HOOFDSTUK XXI.

Christus’ angsten hebben hun eigen offerwet.

En zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.

Lucas 22 : 44b. a


Het zweet van den Christus, of, gelijk sommigen (en dan ten onrechte) gaarne zeggen: het zweet van God, 1) heeft op de ziel van de kerk meer indruk gemaakt dan op haar geest.

Dit is te verstaan, maar niet te verontschuldigen.

Want zweet is, — zeker, — allereerst een ding voor de ziel, zoodra het angstzweet blijkt te zijn.

Máár — het is daarna toch óók een vraagstuk voor den geest.

Zweet is een kwestie voor den geest, omdat de angst het is.

En vooral het zweet van Christus moet een vraagstuk zijn voor den menschelijken geest, voor den denkenden geest vooral van de kerk. Want in dat zweet van Christus ziet zij de vormen (schoon het onzichtbaar wezen niet) van den prijs, die de Bruidegom heeft gegeven voor de bruid.

En als dat zweet van Christus dan bovendien nog bloed wordt, dat eigen bloed, waarover de kerk, en velen buiten haar boeken hebben volgeschreven, dat bloed, hetwelk de mystiek heeft aangegrepen als het motief van uiterste overgave, dàn had vooral de geest van de kerk wèrk moeten hebben met het zweet, het bloed-zweet van Jezus Christus.

Wanneer we dan ten slotte boven dit alles nog bedenken, dat de |364| bloedzweetende mensch Jezus toch volmaakt vereenigd is met den waarachtigen God, die het Eeuwige Leven is, dan is de traagheid van de kerk niet meer te verontschuldigen.

Haar denkende geest had aan het bloed, dat zweet is, en aan het zweet, dat bloed is, werk in overvloed. De geest van de kerk had, om zoo te zeggen, zelf moeten zweeten onder het vraagstuk van den bloedzweetenden bruidegom.

Toch heeft de geest der kerk, gelijk gezegd is, minder dan haar ziel, hiermee geworsteld.

Zeker, de ziel, de gevoelige ziel, is met het bloedzweet wel bezig geworden.

Daar is b.v. de mystiek. Daar is Franciscus van Assisi, en om hem heen staan mystieke sterren van mindere grootte. Zij hebben allen het zweet van Christus willen uitdrijven uit hun eigen poriën. Zeker, daar zijn er onder hen, die het hèbben gebracht tot het zweeten van bloed.

Maar — deze „mystiek” is dan ook minder een arbeid van den geest dan een beweging van de ziel.

En anderen zijn er geweest, die wel met ontzetting, een vreemde huivering in de stem, gesproken hebben over dit zweet, dat bloed is, dit bloedzweet van Gethsemané. Zij hebben zich ingedacht, hoe vreeselijk het lijden wel moest zijn, dat zweet uit bloed haalt en bloed als zweet uitdrijft. Zij hebben gehuiverd voor die groote smart, die geen naam onder de menschen heeft, en zij hebben wel met een ban in de oogen geluisterd naar de menschen van wetenschap, die ons komen verzekeren, dat inderdaad een toestand van nameloozen angst zweet kan uitdrijven, dat bloed is. Daar is, zoo hoorden zij zich verzekeren, een overmatig zweeten, waarbij dikke zweetdroppels er uitzien als klonters bloed. 2) Ze werden zelfs heel even blij, toen hun ziel, die het zoo ontzaglijk verschrikkelijk vond — en wilde vinden — hulp kreeg van de geleerden, die als beschermers van ’t geloof kwamen verzekeren, dat de uitdrukking van Lucas, in onzen tekst, geen hyperbool 3) was, maar |365| werkelijkheids-beschrijving. Trouwens, zoo zeiden ze daarna, zou Lucas, die immers medicijnmeester, dokter, was, niet zeer zorgvuldig juist op deze bizonderheid gelet hebben? En is het niet opmerkelijk, dat juist hij de eenige is onder de evangelisten, die op het „bloed-zweeten Christi” den nadruk legt?

Ach ja, zoo is er gezocht, en gepeinsd, maar het was telkens toch weer, als ’t erop aankwam, de ziel, die een gezicht op dit vreeselijk lijden behouden wilde. Ze gaf den geest van de „onderzoekers” uit de kringen der wetenschap alleen maar in zóóverre werk, als die geest argumenteeren moest om dit schrikkelijk gegeven van den bloedzweetenden Christus te laten . . . . behouden door de kerk en haar gevoelige aandoening. Maar hetgeen bij al die dingen bleef, dat was dit, dat met het eigenlijke mysterie van den Christus, die bloed zweet, de kerk meer met haar ziel dan met háár geest doende is geweest.


