HOOFDSTUK XII.

Christus, den satan niet „verdringend.”

Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastiglijk.

Hij dan, de bete genomen hebbende, ging terstond uit.

Johannes 13 : 27b en 30a. a


In het voorgaande hoofdstuk, toen wij iets hebben trachten te verstaan van de menschelijke ziel van Judas Iskarioth, hebben wij, onder meer, even doen uitkomen, dat, in Judas’ voorgaand leven, veel duistere begeerten en driften met geweld waren achteruit gedrongen en ten onder waren gehouden.

Dit was een gevolg geweest van de tijdelijke aanraking van zijn conscientie door Jezus Christus, zooals deze voor Judas’ waarneming geweest was. Aanvankelijk had de „figuur” van Jezus bij Judas zeer sterke bewondering afgedwongen. Jezus had hem ook een wel haast doodelijke pijn gedaan, toen Hij hem overmeesterde. Maar het gevolg was telkens weer geweest, dat Judas zich, met zijn gaven en talenten, met zijn sterke aspiraties en hartstochten, had kúnnen overgeven in een zachte bedwelming aan dezen nieuwen Meester, die àlles scheen te weten, en alles te vermogen. Waarlijk, het was een mooie, een spannende, een „vrome” periode geweest in Judas’ leven.

Niettemin — het was met Judas niet in orde gekomen.

En het was tusschen Jezus en Judas principiëel ook niet in orde gekomen.

Aan Judas ontbrak één ding, en dat was nu juist dàt ééne ding, waar het op aankomt, hem ontbrak de wedergeboorte. |177|

Dus ontbrak hem eigenlijk nog alles.

Ja, Judas het een „vrome” periode gehad, toen hem Jezus ontmoette. Hij had zijn booze begeerten en driften, óók zijn drift van geldgierigheid, kunnen verdringen: Jezus imponeerde ook zoo!

En toch —

En toch . . . .

Ach, het was bij Judas wèl gekomen tot een verdringen van zijn booze driften, van zijn geldgierig bestaan, van zijn eigen handhavingswil, — doch, doch — dit alles was in hem niet gebroken.

Neen, het was in Judas niet gebroken.

De oude mensch was in Judas wel verdrongen. Maar hij was niet gekruisigd, gedood, begraven b. Al wat in Judas vleeschelijk was, en slecht, en uit den ouden wortel der zonde, het was op zij geworpen, maar het was niet vernietigd; het was niet eens in beginsel overwónnen. Aan Judas ontbrak één ding, maar dat eene was juist het noodige; hem ontbrak de wedergeboorte.

Want wedergeboorte en verdringing zijn twee.

Wie het kwaad verdringt, laat in zijn zielehuis het leelijke en het mooie, het kwade en het goede, wel onderling van plaats veranderen; hij laat het kwaad naar den kelder verhuizen, en haalt de betere aspiraties naar boven toe, naar den zolder; maar . . . dat „betere” is geen geestelijk goed, doch slechts een natuurlijke zieleadel; vrucht van gemeene gratie, doch niet van bekeering uit den wederbarenden Geest . . . . En — dat kwaad, die zonde, ze blijft in het huis van zijn ziel wonen. De „verdringing” laat het kwaad in onze zielewoning wel van kamer verhuizen (van de boven-verdieping naar de onder-verdieping), — maar ze drijft het kwaad niet het huis uit, en doodt het ook niet.

Maar de wedergeboorte?

Zij is heel anders!

Zij is een werk van God, een gave van genade, die het kwaad in ons niet verplaatst van de eene zielekamer naar de andere, of van het bovenbewustzijn naar het onderbewustzijn, of van den „zolder” naar den „kelder” in ons zielehuis; want de wedergeboorte uit den Geest doet méér, doet iets ánders. Zij breekt het |178| kwaad in beginsel, naar den wortel, radicaal. Zij overwint het kwade door het goede c. Zij neemt den dood weg dóór het leven.

En zóó is de wedergeboorte een ingang van Jezus Christus, door Zijn Geest, in onze persoonlijkheid om door een nieuw leven, dat immers Zijn leven is, den dood in ons te overwinnen en te verbreken.

Niet, dat dit proces van bekeering uit wedergeboorte dadelijk voltooid is.

Want wij weten en belijden, dat, óók na de wedergeboorte, in den mensch overblijft de strijd van den ouden mensch tegen den nieuwen mensch, en het begeeren van dien nieuwen mensch tegen den ouden mensch.

Daarom — wij weten dat wel — blijft er, ook ná de wedergeboorte, en tijdens onze voortgaande bekeering, tot op zekere hoogte nog plaats over voor dat spel van „verdringing” van het lagere door het hoogere, en van het hoogere door het lagere. Er blijft, óók na de wedergeboorte nog plaats over voor den ouden mensch, om den nieuwen tijdelijk, in beperkten zin, achteruit te persen, en naar beneden toe te werken; en evenzoo blijft er na wedergeboorte ook ruimte over voor den nieuwen mensch, om den ouden te overwinnen met zijn driften; en dan later komt de drift des ouden menschen toch weer om zich te laten gelden. Ach ja . . . .

Alleen maar: wanneer zulk een zielsproces, en een dergelijke zielscomplicatie, zich in het zielehuis van den wedergeboren mensch voordoet, dan kan bij hem toch nooit de nieuwe mensch door den ouden mensch voor altijd worden weggedrongen; want de zegepraal is zéker en gewis aan den nieuwen mensch, omdat Christus in hem overwint te allen dage.

Verdringing en bekeering uit wedergeboorte zijn, en blijven, twéé.


Om naar Judas weer te keeren, wanneer een menschenziel, zooals de zijne, blijft staan buiten de wedergeboorte, en dus in dat huis van zijn ziel alleen maar dat „gereedschap”, dat meubilair 1) |179| is, dat òpkomt uit de zonde, en van den Satan is gewaarmerkt, dan kan de Christus in zoo’n huis ook wel binnen komen, doch Hij komt daar dan binnen niet als Middelaar, maar als een menschenkind, dat wij eeren, interessant vinden, bewonderen en tot-op-zekere-hoogte óók wel willen gehoorzamen. Neen, Hij komt er niet binnen als de Middelaar, de Overwinnaar, de Levenwekker door den Heiligen Geest, die òns met Zich meeneemt in den dood, en ons daarna met Zich óptrekt in de opstanding uit de dooden.

En daarom zal bij zulk een mensch het proces van „achteruitdringen” beperkt blijven tot de innerlijke bewegingen, de zielkundige schommelingen, de „up and down’s”, van den ouden mensch zelf.

Wat van Christus Jezus in zúlke zielen wordt gezien, dat is slechts de Christus-van-den-buiten-kant.

Zulk een hart laat zich niet van binnen doorzoeken en vernieuwen door Christus en Zijn Geest, maar, omgekeerd: het plaatst Christus, naar Zijn uiterlijke verschijning, onder het zoeklicht van zijn eigen waarneming. En voor-zoovèr die Christus dan door zulk een mensch gezien wordt en bewonderd, mag Hij ook op zoo’n ziel wel „inwerken”, en kan Zijn ideaalgestalte ook wel voor een tijd lagere driften en booze hartstochten (denk aan Judas’ geldgierigheid) verdringen, maar overwonnen is de zonde niet; en verbrijzelen laat zich het hart door Christus evenmin. De mensch heeft in zulk een geval zich zelf tijdelijk verbeterd; hij is niet door den persoon Christus neergeslagen, doch hij heeft door een Christus-idee, door een Christus-ideaal, dat uit hem zelf was opgekomen, zichzelf uit zichzelf tijdelijk gecorrigeerd, beschaafd, verbeterd; maar hij is niet bekeerd. Er is een zandverstuiving geweest in de duinen van zijn hart, doch de duinen, de zeeweringen, zijn door de zee van Gods genade niet verslonden.

In zulk een hopeloos geval is er maar één weg meer open, en er is maar één uitkomst mogelijk: straks komt hetgeen eerst achteruit gedrongen werd, en met geweld geperst werd in de donkere kamer van het onderbewuste leven, plotseling met dubbele kracht, met geweldige onstuimigheid weer naar boven en naar voren toe. Het laat zich te heviger gelden. Lang verdrongen |180| hartstochten komen eindelijk als gieren haar rechten nemen; en wat die mensch dan gaat doen, doet hijhaastiglijk”.

Het is een tragisch proces. Maar het is, zoo lang God niet optreedt ter bekeering, onvermijdelijk, en angstig-vol van logica.

