HOOFDSTUK IX.

Christus tusschen kinderspel en wereldprofetie.

Als nu de Overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderheden, die Hij deed, en de kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk, en zeiden tot Hem: Hoort Gij wel, wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?

Mattheus 21 : 15-16. a


Wij hebben Christus zien komen in Jeruzalem in Zijn koninklijke heerschappij. Wij hoorden Hem huldigen door de massa, en hebben ook iets verstaan van het groote lijden, dat in dit alles Zijn ziel moet hebben gedeerd.

Nu echter mogen wij ook letten op de majesteit van Christus. Wanneer Hij een Koning was geweest die afhankelijk was van Zijn volk, of van een toevalliger wijze te hoop geloopen aggregaat van wie zich als onderdanen conditioneel Hem presenteeren, dan zou, zoodra hun ijver-vuur gebluscht was, ook het Zijne zijn gedoofd. Ware Jezus een Koning geweest naar den smaak der Jeruzalemsche feestgangers, dat is dus: een Koning, die zijn mandaat uit de handen van het volk ontvangen wil, en die het recht van initiatief aan het volk afstaat, dàn zou Jezus’ eigen initiatief gebroken zijn geweest, toen de vlam van het volks-enthousiasme was gebluscht.

Inderdaad, zóó werd het ook bedoeld door het volk, gelijk wij |127| gezien hebben. Wij wezen er reeds op, in het slot van het voorgaande hoofdstuk, dat de Joden hoopten, dat Jezus Zacharia’s profetie over den armen en ongewapenden Vorst, in dezer voege vervullen zou, dat Hij met ongepantserd lichaam en met leege handen en met duidelijk geschreven acte van conformatie aan den volkswil verschijnen zou onder de oogen van Zijn volk, opdat dat volk Hem zou mogen wapenen op zijn eigen tijd, en zou mandaat geven naar eigen wil.

Maar zooals de menschen het willen, zoo wil Jezus het niet. Wij hebben in ons zevende hoofdstuk gezien, hoe de actie niet van de menschen, maar van Jezus zelf uitgaat. In hoofdstuk VIII bevonden wij, dat Christus Zijn koningschap niet uitlegt naar den wil en de meening van de omstuwende menschenmenigte, maar alleen naar den zuiveren zin en de meening des Geestes, die in de profetie van den ouden Zacharia zich had bekend gemaakt. Want Hij zelf neemt den draad in handen. Hij wil het Koningschap alleen uit eigen initiatief ontvangen, en Zijn mandaat wel ontvangen uit de hand van God, maar niet uit handen van menschen.

Dit conflict tusschen Jezus en de menschen wàs er al. Het was er al dadelijk levensgroot. Voor Zijn eigen aandacht rees het al in het uur van den verschrikkelijken feestelijken intoch zelf. Maar het komt straks ook naar buiten toe, in de volgende dagen.

En het heeft zich scherp geteekend, óók in die episode, — schijnbaar een intermezzo — van de kinderen, die Jezus huldigen in den tempel.


Nu wat dit schijnbaar intermezzo betreft.

Naar het lijkt, komt er in het verhaal der gebeurtenissen een zekere inzinking: de kwijning van de vreugde. De roezige ouverture van de feestweek was voorbij. De massa was weer verspreid over stad en omgeving. Het feest kon toch niet altijd duren? En, eigenlijk gesproken, — er kwam een zekere verlegenheid over de menschen; zij hadden wel een Koning gehuldigd, en Hem als Vredevorst uitgeroepen, en méér dan één had, zenuwachtig-druk, ietwat loensch gekeken naar het paleis van den stadhouder, en bij zichzelf |128| gedacht, dat de gevolgen van dezen feestdag voor het praetorium wel eens verschrikkelijk konden wezen, — maar, met dat al, toen het feest voorbij was (want men kon niet altijd feesten) was een zekere schaamte gekomen over de menschen. Zij hadden niets meer te doen. Zij hadden nog niets bepaalds te zeggen. Wapens uitdeelen konden zij niet, mandaten schrijven, dat ging nog niet. Zij hadden een Koning ingehaald, maar niemand wist nu precies, welk werk zij Hem op zouden dragen.

Toen was de opwinding voor een tijd gedoofd.

