HOOFDSTUK XXII.

Christus’ angsten hebben hun eigen einde.

Toen kwam Hij tot Zijne discipelen en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust; ziet de ure is nabij gekomen.

Mattheüs 26 : 45a. a


Wanneer de angsten van Christus in Gethsemané een eigen aanvang hebben, en een eigen voortgang, dan hebben zij ook een eigen overwinning.

En, dan laten zij ook die overwinning zien op een eigen manier.

Dit laatste, de eigen overwinning van den beangsten Christus in Gethsemané, èn de eigen aankondiging van die overwinning spreekt zich uit in het woord, dat ons nu bezig houden zal, het woord, waarmee Jezus, opgestaan als het ware uit de dooden, de discipelen wekt tot hún leven: „Slaapt nu voort en rust. Ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.”


Daar is, zeiden wij, een overwinningsjubel in het woord van Jezus, gelijk het hier staat.

Deze overwinning is al behaald in de gebedsworsteling, waarvan in het voorgaande ons gesproken werd. Daar is, zagen wij, in Jezus’ bidden een verscherping geweest van het conflict, dat Zijn ziel ontzette. Maar, met de verscherping van het conflict groeide ook de mogelijkheid van de oplossing. De ziel van Jezus is niet te vergelijken met een slagveld, waarin twee tegenstrijdige machten elkaar bekampen, en een overwinning dàn alleen mógelijk is, als de ééne macht voor de andere geweken is. Neen om te |376| komen tot overwinning, moet Jezus Christus aan de beide krachten, aan de twee machten, die in Zijn binnenste strijd voeren, de volle ruimte in de aandacht van Zijn zieleleven schenken. En daarna zal Hij zélf zichzelf tot overwinning leiden, door hetgeen in het strijdperk van Zijn hart verdeeld was, in God te verbinden: tijd en eeuwigheid, begeerte en behoefte, natuur en geest, liefdeshonger en rechtsbestel, menschelijke ervaring en goddelijk decreet. —

Zoo kwam Christus’ bede in Gethsemané tot overwinning.

De vorm, waarin dit herhaald gebed ons wordt beschreven, wijst ons er op, dat Jezus al dichter kwam bij Zijn triumf.

Eerst heeft Hij gevraagd: „laat dezen drinkbeker van mij voorbij gaan.” Dit was toen naar den vorm, de hoofdzin van het gebed. Wel volgde daarop: „niet mijn wil, maar Uw wil geschiede,” — doch, al mag dan in Jezus’ ziel deze gedachte het rustpunt zijn, waarnaar Hij haakt, en waarin Zijn geloof en liefde reeds in beginsel stand genomen hebben, toch is deze laatste toevoeging, wat den vorm betreft, toch nog niet op de plaats van den hoofdzin gekomen.

Maar wanneer Christus voor de laatste maal bidt, dan wordt die bede zóó geformuleerd: „Mijn Vader, indien deze drinkbeker van mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat ik hem drinke, Uw wil geschiede.” En hier is niet slechts in de gedachte, maar ook in de ordening der woorden, dat laatste: „Uw wil geschiede,” de hoofdzin van Jezus’ gebed. Het is niet meer een naderen tot, maar een staan in den éénen wil van God.

En dat enkel door het geloof.

Want met Zijn menschelijk verstand en met Zijn aardsche waarneming kan Jezus nóg niet, hetgeen God doet, volkomen doorgronden. Hij staat nog voor het raadsel: „indien deze beker niet voorbij kan gaan,” zoo spreekt Hij zich uit.

Doch al staat Hij voor het raadsel, — Hij heeft Zijn standpunt nu gekozen in den wil en in het besluit van God, en daarom is de overwinning bevochten.


Deze overwinning kondigt zich ook aan.

Christus blijft niet liggen op den grond, wachtende op wat |377| komen zal, maar Hij staat op, schudt de discipelen wakker en schikt en plooit in Gethsemané alles tot de ontvangst van — moordenaren.

De volstrekte rust van den Overwinnaar laat zich ook vernemen in het woord, dat Hij aan de discipelen toevoegt: Slaapt nu voort en rust.