En wanneer dan zulk een ziel vlak bij Jezus leeft en krimpt en lijdt, en zich toch maar handhaven wil;

en wanneer dan Jezus voor zulk een ziel niet de Middelaar is;

en wanneer dan zulk een mensch in zijn ziel het Middelaars-aanbod van Jezus Christus uit den dieperen grond van zijn onwedergeboren zielsbestaan terug blijft dringen;

en wanneer dan Jezus niet als Middelaar, maar enkel als een edel mensch van sterke, zuivere geestkracht, van rustige, ongeschokte wilskracht, op zulk een onrustige, worstelende, zichzelf verterende ziel inwerken mag;

dan kan die edele mensch Jezus met zijn bloot-menschelijke zielekrachten en met al Zijn wilskracht tot zulk een ziel ingaan;

en dan kan hij als mensch onder menschen wel in zulk een menschelijke ziel een hittigen brand ontsteken, een benauwde zieleworsteling te voorschijn roepen, door alles wat in die menschenziel weggedrongen is in de volle zon te plaatsen van zijn felle wetenschap, en in den bangen strijd te werpen van het eigen geestesleven van dien mensch;

doch in de alzoo door Jezus verwekte crisis zal de genade niet triumfeeren, doch het koortsig proces van zonde en zelfhandhaving zal zich verhaasten, totdat die mensch hijgt naar den dood.

Dan wordt het meenens; er komt een crisis, er moet iets buigen of barsten in den zoodanigen mensch!

Dan mòet het!

Dan is er in zulk een mensch niets anders mogelijk dan een, moe en afgestreden, gehoor geven aan een diepe stem, die van buiten uit Jezus’ mond, en tegelijk van binnen, uit de donkere spleten van zijn eigen ziel opstijgt: Wat gij doet, doe het haastiglijk!


In zulke oogenblikken komt daar in dien mensch niets nieuws bij, dat niet te voren in hem aanwezig zou geweest zijn; o neen. |181|

In zulke oogenblikken draagt ook Christus niets in dat leven in, dat niet te voren reeds diep er in besloten lag; o neen.

In zulke oogenblikken gebeurt er slechts één ding: wat er in is, dat komt er uit. Wat achteruit gedrongen wás, en tot op het laatste oogenblik toe achteruit gedrongen bleef, dat komt eindelijk en dan eens voor het laatst, zijn recht onstuimig vragen.

Zijn recht!

Want deze mensch had dat recht nog nooit ontkend. Hij was alleen maar over zijn eigen kwesties heengeloopen. Maar nog nimmer had hij zijn hart besneden; nog nooit tot zijn ouden mensch gezegd: gij hebt alleen maar onrecht!

En zóó vaart niet alleen de Satan naar dien mensch toe, maar die mensch vaart ook den Satan tegemoet.

Want het is de majesteit van Jezus, dat Hij den mensch van Zijn kant naderen en overwinnen kan, zónder dat die mensch van zijn kant naar Hem toe gaat.

Doch het is de armoede van den Satan, dat hij tot niemand komen kan, tenzij de mensch van zijn kant óók naar Satan toekomt.

Jezus als Middelaar brengt iets nieuws in den nieuwen wedergeboren mensch.

Maar Satan kan slechts heen en weer werpen, wat in ons leven oud en reeds aanwezig was.


Het is de moeite waard misschien, om nog even iets naders hiervan te zien.

Wij mogen immers niet denken, dat nu alleen maar zulke heel enkele booze naturen als Judas, of zijnsgelijken, zich geestelijk te kort doen door zoo, als boven omschreven werd, in zoo’n „verdringing” van driften en begeerten zich over te geven aan geestelijke bedwelming, in gelijktijdige handhaving toch van de zonde in hun ziel.

Neen, er is eigenlijk geen mensch, die niet aan dezelfde wetten ten deele onderworpen is.

Judas gaat ons aan, omdat Jezus ons aangaat.

Ook die „verdringing” gaat ons aan! |182|

Er is zelfs in den laatsten tijd een school van geleerden opgekomen, welke juist van dit zielkundig verschijnsel van „het verdringen” bizondere studie gemaakt heeft. Zij gaat zelfs zoo ver, dat zij daaruit, zoo al niet heel de zielkunde opbouwt, dan toch daaruit grootendeels alle zielkundig leven verklaren wil.

Het is hier de plaats niet om namen te noemen; en nog minder om uiteen te zetten, in hoeverre wij in deze school wijsheid zien of dwaasheid; in hoeverre wij het er mee eens kunnen zijn, of niet.

Genoeg moge het zijn, dat wij, in het algemeen gesproken, toegeven, dat in elks zieleleven een onbewuste, achteruit persende werking is van de ééne drift en begeerte door de andere; dat dit voorts een acie is van onzen dieperen levensgrond, van een verborgen wil des menschen, die immers krachtens de zonde alleen dàt onder de oogen wil zien, wat hem aangenaam is; en die van nature op die manier zichzelf den zelfdienst (dat groote surrogaat van den verloren Godsdienst) mogelijk maakt, zelfs als God hem te na komt en Jezus hem imponeert.

Nu is het merkwaardig te hooren, op welke wijze sommige menschen, met name uit die wetenschappelijke school-van-zielkunde, welke wij zooeven bedoelden, meenen, een mensch, die in dergelijken dóór en dóór ongezonden toestand verkeert, te moeten helpen.

Men zegt dan tot ons, dat zoo iemand ziek blijven zal en eigenlijk op de vlucht zal blijven slaan voor zichzelf, zoo lang hij niet ronduit alle instincten, driften, begeerten, passies, die in zijn onderbewuste leven teruggedrongen zijn, één voor één met koel verstand uit eigen duistere zielediepten onbarmhartig-ontledend voor den dag, „naar boven”, haalt. Zulk een mensch, zegt men, moet niet langer voor de nuchtere of vreeselijke werkelijkheid van zijn eigen leven op den loop gaan. Neen, hij moet al die „verdrongen” begeerten van zijn ziel onder de oogen zien. Hardop moet hij zich zelf belijden, dat al die duisterheden nu toch werkelijk in hem zelf besloten liggen. Met koele zelfanalyse dient hij zijn eigen ziel zichzelf bloot te leggen.

En — als hij dat nu eens niet kan? Als hij zijn eigen zielebeeld |183| nu eens met geen mogelijkheid op zijn eigen doek projecteeren kon? Hoe moet het dan met zóó’n mensch?

Wel, zegt men ons, dan moet hij geholpen worden. Dan moet een ander voor hem een ziel-zorger zijn. Dan moet die ander hem leeren zich zelf te ontleden, en met vaste hand hem de sluiers leeren af-rukken, één voor één, de sluiers, die over zijn donkere ziele-diepten, over zijn eigen onderbewuste leven vooral, heengeworpen waren. Dan moet de zieledokter er bij te pas komen, om den man, die nog nooit in den duisteren kelder van zijn zielehuis afgestoken was, daarbij te helpen. Want een ziel-zorger, die aan zulke zielen werkelijk zal kunnen leiding geven, is alleen dààr te vinden, waar men den mensch plaatst voor zijn eigen spiegelbeeld; waar men dus het zoeklicht van de zelfkennis onbarmhartig spelen laat, ook tot in den diepsten schuilhoek van het hart. Zulk een zelfkennis, zegt men, is de eenige, maar ook afdoende kracht van genezing voor den geplaagden mensch. Want, als hij zich maar kent, en dus niet langer ontsnappen wil aan de eerlijke wetenschap van wat er in hem leeft, dan zal de rust in zijn ziel weerkeeren en zal hij tot vrede zijn gebracht.


Nu kunnen wij tegen deze dingen zeer veel inbrengen.

Wij wijzen er op, dat op dit standpunt de mensch zichzelf verlost; dat hier de Middelaar voorbij wordt gezien.

Wij wijzen er óók op, dat hier, op dit standpunt, de kennis van den mensch omtrent zichzelf, wel wat helpen kan, en ook verbeteren, maar dat de booze wil van den ouden mensch niet in principe wordt gebroken.

Wij wijzen er ook op, dat op dit standpunt van wedergeboorte en bekeering geen sprake is. Dat men wel verschuiven wil al wat in het zielehuis aan „meubilair” 2) aanwezig is, maar geen oogenblik er aan toekomt, om in dat zielehuis in te dragen dat andere „meubilair”, dat van boven komt door de vernieuwing van den Heiligen Geest, en dat door God en Zijn Woord is gewaarmerkt. |184|

Daarom houden wij vol, dat deze nieuwe psychoanalytische „verlossingsleer” vijandig staat, in den grond, tegen het christelijk geloof en tegen de belijdenis van den eenigen naam, die onder den hemel tot zaligheid gegeven is d.