Als Jezus nu maar koning was geweest naar den smaak der menschen, dan zou ook Hij gewàcht hebben, en passief Zich hebben gevoegd naar de omstandigheden, om te zien, of straks soms niet de nood Hem dwingt, voor het front te komen. Eigenlijk zou Hij daarmee voldaan hebben aan den verborgen wil der menigte, die ook een geschikt uur afwacht om den Koning op te dragen, met het zwaard in de vuist, op Rome af te trekken, op Rome en op zijn vertegenwoordigers.

Maar Jezus is zijn eigen weg gegaan. Hij heeft niet duldzaam uitgezien naar het moment, waarop het volk zijn actie voort zou zetten. Zijn actie is geen volksbeweging; het is Zijn eigen beweging, Zijn eigen taak, Zijn eigen initiatief. Het is Zelf-beweging. Hij is de groote Auto-maat, en dus volstrekt geen automaat.

Daarom gaat Jezus verder. Wij lezen, dat Hij Zijn koninklijk ambt openbaart door een massa-genezing 1) in Jeruzalem, en wel nader bij den tempel. Men brengt Hem allerlei zieken; kreupelen en blinden worden met name genoemd. Die allen worden door Jezus genezen.

Nu is het waar, dat Jezus meermalen zulk een massa-genezing heeft verricht. Toch schijnt het wel, dat in de laatste lijdensweek, toen de heele stad met den vinger naar Hem wees, niet alleen de hijgende begeerte van de menschen al die patiënten voor Zijn voeten lei, maar dat ook uit de drijving van Zijn eigen geest een |129| wil tot wonderdadigheid openbaar gekomen is, zooals niet vaak te voren.

Dit alles had immers zijn bedoeling. Jezus wilde daarin voortzetten, wat Hij begonnen was. Wat HIJ begonnen was. Hij zelf was het toch geweest, die, door den intocht in Jeruzalem van Zijn kant te openen, de profetie van Zacharia had verklaard en vervuld. En déze profetie had immers den Koning der toekomst, den Messiaanschen Koning, geteekend als arm en als ongewapend? Welaan, dan zet Christus de op Zondag aangevangen werkzaamheid in volgende dagen voort: hij gaat in publiek optreden den besten kommentaar leveren op Zacharia’s Messiaansche profetie

Twee trekken beheerschten dat profetisch beeld.

De armoede was de éérste trek ervan geweest. Zij wijst er op, dat de Messias-Vorst zich met de geringsten van Zijn volk gelijk maakt. Aan dat element der profetische rede laat Jezus allereerst in getrouwheid recht wedervaren. Zie maar, hoe Hij zich overbuigt tot de blinden en de kreupelen, d.w.z. tot de straattypen, die door de steegjes van de stad heen kruipen of er door heen gedragen worden, of benepen schuifelen door de nauwe straatjes. Tot die armen en ellendigen komt Hij nu. Zoo is Hij inderdaad met de minsten één geworden; en Zijn Koningschap geeft zich zelf een kommentaar, die de bedoeling van den profeet op de schoonste wijs in het licht stelt. Door Zich neer te buigen, onmiddellijk na Zijn huldiging, tot „de ellendigen Zijns volks” b, laat Hij sprekend zien, dat Hij de arme Koning is van Zacharia.

Maar óók de tweede eigenschap, die de profetie van Zacharia den Messias had toegeschreven, — n.l. het ongewapend-zijn, — wordt door Jezus opzettelijk in Zijn eigen laatste week verklaard, en aanschouwelijk gemaakt in Zijn werk. Messias-Vorst zal ongeharnast wezen? Ja, zoo sprak van ouds de profetie: Zijn ongewapend zijn wijst er op, dat Zijn koninkrijk niet van déze wereld is c. Het is theocratisch. Het komt niet met uiterlijk geweld, want het is niet een stormloop tegen andere naties, een stormloop, ondernomen met de wapenen vàn die andere naties. Het is ook niet een koninkrijk, dat arsenalen vult tegen de andere wapenhuizen van de groote |130| wereld. Het is ook geen koninkrijk, dat met het groote getal, met legioenen en vliegende vaandels, zijn eigen rijksgebied beschermt, en daaraan expansie geeft. Neen, — het is een koninkrijk, dat met vrede komt, langs geestelijke banen zich beweegt. Een koninkrijk, dat het drukke wereldleven wel snijdt, doch dat er doorheen breekt langs onzichtbare wegen van Geest en van vuur. Zijn kracht is niet in wat menschen noemen „het recht van den sterkste”, maar zijn kracht is enkel macht, d.w.z. bevoegdheid, rechtsbevoegdheid.