Ontkend kan niet worden, dat deze woorden op ons aanvankelijk een vreemden indruk maken. Zij zijn eigenlijk zóó vreemd, dat men ze dikwijls anders vertaalt, dan wij gewoon zijn. De één legt het woordje voort anders uit, dan wij plegen te doen, en vertaalt dan: slaapt in de toekomst maar, slaapt en rust maar later (maar nu is het tijd om op te staan). Anderen vertalen, alsof er een vraag stond: slaapt gij nu nog voort en rust gij? Weer anderen nemen de vraag weg, maar behouden de voorstelling, volgens welke niet de bevelende, maar de aantoonende wijs gebruikt is: gij slaapt maar voort en rust.

Wij voor ons meenen, dat in dit geval de vertaling van onze Statenoverzetting moet gehandhaafd worden: Slaapt nu voort en rust.

Maar dan komt de vraag nog, wat Jezus hiermede zeggen wil.

Dat Hij in ernst bedoelen zou, aan Zijn discipelen verlof te geven om te blijven rusten, valt niet aan te nemen; immers aanstonds volgt er het bevel, om op te staan, — want de vijand is nabij.

Neen, er blijft geen andere mogelijkheid over dan de uitdrukking te beschouwen als ironisch. De kantteekenaren hebben daar reeds in de verte iets van gevoeld, want zij teekenen aan: „dit zegt Hij bestraffender wijze, gelijk men dikwijls iemand eindelijk iets schijnt toe te laten, als het te laat is, waarvan men hem tevergeefs heeft afgemaand.” Deze, reeds heel oude, opvatting van Christus’ woord, laat dus ruimte voor de gedachte, dat Jezus’ woorden, die zoo dikwijls, ook reeds vóór dien tijd, ironisch zijn geweest, wederom nu den vorm kiezen van de ironie. Jezus wil ermee zeggen: „slaapt nu maar verder; gij hebt het al zóó lang gedaan, en zóó vast, dat gij nu maar verder moet gaan. Mijn woorden, toen Ik in grooten nood u riep tot de nachtwake, hebben uw oogen niet kunnen openhouden. Wel nu, slaapt dan maar verder, is de tijd nu niet rustig, en is de hof niet gedrenkt in vrede?” |378|

Dit alles is dan een ironie, die vol is van smart.

Ze is tevens uiting van een ziel, die in ruststand is gekomen.

We hopen daar iets van te zeggen.


Vooraf evenwel nog iets anders. Er zijn menschen, die tegen deze opvatting bedenkingen opperen. Tegen de aanvaarding van de gedachte, dat Christus zich ironisch zou hebben uitgedrukt, zoo zegt één hunner, „bestaat dit bezwaar, dat zulk een ironische zegswijze — op zich reeds moeilijk van Jesus te veronderstellen — zeker uiterst moeilijk verondersteld kan worden in dat zoo tragische oogenblik van Jesus’ vreeselijk zielelijden in den hof. Dan ligt daarenboven in die ironische zegswijze een bitter verwijt aan de Apostelen opgesloten, en dat toch hadden zij niet verdiend, want hun slapen was niet te wijten aan onverschilligheid en traagheid, maar aan natuurlijke omstandigheden, waaronder zeker juist het deelnemen aan de droefheid niet de minste was: Hij vond hen slapende ten gevolge der droefheid. Al wordt nu door velen die ironie zoo opgevat, dat zij niet aan sarcasme grenst, . . . . toch doet zij hier onaangenaam aan. In verband met de gemoedsstemming van Jesus, zooals die kenbaar is uit al zijn woorden en handelingen gedurende de laatste uren in de zaal van het avondmaal en in den hof, valt het moeilijk aan te nemen, dat Jesus oogenblikkelijk na de overwinning van zijn doodsangst, terwijl zijn vijanden zich reeds aan de poort van den hof bevinden, door die woorden „slaapt dan en rust” toch in ieder geval eenige apathie den leerlingen heeft verweten.” 1)

Dit bezwaar, dat wij voluit aan het woord lieten komen, is natuurlijk te verstaan, en verdient ook onze volle, en eerbiedige aandacht.

Toch gelooven wij niet, dat het gelden moet.

Wij keeren zelfs de gedachte om; waar deze schrijver meent, dat de ironie niet past in het verband van dit woord van Christus, daar meenen wij juist, dat de ironie wel degelijk er in past. Ja, |379| dat wij de kracht van Jezus’ gebedstriumf eerst recht verstaan, als wij Hem zich op zien richten, ook aan en in dit woord van zeer verheven ironie.