Maar geen woord willen wij nu nog meer daarvan zegen. Dit boek spreekt immers niet over de bekeering, noch over de zielkunde, maar over den lijdenden Christus.


Maar het was dan ook om dien Christus te doen zien, dat wij even van deze dingen repten.

Christus toch is hier in de Paaschzaal. En Judas is ook in de Paaschzaal. Judas, wiens ziel nu al een paar jaar op de vlucht is voor Jezus, dien hij nog dagelijks volgt. Christus is in de zaal, de crisis hangt er, en Judas „zit" met zijn zielsconflict, Judas, de verdringer bij uitnemendheid. Dat maakt voor ons een „geval” als van Judas met zulke zielscomplexen, en verdringing, zoo buitengewoon belangrijk.

Christus is hier.

En Hij is hier als de medicijnmeester, voor al de zielen.

Dit laatste bedoelen wij in den meest volstrekten en uitgebreidsten zin van het woord.

Wij noemen Christus medicijnmeester in engeren en in ruimeren zin.

In engeren zin is Hij dat als Middelaar. In de bizondere genade. Voor Zijn vòlk.

Maar in ruimeren zin is Hij eigenlijk — menschelijk gesproken — immers óók medicijnmeester? Is Hij geen zondelooze mensch? Met zuivere zielskracht? Met gave, ongebroken, zielefuncties? Moet de mensch Jezus niet enkel reeds als mensch op ieder, die Hem ontmoet, invloed oefenen, en is die invloed van Zijn kant niet altijd zuiver?

Ja Jezus is hier; Jezus bij Judas. Hij is hier als een heilig vuur van wils- en geesteskracht en van reine, zuiver-menschelijke begeerten. Hij is hier ook als rechtvaardig mensch, die niemand, ook zelfs Judas niet, in het minste zal bejegenen met onrecht.

Wat doet nu Christus tegenover Judas? |185|

En wat ondervindt Judas van zijn kant in de verterende aanwezigheid van den zuiveren mensch Jezus Christus?

Wat Jezus betreft, Hij blijkt geen zielsgenezer naar den wil en naar de ideale voorstelling van de zooeven bedoelde psychologische school. Want Christus heeft tot Judas niet gezegd: „Wat gij doet, ontleed dat haastig, en dan zijt gij er van verlost, dan kunt gij Mij weer in de oogen zien, dan zijt gij bekeerd, dan wijkt de demon van het zwaard van den aartsengel van het scherpe bewustzijn”.

Maar Hij heeft tot Judas gezegd: „Wat gij doet, doe dat haastiglijk”.

Jezus erkent, en bukt als mensch Zich diep ook daaronder, dat met het bewustzijn van den mensch diens zijn niet verandert. Ten slotte is slechts tweeërlei leven. Er is een leven, dat in zijn diepsten grond zich keert tot God en uit de wedergeboorte leeft, uit Zijnen wil. En er is óók een leven, dat in zijn diepsten grond slechts in zichzelf en tot zichzelf gekeerd is, en waarin de diepste levenswil niet is uit God, maar een toeneiging van den mensch tot zichzelf in zijn natuurlijken staat.

En achter al deze dingen ligt dan weer geen toeval, maar ligt een diep mysterie, welks werkelijkheid wij zien optreden in de feiten van den dag; een mysterie, dat wij bevend herleiden tot in den grond van alle eeuwigheid, als wij huiveren spreken van: verkiezing en verwerping.

Hiermede echter kunnen wij niet volstaan en volstaat ook Jezus niet.

Wanneer Christus bukt voor de majesteit van de wet van verkiezing en verwerping, tot in de Paaschzaal toe, dan handhaaft Hij tegelijkertijd ook ten volle de verantwoordelijkheid van den mensch, ook van dien mensch, die met Hem aan de tafel zit en brood met Hem eet; ja, juist van dien mensch handhaaft Jezus de verantwoordelijkheid.

En daarom, in dit oogenblik, appelleert Jezus voor het laatst aan Judas’ verantwoordelijkheidsbesef. Voor het laatst laat Jezus over Judas Zijn zoeklicht tot zelfontdekking spelen. Hoe dikwijls heeft |186| Jezus hem niet uitgenoodigd, gedwongen, geperst als het ware, om toch voor Hem neer te vallen en aan zijn Jezus, alles, àlles, ronduit te biechten? Neen, Jezus heeft meer dan eens gedaan wat mogelijk was, om, ook uit Judas’ donkere diepten, die dingen naar voren te brengen en onder het daglicht te plaatsen van een eerlijk gesprek, welke Judas had verdrongen in zijn onbewuste leven.

En als Judas dat gedaan had, dan zou daarmee reeds zijn booze wil gebroken zijn gebleken, en de Geest van Christus overwinnend en triumfeerend in de ziel van Judas zijn „gevaren” — „na de bete”. En van daaruit zou dan gekomen zijn de overwinning van het kwade in Judas’ ziel door het goede.

Maar Judas heeft gezwegen, zich opgesloten met zichzelf in zichzelf. Hij heeft in stilte gemokt. Het kieken werd geroepen onder de vleugels van de hen, maar het heeft niet gewild e.

En thans zijn die twee in de Paaschzaal. Het sacrament is aangericht. Vele eeuwen zien op hen neer. Geestelijke boosheden laden de lucht f; engelen Gods zien toe. Maar één kracht is geweldiger dan die: dat is de kracht, de energie van de ziel van Jezus. En het is met deze zielekracht, dat Christus voor het laatst de ziel van Judas in den vollen brand van haar eigen laaiende driften komen laat.

En hoe doet Jezus dat? Hoe dwingt Hij Judas te gaan wandelen in de vlammen, die hij zelf ontstoken heeft? Ach, Jezus doet het alleen maar door Zijn wilskracht, bewogen door Zijn van God gedreven wil, tot Judas in te laten gaan, en door Zijn zuivere oogen in Judas’ oogen te boren.

Maar zie nu Judas: ondanks alles strekt hij zich nog uit tot Satan.

Nu is de maat vervuld: Jezus erkent huiverend de wet der verantwoordelijkheid, ook bij Judas.

Hij laat hem gaan, d.i. Hij geeft hem over aan den Satan: „Wat gij doet, doe dat met haast”.

Voor ons is dit alles een diepe openbaring van het wezen van den Man van smarten. Hij heeft in het zelfde uur, waarin Hij Satan als het ware dwong om in de Paaschzaal te komen, en hem preste en perste om het kruishout al vast te gaan schaven, — hij heeft in dat zelfde uur aanvaard de dubbele wet van |187| verkiezing en verwerping aan den eenen kant, en van verantwoordelijkheid, aan den anderen kant.


Dit nu is geen toeval, dat alleen op Judas betrekking heeft. Neen, het raakt allen, die hier zijn. Gelijk straks Jezus hangen zal tusschen twee moordenaars, Hij zelf in het midden, en dan fel bewust tusschen die twee objecten, het ééne van verkiezing, het andere van verwerping, zoo is ook nu Christus’ ziel hier werkzaam en waakzaam met al Zijn apostelen. En terwijl Hij Judas in de oogen ziet, en fel bewust het drama doorleeft van diens verwerping èn verantwoordelijkheid, daar leeft Hij tegelijkertijd in het volle besef van de verkiezing èn verantwoordelijkheid van die anderen, die daar bevend aan de tafel liggen, die uitverkoren vaten g zijn om Zijn lof te vertellen, en die straks hun namen zien geschreven in de fundamenten van de hemelstad h.

Dit samenvattend beschouwen van Jezus’ ziel in elk ondeelbaar oogenblik, dit zonder eenige verdringing naar alle kanten uitzien, is de rechtvaardiging van Jezus als mensch voor God. Het is zijn menschelijke rechtvaardiging voor God ook tegenover Judas, want Judas verdringt zoo heel veel; eerst zijn lagere driften, toen het hem dienen kon; nu zijn betere begeerten, nu hem dat dienen kan. Maar Jezus verdringt niets. Judas verdrong in het begin de verkiezing („uw namen in de hemelen geschreven!” i) voor de verantwoordelijkheid (hij onderwerpt de duivelen!). En nu, aan het eind, verdringt hij de verantwoordelijkheid (hij knoeit!) voor een valsch-joodsch begrip van verkiezing (Israëls verkiezing als vleeschelijk volk Abrahams bij God; en daarom moet Jezus weg!). Maar Jezus verdringt niets. Hij is tegelijkertijd en ieder oogenblik geheel vervuld van de realiteit van verkiezing en verwerping in dit kleine gezelschap daar in de paaschzaal, en van ieders verantwoordelijkheid bij God.