Om deze rechtsbevoegdheid nu is het den grooten Koning der Joden te doen. Hij openbaart ze, door Zijn Koningsrecht en Zijn Koningskracht te hanteeren, niet tégen Romeinen, niet tégen het praetorium van Pontius Pilatus, maar ten gunste van . . . . zieken en blinden. Trekt de Koning Zijn residentie in? Maar dan is het Zijn uur, om geschenken uit te deelen, gratie te verleenen, eerestoelen te laten bezetten. Zoo komt de Koning tot Zijn stad. Hij zal zegenen, doch Hij begint van onderen op. Hij heeft geschenken te geven. Op één na het beste: dat is het leven. 2) Maar dan is het Zijn uur, om de machten des doods, waarin Abrahams zaad gebonden is, te gaan verbreken. En aldus bloeit Hij in Zijn koninklijke daad, als Hij den dood, dien laatsten vijand d, de bezoldiging der zonde e, uit het volksleven wegneemt, en alzoo een begin maakt aan die breking van de zonde zelf; aan de uitdeeling van het beste geschenk Gods goedertierenheid. De koraal van den Heiligen Vrede zal binnen enkele dagen ingezet worden door God en engelen saam in het wijd heelal. En blinden en lammen hooren zijn praeludium.

Zeker, daar zijn vele wonderen door Jezus gedaan.

Veel en velerlei.

Daar zijn wonderen, die een teeken zijn, gevoegd bij de profetie.

Daar zijn óók wonderen, waarin het priesterhart klopt en priesterlijke liefde zich openbaart.

Maar hier zijn wonderen, die in dit bepaalde geval het koningschap moeten uitbeelden. Zij willen een duidelijke kommentaar zijn in „menschenschrift”, voor ieder leesbaar, een kommentaar op wat |131| Jezus van zichzelven zeide in de inhuldiging, die Hij uitgelokt heeft. Ze zijn niets minder dan de feitelijke illustratie, door Jezus toegevoegd aan de Konings- en kroningsprofetie van Zacharia. In dit bepáálde uur, en op dezen bepáálden dag, en op deze bepáálde plek, heeft Jezus’ wonder een beteekenis, die het nog nooit eerder gehad heeft; — elk wonder heeft trouwens weer een aparte beteekenis; het wonder, dat volgt, is bij Jezus nooit copie, en ook nooit duplicaat, van het wonder, dat voorafgegaan is.

En nu Hij op deze plaats, d.w.z. bij den tempel, in Zijn eigen stad Jeruzalem, deze kreupelen en blinden geneest, nu heeft dit wonder, juist om de plaats waar het gebeurt, een ontzaglijke beteekenis.

Het is een massa-wonder.

Komt dàt nu naar den tempel toe en zegent het de stad des grooten Konings f, dan roept Jezus voor het laatst, in Zijn wettige residentie, waar Hij als Koning binnen kwam, de wet af van Zijn Koninkrijk. Hij kondigt aan dat duizendjarig rijk van dien toekomenden, reeds aanwezigen Vredevorst, die niet komt met uiterlijken vrede, doch door verbreking van de zonde haar bezoldiging wil wegnemen.

Dat dit massaal genezingswonder juist in de lijdensweek geschiedde, gaf aan het lijden door het wonder, en aan het wonder door het lijden een bepaalde kleur. Want in de laatste week van Zijn vernedering, laat Jezus krachten van Zich uitgaan, en toont Hij te beschikken over energieën van het koninkrijk der hemelen. Dus is bij voorbaat reeds bewezen, dat Zijn kruis, wanneer het eenmaal komt, geen zwakheid is, maar kracht; geen dood, maar dáád. Wie zóó het leven geven, en den dood verjagen kan, als Jezus kon in de laatste lijdensweek, die kan alleen maar sterven, als Hij dat wil!


Dus bleek de Koning van Jeruzalem wèl trouw te zijn aan Zijn genomen initiatief, en daarin weer trouw aan de profetie.

