HOOFDSTUK XIII.

Christus’ bloed gedachtenis nemend in Jeruzalem.

En de Overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, ze in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.

En tezamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot eene begrafenis voor de vreemdelingen. Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag. Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des gewaardeerden van de kinderen Israls, denwelken zij gewaardeerd hebben, en hebben die gegeven voor den akker des pottenbakkers; Volgens hetgeen de Heere mij bevolen heeft.

Mattheus 27 : 6-10. a


De geschiedenis van Abrahams erfrecht begint bij de graven, en eindigt ook weer bij de graven.

Ze begint bij de graven. Want toen Abraham voor een flinke som gelds een erfbegrafenis kocht om Sara’s lichaam daar te bergen, en later, met zijn geslacht, aldaar een plek te hebben, die in den dood althans hun eigendom kon zijn, toen was dat de eerste worsteling van Abraham, die vreemdeling was onder de heidenen, om van het beloofde land, zooal niet voor zijn leven, dan toch in zijn dood een stuk te bemachtigen.

En nu staat Abrahams zaad bijna aan het einde.

Geweldig oogenblik. |251|

Toen Abraham zijn akker kocht, was hij nog zwervende, maar op weg naar zijn vaste erfbezit, het beloofde Kanaan.

En thans, veel eeuwen verder, is Abrahams zaad ng op zijn plaats van rust. Het woont ng in het oude Kanan. Maar het staat gereed, om voortaan te gaan zwerven over ’t rond der aarde. Nog maar enkele oogenblikken, en het vleeschelijk zaad van Abraham zal zijn recht op een plaats in de wereld verloren hebben. Het zal de goddelijke roeping, die eerst een grafspelonk, en toen een bloeiend land voor Abrahams zaad geopend heeft door ’t souverein behagen, ontrouw geworden zijn, door Abrahams grooten Zoon een graf der eere te weigeren. En daarmee zal ’t zijn rechtop dat schoone land verloren hebben en verspeeld. Nog maar een korte spanne tijds, en het zaad van Abraham begint zijn trieste, eeuwenlange, vagabondage: de zwerftocht van den wandelenden Jood.

En thans, nu Abrahams zaad weer tot een crisispunt gekomen is, thans eindigt de historie van zijn erfrecht wederom bij de graven.

Dat was in het verloren oogenblik, toen Judas dertig zilverlingen in den tempel wierp. En toen de priesters van hun eigen uitgewogen loon wel moesten zeggen: dat is een gruwel in de heilige plaats, liggende waar het niet behoort. En toen zij dan daarna voor ’t kwalijk riekend geld, dat geen plaats in den tempel waard was, een kerkhof kochten voor de vreemden. Het is het uur van het ontwerp van Akeldama geweest, waarin Israls erfrecht op een einde liep.


Wij willen even de historie nagaan, die tot dit oogenblik geleid heeft.

Toen Judas had gemerkt, dat aan Jezus — en aan Judas, niets meer te doen was, was hij den tempel ingesneld, en had het met verraad verdiende geld voor de voeten van de priesters geworpen, zoo maar, open en bloot in het tempelhuis. Want Judas wil zich van het geld ontdoen; de tafel der wisselaars wordt door hem omgestooten, zelfs waar zij buiten de tempelmuren was gezet. Het leven heeft geen uitzicht meer voor Judas, en het tractement, dat |252| hem voor vier maanden 1) gelegenheid gaf op kosten van het Sanhedrin te leven, en hem dus zoo de kans opende, desverlangd om te zien naar een meer passenden werkkring, dan die in de „verloren Jezus-jaren” voor hem had opengestaan, 2) — dat geld had nu geen zin meer, omdat hij het leven niet meer zag als iets, waarvan hij nog wat te wachten en te hopen had.

En toen is Judas zijn eigen weg gegaan; laat ons daar verder nu van zwijgen.