In het algemeen reeds mag men niet over het hoofd zien, dat Christus meer dan eens ironisch heeft gesproken. De Evangeliën wijzen dat duidelijk uit. Daarin is Christus trouwens één met Zijn eigen profeten en apostelen. Met Zijn profeten, — want herhaaldelijk treft men den vorm der ironie in de profetieën van het Oude Testament aan. Met zijn apostelen, — want ook Paulus bediende zich ervan in menig heilig uur. En als Christus op andere tijden ironisch spreken kan, waarom zou Hij dat dan niet vermogen? Men behoeft toch niet aan te nemen, dat de „ernst” van Christus den éénen keer grooter is dan een andere maal?

Voorts vergete niemand, dat er een principiëel verschil is tusschen ironie en sarcasme. De tegenzin, dien sarcasme bij ons opwekt, is bij zuivere ironie niet gerechtvaardigd.

En eindelijk: laat men toch bedenken, dat de ironie de gave is der grooten. Ze is een glimp van Gods eigen zaligheid, vallende over ons heen. Evenals God altijd zálig is, niet ondanks, maar in, en, al is het ons onbegrijpelijk, toch óók in verband met de ellende, die in de wereld is; — en evenals God zelf dus àltijd licht èn donker, ieder oogenblik, in Zijn aandacht samentrekt, leven èn dood, psalm èn vloek, bekeering èn verharding, de nederigheid van wie voor Hem knielt èn den dwazen hoogmoed, van wie de vuist tegen Hem balt; — zoo kan soms ook de mensch in een enkel oogenblik plotseling tegelijkertijd gegrepen worden door een onverdeeld gezicht op het tegelijkertijd bestaan van zuiver contrasteerende dingen.

Daar golft in zulke oogenblikken een diepe smart op in een menschenziel. Want zij is niet als God. Zij is eindig, en kan de dingen niet aan; ze kan ze niet ten volle ver-werken.

Aan den anderen kant: er is ook een glimp van goddelijke rust, komende over zulk een ziel. Zij lijdt wel, maar komt niet in dat lijden om. Ze treedt weer in ruststand. Een mensch, die contrasten in |380| éénzelfde oogenblik van zijn aandacht tegelijk heeft gezien, zeker, hij lijdt, — maar dan toch altijd zóó, dat het bestaan van het contrast hem niet meer in het lijden onderdompelt, doch dat het in volle rust zijn gedachten bezig houdt. Het schenkt zelfs aan zijn denken een hoog-verhevenheid; een voornaamheid, welke wel blijft binnen de maat van het schepsel, doch die niettemin iets in zich heeft van het goddelijk zien in zaligheid.

De ironie behoort tot het beeld Gods in den mensch.

Wij noemden enkele malen God.

Daar staat omtrent dien hoogen God in den bijbel: „die in den hemel woont, lacht.” (Ps. 2).

Dat is ook ironie; en daaromheen liggen woorden van goddelijke liefde, goddelijk recht, goddelijke heiligheid en goddelijken toorn.

Zóó nu, als God lacht, omdat Hij altijd door de dwaasheid van de menschen ziet tegenover Zijn wijsheid, en omdat Hij altijd de onmogelijkheid van een overwinning, op God behaald, aanschouwt tegenover het dwaze woelen der menschenkinderen en der duivelen, die toch altijd weer trachten den Almachtige te verslaan, — zóó kan er soms een moment in het leven van den mensch zijn, waarin hij even iets ontvangt, iets mee-krijgt, iets doorleeft van dat goddelijke zien. De glimlach, die dan over het gelaat van den mensch trekt, is een heel flauwe, en — momenteele, afschaduwing van wat in God zelf volkomen is, en — immer duurt.

Neen, die glimlach is dan geen zonde.

Zij is enkel rust.

