HOOFDSTUK III.

Christus’ uiterste dienst des Woords.

En een groote menigte van volk en van vrouwen volgden Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden. En Jezus, zich tot haar keerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uwe kinderen; want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben. Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons! en tot de heuvelen: Bedekt ons! Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?

Lucas 23 : 27-31. a


Wij gaan nu spreken over Christus’ laatste, d.w.z. uiterste bediening des Woords. Sommigen zouden spreken van Zijn ultima ratio.

Het was een wonderlijk uur, en de plaats volmaakt ongeschikt voor een dienst des Woords. Daartoe was de rede zeer kort.

Niettemin, het wàs bediening des Woords. Hij die sprak, maakt Zijn luttelst woord altijd gewichtig; zóó zwaar als dienst des Woords. Bovendien, het woord was publiek, en eindelijk: sprak Hij soms niet uit de Schriften?


De stoet schoof verder den weg op.

En Jezus zag daar in eens menschen dringen. Hij hoorde korte stemmen; er was daar een soldaat, die een man toebeet: allo, pak aan. Een priester sprak zeer beschaafd. Het kruis werd ineens |42| Hem van den schouder afgenomen, en op dien ander gelegd. Gij kent zijn naam wel; ’t was Simon van Cyréne; wij spraken reeds van hem.

Indien wij in ons voorgaand hoofdstuk ook maar een greintje van de zuivere waarheid hebben verstaan, dan zeggen wij nu met vrijmoedigheid: Jezus voelde een stekende pijn, Hij hoorde zich hoonen. Ja, ik bedoel, toen dat daar met dien Simon gebeurde. Door wien werd Hij in Zijn ooren gehoond? Door menschen? Maar zij waren naar den uiterlijken schijn niet onvriendelijk voor Hem. Daartoe hoorde Hij vrouwen snikken; en Simon van Cyréne nam dan toch maar het kruis over. Zeg, door wien wordt Hij gehoond? Wat is Hem, dat Hij van hoon durft spreken?

Stil, Hij hoort zich hoonen door God.

Of neen, laat ons de dingen uit elkaar houden, en geen woorden vermengen. Hij hoorde zich bespotten door God. 1)

Want indien Christus — en wij gelooven dit van Hem — indien Christus de requisitierechten, die de soldaten van Rome, en de priesters van Aäron, vrijmoedig vlak naast Hem uitoefenden, in verband gezet heeft met Zijn eigen koningsrecht, óók met Zijn recht van requisitie, dan is het voor ons zeker, dat al wat wij in het voorgaande hoofdstuk hebben opgemerkt, niet alleen door Hem duizendmaal scherper is gevoeld, dan wij het zwakjes konden zeggen, maar dat Hij ook aanstonds al die dingen op God den Heere heeft teruggebracht, en tot Zijn God herleid heeft, en op den hoogen God betrokken heeft. Ha, zegt Hem God, zijt gij die zelfde, die op een door u gerequireerd beest de stad zijt binnengetrokken, zeggende: hier ben Ik, eigenaar van beesten en van huizen, van burgerkleeren, en straks ook van priesterkleeren? Zijt gij dezelfde, die hier in een gerequireerde kamer gedachtenis hebt gesticht aan u zelf bij het heilig Avondmaal? Maar Ik, zegt de Heere, Ik maak u tot zonde b, ik onthef u van alle privilege van requisitie, gij moet aan Mij, uw God betalen voor uw gerequireerde beest, en uw gerequireerde kamer; betaal mij nu uw laatsten penning c: geef Mij mijn loon d. |43|

Toen voelde Christus zich weggestooten.

God stiet Hem weg.

Was daar net een kruis van Zijn schouder afgenomen? O, God legt er dadelijk een kruisbalk voor in de plaats, zwaar, zoo zwaar als e — het Woord. Ja Christus, men is hier dan ook buiten de poort, op weg naar de mestvaalt 2) van de wereld. Laat U dat niet vreemd zijn, dat God Uw eer aan anderen geeft f, Uw eer van requisitie. Er is er maar Eén ten slotte, aan Wien álle tol te betalen is: de Opper-requirent. Zijn naam is Heer der Heeren g.

Waarlijk, het was heel erg. Het wekte grooter en pijnlijker verbazing, dan toen soldaten Hem hoonden als mislukten koning: een doornenkroon, een roode mantel en een rietstok. Het was veel erger: God had Hem daarnet bespot.


Is Jezus nu bezweken? Is Hij achteruit geslagen voor God? Heeft Hij Zijn messiaansche bewustzijn verloren, dat Hem in Zijn requisities had versterkt in God? Heeft Hij gezegd: Vader, Rechter, Ik bén dan ook dat dorre hout, dat nu geen vrucht meer draagt in alle eeuwigheid? Scheen Hij zich zelf de gevloekte vijgenboom? h

Neen, neen, Hij sloeg niet achteruit. Hoor Hem zichzelf nog prijzen: Ik ben het groene hout; Ik ben het groene hout i; de lof is betamelijk j. „Niet een iegelijk, die zich zelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd.” k Wil iemand Hem met dit woord soms vervolgen? Maar Hij spreekt juist in het aangezicht van dit grondwettelijke woord: Ik ben het groene hout van Israël; Ik heb Mijn recht als Koning niet verloren. Wanneer het groene hout vandaag gekapt wordt in den tuin van Israël, dan zal het dien hof van Israël vergaan, zooals het overal gaat, in elken hof, waar hooge boomen vallen, die eerst in hun „Eden” hebben staan pronken. Mijn val zal die van allen zijn, Wanneer zij Mij, het groene hout, alzoo bejegenen, dan zal het dorre met Mij in Mijnen val vergaan. Men zal het haastig samenlezen, en er een oven heet mee stoken. — |44|

Hier weet zich Christus dus den groenen boom, ja zelfs den levensboom, in het hofgebied van Eden.

Waarom wij hier van „Eden” spreken?

Omdat wij bij dit woord van Christus denken aan den profeet Ezechiël.

Als deze de „grooten der aarde” ziet, de kroondragers der volkeren, dan vergelijkt hij hen met boomen, die in een lusthof van „God” — Scheppingsvader — geplant zijn. 3) Trotsche, opgaande boomen zijn het; zij zijn een sieraad in Gods hof, zij zijn geplant in Eden, in het Eden Gods. Want de algemeene genade, 4) en de uit haar geworden cultuur, heeft aan die mooie, hooge boomen een voedingsbodem geschonken: de frissche wateren, waaruit die boomen leven moeten, zijn diep in den grond verborgen. Als nu zoo’n boom gekapt wordt, dan treurt daarom ook heel de Libanon; dan legt „God” rouwkrip over de wereld. De val van zulk een boom is dan voor God gelijk aan een vastatie van ’t natuurlijk Eden 5).

En, dit is dan nog maar gezegd van het Eden der gemeene gratie, de lustparken, die zijn aangelegd volgens de architectuur van ons natuurlijk leven.