Dit alles geeft nog een dieperen klank aan Zijn bevend woord: Gij hebt mij niet uitverkoren, maar ik heb u uitverkoren . . . j

Maar tevens leert de overweging van deze dingen ons ook met meer aandacht te letten op dat àndere woord, uit het hoogepriesterlijk |188| gebed, waarin Jezus voor God bekent, dat de door Hem zelf verkorenen tévens de van den Vader aan Hem gegevenen zijn k.

In dat eerste woord: ik heb u uitverkoren, is Jezus onderwerp van verkiezing: Hij verkiest zelf; Hij staat en valt met Zijn eigen wilsdaad, met Zijn zelf-werken. En omdat Hij zelf verkiest, daarom werkt Hij aan allen, ook aan Judas werkt Hij tot het laatste toe. Op dien Judas zet hij, om zoo te zeggen, heel het gewicht van Zijn menschelijke ziel, den vollen druk van Zijn wilskracht, gelijk Hij dat ook aan de anderen doet. „Heb ik u niet twaalf uitverkoren voor het werk, twaalf uitverkoren, om bij mij te zijn? Twaalf om bij het Vuur te staan?” l

Maar in dat tweede woord (over de gegevenen des Vaders) is Jezus zelf object van verkiezing: Hij moet, als mensch, nemen wat Hem gegeven is. Geheel en al staat hij onder den Eénen wil, die de wereld beweegt, die Gods welbehagen uitvoert, en die dan verder ieder het zwijgen oplegt. Ieder.

Ieder.

Ook den Zoon des menschen!

Is Judas niet de gegevene?

Dan wórdt hij ook nooit de van Jézus genomene. Dan mag de mensch Jezus zijn plicht aan Judas doen, door hem, zoolang er leven in hem is, en adem, tot het einde toe te plaatsen onder het zuivere licht van Jezus’ zondelooze, krachtige, prachtige ziel, en dan mag de mensch Jezus zijn plicht aan Judas doen, door zich nooit van hem af te keeren, maar door hem aldoor weer vast te binden, dat hij liggen blijft onder de hoogtezon van Jezus’ menschelijke ziel, onder de bestraling van Jezus’ krachtigen, reinen geest, maar — als Judas niet „gegeven” is, dan kan de mensch Jezus als mensch in Judas veel verdringen, maar dan kàn hij als mensch niet dat ééne aan hem doen: de bekeering.

Jezus kón niet.

Hij kon niet, vanwege Judas’ ongeloof.

Ja, wel heel dringend, en in-dringend, in-dringen tot ons hart en leven, wordt het mysterie, dat daar hangt in de Paaschzaal, zoodra wij het strakke geheim van de wet van verkiezing en verwerping, |189| èn van die ándere wet van verantwoordelijkheid, op Jezus zelf gaan betrekken.

Voor Zijn ziel en geest staat de verkiezingswet mèt de verantwoordelijkheidswet, levensgroot, en wet-matig, d.i. onverbiddelijk, voor de aandacht. Hij proeft ze beide in die twaalf menschen hier. En vooral in zichzelf proeft en smaakt Hij ze. Hij smaakt en proeft, dat God een vreeselijke God is m.

Hij weet zich onder de ééne verkiezings- en verwerpingswet gesteld, als mensch, als knecht. Anders zou Hij niet met Judas en Simon Bar Jona in één zaal kunnen zitten, van één lamsbout eten, éénzelfde lucht inademen . . . . Maar Zijn conscientie weet zich niettemin vast met God verbonden . . . . Hij is de Verkorene, Hij is de Verkorene boven allen, Hij is verkoren Hoofd van het genadeverbond . . . . Hij doorleeft het alles. Hij begint nu van deze Paaschzaal en van dit benauwde uur, den boog der gedachten heen te wenden tot al de profeten, tot Mozes, tot Jakob, Izak, Abraham, Sem, Noach, Henoch, Abel, Adam. Hij weet het heel zeker, menschelijk weet Hij het: Hij is het Hoofd, het uitverkoren Hoofd van het genadeverbond . . . . want Hij heeft Judas gezien. God stond achter Judas.

Dit is het eene.

Maar daar is nog iets anders.

Hij weet zich ook verantwoordelijk.

Want Hij heeft Judas gezien; God stond achter Judas.

Hij weet zich verantwoordelijk tot in het aller, aller-uiterste. Want Hij heeft Judas gezien, en Hij heeft Simon Bar Jona gezien en ieder is een obligatie voor Hem. Achter Judas stond God. Achter Simon stond ook God. Maar achter Simon stond God als Heere, en de Heere pleitte voor Simon. Neen, de Heere — een vriend spreekt immers met zijn vriend? weet gij het niet meer van Abraham, Mozes, en dus ook van Jezus? — neen de Heere beduidde Jezus, dat Hij moest pleiten voor Simon. Simon, Simon, ik heb voor u gebeden n. Judas, Judas, ik kon voor u niet bidden. Ik kon niet, Judas, vanwege ongeloof. Er zat ongeloof Judas, het zit er nog. Ongeloof — dat voelt men. Maar Simon, — ja, die zit dáár. Er is genade. En die is verkiezing. Doch ze komt in den vorm |190| van verbond. En verbond beteekent: verantwoordelijkheid. Uiterste verantwoordelijkheid. Tredende in de gemeenschap van al de profeten, van Mozes, Jakob, Izak, Abraham, Sem, Noach, Henoch, Abel, Adam, zweert nu Jezus Christus, dat Hij bij God verantwoordelijk is, dat Hij is de verantwoordelijke Middelaar van het genadeverbond.

Uitverkiezing, en verantwoordelijkheid, o God, o God.

Uitverkiezing, uitverkoren Hoofd van het genadeverbond.

Verantwoordelijkheid: verantwoordelijk Middelaar van het genadeverbond.

Uitverkiezing.

Ja Vader, alzóó is geweest het welbehagen voor U o. In Judas is alleen maar te „verdringen”. Voor Judas kan ik niet meer zijn dan een mensch. Een zekere Jezus. En voorzoover ik als Middelaar geld, ook tegenover Judas, kan ik enkel verzwaring wezen van zijn verdoemenis. Maar — zou ik geen psalmen zingen voor U, Heere mijn God? U looft de schare van engelen, en apostelen, alle heirscharen loven U, God, die verkiest, en naderen doet, òf, zelfs in het beste geval, dat bloote menschelijkheid hebben kan, het geval der „verdringing”, doet wijken . . . Heere mijn God, Judas is hier; hij moet nu aanstonds heen, want ik moet pascha verteren, en ik moet avondmaal vieren, brood breken . . . Heere mijn God, ik ben Uw verkorene, en ik ben één met allen, die het zijn; en het drukt neer, het doet zeer, Heere mijn God. Profeten spraken van persing. Zij hebben op mij gesproken. Hoe word ik geperst, totdat het volbracht zij p, totdat ik zien kan achter de wolken. Nu zie ik in een nevel; het is hier heel erg donker bij Simon en Johannes en het huis van den man beneden, Heere mijn God, het is hier o zoo donker. Woont God niet in donkerheid? Ja, Salomo wist het: God woont in donkerheid q, en hij is een God, die nimmer niet-verkiezen kan. Ja, God van Abraham, ja, God, die Ismaël verwerpt en Izak verkiest, ja, Gij, die Ezau benoemt en Jakob vóór de geboorte, ja, ik ga al op zij. Neen, ik heb Judas enkel maar in de ziel geboord, ik heb hem aangeboord, Heere mijn God, maar ik heb U niet weersproken. Ach ja, ik weet het wel, ik kan aan Judas niets doen, het is mijn lot, mensch te zijn, want alzoo is geweest |191| het welbehagen voor U, ook dat was welbehagen, mijn mensch-wezen. Neen, ik zal niet het Woord weerspreken, dat gij vóór de geboorte hebt gesproken over Ezau en Jakob, over Simon en Judas en over mij, mijn God. Vader, wat zijt Gij schoon. Zongen daar de engelen niet? Ja, de lofzang ligt al klaar, het boek van de paaschhymne ligt al open, zoo dadeiljk, mijn God, dan gaan we ritueel zingen, maar met het hart, wij gaan den lofzang zingen o God, hoewel Gij verkiest, wij gaan zingen, want Gij zijt dit heerlijke God, die nooit anders dan de Verkiezende zijt. Ik heb U gezien, het is goed, Heere, het is genoeg. Neem mijn ziel niet weg met de goddeloozen r. Het boek ligt open en ik zal zeggen, dat die messen 3) weg moeten. Ik zal het waarlijk zeggen. Het is genoeg, mijn God. Verkiezing geeft net genoeg. Verkiezing is zoo doodeenvoudig: ze is nooddruft; ze geeft genoeg.