Gelijk God, de Heere, altijd, in de rust van Zijn zaligheid, toch ook weer de bewogenheid heeft, die Hem doet uitgaan in liefde tot de gevallen wereld, ja gelijk God schreit in den mensch Jezus Christus, waar Hij lacht in hetzelfde uur, zelfs van Gethsemané, lacht in de zalige rust van Zijn goddelijk bestaan, zoo kan ook bij den mensch, de ironie niet verweten worden, dat zij de bewogenheid, het meê-voelen en meê-lijden met een kromme en verdraaide wereld zou doen ophouden en stilzetten. Het is juist omgekeerd: alleen hij, die ironisch gezien heeft, hoe dwaas de zonde is, hoe potsierlijk recalcitrante dwergen zijn bij God, hoe belachelijk toch |381| eigenlijk het wringen en woelen is van de hel, alleen hij kan in rust, in zelfbeheersching, tot de wereld uitgaan, om de dwergen, hetzij neer te donderen, hetzij op te richten, en uit te rekken tot hun normale grootte; of om de potsierlijke narren, die te spelen gaan voor den drempel van Gods heiligheids-paleis, met zijn subliemen lach weg te daveren, of hun den levensernst te leeren. De ironie is een woord-uiting van een verheven stand van rust; maar zij sluit volstrekt niet uit het diepe medelijden, de donkere smart, de liefdevolle bewogenheid.

De ziel des menschen nu is, wijl zij menschelijk is, tot deze ironie bekwaam.

Hier toch toont zij, een plaats te hebben tusschen God en Satan in.

Van God hoorden wij zeggen, dat Hij in Zijn hemel lacht. Dat is de ruststand, de volkomen zaligheids-beleving, van dien God, die de contrasten van het wereld-leven immer voor Zijn aandacht heeft.

Maar aan den anderen kant der wereld ligt de Satan. Van hem staat er, dat hij siddert (Jacobus 2 : 19). En deze siddering is de zuivere tegenstelling van Gods lach. Ook Satan ziet; hij heeft een open oog, en een immer levende aandacht voor het bestaan van dezelfde contrasten, die God ook ziet; wij spraken er trouwens reeds over. Met open oogen ziet Satan zelfs zijn eigenste dwergenfiguur tegen de immense poort van Gods vervaarlijkheid vergeefs ópspringen. Evenals God, zoo is ook Satan elk oogenblik van zijn bestaan volmaakt doordrongen zoowel van de onmogelijkheid van het verslaan van God, als ook van de hardnekkigheid van zijn eigen rusteloozen wil, om toch voort te varen in het uitvaren tegen God. Maar deze contrasten ziet hij, Satan, niet in de rust en in de zaligheid van God, die lacht, doch in de onrust, in de rampzaligheid, van Satan en de hel. En daarom siddert Satan; zijn sidderen is in het heelal de keerzijde van den lach van God.

Nu staat tusschen God en Satan de mensch in.

In den regel zien wij, menschen, de snijdende contrasten van ons gecompliceerde leven niet tegenover elkaar staan. De mensch kijkt uit zijn enge dalen tegen de bergen van het leven áán; en . . . . de ééne bergwand onttrekt den anderen aan het gezicht. De ééne |382| indruk verdringt den anderen. Het ééne gezichtspunt staat tegenover het andere; en beide liggen doorgaans buiten het zuivere middelpunt. Daarom is de ironie, bij den verhevene, en het sarcasme, bij den platte, daarom is de ironie bij den heilige, en het sarcasme bij den verstokte, altijd maar een uitzondering. Tegenover den lach van God, die altijd contrasten ziet, kan de menschelijke ironie slechts in oogenblikken lachen. En tegenover Satans voortdurende siddering kan de man van sarcasme slechts af en toe zijn sarcasme kwijt. Het zijn maar uitzonderingsgevallen, als menschen contrasten, die tegelijkertijd in de werkelijkheid bestaan, ook tegelijkertijd grijpen kan, en saamvattend ze voor zijn aandacht heeft.

Maar indien hij ze in bepaalde oogenblikken grijpt, dan zal hij, die het beeld van God vertoont, ironisch spreken; en zijn glimlach wordt dan schaduwbeeld van den lach van Gods verhevenheid. En daartegenover zal de andere, wiens geest aan Satan en het kwaad verwant is, de contrasten die hij ziet, laten spreken in zijn woorden van sarcasme; doch dáár is dan ook een afspiegeling in van de wilde woede, en van de onverzoende onrust, en van de zelfvertering van den booze.