Maar heden staat de Christus, — zélfs op den weg, die Hem uitleidt buiten de poort, en zelfs aan de grens van de mestvaalt van de gansche wereld — heden staat de Christus voor Zijn eigen besef nog op den heiligen bodem. Hij betreedt het terrein der bizondere genade. Hij is de groene boom in het Eden, het lustpark, dat is aangelegd door de architectuur van den God aller genade en aller vertroosting l. De bodem van dit heilig land is nog niet ter verwoesting overgegeven. Daarom is hier niet een „Eden” van de natuur, maar nòg vandaag een „Eden” der genade. Jeruzalem, Jeruzalem, gij zijt als heilige stad, als instituut, de uitzendplaats en doortochtsbaan van alle wagenen Israëls, en van zijn ruiteren m. En gij zijt als heilige hof, als „Eden”, als organisme, de lusthof, het woud van |45| Gods pronkende boomen. Uw naam is hof van Eden, niet door en voor natuur, doch door en voor genade, door en voor het Woord. Maar in dien hof van „Eden” wordt heden geveld de groote, ééne, frissche, groene boom. De levensboom. Het groene hout. Daarom zal God den rouw doen trekken over den berg van Sion; om dezen éénen boom zal treuren meer dan de Libanon. Van Zijnen val laat God de vaste plaatsen beven. De bouwlieden der stad n (het instituut) denken: wij ruimen een hinderpaal op zij; en ach: zij nemen den hoeksteen weg: hun bouw zal daarom storten in puin. Zoo zullen de hoveniers in Gods park, in ’t Eden van Gods openbaringsvolk (het organisme) denken: wij nemen de woekerplant uit onzen schoonen hof, nu kunnen alle boomen weder vrij-uit groeien. Maar hunne boomen zijn reeds dood; daar komt geen leven meer in. En nu de eenige boom, welks schoonheid den Eigenaar van dezen tuin bewoog, den tuin nog niet te geven ter verwoesting, — nu deze ééne boom geveld wordt, nu rest daar enkel dor en verschrompeld houtgewas; wat zal de Heer des hofs met al die kale struiken doen? Hij zal den hof verlaten; de dorre houten in den oven werpen. Het oordeel zal beginnen van de open plek van dezen uitgerukten, éénen, groenen boom! Het oordeel! Daar zullen dagen komen, waarin gij zeggen zult o: zalig de schoot, die niet meer baren kan, zalig de hof, die niet meer groeien doet, zalig het Eden, ook zelfs der natuur, dat God op slot gedaan heeft, want wat wij, de, Christus-moorders, baren, dat is maar adderen-gebroed, niet waard te leven. En, kòn het ook al leven, de voedingsbodem is verdwenen. — God trekt Zijn boomenvoedend water van onder onzen schralen bodem weg! Ons resten niets dan dorre boomen, kale takken: vuurbranden voor het vuur bestemd. Wat onze hof laat groeien, dat zijn enkel kasplanten van Asjmedai 6, gifplanten van de hel. Neemt weg, neemt weg, Jeruzalem is zalig niet in kinderen p, maar in kinderloosheid. Het heeft zijn gróóte Kind vermoord.

Leek nu dit woord geen groote dwaasheid, op dit uur en uit dezen mond? |46|

Ja zeker, „ergernis en dwaasheid” zal Gamaliël zeggen, en zijn leerling, zekere Saulus, zal ’t tot zijn dood toe wèl herhalen q. Een dwaasheid en een ergernis, dit woord. Want voor de groote dwaasheden is Jezus Christus nimmer bang. Hij kan er niet buiten. Paulus zou niets meer te zeggen hebben zonder die.

Maar voorts: spreekt in dit woord iets anders dan het messiaansch zelfbewustzijn van den Christus? God spot met Hem — God laat Zijn requisitie-papieren verscheuren door de duivelen: de snippers dwarrelen op Zijn spotkleed. Toch weet de Christus, dat God, die met Hem spot, Hem toch ernstig nemen zal, Hij weet, dat deze dag geen ludus angelicus, geen leeg bedrijf van zich vermakende engelen is, maar het drama aller werelden te zien geeft. Zóó vast is Hij nog hiervan overtuigd, dat Hij tòch requireert de gansche wereld, zeggende: hier is de groote Importantie.


Hoe was dat alles zoo gekomen? Vanwaar de tuimel van dit sterke woord, hier in den doffen stoet?

Het was zóó toegegaan:

Toen Jezus den kruisweg moest betreden, toen waren met Hem meegetrokken de „dochters van Jeruzalem”. Dat waren dus geen bekende galileesche vrouwen, want deze vrouwen, die Jezus steeds in liefde gevolgd waren, zien we later van verre staan. Zij schoven achteraan, of trokken in een wijden boog schuw langs den Meester heen. Ook zijn het niet, zooals sommigen willen, vrouwen uit Judéa, of Galiléa in het algemeen gesproken, alsof dan in den naam

Jeruzalem „gansch Israël” begrepen ware. Neen, het zijn de vrouwen van Jeruzalem, de dames van de „groote stad”.

Nu, dames van de groote stad hebben van weenen wèl verstand. Van weenen, en vooral van kranke liefde. Zij hebben wel een mooi woord in den bijbel aangetroffen: men moet den dochters van Jeruzalem, zoo staat er, zeggen, dat daar een bruid is, die van liefde krank is r. Wel, deze boodschap gaat haar aandacht niet voorbij. Het thema van „de kranke liefde” pakt haar wel. Naardien zij evenwel dit thema gaarne in bespreking nemen, zonder zich af te vragen, of zij voor zich de liefde zuiver kunnen wekken, kunnen |47| zij deze dingen nimmer zuiver onderscheiden. Wáár nu de menschen krank van liefde zijn, èn wáár de liefde krachten doet en blaakt — naar haar verheven wijs — in haar gezondheid, dat weten zij zoo recht niet. De liefde lijkt haar wel een zeer schoon avontuur; — en dus haar krankheid tevens. Voorts schemert alles haar een beetje: maar wie zoekt ook in dingen van de liefde naar geleerde definities? De dames hebben hooren zeggen, ook wel door interessante mannen, dat dit niet te pas kwam. Waarmee zij zich zeer wel vereenigen konden.

Dus is er heden wèrk te doen voor dames van de groote stad. Er is een gróót profeet. Dat hij in liefde was ontstoken, dát was niet te ontkennen. En dat hij heden krank is — dat ziet een ieder voor zijn oogen. Zulks jaagt de vrouwen op. En veel profeten van de binnenkamer 7) hebben haar getroost: het schemert alles op dien weg, en zie, dàt is het juist. Er is een liefde, die krank is, en wat nu de gezondheid wezen zou, — nu ja, dat is een andere vraag . . . . Komt, laat ons weenen, zusters. Daar is een kranke van een onbestemde liefde. Wie zou niet weenen?

Nu gáán zij weenen. En zùlk geween maakt altijd misbaar in de wereld.

Dus brengt de dag van heden: de doleantie van de dochters, de dochters van Jeruzalem.