Ik weet maar één ding, Heere mijn God: Gij vermoogt alleen. Ik ben mensch: de mensch kan geen muren breken, die Uw Raad gesteld heeft. Eens heb ik geen krachten kunnen doen vanwege hun ongeloof s. Ik kon toen niet, Heere God, het was toen en toen, daar en daar. Ik was zóó moe. Ik kan weer niet. Daar zit ongeloof hier in de kamer, Heere, het walmt tegen het offerlam aan. Het doet heel zeer. Zou ik hier rusten in Uw verkiezing en verwerping? Moet die walm niet weg? Heere, wat die man doet, laat dat haastig gebeuren. Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls t. De lofzang ligt klaar, Heere, de messen moeten weg.

Judas, Judas, wat gij doet, gij doet het immers toch Judas, wat gij doet, Judas, want Ik doe het niet, God ook niet, — wat gij doet, doe het haastelijk.

Heere, dit woord geeft lucht.

Lucht.

Er is verkiezing, want God is.

Maar er is verantwoordelijkheid.

Er moet naar God gezocht worden. God is en geeft loon terug, geeft loon af, geeft Zichzelf af, aan wie Hem zoeken u. |192|

Zoeken.

Er is verantwoordelijkheid, Heere mijn God.

Dies zal ik mij opmaken, en het werk gaan doen. Alle werk. Weg met die méssen. Ik zal Judas aanspreken. Heere, behoud Simon, Satan zift hem als de tarwe v. Ja, ik hèb het al gezègd tegen Judas, en hij moest het doen, hij moest het doen, met haast. Ik heb den Satan niet weggedrongen, Heere. De oogen waken, Vader, de lendenen zijn omgord, de lampen branden w, ik ga op Satan af, de waaklamp in de hand. Ik zie hem daar, ik voel hem. Maar ik moet hem aan, zegt Gij, ik moet op hem af. — Ik doe het nu al, Heere mijn God. Gij heb mij wel heel erg gebonden, want Gij bindt alle menschen zoo heel vast. Wat zou een mensch kunnen doen, om ijs te smelten, dat om zielen van Judas en anderen zit. Heere, mijn liefde en ijver brandt! Vlammen des Heeren, vlammen des Heeren! x Vele wateren zouden ze niet kunnen blusschen. Maar vele wateren kunnen door deze vlammen niet opgelekt, weggedampt worden. Judas is Judas gebleven, het water is niet verteerd. Ik kon Judas niet verwarmen. Ik ben mensch, Vader, mensch. Het is groote gebondenheid, mensch te wezen, en in te gaan tot den nood van Simon, en Johannes, en al die anderen, och, Gij weet hun namen wel. Ja, ik ben met hen gebonden. Zoete banden, die mij binden. Maar pijn doen ze. Doch ik ga het werk wel doen. Simson, Simson, held Gods, wagen Israëls en zijn ruiteren y. Ik doe het al, ik kom, o God, om Uw welbehagen te doen. Dit is te zeggen: ik kom te werken. Ik heb groote wilskracht, Heere. Ik heb mijn menschen-wil en de energie van mijn ziel uit-ge-zonden tegen Judas aan, ik zal vlammen om hem heen; wij stonden saam in brand. Maar Heere, ik heb maar wilskracht, want ik ben mensch. Gij hebt souvereine wilsbeschikking, want Gij zijt God. Uw is het koninkrijk en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen. Ik buk al, ik buk heel diep. Gebroken wilskracht. Ik doe het werk. Dit is mijn vleesch dat voor velen verbroken wordt, tot vergeving der zonden. Verbroken, verbroken, ja dàt is het woord. Hier wordt verbroken. Gij hebt touwen, die knellen, Heere God. De reinste ziel, de ziel in deugden, kan nog den Muur niet breken. Touwen van moordenaren |193| kunnen niet zóó knellen als de banden van mijn God, die in Verkiezing is. En in Verwerping.

Maar ik kom. Ik aanvaard de verantwoordelijkheid. Laat deze schapen heengaan z, Heere. Maar ik zal toch Satan roepen, hem uit het duister halen.

Satan, kom af.

Nader hiertoe, Satan.

Wat gij doet, Satan, doe het haastelijk. Hier is Judas, hier is Simon, ziften, ziften, ziften als de tarwe. Heer ontferm U over de graankorrels. Niet één korrel valle ter aarde. Vader, wees Simon genadig. Kom Satan, het moet nu zijn.

Hier Judas, het moet. God zegt het, God staat daar. Het is hel licht, in de zaal, heel licht. Er brandt hier vuur. Judas, neem dan toch. Hier is een bete. Judas, luister toe, ga nu heen, wat gij doet, doe het haastelijk — — — —


Neen, neen, het is natuurlijk anders geweest.

Het is zwaar denken over Jezus Christus.

Toch is dit er geweest. Er is geweest de branding van de verkiezing, er is geweest het vuur der verantwoordelijkheid, er is geweest het zien naar alle kanten tegelijk, er is geweest een betrekken van twaalf menschen — een kloof gaapte tusschen hen — een betrekken van twaalf menschen op Hem zelf. Er is geweest een betrekken van àllen en álles op God.

Er is zóó iets geweest. Ik geloof het, omdat ik geloof, dat Jezus waarachtig, rechtvaardig mensch was. En Man van smarten. En van God geslagen, en nochtans zich vasthoudende, als ziende den Onzienlijke aa.

Ik geloof het, omdat de Schrift er is, en mij aan het werk zet. Is het vermetel? Ja, het is vermetel, te denken over Jezus Christus.

Het is óók vermetel, het niet te doen, en toch vanavond een gebed te doen.

Wat is nu eigenlijk niet vermetel, als men Gods naam noemt?

Ik weet het; er is geweest iets als dit in den nacht, toen Hij verraden werd. |194|

Hij.

Hij was de Uitverkorene, de Verantwoordelijke.

Uitverkoren Hoofd van het genadeverbond.

Verantwoordelijk Middelaar van het genadeverbond.

En deze is er geweest op een avond, die op een kalender stond, in een straatje in Jeruzalem, waar onlangs een chauffeur vloekte, en vannacht een haan kraaide, en een muzelman geeuwde, en een vrouw zich gaf. Dáár is het gebeurd. Dáár is geweest God in het vleesch. Hij was waarachtig vleesch. Hij was theoloog, maar keek, als Hij beneden was, ook uit Zijn eigen menschenoogen.

Het was daar.

En het was toen.

Men heeft mij geleerd, dat dit heet: openbaring. God kwam in het vleesch. Wee mij, als ik het niet geloof, niet er mee werkzaam ben.


Jezus gaat nu heen.

Sluit de oogen, menschen, maar houdt open het hart.

Het Hoofd en de Middelaar van het genadeverbond is hier.

Hij komt, Hij zoekt in den nacht der tijden. Hij zoekt naar de uitverkorenen, Hij zoekt naar de schare der profeten en der apostelen en naar de wolk tast Hij van getuigen, die nog komen moeten.

Hij komt.

Hij komt om u te grijpen ten leven, zie dan toch.

Hij komt om mij te grijpen, want op mij liggen geloften.

Hij komt. Maar Hij heeft Zijn oogen wijd open. Hij is nuchter. Hij waakt. Hij komt wakend naar mij toe, om mij uit Satans klauw te redden bb.

Hij heeft de oogen open. Ik zie, dat Hij over Judas’ doode lichaam heenstapt, om mij te grijpen. Hij vlucht niet weg van den aanblik van Judas. Hij heeft de oogen goed open. Hij verdringt Judas’ lijk niet, om mij te grijpen. Hij is zóó, als Jesaja aan het slot zei — toen kon hij niet meer, denk ik: „zij zullen de doode lichamen zien der verslagenen, en ze zullen zingen en zingen en bedevaart doen en God zeer prijzen.” cc Nu, zóó komt Jezus, en ziet op het doode lichaam van den verslagen Judas, en zingt het liefdelied, |195| en zegt, dat Hij een gelofte voor mij heeft. Hij moet naar mij toe.

Hij komt.

Komt Hij om mij te grijpen?

En treedt Hij op weg naar mij over Judas heen?

O God, laat Hem niet heen gaan over mijn doode lichaam en niet met open oogen treden over mijn doode ziel . . . . O God, wees mij zondaar genadig dd. Want Hij . . . . heeft nooit de oogen toe . . . . Hij kan niets „verdringen” — ook mijn verborgen mensch, mijn Judas-hart is vóór Hem als Hij komt . . . . O God, wat doet de zaligheid zeer!