Maar de priesters, en de Schriftgeleerden, en het Sanhedrin, zij zaten met hun eigen geld verlegen. Want daar kleefde bloed aan dat geld. Het was het bloed van Jezus. En intutief voelden zij, dat dit geld niet „kosjer” is. Het is niet gewijd, want het is in den bloedhandel geweest. Het heeft zijn rol gespeeld in een sinister spel van dood en verderf. En daarom durven zij dat geld niet tot den tempelschat te voegen. Want de tempel moet geheiligd worden, maar dit geld heeft in een oorlogshandel dienst gedaan. Zou men een geldsom, waaraan het bloed kleeft van eenig menschenkind, gebruiken willen om den ternpeldienst daaruit te bekostigen? Zouden tempelwachters de tafelen der wisselaars laten staan in ’t zuiver heiligdom? Het was er ver vandaan; de Nazarener had zich maar verbeeld, dat zij van Gods huis een huis van koophandel wilden maken. Zelfs David, aan wiens handen k het bloed van anderen kleefde, mocht niet eens een tempel bouwen, vanwege al dat bloed. Dus willen dan ook zij het bloed, dat aan dit geld gekleefd zat, niet voor oogen hebben. Want heilig, heilig, heilig is de Heere Zebaoth, die woont bij Zijn Levieten, en bij Zijn schoone priesters, in een kosjer tempelhuis.

Dus staat het vast: dit geld moet buiten ’t Godshuis blijven.

Wel is daarvoor niet een apart gebod geschreven, maar — verschillende uitleggers wijzen op plaatsen als Numeri 35 : 33-34, waar gesproken wordt over bloed, dat het heiligdom verontreinigt, |253| hoe het ook vergoten is. Ook wijst men ons op Deuteronium 23: 18, alwaar gezegd wordt, dat men niet voor hoerenloon of hondenprijs in Gods Huis gaven wijden mag. Al wat in een onzuiveren handel is verdiend, mag nimmer worden besteed voor zuiveren tempeldienst.

Dus moet dat bloedgeld buiten den tempel blijven.

Maar wat dan?

Zal men het geld verdeelen onder gegadigden? Maar het mocht eens kwaad doen; en bovendien, het is toch uit den tempelschat gekomen. Daarom moet het ook voor een algemeen doel, een goed doel, worden aangewend.

Ten slotte, men vindt er wat op. Na rijp beraad wordt dan besloten, — wanneer het gebeurde, weet men niet precies — dat men het bedrag besteden zal voor den aankoop van een stuk grond, dat men gebruiken kon voor den aanleg van een kerkhof voor de vreemden.

Uit deze beslissing blijkt, hoe hoog eigenlijk de geldsom was, die aan Judas uitgekeerd was. Judas kon er zveel weken van leven; en, men kon er zelfs een stuk grond voor koopen, groot genoeg voor een kerkhof.

Dan, hoe dit verder zijn mag, merkwaardig is hgt, dat de profetie wederom haar plaats zoekt onder het volk der openbaring, om zich te vervullen op de meest treffende manier.

Immers, wanneer men den akker koopt, dan gaan de joodsche leidslieden van hun kant wel zeer voorzichtig te werk, en bepalen wel, zoo heel zonder erg, de plek, waarop zij beslag zullen leggen voor hun kerkhofplannen; maar intusschen heeft God in dezen krommen handel alles bestuurd met „allerbizonderste” voorzienigheid. Wij lezen, dat zij een akker kochten, die een pottenbakker had toebehoord. Bedoeld is daarmee, dat op hetzelfde stuk grond, dat zij hebben gekocht, iemand, waarschijnlijk een bekende figuur, 3) van het pottenbakkers-gilde, zijn ambacht had uitgeoefend. De grond lag waarschijnlijk op de zuidoostelijke helling van het z.g. |254| Hinnomdal, een plaats, die k al weer door de profetie geteekend was als een treffend symbool voor de hel, dat groote huis der dooden. —

In den koop van dat bepaalde stuk grond werd nu de profetie vervuld, waarover wij reeds eerder gesproken hebben. 4) Wij zagen toen, dat de profeet Zacharia eenmaal voorspeld had, dat de dertig zilverlingen, waarmee Isral zijn Goeden Herder naar huis gezonden had, moesten worden geworpen voor den pottenbakker, en dat dit beteekende, dat die dertig zilverlingen een onreine prijs waren in de oogen van God. Een onreine prijs, die dan ook naar de plek der onreinen moest worden gebracht.