Vermoei u maar niet al te veel met de verhandelingen van geleerden, die willen naspeuren, of de droefheid „echt” was, dan wel „onecht”. Roomschen stellen zelfs de vraag, of zij „natuurlijk” was, dan wel „bovennatuurlijk”. Andere christenen raadplegen bij dit traan-gegeven hun „kenmerken-lijst”, en tasten — wat hun aard is — daarna nòg steeds in den donker. Doe gij maar niet alzoo. De dochters van Jeruzalem, die zijn een massa. Daar zijn er onder haar, die God gepraedestineerd heeft voor Zijn Pinkstervreugden; en, wie zal zeggen, wat de voorbereidende genade in haar ziel nu bezig is te doen? Daar zijn er óók, die het niet harden zullen tegen het Pinkstervuur, en déze „dochters” zullen krank |48| zijn, wij bedoelen: blijven in den dood. Maar Christus in Zijn dienst des Woords spreekt ze álle aan als dochters van de heilige stad. Hij noemt de stad nog bij haar eigen naam, en bedient aan haar getrouw Gods Woord, en wijst haar op den samenhang tusschen dezen dag en den grooten dag der dagen, den samenhang ook tusschen Zijn eigen vruchtbare stervensweeën en haar eigen machtelooze barensweeën.

Dochters van jeruzalem, dochters zonder uitzicht — late kinderen van een steriele stad — weent niet over mij!

Maar dat is Christus’ zuiver reageeren.

En die reactie is voor allen goed.

Voor állen.

Want in deze weenende vrouwen mengt zich waar en valsch. Daar zijn er onder, die het hart uitstorten als voor de oogen Gods. Maar er zijn óók falsetstemmen. En Jezus hóórt ze lamenteeren. Dit woord heeft nu niets hatelijks in zich. De lamentatio, dat is een technische term: dat is het rouwgebaar, met al zijn ceremonieel, dat onder joden usantieel was, waar maar de dood zijn schaduw wierp. Want joden hebben vrouwen-van-de-klacht. Zij huren zelfs van zulke vrouwen; deze hebben van weenen verstand, ook hebben zij den tijd ervoor. De joden zoeken gaarne menschen, die tijd ergens voor hebben: voor de synagoge huren zij tien verplichte bezoekers, het vereischte minimum, en deze tien, de z.g. batlanin, zijn menschen, die „voor zoo iets tijd hebben”: het opus operatum 8. Zoo pleegt nu ook de joodsche maatschappij voor een begrafenis te huren rouwklagers, die van weenen verstand en voorts daarvoor den tijd hebben: het opus operatum. En Jezus, die tegen de idée van ’t opus operatum altijd gestreden heeft, streed daarom ook tegen die gehuurde, althans gemakkelijke, traanverwekkers. Als ze misbaar maken in particuliere huizen, ook dan heeft Jezus ze meer dan eens weggejaagd. Die tempels reinigt, moet naar de huizen doortrekken. |49|

Maar nu vandaag heeft Hij niet meer te jagen. En Hij heeft ook niet waar en valsch te separeeren. Hij heeft voor àllen dezelfde boodschap. Wat heeft Hij ànders dan — den dienst des Woords?

Dies geeft Hij, wat Hij heeft. Hij spreekt Gods Woord.

Maar om het Woord te gaan bedienen, moet Hij zichzelf eerst van hun tranen zuiveren.

Want hun weenen is niet wat het wezen moet. Te ver gezocht lijkt ons de meening van hen, die deze episode in verband zetten met den talmud. Zij wijzen er op, dat de talmud verboden had, te weenen over iemand, die door het Sanhedrin veroordeeld was. Zij meenen daarom in dat weenen van die vrouwen een protest te vernemen tegen de overheid. Maar dit is al te onwezenlijk. Trouwens, al was dit rouwgeklag bedoeld als protest — zou het daarmee goed voor God geworden zijn? Wie Jezus’ dood niet in verbinding zet met eigen levens-crisis, die heeft zichzelf verloren in zijn compassietranen. Dus keert jezus — rechts noch links ziende — zich heftig om en spreekt de vrouwen aan: weent niet over Mij, maar over uzelf en over uwe kinderen.

En aan deze enkele woorden voegt Hij een rede toe, láng genoeg, voor één, wiens rug gegeeseld is, dien iedere stap bij den dood nabij brengt, en ook weer kort genoeg voor één, die zulk een brééd gezicht heeft in alle diepten van den tijd en van de eeuwigheid.


Zijn zuivere beteekenis krijgt dit woord van Christus voor ons eerst, als wij zijn plaats bepalen in het lijdensverhaal. Wij zeiden het reeds: dit woord van Christus is publiek, het is een openbare dienst des Woords. Nòg was ’t geen Pinksteren, nòg heeft Hij daarom zich te richten tot de menschen van Zijn stad. De Christus heeft na dit ééne woord geen enkele publieke rede meer gehouden. Aan het kruis niet, want de zeven kruiswoorden waren tot de gemeenschap niet gericht. En na de opstanding heeft Christus Zijn menschelijke tong niet meer gebruikt om eenige publieke rede tot de volksgemeenschap te richten. De redenen van Jezus, den Zoon van David, hebben een einde s. Beeft gij nog niet? Wanneer dit |50| woord de laatste openbare rede is, die Christus Jezus zelf tot eenige gemeenschap op aarde richt, dan moet dit woord voor God (voor Wien toch duizend jaren zijn als één dag t) onmiddellijk verbonden worden aan die eerstkomende publieke aanspraak van den Christus tot de gemeenschap, die er in de wereld is. En wanneer houdt Hij die eerstvolgende publieke aanspraak? Ze komt straks op den jongsten dag, wanneer de wereld kraakt, en wanneer alles, wat nu hier gezegd wordt, volkomen wordt vervuld. Wanneer een „wee”-geklag de bergen aanroept om klagers te bedekken, en de heuvelen, om te vergruizelen. Wanneer daar niemand tot het leven lust meer heeft, en zelfs de geboorteschoot niet langer roepen zal: geef, geef! u


Het was een dreigend woord, en die het sprak, was uitermate zeer verbroken. Toch was Hij zeer verheven: de volle fleur van ’t messiaansche bewustzijn, de zuivere kracht van Jezus’ zondelooze ziel is hier. Is Hij beschadigd? In alles. En ook: in niets. Hij is zóó gaaf; het eenvoudigst woord is hier het beste. Nu zijn hier God en Satan, en hitsen deze vrouwen aan. De Heere port die vrouwen aan; dat is de bijbeltaal v. De Satan port die vrouwen aan; dat is óók bijbeltaal w. God dwingt ze, achter Jezus aan te loopen, Hij perst de tranen uit heur oogen; God wil den Zoon beproeven. En Satan zendt ze achter Jezus aan, en perst de tranen uit haar oogen: hij wil den Zoon verzoeken. Hij wil de Vaste Ziel uitrukken uit haar vastigheid. Nu, niets menschelijks is aan Jezus vreemd; komaan het valt niet mee voor eenig menschenkind, zich vrij te houden van de tranen, die een ander aan hèm zelf wijdt. Het valt niet mee, als tranen vallen, breed-uit en met emphase te zèggen den welbekenden statigen ambtsdragerszin, den statigen eersten en uitersten volzin van den dienst des Woords: dat ’t volk moet heenzien over den dienaar, den spreker, die beklaagde tevens is. Tranen van hoorders en beschouwers zijn de verzoekingen voor den ambtsdrager Gods: wat schreit een levend mensch? een iegelijk schreie vanwege zijn zonden x. Hij schreie over den spreker-tranenwekker heen. ’t Is makkelijk gezegd, maar is ’t óók even gauw en goed gemeend? |51|

Neen, zegt een ieder, die zichzelf bekend is.