Aan Judas kunnen wij zien, dat Christus er geen vrede mee neemt, als iemand enkel maar Jezus in zijn leven komen laat als ideaal-mensch, als prediker van een hoog ideaal, als een sublimeering van ons eigen diepere instinct of als een gepaste uitwerking van onze messiaansche denkbeelden.

In al die vermeende qualiteiten had Judas Jezus zeer bemind.

En in al die hoedanigheden had ook Jezus in Judas’ ziel voor een tijd veel mogen en kunnen verdringen, dat onrein was en zondig.

Maar Christus, Zich in heiligen toorn handhavende tegenover Judas, handhaaft Zich als Middelaar.

Anders wil Hij niet zijn.

Hij wil niet alleen maar „een mensch” zijn. Want Hij heeft als mensch de middelaarsroeping van Zijn Vader ontvangen. Dus is Hij de mensch, wijl de Middelaar.

Dit ééne is het groote, en er is een ijzingwekkende spreuk: Alles — of niets! Wie niet als Middelaar Christus handhaaft en met zijn ziel begeert, die kan veel kwaads terug dringen, en wij erkennen zelfs gaarne, dat de buitenkant van de „figuur” van Jezus, om het zoo eens te zeggen, in de wereld nòg heel veel goeds doet, en heel veel kwaads verdring; wij zien Hem nog dagelijks aan de tafel zitten met een peinzenden Judas; — maar wij houden vol, en betuigen, geconfronteerd met Judas’ doodsbestaan, wij betuigen een iegelijk mensch, dat slechts als Middelaar Christus Jezus zich wil handhaven tegenover ons. Hij mag niet anders van den Vader. |196|

Dat Gij dit gedaan hebt, mijn Heer en mijn God, dat Gij dit gedaan hebt, en alleen maar Middelaar hebt willen zijn in de Paaschzaal, dat gaf U het recht om het Avondmaal in te stellen; en het geeft mij een zaligen plicht, om tot U te zeggen: mijn Heere en mijn God.


Het is met opzet, dat wij deze dingen hier naar voren brengen.

Niet alleen krijgen wij daardoor eenig gezicht in de menschelijke ziel van den Heiland, en in Zijn middelaarsbestaan, maar bovenal zien wij ook hier, dat in de Paaschzaal de lijnen van Jezus’ tijd volmaakt parallel loopen aan de groote lijnen van Gods eeuwigheid. Wij moeten noch Jezus, noch Judas, noch de Paaschzaal, noch de verharding, noch de bekeering als stukwerk zien.

Want dan zien wij anders dan Christus. Al wat tot nu toe gezegd is, komt hierop neer: Christus heeft niets verdrongen. Hij heeft van het geheel nooit één deel onder de oogen gezien en het andere voorbijgezien. Hij ziet geen stukwerk, want Hij alleen verdringt niets.

En deze Christus, die dus zelf in dit oogenblik den boog van Gods verkiezing en verwerping met Zijn gansche ziel tegelijk in oogenschouw neemt, Hij heeft er recht op, dat wij Zijn kleine Paaschzaal zien als de smidse, waar het aambeeld geslagen wordt door God, en waar de hamer gedreven wordt uit kracht van eeuwigheid.

Wanneer men „alleen maar” op Judas let, en op diens bitter, tragisch einde, en dan in eens een sprong neemt met zijn gedachten naar de verkiezing van God en de verwerping, dan komt men er nooit, en dan blijft áltijd het ééne staan (Judas’ einde) tegenover het andere (Gods aanvangen). Maar wanneer wij Judas en Jezus naast elkaar zien treden, met elkander worstelen zien, op elkander in zien werken, elke minuut, elk uur, elke week, elke maand, elk jaar van hun samenzijn, en wij zien die worsteling groeien in hevigheid, en wij gaan dàn dit alles betrekken op verkiezing en verwerping, en verantwoordelijkheid, dàn bevinden wij, dat deze twee ten diepste één zijn: het eeuwig, heilig Besluit, èn de geschiedenis van alle leven in den tijd. Dan zien wij pas, wat Christus in dat leven is. |197| Christus, die tot ieder mensch spreekt, wat Hij tot Judas heeft gezegd: Wat gij doet, doe het haastiglijk.

Dan staat Christus op dit oogenblik achter den schouder van ieder, die dit leest, en zegt hem, scherp en doordringend, in het oor: Wat gij doet, doe het haastiglijk. In het wezen der zaak doet gij, menschenkind, maar één ding. Gij doet het werk van God, door geloof te hebben, òf gij doet het werk van Satan, door de zonde te handhaven. Maar — wàt gij doet, doe het haastiglijk.

Als dit woord van Christus tot ons komt, dan heeft de Middelaar tot ons gesproken. De Middelaar; geen ander. Dan komt Hij door dit Zijn woord de worsteling, die Hij al Zijn leven met u doorworsteld heeft tot op dit oogenblik toe, rijpen en ten einde brengen, en tracht u te bewaren voor de dwaze vlucht van uw leven uit Zijn eigen gevreesde werkelijkheid. Hij zegt dat woord heel vaak, en zoo dikwijls als Hij het zegt, gaat het proces van rijping bij u verder.

En eens — eens zegt Hij het voor het laatst.

Dan is alles rijp bij u, rijp voor dood of leven.

Dus er is maar één vraag: wie gij voor Hem zijt, één, die Hem vreest, òf één, die Hem niet vreest.

Indien wij Christus met ons diepste zielsbestaan van ons afdringen willen, — het up and down van Judas, — dan zal Zijn gansche ziel, en heel Zijn begeeren zich volkomen hechten aan God, als deze rechterlijk ons van Zich verstoot. Niet, dat Christus Zich hecht aan ons verderf; Hij hecht zich alleen aan God. Hij hecht zich ook aan God, die richt.


Zoo is het ons een groote verschrikking, dat Jezus nimmer stukwerk aflevert aan God, omdat Hij niets verdringt, en dat daarom Zijn woorden altijd de kracht hebben om de wereldklok te laten voortgaan tot het einde. Jezus, die niet verdringt, brengt in elk woord de geschiedenis tot haar ondergang, elk levenslot tot Zijn voltooiing. Niet met een halve, doch met Zijn gansche ziel zegt Jezus tot Judas: Wat gij doet, doe het haastiglijk. De strijd van Jezus’ ziel met Judas’ ziel was hiermee geëindigd. Dit woord was |198| reeds een aanvang van het kruiswoord straks: Het is volbracht. Laat ieder onzer vreezen, dat straks Jezus niet andermaal zeggen moet: Het is volbracht, op zulk een wijze, dat in dezen triumfkreet liggen zou de erkenning bij den Vader, dat Hij met ons klaar is gekomen in de worsteling van Zijn Geest, en dat aan ons nu niets meer is te doen.

Maar nú keeren wij het om: als de gansche, onverdeelde Christus in den toorn is, dan is Hij ook onverdeeld, zonder eenige verdringing, werkzaam in de liefde. Als Hij geheel en ongedeeld is in de verwerping, dan is Hij ook één en ongedeeld in de aanneming tot kinderen.

Dit is voor ons de groote troost. Gelijk heel Zijn ziel in Judas’ loslating was, zonder dat er ook maar een begin was van scheiding tusschen Jezus’ bewuste- en onbewuste leven, zoo is ook Zijn gansche rijke ziel zonder eenige verdringing, zonder eenigen schijn zelfs van half- of onbewustheid, in het gebed, dat Hij hoogepriesterlijk opzendt tot Zijn Vader in de Paaschzaal.

Ja, dat hoogepriesterlijk gebed, dat juist de diepe Johannes in zijn evangelie inlaschte, krijgt voor ons nog inniger beteekenis, zoodra wij bedenken, dat Jezus anders is dan Judas den verworpene; anders ook dan de andere apostelen, die de verkorenen zijn.

Want Judas dringt en verdringt in zijn eigen ziel Jezus weg; en het betere inzicht, en den oproep tot boete dringt hij weg.

En de apostelen en allen die gelooven, al zijn ze wedergeboren, dringen ook zoo veel nog weg, omdat zij nog niet volmaakt zijn in de liefde, en nog niet ten volle leven in en uit de bekeering.

