij u ronduit: dat er niemand is, die keeren kan de gevolgen, welke de zonde achter zich sleept. Ja, wel heeft men gezegd, dat we trachten moeten, de toekomst te beheerschen, door, indien het toekomstbeeld donker gekleurd is, „in het complex van voorwaarden, waaronder het noodlottig gevolg zal intreden, verandering te brengen: het tijdig verzetten der wissels, naar het schoone beeld van Quack”. 9) Maar baten zal het niet. Zeggen is nog geen doen. Met „maatregelen” regelt men het matelooze leven niet. Het leven is nu eenmaal een vergelijking met meer dan één onbekende. En uitkomen doet de som niet, nu niet en nooit.

*

|130| Honger en distributie! De weegschaal! . . . . Het derde zegel!

Wie nu, gedachtig aan de les van de ervaring, welke opgedaan is in de jaren van den Europeeschen wereldoorlog tot deze profetie van het derde zegel nadert, die voelt vanzelf al, hoe ontzaglijk wijde mogelijkheden van sociale ellende in dit korte gegeven opgesloten liggen. Een oorlogstoestand (volgens het tweede zegel), die de lasten verzwaart; daarbij intredend gebrek en onvoldoend loon; daardoor weer ontwrichting van het gezinsleven en concurrentie, tot tusschen man en vrouw toe, in den grooten loonstrijd. Een rantsoeneering, die, al verder doorgedreven en al breeder zich aan het leven opleggend, het streven naar staatsmonopolie in de hand werkt en den arbeid tot een groot staatsbedrijf omwerkt. En dan het allerergste: de levensontwrichting, die in de zielen weerklank vindt; een arbeid, die het lied, en de vreugde, niet meer kent, een groote staatsmachine, die alles in beweging zet, maar tegelijk de individualiteit van den arbeider onderdrukt, zijn persoonlijke belangstelling in het werk hem ontneemt, omdat alles het uniforme staatsmerk draagt, omdat de arbeid een dagelijksche obsessie wordt en toch zoo heel ver van zijn waarachtig leven áf ligt. En dan de daling van het peil der waarachtige beschaving, de verlaging van den levenstoon, de groeiende ontevredenheid . . . |131|

Ja, wat voor ellendigs eigenlijk niet!

„Een maatje tarwe voor een penning . . .”

Het derde zegel van den honger na het tweede van den oorlog.

Sommigen zouden een tegenstelling zien tusschen die twee zegelen, en op die manier den scherpen angel va ndit ontzaglijk dreigement verbreken. Zij willen de twee vijanden, die God hier tegen de aarde loslaat, n.l., honger en oorlog, tegen elkaar in het harnas zien treden, om zoo de menschen zelf te zien ontkomen aan het gevaar, dat hun eendrachtigheid zou beteekenen. Men heeft gezegd: „de oorlog is de schepper, de honger is de vernieler van alle groote dingen”. 10) In den oorlog, zoo heet het dan, wordt het leven door den dood heen opgeheven tot hooger plan; maar de honger wekt een levensangst, die leelijk en gemeen is, tegenbeeld van al, wat metaphysisch is. Komt de honger, dan worden de bouwsels der cultuur gebroken en het beest in den mensch wordt weer wakker om te vechten, bloot om het bestaan. Heldendood en hongerdood, dat zijn de grootst mogelijke tegenstellingen 11).

Zoo worstelen de menschen tegen den grooten schrik; zoo vechten ze tegen de overtuiging, dat de geschiedenis althans een openbaring is van |132| het wereldgericht, en troosten zij zich met den waan, dat de oordeelen niet zoo vreeselijk zijn, en dat, voorzoover zij het nog zijn, die oordeelen zelf zich wederzijds verteren.