Maar Christus, onze Borg, Hij laat zich nimmer dringen buiten de ambtelijke ompaling, waarin Hij God alleen bekennen kan: wij zien Hem als Profeet, als Koning en als Priester.

Laat ons dat niet vermoeien, dat wij al weer in dit drie-voudig ambt Hem zien. Want wie dit schouwtooneel vermoeiend acht, die „kent” in dezen zonder „liefde”, dat is: die wordt een opgeblazene y. En een opgeblazen mensch is nergens dwazer dan op de via dolorosa.


Wij zeiden daar, dat Christus hier Profeet is.

Nog nauwelijks van den rechter ontslagen, doet Hij een aanspraak immers tot de menigte.

De overgang van ons tweede deel naar ons derde deel is eigenlijk heel verbijsterend. Ons tweede deel, daar liep een draad van zwijgen door. Eigenlijk werd dat tweede deel beheerscht door dit motief: Doch Jezus zweeg stil z. Een enkele maal hoorden we Hem een woord spreken, maar voorts was dat spreken aan dat zwijgen ondergeschikt. Doch nu wij hier in het derde deel van Christus’ lijdensgang indringen mogen, nu treft ons dadelijk iets anders: Jezus zwijgt niet stil, Hij spreekt. Hij spreekt in de bediening van het Woord. Hij spreekt Zijn zeven kruiswoorden. Hij roept aan. Hij roept uit. Hij roept toe. Hij roept met groote stem. En roepende met groote stem geeft Hij den geest. Is dát soms niet de profetie?

Te meer moeten wij hierop bevestigend antwoorden, omdat het ons dadelijk weer boeit, dat Christus spreekt uit de Schriften. „U en uw kinderen”; — dat is al bijbeltaal. Van de dagen van Abraham af is dat een vaste woord-verbinding geworden: U en uw kinderen. Maar dan vervolgens spreekt de Christus over dien verren en nabijen dag, waarin men tot de bergen zeggen zal: „valt op ons”, en tot de heuvelen: „bedekt ons” Wie hoort hier niet Hosea 10 : 8: zij zullen zeggen tot de bergen: bedekt ons, en tot de heuvelen: valt op ons? En wie verneemt hier niet Jesaja 2 : 19: dan zullen zij in de spelonken der rotssteenen gaan, en in de holen der aarde, van wege den schrik des Heeren, en van wege de heerlijkheid Zijner majesteit? Wie denkt niet bij de aanspraak: |52| dochters van Jeruzalem, aan de dichtmaat van het Hooglied? 9) Welnu, wanneer de Christus in Zijn laatste uren nog uit de Schriften weet te spreken, dan blijft Hij de Profeet; dan is Hij ook als mensch gehoorzaam aan Zijn profetisch ambt. Als ooit een Profeet van God in de verzoeking is gekomen, om het moment, dat hij beleefde, in eigen aandacht en voor die van anderen voorop te stellen, en dat moment te accentueeren ten koste van Gods ééne doorgaande werk, dàn is het hier de Profeet van onze belijdenis, Christus Jezus. Al Zijn menschelijkheid, Zijn zenuwen, Zijn hart, Zijn geslagen rug, Zijn levende ziel — dat roept: het is wel goed, over mij te weenen. Het oogenblik is zeer horribel; de wereld breekt in dit gebroken vleesch: luister, het knapt en knerpt in Gods heelal — op dit moment. Weent over Mij, van Mijn val doet God de heidenen beven. Maar neen — Zijn profetische geest bedwingt Zijn vleesch en brengt het tot dienstbaarheid, d.w.z. die profetische geest onderwerpt het aan de wetten van den eeuwigen Geest. Dus schakelt Hij Zijn eigen moment dadelijk in in den keten van de „tijden en de gelegenhedenaa Gods. En de van dorst gekloofde tong spreekt zoo weer dadelijk uit het geheel der Schriften. Hij trekt onmiddellijk weer den grooten boog van alle profetie, en is ook daarin ambtsbedienaar voor Zijn God.

Daar is dan ook in Christus’ profetie op het oogenblik een groote barmhartigheid. Immers, wij kunnen het zóó zeggen: de aankondiging van de doorbraak, de overwinning, van den vicieuzen cirkel, den cirkel van het natuurlijk leven, waarover wij in ons tweede deel Hem zelf reeds hoorden spreken, 10) zij wordt nu uit de „intieme” rechtszaal overgebracht naar het publieke terrein van de via dolorosa. Wanneer Jezus Christus Zijn koninklijk woord, Zijn levenswoord, alleen in de rechtszaal had laten vallen, dan zou het gebleven zijn buiten het volk, waartoe Hij was gezonden. Wel heeft Hij vroeger ook dat volk herhaaldelijk betuigd, dat Hij Messias was, dien men, dien „dit geslacht”, zou zien komen in Zijn heerlijkheid, maar heden verbindt Hij dat komen in Zijn heerlijkheid aan dezen dag. „Dit |53| geslacht” ziet nu Zijn dag, Zijn dag van uiterste verbreking. Maar dit geslacht zal dan ook zien, dat Hij in Zijn verbrokenheid verbreekt. „Van nu aan zal men het zien”, — daarmee heeft Hij het Sanhedrin vermaand bb, en aldus spreekt Hij thans de massa aan; Hij brengt Zijn uiterste profetie nu uit de stilte naar de daken toe; Hij laat de menschen, de menigte, nu zien, dat de ommegang van het natuurlijk leven door Hem vandaag doorbroken wordt.

En daarin jaagt Hij — ziet gij ’t joden, hoe consequent Hij is? — en daarin jaagt Hij de klaag-vrouwen van Zijn eigen dood-bed weg.

Immers, die vrouwen van de groote stad schuiven Jezus in den cirkel, den alledaagschen om-gangs-kring, van ’s levens marche funèbre, en weenen over Hem, zooals zij weenen over „een” zoon „eens” menschen. Maar Jezus laat zich zien als „den” Zoon „des” menschen. Hij toont, dat Zijn dag de dag der gansche wereld is. Want het oordeel zal „van nu aan”, van dit uur af aan, over hun hoofden uitbreken. Hij laat zichzelf nu zien, niet als een man, dien men vergelijken kan met eenen ander, maar als den Eéne, die een eigen wezen heeft: de ééne gróene boom, onder een gansch groote menigte van dòrre boomen. Hij laat zien, hoe Hij het gericht ontketent, hoe het oordeel losbreekt. Om Hem, om Hem, om Hem. Hij belacht dat dwaze tweetal van daar straks, 11) hoewel een drietal thans 12) Hem hoont in Zijnen geest. Om Hem komt nu het oordeel. Welk oordeel? Is het de wraak van Rome, dat straks de stad van David zal verwoesten? Neen, neen, dat is het niet; of liever: dat is het niet alleen. De Christus laat ons zien (gelijk ook in Matthéüs 24), dat de „dag des Heeren” één is; Hij bindt daarom „organisch” aan de krampen en weeën van Jeruzalems ondergang de schuddingen van den jongsten oordeelsdag.