Het is onnoodig, met zooveel woorden vast te stellen, dat wij geen hyperbool, doch beschrijving van werkelijkheid vinden in het verhaal van Lucas over de bloeddroppels, die uit Christus’ poriën geperst zijn, en dat in zóó overvloeiende mate, en met zùlk een kracht, dat die droppels zelfs op aarde neergevallen zijn. Al voelen wij ons machteloos, om er iets meer van te zeggen, dan uit bepaalde onderzoekingen van „de wetenschap" ons verzekerd wordt, wanneer men namelijk zegt, dat het menschelijk leven inderdaad bij zeer hoogen zieleangst het verschijnsel kent van bloedzweeting, toch zouden wij, ook zonder die verzekering, Lucas op zijn woord gelooven. Want Gethsemané is en blijft voor ons de plaats, die alleen zich zelf verklaren kan. Dienovereenkomstig nemen wij de mededeeling van Lucas aan als een bewijs van den hoogen nood der ziel van Christus; en wij sidderen bij elken bloeddroppel, die op de aarde neervalt. Waarom wij sidderen? Omdat wij in die neervallende droppels de werking gelooven van de kracht, de zuigkracht van den engel van boven; dien engel, die Christus sterkte, en die den motor van Zijn hart en ziel weer aangezet heeft en gedreven, toen hij dreigde stil te staan. |366|

Maar zijn wij nu daarmee gereed?

Mogen wij tevreden zijn, wanneer de wetenschap ons heeft toegestemd, vriendelijk als zij voor alle zwakken is, dat „inderdaad” Lucas gelijk moet hebben gehad; en mogen wij dan verder, gelukkig met deze wetenschappelijke rechtvaardiging, ons terugtrekken in een hoekje, dat wij voor onze mystiek meditaties reserveeren, om dan dáár alléén ons zelf te bekennen, dat Christus’ angsten dus wel heel erg buiten de maat moeten geweest zijn?

Maar wisten wij dat nog niet?

Was datzelfde ons niet herhaaldelijk reeds gezegd?

Ach ja, wij wisten het al lang, dat Jezus’ angsten buiten de maat zijn.

En, eigenlijk kan Zijn bloedzweeten dát niet eens nog ons verhalen; niet eens bewaren.

Want wanneer het waar is, dat ook andere menschen bloed kunnen zweeten, als zij in hoogen nood zijn, dan valt dus eigenlijk dat bloedzweeten nog binnen de maat der menschen. Dan is het wel boven ónze burger-menschen-maat, maar niet boven „de" menschelijke maat.

En, het is goed, dat wij de dingen zoo zien en zeggen.

Want hetgeen in Christus’ angsten boven ons uitgaat, dat is niet in de vormen van dien angst te zien. Het ligt alleen in wat onzichtbaar is. Het ligt alleen in den strijd van Zijn ziel, in de worsteling van Zijn geest. Dáárin ligt het alles, wat boven de maat der menschen is. En in Zijn Godheid ligt het ook. Maar dat bloedzweeten, het mag dan aan de uiterste grens liggen van het menschelijk-mogelijke, het behoort dan toch tot het menschelijke zelf. Dat dus Christus geleden heeft uit ándere wetten en uit ándere krachten, dan ooit in de wereld iemand heeft geleden, dàt gelooven wij niet op grond van het bloed, dat Hij zweet, maar dat gelooven wij alleen om het Woord. Wij gelóóven dat, zonder ook maar eenigen zweem van bewijs uit dat bloedzweet te halen.


Wanneer wij dan ook volhouden, dat dit zweeten van bloed onzen geloovigen geest aan het werk moet zetten, en dat dit |367| bijbelsch gegeven uit de eenzame meditatieschemeringen van onze zielsaandoeningen, teruggeleid moet worden naar de leerzaal van de Opperste Wijsheid, waar onze geest wordt onderricht, — dan hebben wij daarvoor in de historie van de kerk zelf reeds een pleitgrond, die aan dezen eisch (den eisch, om den geest, en niet alleen de ziel, der kerk met Jezus’ bloedzweet werkzaam te laten worden) steun biedt.