Het moge waar zijn, dat de tekst, die boven ons hoofdstuk afgedrukt is, niet Zacharia zelf vermeldt, maar een citaat geeft, dat aan Jeremia wordt toegeschreven. Maar, hoe men verder daar over denken wil, dit is wel zeker, dat de evangelist aan de woorden van Zacharia gedacht heeft. 5) En zoo is het niet maar een „treffende bizonderheid”, en nog minder stof voor een toch altijd in den grond profaneerende, wijl eigendunkelijke, allegorie, maar een opzettelijk schikken der dingen door God alzoo, dat zelfs in letterlijken zin de profetie in vervulling trad, in volle aanschouwelijkheid van controleerbare, officieel geregistreerde feiten. Hier is een pottenbakker, hij is er letterlijk; en hier is de onreinheid, en die is er letterlijk; want wat is onreiner dan een kerkhof, en dat nog wel voor „de vreemden?” En hier is ook de heilige spot van God. Het geld, waarmee Gods trouwe herdersdiensten „getaxeerd” waren geweest, werd reeds in Zacharia’s profetie ironisch bespot als „een heerlijke prijs”; — en die zelfde ironie is er nu weer in den aanleg van dat kerkhof. Daarin wordt immers vastgelegd, dat Isral met zijn eigen bloedgeld geen raad weet; dat de tempelschat wel |255| aangesproken werd, om den grooten Tempelbouwer in handen te krijgen ter verwoesting, maar dat vervolgens het herdervertredend volk met zijn dertig zilverlingen geen raad weet; dat het zijn eigen honorarium heen en weer werpt tusschen de geestelijke voorgangers, totdat zij eindelijk ermee terecht komen bij ongepleisterde graven.

Wanneer dan ook uit het geld, dat Judas terug gegeven heeft een kerkhof wordt bekostigd, en dit kerkhof een bestemming krijgt als begraafplaats voor de vreemden, dan moet men hier niet gaan „vergeestelijken”.

Dit is helaas meer dan eens gebeurd.

„In verband met Mt. 13, 38 waar Christus ter verklaring eener gelijkenis zegt: „de akker is de wereld,” wijst men in navolging van enkele (kerk)vaders op hetgeen door het bloed van Christus geschied is ten opzichte der wereld. Door den prijs van zijn bloed werd de akker dezer wereld gekocht, en wel tot een plaats van rust voor ons, die vreemdelingen zijn hier op aarde.” 6) En Hilarius heeft zelfs in het feit, dat de akker voor „de vreemden” bestemd was, deze zinnebeeldige beteekenis zien liggen, dat de prijs van Christus’ bloed niet aan de Joden, maar aan de heidenen ten goede komen zou, voorzoover zij n.l. in Christus hebben leeren gelooven en evenzoo hebben Chrysostomus en Augustinus in den bloedakker de kerk meenen te vinden. 7)

Wie op die manier, gelijk dat heet, „vergeestelijken” wil, ziet eigenlijk de kern van heel het gebeuren voorbij.

Want Akeldama is niet een goddelijke profetie over de nieuwtestamentische kerk (die trouwens nooit de heidenen „uitspeelt” tegen de Joden, doch slechts de heidenen invoegt bij de Joden, maar hen dan samen uit den waren wortel Abrahams laat opbloeien); het is, zeggen wij nog eens, geen profetie van God ver de kerk, maar een protest van het Jodendom tegen de kerk van het Nieuwe Testament.

Wij kunnen zelfs in Akeldama — want zoo werd later de plaats |256| genoemd als akker des bloeds, omdat hij voor bloedgeld gekocht was — een protest zien tegen den Pinkstergeest.