Zoo spreekt de Christus tot Zijn volk, bedienende Gods Woord.

Hij spreekt tot hen, die nog de zijnen 13) zijn, volkomen duidelijk, zonder een schijn of schaduw van eenigen masjaal. 14) De klaarblijkelijkheïd der openbaring kenmerkt geheel Zijn uiterste bediening |54| van Gods Woord. En hoog boven de smaadredenen der menschen heft Hij het hoofd omhoog. Hij ziet zichzelf met Zijn kruis nu als een macht, die de zon welhaast verduistert. Dus vaart Hij in in de gemeenschap van den sprinkhanenzwerm van Joël, den profeet cc. Want gelijk Joël — och, och, zoo’n zenuwachtige profeet — in de sprinkhanenplaag van zijn tijd — de beesten verduisterden de zon den aanvang ziet van den jongsten dag, en de vurige strijdwagens van Jahwe vóór ’t sprinkhanenleger uit ziet zwermen, zóó zegt de Christus thans: de God der sprinkhanen verduistert voor Mij de zon, het wordt straks donker over stad en tempel. Gods vurige strijdwagens — die trekken Mij naar Golgotha: Hij haast zich om Mijn kruis als aanstoot voor de Joden op te richten. Simon, ik kan wel verder, de Heer is bij Mij, Hem zal Ik vreezen dd. Woudt gij Mij helpen, man? Maar wie verzet de stroeve wielen van Gods wagens, als zij staan? En wie grijpt in de spaken, als Zijn wagens razen?

Is dit geen schoone profetie? Satan, gij hebt de vrouwen Jezus achterna gezonden, gij woudt nu wel eens zien, of Hij zichzelf getrouw zou blijven. Nietwaar, zoo vaak heeft Hij klaagvrouwen weggejaagd, als Hij den dood bevechten moest, en van een sterfbed maakte wèrkplaats van Zijn léven? Gij woudt wel weten, of Hij vandaag soms werkelijk voor zich zal laten weenen? Hier is Zijn antwoord, Satan. — Hij heeft de vrouwen weer verjaagd. Hij blijft zichzelf. Want deze Jezus heeft Zijn kruisweg nu gezien als, werkplaats van het leven, meer, dan Hij ’t bed, waarop Jaïrus’ dochter lag, als levens-werkplaats heeft gezien. Hij heeft de lucht, die door, de vrouwen was bedorven, weer gezuiverd. Hij dankt de vrouwen niet, óók niet, nu zij Hem zèlf heur tranen geven. 15)

Want wee Hem, als Hij dàt gedaan had.

Dán zou Zijn profetie met Hem vergaan zijn in dien tranenstroom, waarin zoo menig goed woord is verdronken. De vrouwen schreien; en — tranen benevelen het oog der menschen. Maar Jezus’ oog is |55| niet beneveld, door bloed niet, en door zweet niet, en door tranen niet. Hij weet het: deze vrouwen weenen enkel over „Jezus”; de massa lacrimosa heeft geen oog voor „Christus”. En „Jezus” wil voor zich geen tranen, die „Jezus” zouden scheiden van den „Christus”. Hij rukt zichzelven niet uiteen door medelijden met zichzelf. Hij heeft geen mede-lijden met zichzelven. Zijn persoon is één en ongedeeld; en deze ééne Persoon drijft Zijn twee naturen. De wil is één; Hem kan het mede-lijden van de menschen niet beschaden noch verwonden. Hij is zichzelven wèl bewust, maar houdt zichzelven nimmer òp — zooals de aard is van ’t menschelijk medelijden — met zichzelven.

En nu krijg ik een beurt, en gij, nu Hij die vrouwen wegjoeg.

Wij krijgen nu de beurt.

Want deze Zijne profetie klinkt over álle wegen. Hoor toe: Hij wil als Jezus niet beschreid worden, maar als Jezus Christus gelóófd worden.

En zoo vaak nu nog vandaag het slotkoor van Bach’s Matthäus-Passion heeft aangeheven: „Wir setzen uns mit Tränen nieder”, staat Jezus achter in de zaal, en zegt terwijl de zangers het tooneel afrennen, en de dames van „de groote stad” haar bontmantels zich laten reiken: weent niet over Mij, maar over uzelf en over uw kinderen; want daar zullen dagen komen, in welke, wie niet dóór Christus Jezus heeft geschreid, de bergen en de heuvelen zal aanroepen, om het gezicht op God toch weg te nemen, en aan den greep van God te doen ontkomen.

Wat zullen wij tot die dames zeggen? Laat ons eerlijk zijn: Jezus staat ook in menige kerk. Ook in menige orthodoxe kerk, waar de dominee „mooi” gepreekt heeft, en waar een traan viel, omdat de dominee meer geschilderd dan geprofeteerd had. Een kerk waar „Jezus” geschilderd was, en niet Christus verkondigd.


Dan, ook als Koning mogen wij den Heiland-Messias eeren. Immers, het woord, dat Jezus thans richt tot de gemeenschap van het volk, slaat terug op wat het volk zelf gezegd heeft. Toen Pilatus vroeg: zal ik uw Koning kruisigen, durft gij Zijn bloed wel aan? — |56| toen was het antwoord: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen.

Welnu, hier is de Koning, en zegt: Mijn bloed zal komen over u en over uwe kinderen. Gij zult eenmaal uw kinderen niet verdragen, want gij zult den naam „verloren zoon” proleptisch (iets anders dan: profetisch) spreken van uw kroost. Mijn stervenswee zal úw geboorteweeën nimmer doen bedaren. Mijn sterfdag maakt úw kraamkamers tot een begrafenishol. Gij zult het weten, gij zult het zeggen, gij zult er onder zuchten. Want nu gij het ware Leven wegneemt uit uw midden, zult gij het leven niet meer áán kunnen straks, tenzij gij u bekeert. In die dagen zult gij den dood zoeken, en zult hem maar niet vinden. Uw lust zal zich een last wezen, en elk nieuw kind een wreede marteling. Gij, die gemeenschap heeten wilt, en als gemeenschap hebt gezegd: wij zuiveren ons van ’t nazareensche bloed, wij snijden Jezus’ vleesch uit ons gemeenschapslichaam, wij beveiligen ons en onze kinderen tegen dezen vervloekten individualist, — gij zult geen kracht meer hebben tot gemeenschapsleven, want kinderen zult gij niet meer kunnen dragen. Gij prijst sterielen eenmaal welgelukzalig, omdat gij geen gemeenschap meer verdragen kunt, noch bouwen. Uw zonde verdeelt den mensch straks tegen elken and’ren mensch, den vader tegen het kind, den man tegen de vrouw. Zij is ontbindingsmacht, die daarom den gezelschaps-vòrm zelfs breekt, en het leven maakt tot een onwennig conglomeraat van antipoden, concussie van elkaar afstootende elementen. En deze hartgrondige verloochening van het leven, deze rauwe kreet van een verscheurde gemeenschap, zal daarna eindigen in uw volstrekten dood. Het oordeel, de vrees, de schrik des Heeren, — zóó komt Mijn koningsbloed over u en over uwe kinderen.