Maar daarom moet ook de stad, die Hem feestelijk inhaalde, in conflict met Hem komen. Want Jeruzalem laat niet gauw, en niet graag, zijn eigen „exegese” van den armen, ongewapenden Koning |132| varen. Zeker, men vond het wel nuttig en treffend, en philanthropisch, en ook wel heel erg wonderbaarlijk, dat Jezus al die zieken genas; maar — dàt was het toch eigenlijk níet, wat men bedoelde. De felle brand van eerbied en extatische bewondering verloor zijn kracht, de vlam van schuchtere dankbaarheid zonk spoedig in. Een koning, die zijn eigen wegen gaat, en dan bovendien nog àndere wegen gaat, dan men eigenlijk hoopte, houdt den fakkel van het enthousiasme niet lang brandende.

Van die merkbare inzinking, die een grootsche huldiging dra verschrompelen liet tot een vrij onschuldig hospitaalbedrijf in de schaduw van den tempel, die alma mater, maken de volksleiders dan ook haastig gebruik. Zijn ze niet de almi patres? Zij trachten den domper te zetten op de vreugde van den dag.

Dat ging zóó.

Toen Jezus al die wonderen deed aan die blinden en die kreupelen, waren daar, zooals zich laat begrijpen, heel wat toeschouwers bij. En onder hen ook kinderen. Deze kinderen nu brengen in het verhaal een eigenaardige afwisseling. Zij nemen straks Jezus in het midden, en spelen hun spel met Hem als hoofdpersoon. Ze spelen „Hosanna, Hosanna roepen”. Zij hebben immers pas dien mooien, grooten optocht beleefd, die door de straten trok en stofwolken hoog opjoeg boven de huizen. Zij hebben ook meegeloopen in die dichte menschenmenigte, en van de groote menschen afgekeken hoe men doen moet met dien profeet uit Nazareth, die zulke goede dingen zeggen kan, en zulke groote wonderen doen. En nu de held van de stad een oogenblik stil op één punt blijft, bij den tempel n.l., en daar, om zoo te zeggen, zitting houdt, nu wordt hij van zelf het verzamelpunt van de jeugd. Straks, als op een gegeven oogenblik dankbare patiënten met hun familie den Rabbi van Nazareth de hand komen kussen, dan zijn de kinderen ook van de partij. Zij dragen, waarschijnlijk in verband met het naderende Paaschfeest, takken in de hand, „feesttakken”, om mee te zwaaien. Op hun manier zijn die minstens zoo mooi als de palmtakken, die de groote menschen gebruikt hebben bij de huldiging van Jezus. Het hosanna-geroep was hun ook bekend; en nu is in alle deelen het spel |133| volmaakt, en heelemaal afgekeken van de groote menschen. En als man daar nog bij bedenkt, dat, onder die blinden en kreupelen, heel wat intieme vertrouwden zijn van de straatjeugd, dan begrijpt gij meteen, dat alles bij elkaar genomen haast van zelf dit spel van de kinderen uitlokt en dat het eigenlijk maar heel gewoon is, dat zij hosanna roepen voor Koning Jezus.

Inderdaad was het eigenlijk maar „heel gewoon”. Hetzelfde zou evengeod een kwakzalver hebben kunnen overkomen.

Geen wonder dan ook, dat de volksleiders, die alles er op gezet hebben, om den groeienden invloed van Jezus te breken, thans van de gelegenheid profiteeren, om Hem te degradeeren in het oog van de omstanders. Zij komen vrij afgemeten op Jezus af, en vragen Hem, of Hij nu heusch dat kindergebazel niet verbieden kan? Als Hij toch wèrkelijk serieus genomen worden wil, dan moet Hij geen kinderpraat voor ernst opnemen. Iemand, die zooveel invloed op de menschen oefenen wil, moet eigenlijk te hoog staan om met oppervlakkig kindergebeuzel zich een pose van volksheld te geven. Vooral niet, als Hij staat in de schaduw van den tempel, waar de rollen der wijsheid bewaard worden en waar de geleerde heeren dagelijks zitten om de diepste stukken te verhandelen. Laat Hem liever daar eens Zijn krachten beproeven; de tijden zijn ernstig genoeg.

Zoo trachten zij uit Jezus’ eigen mond een woord te lokken, dat voorgoed den domper plaatst op het toch al luwend volks-enthousiasme.

Of, stel, dat Hij niet te bewegen is tot een openlijk woord van afwijzing van de hosanna-roepers, dan is toch het stellen van de vraag, en het niet-beantwoorden daarvan door Jezus, een geschikte gelegenheid om de menigte te doen zien, dat de Nazarener toch niet zóó groot is als men dacht.


En Jezus?