Zoeken wij nu van deze algemeene wet de allerspeciaalste toepassing in het menschelijk, goddelijk, en satanisch samenspel van Gethsemané, waar Jezus bloedt voor en door zijn . . . . slapers, waar de duivelen in paradepas opkomen . . . . tegen God, en waar joodsche autoriteiten het verlengstuk van deftige woorden en van liturgische formules zoeken in . . . . stokken en zwaarden, dan ontdekken wij, dat hier contrasten liggen, zóó veel, en zoo snijdend, dat er van zelf plaats komt voor de ironie, indien de ziel van den beschouwer in ruststand is.

En daar is hier een ziel in ruststand.

Het is de ziel, de groote, ééne, heilige ziel.

Dat is de ziel van Jezus.

Zij is in ruststand gebracht, juist door haar gebed.

Eerst was daar Zijn gebed.

De contrasten, die hier zijn, zijn eerst in onrust door zijn |383| sidderende ziel doorleefd, tot in de diepte van helsche angsten toe, doch zonder zonde. En daarom drongen al die angsten, daarom dreven al die sidderingen om de snijdende contrasten bij Christus tot een gebed. Hij sidderde, doch zonder zonde.

En nu?

Nu komen diezelfde contrasten weer terug voor Jezus’ ziel en geest. Maar nu heeft Hij den ruststand weer herkregen, en dan wederom zonder zonde. Nu kan Hij verheven lachen: Hij heeft gebeden, en wandelt nu op Zijne hoogten. „Al ging ik ook door een dal van schaduwen des doods, ik zou niet vreezen,” b doch op mijn hoogten treden.

Zoo is deze ironie het hoogtepunt van Jezus’ rust, tegenover het dieptepunt van Zijn onrust, daar even in het uur der helsche verzoeking. Dezelfde contrasten worden gezien, eerst uit de diepte van verscheurende pijn, nu uit de hooge rust van den in Gods kracht overwinnenden tweeden Adam, beelddrager Gods, uitgedrukt beeld van Gods lachende zelfstandigheid, afschijnsel van Gods verheven heerlijkheid c.


Misschien is het goed, nog even op dat laatste punt in te gaan.

Wij zeiden daar, dat Jezus’ ironie eigenlijk harmonisch behoort bij den diepgang van Zijn gebed. Immers, ook Christus’ bidden heeft geworsteld met het bestaan van de felle contrasten, die daar braken door Zijn menschelijk en ambtelijk leven heen. Daar waren bergtoppen. Die bergtoppen lagen tegenover elkander, groot en vervaarlijk als bergen kunnen zijn. De ééne was de bergtop van Zijn eigen gemeenschap met den Vader. De andere bergspits was die van Zijn verstooting door den Vader. Daar waren bergtoppen. De eene was die van Zijn menschelijke levensbegeerte. De andere die van zijn ambtelijke verplichting, om handen en voeten te schikken in den dood.

Nu heeft Christus’ bidden juist hierom zoo zwaar moeten worstelen, omdat Hij, niet in abstracte wetenschap, en óók niet in goddelijke verhevenheid, maar alleen door een menschelijke geloofsworsteling, waarin Hij met alle benauwden van Zijn volk meê |384| benauwd wordt, de overwinning moest behalen en de eenheid tusschen die verschillende bergtoppen moest leeren gelooven en zien. Om dan de rest, die gróóte rest, aan God, die ook Zijn God is, over te laten.

In dat bidden was Christus zuiver mensch. Hij, die als God den verheven lach heeft van Psalm 2, lag nu als mensch, in loutere vernedering. Hij zag de contrasten, maar kon de eenheid maar niet vinden. Hij leed, Hij zweette, Hij kermde: Vader, Vader! Dus was Hij zeer gejaagd; want daar gaapte een diepe kloof tusschen deze twee bergtoppen van tijd en eeuwigheid, van behoefte en van levenslot. En Hij kón niet uit de hoogte deze berghoogten met Zijn sterken arm samenvoegen, want Hij lag neergeworpen, in het diepe dal der verootmoediging en der verbrijzeling. Zijn bidden was een worsteling, om de éénheid te grijpen tusschen wat een tweeheid was. Die worsteling was niet een denk-strijd, maar een geloofsstrijd.

En door geloof heeft Christus overwonnen.