Want de Pinkstergeest komt straks, door Christus’dood, heidenen en Joden bij elkaar brengen, en den „middelmuur des afscheidsels” verbreken. Maar de Joden hebben bij voorbaat dien „middelmuur des afscheidsels” nog eens heel stevig opgericht. Het is, alsof zij zich met opzet ontdoen willen van de profetie, en van het oordeel, dat God gesproken had, toen Hij — ’t was op den Vrijdag van Jezus’ dood — de tempelgordijnen scheurde. In dat gescheurde gordijn immers predikt God, dat er geen heilig plekje meer is, in heel de wereld niet, voor de vertegenwoordigers van het vleeschelijke Jodendom. Maar tegelijkertijd pretendeeren zij, die in den tempel hun dertig zilverlingen om en om keeren, met taaie vasthoudendheid de onkreukbaarheid van hun eeuwenoude rechten. Zij leggen een kerkhof aan voor de vreemden; dat is te zeggen: zij roepen de scheiding tusschen Isral en de heidenen nog weer eens krachtig en hevig uit. Hier moet Isral begraven liggen, en dr een vreemde. Hier moet een Abrahams-kind liggen en dr een vreemde. Tusschen Jood en niet-Jood is de onderscheiding zoo sterk mogelijk. De middelmuur van het afscheidsel, die zal in der eeuwigheid niet verbroken worden!

Ja, het is zelfs mogelijk, dat hun onderscheidings-wellust zijn cirkels nog nauwer trekt.

Want het woord „vreemde” beteekent hier, zoo goed als zeker, niet eens „de heidenen”, maar in het algemeen menschen, die niet tot de heilige stad en het heilige volk in engeren zin te rekenen vielen. Misschien moet gedacht worden aan vreemde Joden, die in het buitenland geboren waren, en op de feesten dikwijls de heilige stad kwamen bezoeken. Het is ook mogelijk, dat proselieten hier zijn bedoeld. 8)

Maar juist als men daaraan denkt, blijkt nog veel sterker, dan indien ruw-weg van heidenen sprake was geweest, dat de onderscheidingsen de fscheidings-wellust bij de Joden zich tot het uiterste |257| handhaafde. De aanleg van een apart kerkhof voor de vreemden handhaaft zoo stellig mogelijk het verschil tusschen Isral en wat niet secuur Isral is, tusschen de ingeborenen des lands, en zelfs van de stad, n degenen, die buiten zijn of geweest zijn.

En daarom is Akeldama een protest, bij voorbaat, tegen de bloeiende gemeenschap, die God om Christus’ wille straks op het Pinksterfeest gaat bouwen, — wanneer God immers alle grenzen tusschen Jood en niet-Jood, tusschen ingeborene en vreemde, tusschen ingewijde en proseliet, uitwisschen zal, en de Joden, mt de heidenen tezamen, roepen zal tot de bekeering in Christus Jezus.

De koop van Akeldama is, onder dit licht bezien, het sterkste illustratieve moment van bet vleeschelijk denken van Abrahams verloren zonen. Zij zetten zich schrap tegen God, die de gordijnen scheurde, die hun grenzen verlegde, en die hun onderscheidingswellust uit de hoogte belachte. Akeldama is gekocht met het bloedgeld van Judas, en zijn paden zijn geschoffeld met de grimmigheid van Rachel, die haar kinderen beweende, en weigerde getroost te worden, omdat zij niet zijn. Want gelijk die weenende Rachel haar oogen maar niet betten wil, omdat zij Jezus kwalijk neemt, en Hem nooit vergeven zal, dat Hij het „vleesch” van Abraham heeft gedeerd, en de natie niet langer als natie heeft aangenomen, z wordt ook hier de marche funbre van Rachel ingezet, wanneer de sanhedristen Akeldama in gaan wijden. Want zij houden vol, op hoop tegen hoop, zij houden vol tot op hun kerkhof toe, dat de kinderen des huizes anderen zijn dan de vreemdelingen, die elders zijn geboren. Zij weigeren te aanvaarden de prediking van den Gekruiste, dat „onder lle volk, wie God vreest en gerechtigheid werkt, Gode aangenaam is.” Het is een protest tegen Jezus, en Zijn vrijmoedigen voorlooper, die eens hun toegeroepen heeft: „meent niet te zeggen bij uzelf: wij zijn kinderen Abrahams, want God kan zelfs uit deze steenen Abraham kinderen verwekken.” Welneen, — zij zijn en blijven kinderen Abrahams en het breede oppervlak van de wijde wereld en van de heilige stad moet zorgvuldig in hoekjes en vakjes verdeeld blijven: hier een burger, en dr een vreemde. Barbarendom en Isralietendom moeten in de wereld wl onderscheiden |258| blijven; de vreemde lucht blijft zelfs hangen in een doodshemd.