De Koning kent zichzelf; dat hoort gij wel. Hij is geen oogenblik afhankelijk van Zijne onderdanen. En Hij gebruikt de tranen van de menschen niet, om zich voor het oog der anderen te rechtvaardigen. Hij rukt zèlfs de martelaarskroon zichzelf nu van het hoofd. Hij wil de tranen niet, waarin machtelooze opponenten-van-gevoel protesteeren tegen overmoedige vindicatoren van het revolutie-recht. Hij misbruikt hun klachten niet, om, staande op het schavot, Zijn rechters te verdeelen tegen hun onderdanen, en zichzelf |57| te handhaven tegenover het volk. Deze Koning vraagt geen Totenklage, noch vóór, noch ná Zijn dood:


Omfloerste trom, noch rouwgebrom,
Ga romm’lend om voor Zijn gebeente.

Want Zijn koningschap is nooit afhankelijk van menschen. Zijn koningsmajesteit blijft zuiver in haar zelf-vertooning.

En daarom kan Hij zuiver blijven ook in de onderscheiding van het weenen, waar of valsch, van alle menschen. Wanneer Zijn moeder straks te schreien staat, dan droogt Hij hare tranen: haar droefheid is overeenkomstig God. Maar déze schare, wier tranen onpersoonlijk zijn, zendt Hij alleen maar naar den tempel, en naar het Woord der profetie. Die boodschap is voor àllen goed: een laatst vermaan. Waar liefde en geloof in tranen zijn, daar geeft Hij aan een moeder weer een zoon, ook dien zij niet gebaard heeft; want de geestelijke gemeenschap, die uit den Geest van Christus is, déze domineert over de natuur; zij verbindt door louter Geest een moeder aan een zoon, hoewel hun bloed toch ongelijk was: vrouw, zie uw zoon; zoon, zie uw moeder ee. Maar waar het geloof ontbreekt, en de liefde niet werkt, dáár zegt Hij tot de moeders: vrouw, gij ziet niet meer uw zoon; zoon, gij vindt nooit meer uw moeder; vrouw, gij zult niet eens een zoon verdragen in de idée, gij prijst uzelf immers welgelukzalig, wanneer gij Abraham de kinderen niet meer hoeft te baren, die hij voorzeker weigeren zal te erkennen, nadat dit groote kind van Abraham door u geweigerd is.

Zoo heerscht de Geest van Christus Jezus óók over de banden des vleesches, en des bloeds. Hij heerscht, die Geest, Hij heerscht over bloed en natuur, synthetisch en antithetisch, samenbindend en ontbindend. Maar altijd zal Hij heerschen. Hij légt nieuwe banden: vrouw, zie Uw zoon. Dat is synthese, samenbinding. Hij verscheurt oude banden: vrouw, gij mist uw zoon, en wilt hem missen, gij verstoot zelfs zijn idee. Dat is antithese, ontbinding.

En zóó verbreekt de Christus nu als koning den vicieuzen levens-cirkel: van nu aan zal men Hem zien als den levendmakenden Geest, en niet als de levende ziel ff. Men zal Hem zien, |58| negatief en positief, in samenbinding en ontbinding, in bijeenvergadering en verwoesting. Als levendmakende Geest zal Hij openbaar wezen „al den volke” gg; want Zijn Geest bedwingt het bloed, en Zijn broed; Zijn Geest ontrooft aan Abrahams bedrukte, maar onbekeerde moeders haar vleeschelijke kinderen, en verwekt aan Abrahams verslagen, doch in Hem getrooste weduwen, door Zijnen wil, zoo kinderen als mánnen. Vrouw, verlies uw zoon. Vrouw, zie uw zoon. Zoon, verlaat uw moeder. Zoon, zie uw moeder. Geest, bedwing de stof. Want wie bij Jezus schreit, die moet schreien in geest en waarheid hh. Het Oude Verbond zal zich niet in goedkoope dames-tranen, doch in een krachtige visscherspreek voortzetten en vervullen. De zoon en de moeder, die de Geest van Jezus bijeengebracht heeft, zullen dàn niet ontbreken op het festijn, dat alle tranen heiligt en tot offers maakt, offers van dank (Hand. 1 : 13, 14).

O tweede Adam, levendmakende Geest. Kom, preek in ons gezelschap. Wij zullen de tranen bedwingen, Heer.

Wij hooren buiten vrouwen schreien, snikken; zij zeggen, en ’t stoort Uw preeken: och, och, waar is Zijn arme moeder? Rampzalig de borst, die hém van Nazareth gezoogd heeft . . . . ii wij hooren ’t snikken, Heere. Het is echt menschelijk. Maar Gij ziet rond U heen en zegt: ze zoeken Mijn moeder. Ze willen haar de hand drukken en condoleeren. Dat is de zede van de groote stad. Wie is Mijn moeder, dan die doet den wil Mijns Vaders? jj Anders heb Ik geen moeder. Moeder, neem de band niet aan: omdat gij Mijn moeder zijt geworden naar den Geest, en Vaders wil doet, zullen ze ù met Mij kruisigen . . . .

Hebt Gij dit zooeven hier gezegd, in ons gezelschap, Heer? Zie dan weer rond in onze kamer, bekeer ons tot den wil desVaders, en leer ons onze zonen houden bij het doopvont, waarop van àl Uwe broeders particulier geschreven staat: Heere, vereenig ons in den Vader-wil. Wij mochten elkaar eens niet meer kúnnen liefhebben, wij mochten elkaar eens moeten verwenschen: zooals Gij ’t hebt gezien van fijne dames. Als onze oogen op de via dolorosa twee kanten uit zien, — naar Jezus, èn ook naar de oude priesters — of zèlfs reeds, als de oogen, die dan één kant uitzien, tégen de |59| menschelijkheid van „Jezusáán zien, maar niet, dóór de menschheid van Jezus héén, de godheid van den Zoon en het ambt van Christus zien, dan is ons „fijn-gevoelig” schreien de inzet van ons grof-verwenschen van ons eigen vleesch.

Hoor, Hij zegt tot mij: Ik ben de Koning, maar Mijn Koninkrijk is niet van hier. Alle koningen, die niet van hier zijn, kunnen tijdgeloof prachtig voor hun zaak gebruiken: opwinding, enthousiasme en tranenvloed, die stevigen hun machtstroon. Maar Ik ben slechts de Koning van Zacharia 6. Mijn koninschap is met het priesterambt verbonden. Ik mag daarom die tranen niet, want deze tranen zijn zónder meer slechts uiting van een tijdgeloof. En wee Mij, als Ik bij God niet worstel om uw zaligmakend geloof, weenende dochters van Jerusalem. Hier is de Bruidegom, een konings-kroon, een priester-ziel, en Hij doet de dochters van Jeruzalem nog recht. Hij worstelt nòg om haar behoud. Hij is niet ontrouw aan de huwelijkswet: Hij heeft die tranen niet veracht, doch enkel maar geoordeeld, opdat de trouwelooze bruid den Heere, den Maker, die haar Man was, nòg zou eeren.