Hij is niet van de hemelsche hoogten afgekomen, om nu in vogelvlucht te zien, hoe die twee bergtoppen, die Hij maar niet kon samenwringen, toch in Gods diepten één waren, o neen. — Want, niet als lachende God komt Hij van boven de bergen af, om weerbarstige bergkoppen naar elkander over te buigen; doch uit de diepte, Heere, riep Hij tot U d; uit onze diepte, uit de diepte van den mensch, uit het diepe dal van uw en mijn kortzichtigheid, o medemensch. En uit dezen duisteren afgrond der menschelijke kort-zichtigheid moest Hij naar boven worstelen, en door het geloof Zijn voeten planten op de uiterste punt van de uitstekende rotspunten van: tijd en eeuwigheid, begeerte en lot, levensgebed en doodsgebod.

Deze overwinning heeft Christus nu bevochten als mensch, en in geloof.

Maar daarom mochten we dan ook Zijn ironie de rust-positie noemen, tegenover de onrust van daarstraks. Want nu de Christus staat, met beide voeten stáát, op die beide bergtoppen, en nu Hij door het geloof tijd en eeuwigheid, behoefte en lot, liefde en recht, |385| samen verbonden heeft, nu aanschouwt Hij in deze Zijne rust dezelfde contrasten, die Hem eens tot den dood toe hebben verontrust. Het is nu ironie, die de dwergen, welke apostelen heeten, zien kan in al de ellende van hun zwakke vleesch, in heel de onwetendheid van hun vermoeide ziel, die slapen kon te midden van het alarm, dat de hel sloeg tegen den hemel, en onder het klokgelui, dat de hemel wierp door al de sferen heen. Jezus verdraagt dit alles nu, en ziet het aan zonder eenige lijdelijkheid, doch in volkomen rust. Hij weet het nu: voor zúlken zal Hij sterven. Hij weet het nu, dat Zijn dood niet een ijdel offer is der vriendschap vóór de vriendschap, maar een offerande, uit den schoonen wil geboren, om te voldoen aan het recht, door de liefde. Hij weet het nu, dat Gethsemané en Golgotha juist hierom zoo vervaarlijk zijn, omdat de Bruidegom slechts aan een bruid zich geven kon, die niets te geven heeft, die enkel maar ontvangen moet. Hij weet het nu, en ziet het bij die slapende jongeren, dat er is een hemelsche ironie: het genadeverbond is, gelijk elk verbond, tweezijdig; en toch is het ook eenzijdig, want de kerk is de schoone slaapster, die niet eens waken kan in het uur van des Bruidegoms offer. Hij weet het nu. Hij is de Bruidegom, die Zijn bruid zal koopen, maar die eerst in, en door, dien koop, ze tot Zijn bruid kan máken.

Slaapt nu voort en rust . . . .

Hier is de vereeniging van het hart door de vreeze van Gods naam e.

Hier is de eigen overwinning van den volmaakten mensch, die in gebeden worstelde, zóó als nooit één geworsteld heeft.

In deze woorden betreedt Zijn hoogten, dezelfde, die in de diepte werd verbrijzeld.


Zoo is dan Christus tot Zijn ruststand gekomen.

Dat is te zeggen: nu wordt Zijn lijden zwaarder.

Want nu Hij de contrasten, die Zijn lijden en verdoemenis zullen scheppen, scherp onder de oogen heeft gezien, nu is Hij overgegaan uit de momenten van acute angsten, in den chronischen toestand van het lijden.

Gethsemané heeft dan ook een eigen plaats in het lijdensverhaal. |386|

Het brengt Christus, om zoo te zeggen, uit de diepte van het lijden, waarbij verstand en wil elkander nog niet de hand in ruste konden geven, tot op de hoogvlakte van het lijden, waar de ruststand is herkregen, en waar het lijden en zijn oorzaken voor Hem treden in de ongebroken aandacht.

Het ironische woord, dat aan den ánderen kant staat van Zijn gebeden, teekent dan ook scherp den overgang.

Zijn woord van ironie heeft Christus gesproken als één, die wel in ruststand stond, maar die in deze evenwichtspositie het lijden, wel verre van het nu kwijt te raken, juist continueert. Al is Christus in evenwicht gekomen, Hij is nog niet tot de hoogte geklommen, waar men lachen kan als God. Hij blijft over de aarde gaan; en de contrasten, die Hem zullen blijven ontmoeten, zullen Hem óók blijven martelen, juist, omdat Hij ze nu fel, en scherp, en levensgroot, voor de aandacht heeft.