Immers, hoe lang is de kerk niet bezig geweest met het bloed van Christus voor zoover het op Golgotha wordt uitgedreven? Heele folianten zijn vol geschreven, heel het vraagstuk van Schriftuitlegging is ook te pas gebracht, in ettelijke verhandelingen, over het bloed en het water, dat uit de zijde van Christus kwam, toen de speer van den centurio zijn doode vleesch uiteen reet. De roomsche mystiek heeft niet alleen haar ziel werk gegeven met het bloed van Christus’ wonden aan het kruis, maar ook de roomsche geest heeft dat gedaan, door engelen te fantazeeren, die het bloed van Christus’ kruiswonden in kelken opvingen uit Zijn zijde, om het straks weer uit te storten over alle zielen, tot in het vagevuur toe. En ook de niet-Roomschen hebben het bloed van Christus, voorzoover het in Zijn dood werd uitgedreven, als een vraagstuk voor het Christelijk denken telkens weer behandeld.

Maar wat heeft nu, in vergelijking hiermee de onderzoekende geest van de kerk met die bloeddroppelen gedaan, die tusschen de heesters en in het zachte mos van Gethsemané in den grond zijn gedrongen?

In vergelijking met wat Christus’ bloed aan het kruis voor de onderzoekende kerk beteekend heeft, moet men erkennen, dat het bloed van Gethsemané, het bloed, dat in zweetvorm uitkwam, toch eigenlijk voor den geest en het denken des geloofs bitter weinig heeft te zeggen gehad.

En toch, wie zijn wij, dat wij het ééne moment accentueeren, en het andere niet? Wie geeft ons het recht, om van het ééne een vraagstuk te maken, en van het andere niet? Wie geeft ons verlof, om het geschreven verhaal van Christus’ bloed en van de beweging, de uitdrijving, van Zijn bloed, in tweeën te knippen? En |368| dan van dat verknipte heilig blad één deel te geven aan den geest, die erover denkt, en een ander deel te reserveeren voor de ziel, die, sensitief, ervan huiveren mag?

De gansche Christus is voor ziel èn geest tezamen. En èlke beweging van Zijn bloed spreekt dezelfde taal, en spreekt de ziel slechts áán, als onze geest tegelijker tijd wil zien en hooren.

Daarom is òòk het bloedzweet van Christus voor ons een geestelijk vraagstuk. Het is ook een openbarings-vraagstuk. Het is dat niet minder dan elk onderdeel van het kruislijden, en van de angsten, en verzoekingen, van den Man van Smarten.


Wanneer wij dan ook iets verstaan willen van het openbaringselement in het zweeten van bloed, dan meenen wij, dat juist de tegenstelling tusschen het zweeten van bloed in Gethsemané en het gewelddadige uitdrijven van dat bloed in den dood van Golgotha, het rechte spoor ons aanwijst.

Immers, beide momenten vormen een zeker eindpunt.

Het bloed van Christus is twee maal uitgedreven.

De eerste maal in Gethsemané.

De tweede maal op Golgotha.

Dien eersten keer, in Gethsemané, is het bloed van Christus uitgedreven van binnen uit. Het werd gezweet.

Dien tweeden keer, op Golgotha, werd het bloed uitgedreven door verwondingen van buiten af. Er waren doornen in Jezus’ vleesch geprikt, geeselslagen waren op Zijn rug neergevallen, spijkers had men door Zijn handen en voeten geslagen, en dat alles was ten slotte voltooid in den lansstoot van den hoofdman, toen bloed en water vloeiden uit de wonde.

Er zijn dus twee manieren, waarop Christus’ bloed, dat is: de stroom van Zijn beweeglijk leven, wordt uitgeperst.

De ééne is die van een inwendig zielsproces.

De andere, die van een uitwendig lichaamslijden.

Van den eersten weg is het zweeten in Gethsemané het eindpunt en het hoogtepunt. |369|

Van den anderen weg is het vloeien van bloed en water op Golgotha het eindpunt en het hoogtepunt.

In Gethsemané wordt, om het eens gebrekkig te zeggen, het bloed uitgedreven langs organischen weg.

Op Golgotha echter langs mechanischen weg.

In Gethsemané zweet Christus bloed, maar geen enkel wapen van menschen heeft dat eruit gehaald. Dit bloed zweet Hij voor de oogen van God. God en Satan, maar Satan slechts gezien in het licht van God, hebben dat bloed uit Zijn lichaam uitgezogen.