Welaan dan, in de derde plaats, hier is de Priester onzer belijdenis. Hij weet zich Priester. En daarom wil Hij niet maar voorwerp zijn van medelijden, doch Hij wil enkel lijden in Zijn kracht, een offerande zijn voor velen. Claudia krijgt hier haar antwoord; en Pilatus met zijn „ecce homo” ook. Láát Satan Hem verzoeken, en láát den duivel trachten Hem in en door die smart der vrouwen Zijn eigen werk-program te doen vergeten, Hem àf te leiden van de eischen van Gods heiligheid, of Hem te doen vluchten uit de wrong van de wraak van God: het zal den Satan niet gelukken. Christus heeft het leege sentiment der vrouwen van Jeruzalem niet voor zich begeerd om aan ’t geloof te onthouden: Zijn vasten wil-tot-offerande. De tranen van Delila hebben Simson vandaag niet van Zijn werk afgetrokken; Hij komt wel in de gevangenis der filistijnen, maar ’t is om die tranen nièt; het is Zijn werk geweest, alzoo in het gevangenhuis te gaan. Hij neemt redenen uit zichzelven, ook op Zijn doodsdag. Daar waren vrouwen hier, die Hem ophouden |60| wilden, toen Hij den bruidschat van de wáre bruid Zijns harten moest gaan uitbetalen; Hij heeft zich recht door haar dichte drommen heengeworsteld, Hij moest en zou betalen. Bijwijven kent Hij niet; de ware bruid kan Hem zien komen en betalen en koopen met haast. Met haast. Hij struikelt niet, o bruid, over het impediment van vreemde erotiek van vreemde vrouwen, die geen kooper in Hem zien. Tranen hebben altijd de loopers in hun loopbaan ópgehouden: maar Hij is in den weg der zuivere gehoorzaamheid als Priester steeds maar vèrder gegaan. En zoo wordt Hij de archeeg, de „opperste leidsman en voleinder des geloofs” kk, die óók straks òns doet afleggen allen last, ook bet molest van erotische vrouwentranen. Dat beschreide gezicht, dat links en rechts van Hem opdoemde, als Hij het zweet uit Zijn oogen wegknipte, en dan weer even zien kon, dat beschreide vrouwengezicht, dat smeekte om een blik uit Zijn wonderlijke diepe oogen — want de tranen van vrouwen houden niet op van vrágen — dat heeft Hem niet belemmerd het gelaat van God te zien, die van Hem slechts één ding vraagt: de strakke verdoemenis, omdat het rècht het zoo besteld heeft.

De vrouwen verzwegen het elkaar ’s avonds, maar ze hadden ’t toch even zichzelf gezegd: hij was toch minder interessant, dan zij dachten. Maar dat wàs het nu juist, Hij vervloekt alle interessante menschen — de klaploopers van den geest, en hun verzamelaars tevens.

Dit is de Priester, die ons betaamt.

Eens heeft Hij zelf geweend, toen Hij de stad nabij kwam, en toen Hij zeide, dat zij hare zonden niet bekende, noch wat haar vrede maken kon. De tranen, die de Christus toen geweend heeft, ze worden nu getoetst door God. Want alle tranen, die de mensch zoo voor en op zichzelf soms schreit, ze worden pas getoetst, als zij zich moeten handhaven, zuiver en onvermengd, tegen die van een ander. Wanneer Christus’ tranen over Jeruzalem gevallen waren enkel en alleen als tranen van zwakkeid, — Hij kòn niet werken vanwege ongeloof! ll — dan zouden zij hier die machteloosheid hebben laten blijken in de gretige aanvaarding van de smart van deze vrouwen. Als Zijn ziel — die anima sensitiva — vandaag |61| tranen van anderen als reuk-offers aanneemt, los van den geest, die in Hem is, dan is Hij als Middelaar uiteengerukt. Dit is dan ook de verzoeking van den Satan in en door die vrouwen: Christus’ menschelijke ziel wil hij — die Satan — roeren en bewegen, los van de di-rectie van Zijn geest. Maar nu Hij zich naar ziel en geest handhaaft ook tegen deze wijde en toch smalle droefenis, nu blijft Hij de sterke. Wij weten nu, dat de tranen, die Hij gister schreide, niet zijn gescheiden van het bloed, dat Hij heden plengt; en dat Zijn bloed-tranen noch Zijn tranenbloed ooit van Zijn geest gescheiden zijn. De tranen van den ander, die hebben menigeen gehinderd in de offerande van de eigen daad; maar Jezus is er niet door gehinderd.

Nu Hij Zijn eigen tranen handhaaft in heur pure kracht, nu zijn zij één gebleven met Zijn dierbaar bloed.


Nu wordt het ónze beurt, bij Hem te schreien. Bij Hem, door Hem, tot Hem. Wie Jezus’ tranen èn Zijn bloed zag vallen op den weg, dien Hij als Borg betrad, die schreit niet meer om de zwakheid van „Jezus”. maar vindt zichzelf weenend terug in de kracht van „Christus”. De Christus doet zich voor zijn oogen open als Priester, en laat zichzelf zoo zien.

Hoor, wat Hij tot de vrouwen zegt. Hier is Zijn priesterlijke aanspraak: Dat Ik hier sterf, dat is niet Mijn natuurlijk lòt, maar Mijn bóvennatuurlijke daad. Het is niet Mijn natuurlijk lòt, want Ik ben geen dorre boom, doch een groene, frissche boom. Wanneer een groene boom gekapt wordt, dan is dat tégen de natuur. Slechts dorre boomen worden naar recht en rede omgehouwen. Een groene boom, die valt, die krijgt wat het zijne eigenlijk niet is, die neemt voor zich hetgeen den dorren boom moest overkomen. Het dorre hout, de uitgebloeide tak, die is het vuur wèl waard. Hij krijgt het zijne, als hij in den vuurdood wordt geworpen. Nu, — àlle tak van Israëls boom, die Mij niet meer erkent, behoort tot ’t dorre hout; hij kan niet anders dan vergaan, hij krijgt het zijne. Maar,als Ik, de groene boom, Mij heden laat verachten en versterven, dan neem Ik áán het lot der doode takken. Ik neem het uwe, dochters van |62| Jeruzalem! Ik wil uw lot Mij in Mijn dood nog laten welgevallen. Komt tot Mij, allen, die vermoeid zijt en beladen mm, — och of gij nog bekendet, ook in deze ure, wat tot uwen vrede dient nn.

Hoorde Simon van Cyrene goed? Hij meende een drogen snik te hooren, maar hij kon niet opzien, hij kon niet in Zijn oogen zien.

Priester, Hoogepriester, groot van genade. Wanneer de menschen straks zullen zeggen: bergen, valt op ons, dan zullen zij God van zich àf bidden, God en het Woord. Zij zullen God en het Woord, óók Uw priestergelaat, van zich wèg bidden. Ze hebben Mozes’ blinkend gelaat van zich weggebeden, door een doek tusschen Mozes’ gelaat en het hunne te vragen oo. Die doek moet straks een berg worden. Zóó dik en dicht: berg, val op ons! Want wie kan tegen de oogen van het Lam? Maar deze Priester haalt God en het Woord naar zich toe, o, o, Hij kán tegen de oogen van God. Hij kán er tegen! — Hij doet Zijn werk in opperste bewustheid.