Och ja, Hij wist het óók wel, dat in wat die kinderen zeiden, lang niet alles ernstig was, en diep, en wezenlijk. Hij, die het feestgeroep van de groote menschen doorzag in zijn ledigheid, |134| heeft ook in het kinderkoor heel wat falsetstemmetjes en bijgeluiden opgemerkt.

Hij weet ook wel, dat het kinderlijke lof niet zwaar is van beteekenis.

Toch, aan den anderen kant, wil Jezus die kindermonden niet snoeren. Hun hosanna-geroep beteekent voor Hem toch een zeker geschenk. Een geschenk, niet zoozeer van die kinderen daar, als wel van den God van Israël. Want Christus, die ook nu weer, gelijk altijd, van de Schrift vervuld is, denkt in eens terug aan psalm 8. En terwijl Hij dien psalm van binnen zingt, heeft Hij ook het antwoord klaar, dat de Schriftgeleerden dadelijk schaakmat zet. Hij vraagt hun, of zij dan niet weten, wat de bijbel zegt? Ja, natuurlijk wéten zij dat. Maar terwijl de Heer hun dat alleen nog maar vráágt, krijgen zij reeds een kleur van verlegenheid.

Goed, gaat Jezus verder, wanneer gij dan den bijbel ként, dan zult gij ook wel weten, dat God zelf kinderpraat en kinderzang rekent onder de heel groote dingen, die Hem verblijden, en in den hemel opgemerkt worden. In psalm 8 zegt toch de dichter, dat „uit den mond der kinderen en der zuigelingen God Zich zelf lof bereidt?” Kinderen, — dat zijn de jongeren en de ouderen, kinderen in het algemeen. Zuigelingen, — dat zijn de kinderen van den prilsten leeftijd, hoewel dan toch ook weer niet zoo heel jong, want de gewonte in het oostersch leven bracht mee, dat de kinderen veel langer dan bij ons door de moeder zelf gevoed werden. Daarom is in het algemeen heel de kinderlijke leeftijd samengevat in die ééne uitdrukking: „Kinderen en zuigelingen.”

Kinderen dus en zuigelingen brengen Gode lof toe. En God hoort ze en neemt ze aan in de „offerande van hun lippen.”

Dat juist psalm 8 dat zegt, geeft aan dat alles nog een bizondere waarde. Immers, psalm 8 is het lied van de groote lijn. Hij is geschreven onder den boog, die de sterren aan elkaar verbindt. Hij is neergelegd voor de trappen van Gods troon, staande in het midden van den wereldkoepel. Die psalm spreekt over zon, maan en sterren. Want zij alle prijzen Gods naam. En dàt is al zoo veel. Maar — zon, maan en sterren mogen nòg zoo groot en zoo |135| geweldig zijn, — meer dan die alle is de menschelijke ziel. Klein mag de mensch zijn, als hij staat in het groote geheel, maar groot is hij toch, omdat hij, als geestelijk wezen, het beeld van zijn Schepper toont. En in die gemeenschap van menschen, is ook het allergeringste, het nauwelijks ontloken leven, grooter en sterker dan de boog van zon, maan en sterren. Ook uit den mond van kinderen en zuigelingen heeft God Zich lof bereid. Die lof is, thetisch gesproken, voor God een rijk geschenk uit zijn schoone wereld, want het groeiend menschenleven strekt zich daarin uit tot God. Nog meer evenwel beginnen kinderkoren te spreken tot den luisterenden God, als men ze antithetisch opstelt in het groot-auditorium van alle hemelbogen. Niet alleen toch het natuurlijke, doch ook het genade-leven zoekt daarin den Vader. Niet alleen het natuurverbond, — ook het genadeverbond engageert zich voor zijn oratoria het knapenkoor, ter eere van God, die meer dan Schepper, die ook Herschepper is. Ook antithetisch immers is de lof van kinderen een groot geschenk voor de ooren van den Heere Zebaoth; want uit de kinderen des verbonds groeien de legerscharen van Gods getrouwen, die straks de machten der zonde gaan verbreken, en die in de wereld uitroepen den heiligen oorlog, opdat God daarin triumpheere.