Het einde van de angsten van Gethsemané is dan ook de overgang tot die tweede phase van het lijden, waarin Christus, die in Gethsemané niet zwijgen kon, wèl zwijgen kon voor Kajafas, zwijgen kon voor Pilatus, zwijgen kon voor Herodes; en straks spreken kon tot God, spreken in Zijn kracht: voorbidder voor de moordenaren, paradijs-ontsluiter voor een verloren ziel, huisbezorger voor Zijn bedrukte moeder.

Dit ironische woord: „slaapt nu voort en rust,” markeert den overgang tusschen deze beide phasen van het lijden.

Voorwaar, de rust is nu gekomen, maar het lijden is er door verzwaard.

Het wordt nú chronisch.

Het wordt nu van begin tot einde een bewuste, wel-overwogen, altijd met volle aandacht overmeesterde handeling, niet van een rustigen God, maar van een rustigen mensch, die zijn rust krijgt enkel door geloof.

Van nu af aan is het menschelijke in Jezus’ lijden, juist door die evenwichts-positie, weer verder van ons af. Het wordt elk oogenblik verhevener en sterker.

Maar, al worden wij bang, nietig, verlegen bij deze hooge menschelijkheid, |387| hij tilt ons, in priesterlijke armen, naar Zijn hoogten op. Een Heiland, die het „costelijk mal” van slapers bij Gods hellebrand kan proeven, en dàn voor hen wil sterven, die is Priester boven allen.


Want deze ironische lijder is de Borg. Hij is het, ook in Zijn ironie.

Slaapt nu voort en rust.

In dat vernederende woord stelt Jezus zich voor oogen, wat Hij ook in woorden uitdrukt, dat Jezus’ menschelijke ziel in ’t lijden niets gehad heeft aan de jongeren. „De discipelen hebben getoond niet met Jezus in het lijden één te kunnen zijn, zij hebben voor dat lijden geen waarde, er gaat geen kracht van hen uit, bij hen is slaap en rust, Jezus heeft aan hen niets.” Zij waren als dooden in dit uur; als dooden, die wel goed genoeg zijn om hun dooden te begraven, maar die niet sterk genoeg gebleken zijn, om in de worsteling om ’t leven actief op te treden. 2)

En nu, terwijl Jezus weet, en predikt, dat Hij in Zijn zielestrijd niets heeft gehad aan de besten en de eersten, en de hier tegenwoordigen van die de Vader Hem gegeven had;

nu Hij weet, dat zij Hem volmaakt alleen gelaten hebben, en dat zij Hem nooit verrijken kunnen, omdat zij enkel maar brokken ellende zijn,

nu gaat Hij, in die volle wetenschap, voor hén het kruis opnemen.

Nu Hij weet, dat zij Hem niets te geven hebben, nu geeft Hij zich aan hen!

Dat is de borgtocht, en ook de wil daartoe, in opperste volkomenheid.

Laat de dooden hun dooden begraven, dat is een angstig woord; want wie is uit zichzelf geen „doode”?

Maar Christus, die de dooden aan hun doodgraverswerk laat blijven, gaat nu zèlf het leven werven, en dat leven leggen straks in den verzonken geest der dooden, — opdat het groote kerkhofpad, waar dooden uitvaart geven aan dooden, de rei- en speelplaats worden zou van Gods geroepenen tot leven en tot licht.

Een borg, die zóó ironisch spreken kan, is borg nu in volkomenheid. |388|

Hier wordt het woord der Schrift verdiept, het troostelijke woord over God, die (ook nu in Christus) mildelijk geeft en — niet verwijt f.


Zoo is dan het einde gekomen van Christus’ angsten.

Het eigen einde.

Want in de heele wereld zou de ironie op zulk een oogenblik uitgesloten zijn geweest.

Laat nu ieder zich onderwerpen aan den Man van Smarten. Laat vooral ieder den Spreker der volkomen ironie toelaten, dat hij den mensch oordeele. Laat niemand meenen, dat hij, van zijn kant, Christus kan be-oordeelen.

Deze Ironicus bij de gratie Gods is ons te hoog en al te zeer verheven.

Wij kunnen bij deze hooge menschelijkheid al onze dappere woorden alleen maar inslikken. En alleen maar in geloof gaan luisteren.