Akeldama, akker des bloeds. Jongste en meest verouderde kerkhof.


Natuurlijk hebben de Joden, die den raad van Akeldama sloegen, de dingen z geen oogenblik gezien. Evenals zij er onbewust van waren, dat de bizonderheden van Zacharia — pottenbakker, dertig zilverlingen, enz. — letterlijk in vervulling gingen in hun vreemds soortigen handel, zoo hebben zij ook geen oogenblik er besef van gehad, dat zij, door het bloedgeld van Judas buiten den tempel te houden, zichzelf hebben geplaatst onder het oordeel van de oude profetie. De bepaling immers, dat geld, waar bloed aan kleefde, niet in den tempel komen mocht, was wel een uitvloeisel van het levietisch karakter der reinheidswetten, maar zij was, op zichzelf genomen, nog gn bewijs, dat zulk geld in ethischen zin als onrein gold. „Levietische” reinheid of onreinheid is nog wat anders dan „zedelijke” reinheid of onreinheid. Wanneer dan ook de jeruzalemsche autoriteiten dat bloedgeld niet in den tempel ontvangen willen, dan willen zij volstrekt niet geacht worden, daarmee beweerd te hebben, dat de bloedstorting, die door dit geld mogelijk is gemaakt, geen godgevallig werk zou wezen. Alleen maar, de tempel wil van dergelijke anti-pacifieke donaties niet gediend zijn, zoo redeneeren zij. De tempel is irenisch, en lust daarom geen bloedprijs. Oorlogswerk bouwt geen tempels.

Maar al beroepen zij zich op David, die immers ook geen tempel bouwen mocht met . . . . bloedhanden, zij waren toch van David ver verwijderd. Davids handen schikten wel geen tempelsteenen, doch Davids hart en mond zong voor den tempel psalmen, messiaansche psalmen. Doch dze tempel-curatoren hebben met David wel de bebloede hand, doch niet het messiaansche hart gemeen. De psalmen van David zijn uit hun geest z grondig weggegleden, dat zij recht daar tegen in gaan. Den wren Auteur der psalmen, d.w.z. den grooten Zoon van David, verkoopen zij voor bloedgeld; en hun dertig zilverlingen kunnen slechts op een vreemdelingenkerkhof tot rust komen. Zeker, daar kleeft bloed aan hun handen, doch het is niet dat bloed, hetwelk aan Davids handen zat, want |259| Davids handen zijn gedoopt in bloed van Israls vijanden, maar hun hand is bevlekt met het bloed van Davids eigen Zoon.

Akeldama kan dit schandmerk in der eeuwigheid niet uitwisschen. De Joden schrijven hun Rijks-verraad vergeefs in kerkhof-zand. Want nu zij het Rijk verraden, kent het Rijk geen andere vreemden meer, dan hen zelf en huns gelijken.