Wat nu, zoo vraagt Jezus, — en Zijn vraagstelling lijkt wel simpeler nog dan het spel van de kinderen zelf — wat nu, als God zelf, zooals ware Schriftgeleerden wel weten, den lof der zuigelingen zich annexeert? Wat nu, als in de schaduw van den tempel van zùlk een God een knecht des Heeren zou durven gaan staan met den rug naar kinderkoren, die reciteeren moeten in de ooren van zijn Heer? De geleerde heeren daar bij Jezus vinden, dat kinderpraat toch eigenlijk niet thuis hoort bij dien grooten, hoogen strengen tempel. Maar Jezus zegt, dat die kindertaal juist bij den tempel hóórt. Reeds in den tempel der natuur, in den minderen tempel, waarvan zon, maan en sterren den koepel spannen, zingen kinderen een hymne, waarnaar God luistert. Doch bovenal in den tempel der herschepping, waarin de boekrollen zijn, en de verbondsregels zijn gedeponeerd, is een kinderlijk woord van doxologie |136| muziek in de ooren van de engelen, en van Jahwe Tsebaoth. Want de vijand en de wraakgierigen worden daarin tegengehouden. En zou voor Jezus te gering zijn, wat niet voor God te nietig is? In naam van het derde gebod der wet van Sinaï — veracht den dag der kleine geluiden niet! g


De Schriftgeleerden zijn wel haastig afgedropen. Het antwoord was al weer beschamend genoeg geweest.

Maar voor ons is daarmee de zaak niet uit.

Ook wij zien na het vertrek der tegensprekers Jezus alleen gebleven, en weer ontdekken wij met eerbied, dat Jezus leeft in de Schrift, dat Hij, gelijk gezegd wordt, te allen dage in de Schriften is. Want wanneer Hij psalm 8 aanhaalt, dan breekt Hij dien psalm niet, maar heel die psalm izngt dan in Zijn ziel met opperste zuiverheid en hoogste eenheid al zijn tonen uit; het thema wordt fugatisch in Zijn ziel bewerkt; de harmonie is als de maat: volkómen.

Deze psalm is het dan ook, welke aan dit schijnbaar onschuldig tafereeel van jongensleut en kinderspel den tragischen en geweldigen achtergrond geeft van heel de lijdensweek.

Want in de eerste plaats, psalm 8 is het lied, waarin de natuur met de genade één wordt. Niet alleen maar de algemeene, natuurlijke openbaring, die door zon, maan en sterren haar terrein heeft laten afzetten, wordt hier geprezen om haar heerlijkheid en kracht. Ook de bizondere openbaring is hier een lyrisch gegeven. Want wanneer de psalm spreken gaat over de kinderen, die den wraakgierige en den vijand moeten tegenhouden, dan kan dit alleen slaan op den geestelijken strijd van het heidendom tegen Israël, van het slangenzaad tegen het Vrouwenzaad, van het Beest tegen den Geest. Hier klimt de psalm dus duidelijk op van het terrein der natuur tot dat der genade, van schepping tot herschepping, van gemeene gratie tot verbondsgenade, van algemeene openbaring tot bizondere openbaring. Als nu deze psalm in Jezus’ ziel resoneert, dan zien wij Hem opstaan als de groote exegeet van alle psalmen en profetieën; opstaan met den vasten wil, om niet maar te zijn de verzoener van de zonde van Zijn eigen volk, maar om óók te |137| wezen de verlosser van heel de zuchtende schepping; opstaan, met de volle toeneiging van Zijn hart, om niet alleen te geven geestelijke geschenken aan de ellendigen en zondaren onder de menschenkinderen, maar om ook den vloek weg te branden uit het erfgebied der schepping, den vloek àf te branden van zon, maan en sterren, om te zijn de Middelaar in den breedsten zin des woords. De straatsteenen bij den tempel hier, worden voor Jezus’ besef niet maar alleen plaveisel van den tempel der nieuwtestamentische gemeente, maar ook reeds vloer eener nieuwe aarde. Natuur en genade, stof en geest, hebben beide Christus noodig, als den kosmischen middelaar, die aan het zuchtend schepsel rust voor eeuwig geeft.

En in de tweede plaats: wanneer psalm 8 niet alleen weet te spreken van kinderkoren, die een oratorium zingen voor de deuren van Gods Huis, maar diezelfde kinderen ook aanschouwt als het groeiende recruten-leger van God in den geestelijken stormloop van den zedelijken en godsdienstigen strijd, den eeuwenouden oorlog van slangenzaad en Vrouwenzaad in de wereld, dan is wederom met die beide elementen psalm 8 in Christus’ ziel aanwezig, nu Hij hem zingt in zijn ziel. Hij is er zéker van, dat Hij niet alleen vrede brengt op aarde, doch evenzeer den strijd. De stem der kinderen is Hem eenrzijds een zachte naklank van het „vrede op aarde,” dat in den Kerstnacht de engelen zongen, maar het wordt voor Zijn besef ook de ouverture van den krijgsmarsch, die straks de wereld opschrikken zal, als het zwaard de knoopen in de touwen van den vrede achter Jezus doorhakken komt — in gerechtigheid.