Maar als wij gelooven, dan zien wij Hem staan. Dan zien wij Hem vervolgens gaan. Dan gaat Hij sterven, Hij, de ironische Man van irenische Smarten. Hij heeft de verhevenheid van hemelsche rust op Zijn verklaard gezicht; en nochtans gaat Hij dat alles bedekken in schamelen schijn van doffen dood. Het kruis bedekt niet alleen Zijn goddelijke, het bedekt óók Zijn menschelijke majesteit en rust.

Hij heeft gelachen, en het was een droeve glimlach slechts: slaapt nu voort en rust. Doch dit gelaat, dat tot een glimlach zich zelf geplooid heeft, is te meer ons dierbaar, nu het zich met tranen heeft bedekt.

De mensch Jezus, ach, wie zal daar nog meer van zeggen?

Hij is veel schooner dan de menschenkinderen. Hij is veel schooner dan de fijnste dichter, die den lauwerkrans van menschen draagt. Want Zijn ironie is anders, is hooger, dan die van den poëta laureatus, want zij is heilig. Daartoe is Hij zelf gansch zonder zonde.

Ook is Hij zeer verschrikkelijk.

Want Hij, wiens lippen spreken, fijner dan een dichtermond, en wiens geest rijker is dan de puurste dichterziel, heeft ons geleerd, dat met reine zielen en bekranste dichters de wereld niet verlost wordt: onze van God omkranste Dichter wordt de met doornen gekroonde Borg. Zijn geest blijkt fijner en humaner, dan die van den sterksten fijnproever: schooner en harmonischer dan |389| welke ziel ook onder menschenkinderen; maar zonder offer kan zij ons niet verlossen. Hij heeft hier al wat imponeeren kan. Het woord „innerlijke beschaving” is hier nog maar een belachelijk woord; men zou er niet mee kunnen aanduiden de volle harmonie van de zuiver gecomponeerde ziel van Jezus Christus. Bij deze ironie houdt immers de fijnste mensch den adem in?

Daarom, menschenkind, geen humaniteit, en geen beschaving, maar alleen het offer, dat verzoent en bekeert in geloof, alleen het offer brengt ons bij God.

Wijl Jezus dat vooral geweten heeft, gaf Hij straks Zijn handen in de banden.

De mond, die ironisch spreken kon, in diep sonoor geluid, zóó dat het hart er ons bij stil gaat staan, sluit zich straks.

De hand, die slapers oprichten kon met zachtbeheerscht gebaar, zij gééft zich in de boeien.

De ironicus, die zacht gelachen heeft, omdat Hij God weer zag, is nu in boeien.

En zóó is Hij ons lief.

Want als Hij zoo niet was geweest, dan waren wij in boeien; en om ons heen was niet de ironie van boven, maar het sarcasme van den duivel, die daar is van beneden.

Ja, zóó is hij ons lief; ironisch, toch in banden.

Deze ironie spreekt eerst zichzelve zalig: Zalig, zegt ze, is de Reine van hart, die schoon gelachen heeft, omdat Hij God gezien heeft g. Maar daarna spreekt ze ons óók zalig. Zij koopt den vrede ons. Dat is: zij bereidt ons, ja ook ons, die nu nog schreien, ze bereidt ons eenmaal tot den lach, zuiver en heilig, diep en hoog. Zalig die nu weenen — want zij zullen vertroost worden h. Slaapt maar voort. En rust.


Nu kunt gij veilig slapen gaan,
Nu al de heem’len open staan,
Ziel, wier verlangen elken rand
Aan ster na ster door-zichtig brandt . . . i



1. P.G. Groenen, a.w. 198.

2. Het citaat, en ook de treffende herinnering aan Matth. 8 : 22, is van Dr F.W. Grosheide, Komm. Matth. 324.




a. Niet eerder gepubliceerd.

b. Vgl. Psalm 23:4.

c. Vgl. HebreeŽn 1:3.

d. Vgl. Psalm 130:1.

e. Vgl. Psalm 86:11.

f. Vgl. Jakobus 1:5.

g. Vgl. MatteŁs 5:8.

h. Vgl. MatteŁs 5:4.

i. Vgl. Pieter Cornelis Boutens (1870-1943), het gedicht ‘Sterrenhemel’ in de bundel Vergeten liedjes.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000