Noem Hem niet Mara pp, noem Hem ook niet den ongelukkigste; want dat is de naam, dien de vrouwen van Jeruzalem Hem geven. Maar die naam is hóón. Wie Jezus noemt den aller-ongelukkigste, die noemt Hem in éénen adem, en die ziet Hem in één verband met alle àndere „ongelukkigen” van deze wereld, die stelt het groene hout in één verband met alle dorre, doode hout. Maar die zelf heeft zich nadrukkelijk van alle anderen onderscheiden: de groene boom in het verstorven woud. Niet de ongelukkigste is Hij, dochters van Jeruzalem; Hij is de Middelaar van alle verdoemden van God, van allen, die zich naar Hem strekken, om uit Zijn dood te leven. Neen, zeg nu niet: daar gaat de ongelukkigste, ecce homo. Les misérables van Jeruzalem, dat zijn vrouwen en priesters. Bij wien dan zult gij Hem vergelijken? qq Aan Zijn medelijden, hoor ik iemand zeggen, is Hij gestorven — maar dit uur heeft het anders wel getoond. Mijn Priester, die het medelijden in Zijn doodsnood nog kon àfwijzen, die kan er nimmer aan te gronde gaan: Hij kan slechts heerschen. En wij hooren in de verte reeds den Geest Hem prijzen door het Woord, Hem, die „behoorlijk medelijden hebben kan met onze zwakhedenrr; — en die ons leert, dat wel is waar. de droefheid der wereld den dood werkt, maar dat de droefheid „naar” God, de |63| droefheid overeenkomstig God, een onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid ss.

Geef hier mijn kinderen. Ze zijn in Jeruzalem geboren; en het is laat; de einden der eeuwen zijn op ons gekomen tt. Geef hier de kinderen van laat-jeruzalem. Zij mochten mij eens ontglippen. Fin de siècle. En breng mij samen met mijn ongeboren kind, mijn kind-in-de-idee, bij het kruis van Jezus Christus, en leer ons samen een Paaschlied.

Maar — leer ’t mij niet te haastig; of, ik bedoel: ontijdig. Ik mag vandaag niets overslaan. Jezus heeft Jeruzalem en den kinderen daarin de verdelging verkondigd, ceterum censeo Iesum esse delendum. 16) God zal mij straffen, als ik dezen vreeselijken zin niet zeggen durf — op Zijn gezag.

Wonderlijke dag; tranen en tranen, — maar God zegt enkel maar: daar is gezag. Hij maakt het mij erg moeilijk: want ik haat gezag, vooral wanneer het zich oplegt aan mijn tranen, ik vond ze toch zoo mooi. Ja, ja, ceterum censeo Iesum esse delendum: Heere, verdelg mij niet.

Open mijn oog, dat ik zuiver zie,
Ontsluit mijn lippen, dat ik waarheid spreekl
Opdat ik niet in valsch gevoel uitbreek
In hoon en eenen storm van snikken, die
U zouden smetten in Uw heerlijkheid. 17)



1. Vergelijk over ’t verschil tusschen spot en hoon, deel II, blz. 166 v.v.

2. Zie blz. 20 van dit deel.

3. Zie Ezechiël 31 vgl. hoofdstuk 28.

4. „God”; niet „Heere” (Jahwe).

5. Ezechiël 31 : 15, 16.

6. Joodsche naam voor den overste der duivelen.

7. Zie deel I, bl. 339 v., deel II, bl. 17 v.

8. Een (meestal godsdienstig) werk, dat in zichzelf genoegzaam geldt; waarmee men voorts geen doel heeft, waarmee de werkheiligheid zich tevreden stelt, alsof met ’t uiterlijke werk genoeg gedaan zou zijn.

9. Hiermee is niet beweerd, dat Christus opzettelijk uit het Hooglied citeert.

10. Zie deel II, hoofdstuk VII, voornamelijk bl. 121 v.v.

11. Jezus–Bar-Abbas, zie deel II, bl. 438 v.v.

12. Met Hem — als gelijk-waardige — twee moordenaren.

13. Joh. 1 : 11.

14. Vgl. deel II, bl. 64 v.v.

15. Wel heel ver staan wij hieraf van P.G. Groenen, a.w. 445, die spreekt: „De Heiland erkent dan ook die edele gezindheid (van de weenende vrouwen, K.S.) en als belooning daarvoor spreekt Hij haar liefdevol toe”. Dit is toch wel een zuiver roomsche gedachtengang.

16. D.w.z.: voor het overige meen ik, dat Jezus moet wòrden verdelgd (zinspeling op een bekend woord uit de klassieke litteratuur).

17. Vrij (in tegengestelde gedachte) naar Albert Verwey, Christus-sonnetten.




a. Niet eerder gepubliceerd.

b. Vgl. 2KorintiŽrs 5:21.

c. Vgl. MatteŁs 5:26.

d. Vgl. Zacharia 11:12.

e. Vgl. Guido Gezelle (1830-1899), Kleengedichtjes (1860).

Gelukkig die Gods woord

aanhoort,

gelukkig die ’t bewaart,

al waar ’t

zoo zwaar als ’t Abraham

vernam,

wanneer hij ’t welbemind-

e kind,

zijn eenig, ging, op Gods

gebod,

gaan slachten, met bereid-

zaamheid!

f. Vgl. Jesaja 42:8.

g. Vgl. Psalm 68, vers 2 (berijming 1773).

h. Vgl. MatteŁs 21:19v par.

i. Vgl. Lucas 23:31.

j. Vgl. Psalm 147:1.

k. Vgl. 2KorintiŽrs 10:18.

l. Vgl. 1Petrus 5:10.

m. Vgl. 2Koningen 2:12, 13:14.

n. Vgl. Psalm 118:22.

o. Vgl. Lucas 23:29.

p. Vgl. 1TimoteŁs 2:15.

q. Vgl. 1KorintiŽrs 1:23.

r. Vgl. Hooglied 5:8.

s. Vgl. Psalm 72:20.

t. Vgl. Psalm 90:4, 2Petrus 3:8.

u. Vgl. Spreuken 30:15-16.

v. Vgl. 2Samuel 24:1.

w. Vgl. 1Kronieken 21:1.

x. Vgl. Klaagliederen 3:39.

y. Vgl. 1KorintiŽrs 13:4.

z. Vgl. MatteŁs 26:63.

aa. Vgl. Handelingen 1:7.

bb. Vgl. MatteŁs 26:64.

cc. Vgl. Joël 1-2.

dd. Vgl. Psalm 118, vers 3 (berijming 1773).

ee. Vgl. Johannes 19:26v.

ff. Vgl. 1KorintiŽrs 15:45.

gg. Vgl. Lucas 2:10.

hh. Vgl. Johannes 4:24.

ii. Vgl. Lucas 11:27.

jj. Vgl. MatteŁs 12:50.

kk. Vgl. HebreeŽn 12:2.

ll. Vgl. MatteŁs 13:58.

mm. Vgl. MatteŁs 11:28.

nn. Vgl. Lucas 19:42.

oo. Vgl. Exodus 34:33v.

pp. Vgl. Ruth 1:20.

qq. Vgl. Jesaja 40:18.25.

rr. Vgl. HebreeŽn 5:2, 4:15.

ss. Vgl. 2KorintiŽrs 7:10.

tt. Vgl. 1KorintiŽrs 10:11.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000