Maar Jezus heeft niets in Zijn ziel verdrongen. Hij kan niet in Zijn ziel verdringen, wat in die ziel aanwezig is. Hij ként Zijn diepten door en door, en daarom ligt Zijn gansche ziel, één en onverdeeld, in elken volzin van het hoogepriesterlijk gebed op aarde, en nu ook in den hemel. Daarom is Zijn volle ziel in elke vertroosting, die Zijn stem doet hooren. Daarom gáát Hij naar het kruis en mijmert niet er heen. Dat kruis, met het gezicht op Judas en Simon Bar Jona, dat kruis met het gezicht op àl uw leelijke en mooie dingen, dat kruis neemt Hij nu aan met geheel |199| Zijn hart, met geheel Zijn ziel, met geheel Zijn verstand en met al Zijn krachten ee. Alle kamers van Zijn ziel geven geluid: zij begeeren God in het kruis. En terwijl Hij Judas voor Zich uitdrijft, zonder hem een oogenblik ook maar te vergeten, drijft Hij óók ziel en vleesch en heel de bloote menschelijkheid van Petrus en Johannes en Jacobus en al de kleine schapen en lammeren van Zijne kudde voor Zich uit; en zoo sterft Hij den dood in een huiveringwekkende liefde, die een klaar gezicht heeft op de rechtvaardigheid van den toorn, op de noodzaak van het horribel decreet. Hij gelooft dat God één is — en Hij siddert ff.

Zeg nu zelf: is ooit de vertroosting van een menschenziel zóó vernederend geweest, zoo geheel ontkleedend? Maar ook anderzijds, is ooit een vernedering en ontkleeding in Gods helder licht zoo vertroostend geweest?


Ten slotte, wij zouden het groote doel van dit boek uit het oog verliezen, als wij op dit punt het hoofdstuk besloten.

Want de strijd, die hier is beslecht, is in den grond geen worsteling tusschen de middelaarsziel van Jezus en de menschelijke ziel van Judas. Het is in het wezen der zaak een strijd tusschen Christus als het vleesch geworden Woord en den Satan.

En weer keeren wij tot ons uitgangspunt terug.

Want, wie Satan zegt, zegt ook: verdringing.

Neen, wij spelen niet met woorden; natuurlijk niet. Er is geen sprake van, dat de duistere geest van Satan in dezelfde psychologische verwikkelingen zou zijn begrepen als de ziel van een gewoon menschenkind.

In een menschenleven is er een tegenstelling tusschen onbewust en bewust leven. Er is een drempel, bóven welken zijn bewustzijn werkt, en ónder welken de duistere driften woelen van zijn niet eens hemzelf met name bekende leven.

Maar bij den Satan is van dit alles geen sprake.

In hem is óók àlles bewust.

Hij zondigt met open oogen. Hij leeft niet naar de ordening van de menschelijke ziel, die veranderlijk is en wisselend, ieder |200| oogenblik, maar hij staat als geest in de eeuwigheid; en weet zich ieder oogenblik met scherp bewustzijn voor oogen te plaatsen, àl wat in hem zelf roert en leeft. In elk oogenblik van zijn duister bedrijf ziet hij onder het werk, dat hij doet, lévensgroot de beelden voor zich, de lichtbeelden van de aanvangen van zijn bestaan, toen hij nog leefde bij God, en als geschapen geest Hem prees.

Met nadruk stellen wij dus voorop, dat hier van geen „verdringing” als van een zielkundig proces, in den boven aangeduiden zin, ook maar eenige sprake vallen kan.

Wanneer wij niettemin Satan den grooten Verdringer noemen, dan bedoelen wij daarmee, dat Satan elk oogenblik God van zich afdringt; elk oogenblik het oordeel van zich weg dringt; elk oogenblik het recht van zich wegdringt. Die Satan kènt God beter dan eenig mensch. In ònder-bewuste diepten kan hij God niet verdringen, want zulke diepten zijn in hem niet. Maar hij dringt God met zijn wil uit zijn bestaan weg. Het zal hem eeuwig mislukken; maar in het klimaat der eeuwigheid geldt de begeerte als de rijpe daad: in magnis voluisse sat est.

Zóó is Satan in zijn bestaansgrond de Verdringer. God wordt verdrongen. Hij weet, dat het niet kan, en toch onderneemt hij dat onmogelijke werk in elke seconde van zijn bestaan. Hij weet, dat het oordeel onontkomelijk is, en toch werkt hij zich onder het oordeel weg, elk moment van zijn woeden tegen den hemel. Het is een onmogelijk werk, hij weet het, en toch onderneemt hij het. Satan is de verdringer. De verdringer, die niet van zich afschuift, wat hij kwijt wil zijn om het te vergeten (zooals de mensch het dikwijls doet) maar de verdringer, die wat hij niet erkennen wil, van zich afwerpt, zonder het ooit te vergeten.

En daarom zegt de Schrift van hem, dat hij siddert (Jacobus 2 : 19).

In dat „sidderen” ligt uitgesproken de krampachtige hartstocht, de eeuwige onrust, het vermoeiend jagen van dit satanisch wezen.

Laat ons nu op Jezus letten.

Twee zijn er in de zaal, Judas en Satan. En deze twee zijn één. Judas verdringt en siddert, Satan verdringt en siddert.

Maar de derde is er, die ook de eerste is. Zijn naam is Jezus |201| Christus. Hij verdringt niets, weet alles, kent alles, wil ook alles wat hij kent als werkelijkheid van God, en siddert. Maar Hij siddert alleen voor God. Judas siddert; want zijn eigen processen jagen hem op: hij zet zichzelf in koorts; de verdringende mensch is tegen zich zelf verdeeld; hoe zou hij kunnen bestaan? gg Satan siddert ook; want God is tegen hem en hij is tegen God; deze twee zijn tegen elkander verdeeld; zij kunnen met elkander niet bestaan. Indien God maar verdeeld was tegen zichzelf (maar God is één, Jac. 2 : 19) dan zou Satan in der eeuwigheid niet meer sidderen. Hij siddert, omdat God niet zoo is, als hij wil. God jaagt hem de koorts in den geest. Ook mijn Heere Jezus Christus siddert. Is Hij tegen zichzelf verdeeld? Neen — hij kan wel bestaan! Is hij tegen God verdeeld? Neen — ook nu kan Hij nog bestaan. Maar God is tegen Hem verdeeld — Hij draagt den vloek. Hij siddert.

Maar zelfs zóó zal Hij Zijn God nog omhelzen. Hij zal Hem nog begeeren en de oogen niet sluiten! Hij siddert niet, want God is wel tegen Hem, doch God en Satan en Judas en Simon en mijn ziel, ze zullen het nooit zóó ver brengen, dat Jezus opstaat tegen God. Hij verdringt niet — en zoo overwint Hij in de groote nederlaag. Neen, Hij siddert toch ook weer niet.

Nu dan, zie toe en houd u vast aan de sterren of aan de tafel; zie toe; rustig, met ingehouden kracht, heft Hij de hand, reikt het brood, spreekt Zijn woord, laat Satan los, doorleeft een duizendjarig-rijk in een moment, zendt Judas heen, ontmoet Zijn Vader, bindt Zich de handen, bedient Gods recht over Zijn rechters, neemt het kruis, sterft den dood. En van dit alles is het rustig en passend besluit: Vader in Uwe handen beveel ik Mijnen geest.

Dit is wel groot en zeer te prijzen hh. Tusschen Judas dien verdringer, en den Satan, den patroon der verdringers, staat nu Christus Jezus.

Hij is aan Judas als mensch verwant.

Hij heeft met Satan veel gemeen.

Maar Hij staat tegenover die beiden in heiligheid, en overwint hen daarin eeuwiglijk. |202|


Met Judas, zeiden wij, heeft Jezus iets gemeen. Want met Judas deelt Jezus het mensch-zijn, de beweging, het groeien, het leeren, de vatbaarheid voor verzoeking en beproeving.

Doch tegenover Judas heeft Christus gesteld de zuivere gehoorzaamheid. En daarom, al is Hij als mensch aan Judas verwant geweest, Zijn gansche heiligheid staat tegenover Judas’ zonde; en aldus overwint Hij Satan, die zich van Judas wil bedienen, om Christus tot het kwaad te verzoeken.

Ook met Satan, zeiden wij, heeft Christus iets gemeen. Want Hij, die behalve mensch, ook het eeuwige Woord Gods is, de Zoon van eeuwigheid, de Logos, is met den Satan hierin één, dat ook Hij Zijn eigen diepten kent, dat Hij alles wat heden geschiedt in verband ziet staan met wat immer is gebeurd, en dat Hij Zich daarin altijd strekt naar wat immer kómen kan.

Maar tegenover Satan staat de Christus, omdat Hij met volkomen heiligheid God begeert en God naar zich toe haalt. Die goddelijke Persoon heeft aangenomen de menschelijke natuur. En alzoo is het, dat ook die menschelijke ziel, schoon zij met Judas leeren, worden, groeien moet, toch geen oogenblik God verdringen kan. Zou God God verdringen? Eerder vergaat de wereld. Kniel nu en aanbid: Jezus Christus begeert God, met Zijn ziel heeft Hij God begeerd. Ook zal Hij in den morgenstond God vroeg zoeken, in den morgenstond als de haan kraait, in den morgenstond, als Judas alles verdringt en zich vermoordt, in den rumoerigsten morgenstond, als op de via dolorosa Satan als nooit te voren God vervloekt, en Hem ieder oogenblik met volle kennis door begeerte van zich afwringt.