Maar op Golgotha zijn het de wapenen van de aarde, die het bloed uit Christus trekken, en het vervloeien laten.

Neem nu deze twee hoogtepunten en eindpunten bij elkaar, dan bewijzen ze ons, dat het bloed van Christus door het gansche wereld-besteld wordt opgevorderd. De hemel zuigt het uit, de hel drijft het uit, de aarde zendt het uit. Van àlle kanten wordt het bloed, dat is het voertuig van het leven, Christus afgenomen en afgeëischt.

En ook van Zijn kant is er hier tusschen die twee momenten van bloedstorting een tegenstelling.

Weliswaar gaat het lijden van Gethsemané, en ook dat van Golgotha, den ganschen Christus aan, naar ziel en lichaam, maar er is toch verschil.

In Gethsemané heeft niemand Hem aangeraakt, dan God alleen. Zijn eigen ziel heeft daarom in Gethsemané zich aan God geofferd. Want Hij heeft met God, dien bloed-uitdrijver, vrede gehad. Hij heeft tot den Opper-bloednemer ja gezegd. Hij heeft met alle krachten ja tot God gezegd. Hij heeft den eed van trouw aan God gezworen, aan God, die bloed uitzweeten laat. Geen druppel heeft Hij ook maar met een klein beginsel van verlangen van God teruggevraagd. Dus — is dat bloed geofferd. Het is gegeven en het is van binnen uit gegeven. Het waren Christus’ eigen zieleangsten, die het bloed uitdreven in Gethsemané. En in die zieleangsten heeft Hij God volkomen gerechtvaardigd. Den engel, die Hem naar het leven, dat is: tot de mogelijkheid van bloed-offerande, krachtig terugriep, dien engel heeft Zijn krachtig kloppend bloed niet van |370| zich afgestooten, ook niet, toen Christus’ geest dien zwaren engel-eisch begreep. De Leeuw was stemmeloos. Als Hij in Gethsemané Zijn bloed stort, dan òffert Hij Zijn ziel.

In Gethsemané is Zijn ziel, eer dan het lichaam, een offerande geworden. En op Golgotha het lichaam na de ziel.

In Gethsemané is het bloed uitgedreven door krachten, die niemand noemen kan. Maar op Golgotha is het uitgedreven door het wapen, dat ook óns kan wonden.

Gethsemané, dat Zijn bloed laat uitzweeten, is daarom de offerande van Christus’ bloedziel, 4) gelijk deze naar de onzichtbare wereld toegekeerd is. En Golgotha is de offerande van Christus’ zielsbloed,4) gelijk dat naar de zichtbare wereld toegekeerd is.

Maar in die beide eindpunten en hoogtepunten is het mysterie even groot.

Want Gethsemané, waarin de ziel eer dan het vleesch geofferd werd, en Golgotha, waarin het vleesch zich na de ziel opoffert, ze zijn tezamen verbonden door het onzichtbare werk van den Geest. Want door den eeuwigen Geest heeft zich Christus onstraffelijk Gode opgeofferd b.

Als op Golgotha alle menschen het bloed van Jezus uitdrijven, dan láát Hij het Zich ontnemen door de menschen. Want aan die menschen is Hij volkomen dienstbaar geworden.

Maar eer Hij menschen toestaat, Zijn bloed te nemen, laat Hij in Gethsemané aan God dit toe. Ten slotte is het God alleen, die in den Olijvenhof Christus’ bloed naar buiten uitgedreven heeft. Alleen een van Gods zijde ingezette worsteling 5) van geestelijke krachten heeft hier Jezus’ leven tot in het uiterste ontbonden. En het levensbestand van den Zoon des menschen in den wortel met den dood geënt.

Dit is een schoone verborgenheid: Gethsemané heeft zijn eigen offerwet. Het offeruur wordt niet bepaald door grijpende menschenhanden; het is op Gods tijd tusschen Vader en Zoon reeds verduurd geweest. |371|

Dit eindpunt van den inwendigen weg der bloeduitdrijving van Christus Jezus laat ons dan ook Zijn liefde zien in haar hoogsten vorm.

Het eindpunt van Gethsemané is éven vol van liefde en overgave, als het andere eindpunt van Golgotha.

Het bloed van den mensch is in de Schrift immers geteekend als de drager van het leven? „De ziel is in het bloed.c Welaan, hier wordt dan Christus’ bloed en ook Zijn ziel niet slechts genomen, maar ook door Hem zelf uitgedreven.