Maar nu, was dat nu geen triumf van God, dat het bloed van Christus ook in Jeruzalem zichzelf „gedachtenis heeft gesticht”? In den woordenschat der arameesche volkstaal is aan het bloed van Jezus plaats bewaard. Toen de officieele tempeltaal weigerde, van het bloed van Gods offerlam een motief van tempelzangentedoen maken, toen heeft God in de taal der kleinen, der ongewijden, aan het bloed van Jezus gedachtenis gesticht. Akeldama, Akeldama, d.w.z. akker van bloed, akker van het groote bloed, akker van het ne bloed, bloed van Jezus.

Zoo komt God reeds tot den Pinksterzegen. Het bloed van Jezus moge dan door de heilige, hebreeuwsche tempeltaal worden doodgezwegen, maar de volkstaal, het arameesche „dialect”, (zooals er eigenlijk staat), vermeldt het bloed van Jezus te allen dage, en brengt het op de markt, en sticht het in de daagsche conversatie zijn gedachtenis.

En het bloed van Jezus wil juist naar de conversatie toe; zoo is de pinkstergang van ’t bloed van Jezus Christus. Alle offerbloed blijft voor de tempeltaal motief; maar ’t bloed van ’t ware lam komt in het idioom der dagjes-menschen: Akeldama, Akeldama.

Maar dit is niet de nederlaag der openbaring, doch haar verheven gang: als de grooten weigeren, dan mogen de kleinen komen. Als de tempelheeren zeggen: wij verzwijgen dit bloed, dan draagt de volkstaal de herinnering eraan verder. Als de ingeborenen van den huize, door de tempelpoort komende, hooren zeggen: Zwijgt ons over dat bloed, verdoezelt het, en bedekt het, dan zullen de vreemdelingen, die door familie of door een paar schamele kennissen naar Akeldama worden gebracht, onder de poort doorgaan, waarop „in menschenschrift” van Jezus’ bloed geschreven is. |260|

Dit is, zoo men het wil, stof voor een schoone allegorie, omdat de nomenclatuur der spraakmakende gemeente, in het geval van Akeldama, parallel loopt met de feiten van het Pinksterfeest, ja, daarin ’t Pinksterfeest reeds bezig is te komen. God heeft het bloed van Christus, dat groote onderwerp van de gesprekken der geheele wereld, reeds overgebracht van het hebreeuwsch naar het arameesch, van de tempel-taal naar dagjesmenschen-keuvel, van de priesterspraak tot het jargon van straatslenteraars, van de officieele geleerdheid naar den officieuzen volkshumor, van Abrahams wettige gloriedragers tot de sprekers in een vreemde taal en de vrijbuiters van het gemengde ras. En God heeft den klank, de stem, van Jezus’ ne bloed bewaard, en vastgelegd in ’t ongeschreven opschrift van het kerkhof Akeldama. Het bloed van Jezus komt in gedachtenis bij de dooden n bij de levenden, bij Akeldama n bij het Heilig Avondmaal.

En kleinigheden zijn er niet, ter eener noch ter anderer zijde. En ’t toeval is er evenmin. Het was de Pinkster-volheid in het talen-wonder, dat God de groote werken Gods liet prijzen, niet in de officieele taal van Israls hymne-zingende priesters, doch in de alledaagsche taal der vreemden, die handel dreven, en hun zaken deden in de gemeenspraak aller profane lieden. En in dit groot geheel is akeldama niet vergeefs benoemd, ook hierin vervult de God der eeuwen Zijn gedachten.


Daarom is Akeldama ook een oordeel over het vleeschelijk Jodendom.

Reeds eerder zagen wij, hoe het volk Isral, door zijn verwerping van den Messias, den weg opging van „de dooden, die hun dooden begraven”. Maar hier is het nog erger. Hier zijn het de dooden, die de geroepenen tot het leven begraven. Want nu Isral zijn eigen Messias kruisigen gaat, komt het aanbod van de zaligheid tot de „vreemden”. Maar terwijl God aan die vreemden de rechten toekent van den Sion, daar zeggen de Joden: laat ons de vreemden toch vooral klein houden, zelfs in den dood: Akeldama, Akeldama!