En op deze manier tracht de één den zwarten honger te vergulden en den ruiter van het zwarte honger-paard te droomen op het witte paard der wereldontwikkeling. (Vgl. bl. 126/7 v.). En de ander op zijn beurt láát den honger zijn zwarte paard, doch verheerlijkt nu weer den oorlog; hij wil niet zien, dat het paard van den ruiter in het tweede zegel rood is, rood als bloed; van het roode paard maakt hij weer het witte.

Maar Johannes noemt noch den oorlog, noch den honger vooruitgang. Hij speelt niet het roode paard tegen het zwarte uit, noch het zwarte tegen het roode, doch hij plaatst ze naast elkaar, en laat ze te voorschijn komen als bondgenooten uit de schatkameren van den dood. En ook maakt hij geen tegenstelling tusschen oorlog en honger, tusschen tweede en derde zegel. Hij geeft ze beiden uit als donkere machten van gericht; hij zegt, dat ze voor geen menschelijke macht zullen wijken, want de witte ruiter gaat hun voor, en de weegschaal van den ruiter op het zwarte paard is uit den hemel meegebracht en de „stem”, die hem inleidt, komt van tusschen de vier „dieren” (66) en die vier „dieren” zijn in het midden van den troon en rondom dien troon (46) in Gods onmiddellijke tegenwoordigheid; . . . . en — wie |133| ooren heeft om te hooren, die hoore, die kome en die zie. De oordeelen zijn één; want God is één.

„Terret vulgus, nisi timeat”, heeft Spinoza geschreven. Het „vulgus”, zoo vertaalt, ietwat kwaadwillig, iemand dat woord, „het vulgus maakt bang als het zelf niet angstig is”. „En tot het vulgus” zoo voegt hij eraan toe, „behooren meestal ook de heerschers, de magnaten”. 12)

Als dat woord ook maar een grein van waarheid bevat, dan zal ten slotte alleen de schrik van God op de wereld kunnen vallen. Laat het tweede zegel van den oorlog nog een „vulgus” toonen, dat niet vreest, het derde zegel van den honger, laat grooten en kleinen, slaven en magnaten, in vreeze krimpen. Het eindigt in den roep der verslagenen: de groote dag van Zijn oordeel is gekomen; en wie kan bestaan?

Alleen God is te vreezen.






1. Franz Stolle, Der röm. Legionar und sein Gepäck, Straszburg, 1914, S. 57 sqq.; gecit. in Boll, a.w. 85.


2. Boll, 85 ; Weisz-Heitmüller, 264 ; Völter, 19 ; Bousset, 268. Verwezen wordt naar Cicero Verr. III, 81.


3. Weisz-Heitmüller, 264.


4. Werner Sombart, Der moderne Kapitalismus, 4e Aufl., 1er Band, 1e Hälfte, München & Leipzig, 1921, S. 254, sqq.


5. Aldus de leer der physiokratische school. Vgl. Skelton, 73, en ook 77, 79.


6. Diepenhorst, 38-68.


7. Over Babeuf en Cabet: Skelton, 95.


8. De toekomst der Maatschappij, Negen Voordrachten door J.P. Lotsy e.a. Wereldbibl. 1917, bl. VIII. Staatsromans, waarin het toekomstbeeld, utopisch gezien, geschetst wordt, zijn o.m. geschreven door J. Harrington (1656), Th. Campanella (1620), Vairasse d’Allais (1677), Cobet (1840), Bellamy (1888).


9. A.w. bl. XIV.


10. Oswald Spengler, Der Untergang des Abendlandes, Zeiter Band, Welthistorische Perspektiven, München, Beck, 1922, S. 590.


11. Spengler, a.w. 590.


12. Dr. H.W.Ph.E. v.d. Bergh v. Eysinga. Bij Denkers en Dichters, Amsterdam, L.J. Veen, z.j. 196.




a. Met behulp van materiaal uit (vooral) ‘De Openbaring van Johannes en de Sociale Kwestie’ VI, Gereformeerde Kerkbode, Officieel Orgaan van de Gereformeerde Kerken der Classis Gorinchem 8 (1920v) 17 (14 mei 1921).