En in de derde plaats: wanneer psalm 8 zelfs aan zuigelingen, die onnoozele „knechtkens” des Heeren, mandaten geeft in de beweging aller dingen, dan aanvaardt Jezus als de groote Knecht des Heeren ook het allergrootste mandaat, dat in de wereld ooit verstrekt zal kunnen wezen. Indien ook zuigelingenzielen Gods centrales zijn, vanwaar elementaire krachten keeren naar de schepping Gods, dan moet Hij, die als Koning hier ingaat tot Zijn eigen residentie, en zoo als volgroeide Ambtsdrager komt naar het |138| middelpunt der wereld, Zijn verantwoordelijkheid weten om het lied van strijd en vrede niet alleen te zingen, maar het ook te handhaven; te handhaven in de generale pacificatie van Gods wijd heelal, alsmede in den pankosmischen grooten oorlog tusschen het zaad der slang, en het groote zaad der vrouw.

Zoo klimt ook in de vierde, en laatste plaats Jezus’ menschelijke aandacht via jubelende kinderstemmetjes, tot Zijn bittere kruisklacht op. Want door over die kinderstemmetjes hen psalm 8 voor Gods venster te reciteeren, neemt Jezus voor Zichzelven aan, wat die, blijkbaar Messiaansche, psalm over Hem te voren heeft betuigd.

Niet alleen toch hier, maar ook in Hebreën 2 komt psalm 8 terug in het organisme van de Schrift.

Daar heeft het Nieuwe Testament den zin van dit oudtestamentisch lied geheel en al ontdekt en ons de Messiaansche lijn eener tenslotte helsche vernedering daarin leeren onderkennen.

Psalm 8 heeft er van gesproken, dat de mensch, die toch eigenlijk de koning is van heel de wereld, en die als koning in den geordenden staat van God ook de engelen in staatsdienst („liturgie”) onder zich hebben mag, — dat diezelfde mensch toch ook weer ónder de engelen staat. Want is hij niet een weinig minder dan de engelen gemaakt? En zie, dat is nu juist de incongruentie, die de psalmdichter als een pijn gevoeld heeft, het is een brok in zijn keel: de mensch een weinig minder dan de engel? Toch geeft de ervaring hem in zijn klacht het vreeselijkst gelijk. Want naar de wet zijner oorspronkelijke schepping, en onder de vigueur van zijn ouden rechtsstaat, is de mensch wel inderdaad tot despoot geproclameerd over heel de wereld, tot despoot ook over de engelen. Maar in de schepping is de zonde ingedrongen. Er is een vijand, een wraakgierige, in den kosmos opgekomen. Nu, na die zonde, zijn de dingen niet meer wat zij schijnen, en schijnen zij niet meer wat zij oorspronkelijk zijn. Door haar is ook de mensch thans van zijn plaats gedrongen. Hij moge naar het recht van zijn eerste schepping, boven Gods engelen staan, maar door de zonde is zijn kracht gebroken, zijn schoone lichaam is den dood, |139| zijn ziel den vloek nu onderworpen. De koningsmensch is een enoosj, d.w.z. een broze, zwakke, mensch geworden. Niet naar oorspronkelijke rechtsbedeeling, doch naar den feitelijken toestand, is de gevallen mensch, wat zijn kunnen en zijn uiterlijk vermogen betreft, beenden de engelen weggezonken. Gods recht zweert daarop weder al zijn eeden.