Toen heeft de stem van God klaar en doordringend geprofeteerd. |261| Want — en nu keeren wij naar ons uitgangspunt terug — de historie van Isral, en van zijn erfrecht, is bij de graven begonnen, en is ook bij de graven geindigd.

Herinner u Abraham, die een akker kocht voor grooten prijs, van „de zonen Heths”. Tusschen dien Abraham, die zijn plekje koopt voor zijn doode, n het Sanhedrin, is een groot en een tragisch verschil.

Abraham koopt een graf voor de eigenen, die nog waren onder de vreemden; maar het Sanhedrin koopt een graf voor de vreemden, die er zijn onder de eigenen.

Abraham koopt een graf, omdat hij het beloofde land wel naar de belofte, doch nog niet daadwerkelijk in de praktijk bezit; en het Sanhedrin koopt een graf, zker, wel onder de pretentie, dat het op het land der vaderen rechten kan doen gelden, en het ook daadwerkelijk in bezit heeft, maar dan toch z, dat God verklaart, dat het recht van Isral op Kanaan, en zelfs op Akeldama, die paar vierkante meters in een verschoven hoek, aan dit volk ontnomen is, nu het zijn Christus kruisigt.

Want van Akeldama begint de groote berooving. Van hieruit wordt het Jodendom te zwerven gezonden over de wijde wereld.

Toen Abraham zijn doodenakker kocht, heeft hij hem eerlijk gekocht en betaald; maar wanneer het Sanhedrin zijn doodenakker koopt, is hij door bloedgeld aangeschaft. Het geld, dat Abraham besteedde voor het eerste stuk grond van het beloofde land, was hem door God zelf geschonken. Maar het geld, dat het Sanhedrin betaald heeft voor een vreemdelingen-kerkhof, is aan den tempel ontroofd, en heeft God zelf verkocht, in Zijnen Zoon. Toen Abraham zijn graf kocht, was het zijn geloof, en het was Gods belofte, en het was de messiaansche Geest, die hem, mt zijn doode Sara, en mt zijn komend kroost, van de vreemden onderscheidde, tot op den dag van Christus toe. En heden koopt het Sanhedrin zijn akker voor de vreemden; het onderscheidt zich weer nadrukkelijk van de vreemden; maar de dag van Abraham is vervuld, doch zij zien het niet: zij willen het niet zien. En daarom is het dit keer niet het geloof, maar het ongeloof, niet de belofte, maar de valsch uitgelegde |262| wet, en niet de Geest van Christus, maar het vleesch, dat hier het zegel zet onder de koopacte van heden, de koopacte, die geteekend is in ’t sterfjaar van Jezus Christus. — Abraham hoopte, op hoop tegen hoop, dat hij, die nu nog een plekje voor zijn doode kpen moest, koopen voor geld, hetgeen hem toch van God reeds was beloofd, eens eigenaar van ’t rijke land zou worden door den zegen. Maar het Sanhedrin hoopt, op hoop tegen hoop, dat het zich nog onttrekken kan aan het oordeel; dt oordeel, hetwelk aan de vreemden de rechten waarborgde van Isral zelf.

Zoo is dan Sara, die vorstin, begraven onder de vreemden, door geloof en hoop en liefde. Maar de vorstelijke Zoon van de vorstelijke Sara, de vrij-makende Zoon van de vrije moeder Sara, wordt heden begraven door ongeloof, en zelfvertering en gruwelijken haat. En indien Akeldama er reeds geweest was, toen Jezus stierf, men zou dien Zoon van Sara zelfs dr niet eens neergelegd hebben: Hij hoorde immers bij de gansch vervloekten, en bij de goddeloozen wijst men Hem een plaats toch in Zijn dood? Voor Hm is Akeldama ng te mooi. Maar daarom is Akeldama, dat de godsspraak over Israls grondigen dood heeft fgeleid langs en over de „vreemden,” tot ons gekomen, die immers uit de vreemden zijn. En Akeldama zegt ons: indien gij u niet bekeert, gij zult desgelijks vergaan. Dat is te zeggen: gij zult dan k zijn onder hen, die als candidaten voor het, leven, een graf aan anderen wijzen beneden nzen „stand”, — en zie, wij hebben geen stand meer in der eeuwigheid.