Indien Christus’ bloedstorting enkel was een moeten onder de hand der menschen, dan zou de ziel van Jezus in dat bloed zijn uitgegaan, maar die ziel was niet gegeven als een offerande.

Maar nu Hij zelf Zijn bloed uitdrijft door de ziel, nu is de ziel een offerande. Zij is bewogen, met het bloed, door eigen persing van Zijn gansche menschelijke natuur.

De priesterdaad is hier volkomen.

Hier in Gethsemané heeft Christus in den hoogsten zin Zijn leven verloren. Hij heeft het verloren aan God. Daarom kan Hij het ook terug ontvangen van God, want wie zijn leven verloren heeft; die zal het winnen d.

En nu Hij Zijn ziel aan God verloren heeft, en daarvan teeken en zegel gaf in de uitdrijving van bloed, nu ontvangt Hij ook de ziel, het leven van God terug. Hij kan opstaan, zich vermannen, de discipelen wekken, de bende tegemoet gaan, Zijn handen geven aan wie Hem binden. Hij ontvangt de ziel en het leven van God terug, opdat Hij nu ziel en lijf, en geest, zichzelven offere, aan God, maar nu met bestemming voor de menschen.

Want het leven, en de bloedziel, die Hij eerst aan God gegeven heeft, kan Hij nu door menschen nemen laten, hun tot een getuigenis, en, voor zoover zij gelooven, tot een volkomen zaligheid.


Dit eindpunt van Christus’ lijden in Gethsemané openbaart ons ook de majesteit van Zijne smart.

Christus toch heeft van de onzichtbare wereld niet minder geleden dan van de zichtbare. En Hij heeft in Gethsemané niet alleen |372| slechts geleden onder de werkelijkheid van de onzichtbare machten in de geestelijke wereld, die Hem daar bekampten, maar ook door het ten volle inzien, en te voren voelen, van het lijden, dat nog in de nepen van Golgotha op Hem komen zou. Dus heeft Hij onder de idee even zwaar geleden als onder de werkelijkheid.

Deze Heiland kan nu de menschen verdragen.

Want Hij heeft ze reeds verdragen, èn overwonnen, in den onzichtbaren strijd. Hij heeft ze in de idee verdragen, eer hun werkelijkheid hem walgen en zuchten deed.

Hij heeft al die wriemelende menschen, die straks naar Hem toe komen, reeds bij voorbaat gezien, in Gods tegenwoordigheid. Nu kan Hij ze allen áán, want Hij heeft reeds in Zijn zielsproces met hen allen volkomen afgerekend.

Dit is de majesteit van Christus’ lijden. Want nu blijkt het, dat God alleen den Zoon zal kunnen verbrijzelen. De menschen kunnen dat niet: hij heeft ze reeds verslagen in de arena, waar God alleen de toeschouwer was.

Als straks het kruis het vleesch breken gaat, dan is dat kruis slechts in zóóverre een ergernis en een dwaasheid, als God daarin werkt ter verbrijzeling toe. Want niet de buitenkant van het kruislijden, of van Gethsemané, maar de geestelijke strijd blijkt in dat bloedzweet het wezen te zijn van Christus’ smart.


Niettemin, dat is dan ook ergernis en dwaasheid, niet slechts in den gekruisten, doch ook in den bloedzweetenden Christus.

Voor Joden en Grieken, zegt Paulus, is bizonderlijk de gekruiste Christus ergernis en dwaasheid e.

Want dat kruis kunnen zij zien. Zij kunnen niet verdrágen, dat menschen, dat straatboeven, triumfeeren over hem, die zich aankondigt als wereld-losser. Hoe kan iemand, die door soldaten aan een kruis gespijkerd wordt, de torser zijn van den wereldlast? Joden en Grieken hebben last van den buitenkant, en daarom van het kruis. De menschen, die het doen op Golgotha, de menschen zijn zoo groot en zoo druk, dat zij het gezicht op den Middelaar Jezus aan Jood en Griek ontnemen. |373|

Maar wij voelen het raadsel nog dieper, zoodra we Christus daar alleen voor God bloed hebben zien zweeten.

Hier is de ergernis niet aan den buitenkant, maar aan de binnenzijde.