Nu zóó de Christus als de niet-verdringer, óók als mensch, tegenover den Satan staat, dien al-verdringenden geest, nu heeft de Christus Satan in elk ondeelbaar oogenblik van zijn bestaan volmaakt overwonnen. Nu kan die Christus Satan met geweld, in de groote, veel meer dan „magnetische” kracht van Zijne sterke menschenziel, en met de uitstroomende energie van Zijn menschelijk overwicht, met den vuurhaard van den Geest, die in Hem werkt, Satan trekken uit zijn schuilhoek tot aan de tafel, waar Jezus zit |203| en brood breekt, tot aan Zijn borst, tot in Zijn heilig hart, dat het breke, en uitbreke in psalmen onzen God. Hoe Christus Satan nu dwingt, voor den dag te komen, zijn werk aan Judas te voldragen, en zijn merkteeken op Christus te zetten!

Het klinkt als een paradox, maar wij houden het vol als de hoogste waarheid: juist omdat Christus elk oogenblik God met Zijn gansche wezen naar Zich toetrekt, dáárom kàn en màg Hij ook met Zijn volle wezen Satan naar Zich toetrekken. Want wel begeert Hij Satan niet, maar Hij bemint volkomen: God. Indien dan Gods klok haar uren alleen kan slaan, wanneer deze ure voor de macht der duisternis geslagen is ii, dan drijft Jezus den slinger van de klok der tijden met eigen hand. Dan windt Hij het werelduurwerk op, dan haalt Hij Satan voor den dag, en zegt, zonder iets, dat Hij weten moet, uit zijn bewustzijn te verdringen, tot dien duivel: het is uw ure, en de macht der duisternis; wat gij doet, doe het haastiglijk.

Indien Christus Satan naar zich toe gehaald had zonder God tegelijkertijd naar zich toe te halen met volmaakte begeerte, dan was Hij de bedrijver geweest van een vermetel hoogmoedsspel. Dan ware hij verstooten van Gods aangezicht, als een die speelt met demonen op den vulkaan van den toorn Gods. Dan waren wij met Hem vergaan.

En omgekeerd, indien Christus alleen maar God begeerd had, en de dwaze uitvinding had begeerd van een God an sich, en indien Hij, deze valsche profetie van God an sich tot waarheid verheffende, Satan niet naar zich toegehaald had, nu het de ure daarvoor wàs, dán zou Zijn ziel niet zuiver hebben geantwoord op de bedeeling van de tijden Gods; de tijden en gelegenheden, welke Gods raad te voren had besloten. Dan was het uurwerk van Christus’ menschelijke consciëntie niet geregeld geweest naar de zon van den raad van God. Dan zou de luchtdruk in Zijn zielehuis een andere zijn geweest dan de luchtdruk buiten Hem, in den hemel van Gods raad, en in de sfeer van Gods wet en evangelie-wil.

Maar nu Christus God en Satan tegelijkertijd naar Zich toe begeert, Gód met volkmaakte liefde, Sátan met volmaakten afkeer, |204| maar beiden met volkomen bewustzijn, nú verschijnt de Heiland, die bidden kan wat in Gethsemané gebeden werd, die in den tijd doorleed de eeuwigheid, die, als Hij ook maar een vierkanten decimeter gronds heeft om er op te staan, alle machten die in de wereld zijn, hemelsche en satanische, tegelijk onder den horizont ziet staan, en het gansche Al opbeurt in Zijn sterke armen, in gehoorzaamheid en deugd, als Middelaar van recht en verlossing.

Nu zien wij Jezus staan.

Discipelen verdringen den ouden mensch door den nieuwen, en den nieuwen door de nawerking van den ouden. Zij kunnen niet verlossen, noch ons, noch zichzelve.

Judas verdringt in eigen ziel de betere mogelijkheden van de algemeene genade, waarin ook de mensch Jezus een rol speelt, door de diepere hartstochten van ongeloof en trots. Hij kan en wil niet verlossen, noch immermeer verlost worden.

Satan verdringt met zijn ganschen wil, al wat zijn kennis weet, en maakt zich op, om de verlossing tegen te staan en te verhinderen. En hij verdringt de waarheid van de volstrekte onmogelijkheid van de overwinning van slangenzaad op vrouwenzaad, om toch dat zaad der vrouw te verderven.

Maar Christus Jezus heeft niets en niemand verdrongen. Hij heeft alles op zijn plaats gezet, en op zijn plaats gelaten. Hij heeft niets „an sich” gezien. Want alles staat in één groot, levend verband, Christus en Antichrist, hemel en hel, God en Satan, Judas en — durf ik het zeggen? — en ik; indien ik slechts geloof. Zoo heeft de Heiland zich van oogenblik tot oogenblik geconformeerd aan God, die ook Zich zelf volkomen kent (want de Geest doorzoekt alle dingen jj); aan God, die ook de wereld kent, met al wat in haar is, (want de Geest heet ook: de zeven oogen Gods, die de gansche wereld doorloopen kk). En nu God en Christus één zijn, in het niet-vergeten, in het niet-verdringen, nu is Christus de Zaligmaker en de Middelaar Gods en der menschheid.

En onze arme ziel, ze moge dan soms nog de belofte „verdringen” uit de onrustige gedachten, zij zal tóch opstaan en zeggen: God |205| heb ik lief, want Hij hoort mijn stem ll, Hij zal mij niet vergeten, niet . . . . verdringen in der eeuwigheid.

Christus — in den krater en vóór de paradijspoort . . . . ; dit geeft rust. Want dit is: hetgeen bij menschen onmogelijk was mm. Dit is ook: God — in het vleesch. Hier begint de sabbathsklok te luiden over een wereld, verloren in schuld.

De dood greep daarom ook naar zijn klokketouw, en ving te luiden aan, te luiden — — — —




1. Zinspeling op Christus’ eigen vergelijking van de menschenziel met een huis, waarin „meubelen”, „gereedschappen”, „vaten” zijn (Matth. 12).

2. Zie de noot op bl. 178.

3. Vgl. „Ziehier twee zwaarden” (messen).




a. Bewerking van ‘Iets over Christus en de „verdringing” van Judas!’, De Reformatie 10 (1929v) 10,75-78 (6 december 1929), en van ‘Over de „verdringing” en haar onmogelijkheid bij Christus’, De Reformatie 10 (1929v) 11,84v (13 december 1929).

b. Vgl. Heidelbergse Catechismus, zondag 16, antwoord 43.

c. Vgl. Romeinen 12:21.

d. Vgl. Handelingen 4:12.

e. Vgl. MatteŁs 23:37, Lucas 13:34.

f. Vgl. EfeziŽrs 6:12.

g. Vgl. Handelingen 9:15.

h. Vgl. Openbaring 21:14.

i. Vgl. Lucas 10:20.

j. Vgl. Johannes 15:16.

k. Vgl. Johannes 17:6.

l. Vgl. Johannes 6:70.

m. Vgl. Psalm 34:9 (sic!).

n. Vgl. Lucas 22:31v.

o. Vgl. MatteŁs 11:26.

p. Vgl. Lucas 12:50.

q. Vgl. 1Kon. 8:12.

r. Vgl. Psalm 28:3.

s. Vgl. MatteŁs 13:58.

t. Vgl. Psalm 22:4.

u. Vgl. HebreeŽn 11:6.

v. Vgl. Lucas 22:31.

w. Vgl. Lucas 12:35.

x. Vgl. Hooglied 8:6.

y. Vgl. 2Koningen 2:12, 13:14.

z. Vgl. Johannes 18:8.

aa. Vgl. HebreeŽn 11:27.

bb. Vgl. 1Petrus 5:8.

cc. Vgl. Jesaja 66:24.

dd. Vgl. Lucas 18:13.

ee. Vgl. MatteŁs 22:37 par.

ff. Vgl. Jakobus 2:19.

gg. Vgl. MatteŁs 12:25.

hh. Vgl. Psalm 48:1, 96:4, 145:3, 1Kronieken 16:25.

ii. Vgl. Lucas 22:53.

jj. Vgl. 1KorintiŽrs 2:10.

kk. Vgl. Openbaring 5:6 met 2Kronieken 16:9.

ll. Vgl. Psalm 116, vers 1 (berijming 1773).

mm. Vgl. MatteŁs 19:26 par.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000