Indien dan de taxatieprijs van ’t bloed van Jezus Christus — die dertig zilverlingen — is vastgelegd op Akeldama, bij de onreinen, laat ons dan nu de graven der profeten niet gaan bouwen; want het blijkt, dat de keerzijde van dat bij uitstek farizeesche werk is: de aanleg van een akeldama. Jeruzalem, Jeruzalem, gij die steenigt de profeten, die hunne graven bouwt, en gemeenschap hebt met hun vervolgers, gij, die profetengraven bouwt aan d’ overkant van Akeldama, maar in dezelfde stad van „Sodom en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruisigd is”, — Jeruzalem, Jeruzalem! Neen, wij willen uw graven niet langer bezien, doch naar het kruis willen wij zien, en Jezus volgen die naar Pilatus gaat, en Zijn bloed nu |263| geeft, opdat het in den dorren akker der wereld wonderen van leven en van goede sier zou doen voor allen, die vreemden zijn naar de natuur, maar erfgenamen willen worden door genade.

En voor het oordeel van Akeldama willen wij vreezen.

Want niet voor niets liggen over de wereld, rechts en links, de kerkhoven verspreid langs de steden van de burgers, kerkhoven voor de vreemden. Het zijn de akeldama’s waarop men Joden wegdoet; — en niet-Joden wezen het plekje aan, en zeiden: dr, daar in dien hoek. Vader Abraham, graf van Sara, wagen Israls en zijne ruiteren!

Akeldama in Jeruzalem — het einde van Sara’s graf, en de aanvangsplaats van de zwerftochten van den wandelenden Jood. Vloeken van Arabieren en psalmen der pinkstergemeente en de stage, koppige wind van den Pinksterdag, hebben den verschoven Jood van zijn ongepleisterde graven opgejaagd. —

Want Christus is overal, Hij wandelt ook tusschen de graven der vreemden: Zijn huisgenooten zijn daaronder; en Sara wacht haar veelheid van kinderen ook uit Akeldama, straks, in den jongsten dag. Zij weet het wel: dit heeft haar groote Zoon gedaan, haar Wonderkind, dien zij met moeite gebaard heeft en geschoord.




1. Vgl. deel I, bl. 59.

2. Dit geeft een — eerlijkshalve in rekening te brengen — perspectief in de ziel van Judas: misschien heeft hij het geld willen gebruiken om naar een andere levenspositie rustig te kunnen uitzien.

3. A. Nebe, Die Leidensgeschichte unsers Herrn Jesu Christi nach den vier Evangelin, II, 1881, S. 15.

4. Zie hoofdstuk V, deel I, Christus getaxeerd, bl. 67 v.

5. Over deze kwestie bestaan zeer veel verschillende opvattingen. De Kantteekeuingen van de Statenvertaling hebben gedacht aan een oplossing der moeilijkheid langs tekstcritischen weg. Anderen denken weer aan de mogelijkheid, dat Matthes aan verscheidene plaatsen uit Jeremia gedacht heeft, maar de samenvatting van al die plaatsen heeft gevonden in de welbekende woorden van Zacharia. Zie verder Grosheide, Kommentaar Matthes blz. 339, en ook Groenen, a.w. 306 tot 308, en voorts de kommentaren.

6. Groenen, a.w. bl. 304-305.

7. Groenen, a.w. 304-305.

8. Nebe, a.w., 15; Grosheide, Komm.




a. Niet eerder gepubliceerd.

b. Vgl. .

c. Vgl. .

d. Vgl. .

e. Vgl. .

f. Vgl. .

g. Vgl. .

h. Vgl. .

i. Vgl. .

j. Vgl. .

k. Vgl. .

l. Vgl. .

m. Vgl. .

n. Vgl. .

o. Vgl. .

p. Vgl. .

q. Vgl. .

r. Vgl. .







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000