Hier is Christus alleen met God geweest. Het raadsel is niet, dat een slachtoffer van menschen de Heiland is voor menschen, maar dat een verslagene van God de groote Aanbeveling is, en krijgt, van God. Wie Christus’ bloed van God hier uitgedreven ziet, dien wordt het evangelie van zulk een Heiland eerst recht tot ergernis en dwaasheid. Zoolang nog spijkers en hamers, van menschenhand gedreven, het bloed uit Jezus’ lichaam drijven, kunnen wij de vuist nog ballen tegen menschen. Dat is dan ook voor menigeen een welkom surrogaat voor de berusting van het geloof, die zij niet willen. Maar wanneer ik God zie, en den Heiligen Geest ontdek, en al de engelen daartoe, die in Gethsemané het bloed uit Jezus halen, dan valt daar geen vuist meer te ballen, dan is er enkel maar te gelooven. Dan wordt alles in mij tot den opstand opgezweept, of tot het geloof geneigd.

Niet Jezus’ kruis, niet Zijn gebonden handen, niet de kroon van doornen zijn de grootste moeilijkheid, want daaraan hebben de menschen schuld.

Dat zweet van bloed, dát is de grootste moeilijkheid. Het was alleen een werk van God. Het was het raadsel van Abraham, die zijn eigen zoon ging dooden, maar dit raadsel dan in de wolken overgeplaatst. En in den afgrond der volmaakte wetenschap. Want Izak, Abrahams kind, wandelt naïef den offerberg op: vader, waar is het lam? f Hij zweet geen druppel bloed. Maar Christus weet het alles. De afgronden, waarin de Opperste Wijsheid heden afdaalt, maken den Zoon niet tot een naïeven Izak. En daarom zweet hij bloed: Vader, ik ben het lam.

Dat God zijn Zoon zóó heeft kunnen bejegenen, in ’t laatste moment, vóórdat de menschen werden toegelaten om te binden en te slaan; dat het afscheid van Vader en Zoon, eer de menschen kwamen, bloedzweet gekost heeft, niet om die menschen, maar omdat God zoo nameloos hard was, dat is, mijn hart, uw werk geweest, uw werk, om uwer zonden wil. |374|

Anders was het goddeloos, hiervan een woord maar te gelooven.


Nu komt daar ook een diepere klank, voor allen, die gelooven, in de vermaning tot geduld: gij hebt ten bloede toe nog niet gestreden g. Want niemands bloed is ooit genomen in het zichtbare van buiten af, en ook niemands bloed is uitgedreven door een onzichtbare kracht van binnen uit, als Jezus’ bloed.

Hij heeft alleen, in den volmaakten zin, ten bloede toe gestreden. Van buiten naar binnen, en van binnen naar buiten was bij Hem de strijd, die bloed vroeg en bloed nam, het ééne edele bloed van onzen Borg en Middelaar.


Al wat hierboven staat geschreven, zou dwaasheid zijn, als Christus enkel maar den angst had ondergaan; als Christus’ angsten alleen passief Hem aan ons lieten zien.

Maar zóó lijdt Christus niet.

Eenmaal stond er: Jezus weende (Joh. 11 : 35). Hij weende bij Lazarus’ graf.

Maar, Hij weende, omdat Hij „zichzelven beroerde in den geest” (vs. 33).

Zou Hij dan in Gethsemané geweend hebben en niet zichzelven hebben beroerd?

Zijn bloed is in Gethsemané door God genomen. Maar daarin een daardoor is het ook van Jezus zelf gegeven.

Zijn bloed is genomen, Zijn bloed is gegeven, de naam des Heeren zij geloofd h.

Zijn ziel is genomen, zijn ziel is gegeven, de naam des Heeren zij geloofd.




1. Giovanni Papini, L’histoire du Christ, Payot, Paris , blz. 323. Dieu est couvert de sueur, comme s’il venait d’accomplir quelque labeur exténuant.

2. Groenen, a.w., i.l.

3. Overdrijvende, vergrootende uitdrukking.

4. Zinspeling op het oudtestamentische offer-woord: dat de ziel is in het bloed; en dat het bloed de ziel is.

5. Vergelijk hoofdstuk XVII: Christus’ angsten hebben hun eigen aanvang.




a. Niet eerder gepubliceerd.

b. Vgl. HebreeŽn 9:14.

c. Vgl. Leviticus 17:11 en passim.

d. Vgl. MatteŁs 16:25 par.

e. Vgl. 1KorintiŽrs 1:23.

f. Vgl. Genesis 22:7.

g. Vgl. HebreeŽn 12:4.

h. Vgl. Job 1:21.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000