Deze incongruentie nu tusschen den rechtsstaat des menschen in de oorspronkelijke dingen aan den éénen kant, en zijn feitelijken toestand in den thans verworden staat der dingen, aan de andere zijde, is de groote pijn van psalm 8. Zij zal dus óók de groote smart zijn van den Christus in de lijdensweek. Hij komt als Middelaar nu tot Zijn eigen stad. Als Middelaar, die het menschenleven dráágt, zal Hij de lijn der vernedering van den „enoosj,” de lijn der broosheid, der sterfelijkheid, der ontbinding voor Zichzelven volgen tot het bitterst einde toe. In Gethsemané zal Hij zóó waarachtig als tweede mensch, als tweede Adam, als de Mensch, minder zijn dan al Gods engelen, dat een engel naar beneden komen moet om in dien hof den Zoon te sterken in het lijden; want anders ware Hij te zwak, en zou verzinken in „grondeloozen modder.” Ja, die ontstellende profetie, dat Jezus, de ware mensch zijnde, minder wordt dan de engelen, zal straks geheel en al vervuld zijn aan het kruis, als Hij van God verlaten wordt, waar alle engelen bij God blijven; en als Zijn vleesch in het graf zal dalen, waarin geen engel dalen kan, en als Zijn ziel zich geven moet in handen van God, op hoop tegen hoop, dat zij van engelen nog zal gedragen worden in Vaders schoot h. Christus, psalm 8 reciteerende, neemt Zich het lijden voor, het lijden niet maar als „een” mensch, maar als „de” Mensch van psalm 8, die mensch, welke daar staat als centrale mensch, geconfronteerd met God in de entourage van psalm 8: dat is: in den grooten ring van zon, maan en sterren.

Want zóó toch komt psalm 8, door het kruis van Christus heen, naar Openbaring XII weer toe. Want het poëem van Openbaring XII neemt het thema van psalm 8 weer op. Ook daar is weer die ééne vrouw, en het ééne zaad der vrouw, en staat te midden van |140| zon, maan en sterren. Dáár komt terug de enoosj, de zuigeling, die alle menschenzwakheid en de uiterste broosheid van het vleesch in zich vereenigd heeft (het kind der vrouw). Daar is de „mannelijke” koningszoon, naar wien de wereldbeweging van zon, en maan, en sterren, van alles, steeds uit wil gaan, — en die niettemin in den grooten nood der wereld, als het vrouwenzaad, begrepen is; máár: in wien ook weer het zaad der vrouw den ouden draak, dat is dus den grooten „vijand en wraakgierige,” „ophouden” gaat.

Sta stil, nu gij niet verder kunt. Sta stil, en denk hierover nog alleen maar na: dat in de ziel van Jezus de Schrift niet kan gebroken worden.

Keer dan naar haar en Hem terug met bevende gedachten. Hoor Hem psalm 8 in uwe ooren lezen, en hoor Hem zelf Zich noemen den Auteur, als Logos, en dus het zijns-principe van den psalm; auteur als Heer des Geestes (den Geest van Christus, die te voren betuigde in de profeten i), auteur, dus ook: ken-principe van de psalm; hoor Hem Zichzelf in het laatst óók noemen als Middelaar, dus als inhoud van den psalm . . . .

Dàn zijt ge tot den afgrond Zijner ziel gekomen.

Dan weet gij het: nu leeft in Christus’ geest een sterk vertrouwen: dat met de lijn der vernedering ook aanvaard zal zijn de andere lijn der verhooging. En uit Zijn kruis zal deze dóór getrokken worden tot in de hemelen toe. Is Hij eenmaal „minder dan de engelen” geworden, dan zal Hij ook de oude heerschappij veroveren, gelijk psalm 8 zoo sterk gezongen heeft. Dan zal in Hem de Mensch weer opstaan, als Koning van de schepping, in Zijn volle heerlijkheid, en niemand boven zich hebben, noch engel, noch aartsengel, niemand dan God alleen.


Weer nijgen wij vol eerbied het hoofd voor dezen Heiland, die zóó harmonisch leeft en denkt, voelt en profeteert, en zingt naar buiten en naar binnen toe, de laatste dagen uit van Zijn vernedering op aarde.

Zie en aanbid. |141|

Aan kindergebabbel verbindt Hij de groote wereldkwestie van den heerlijken naam des Heeren, rollende door het gansche wereldrond.

Aan een straattooneeltje koppelt Hij vast de beweging van zon, maan en sterren, met de vrouw van Openbaring 12 en Zichzelf als haar zaad in het midden.

Dat is de actualiteit, die eeuwig is, de eeuwigheid, die actueel gemaakt wordt.

Hier is het Koninkrijk Gods heengebroken dwars door kromme kinderpraat, en afgunstig priestergefemel heen.

Dit is de majesteit van den Koning van Zacharia’s visioen. Dit is de heerlijkheid van Christus moriturus.


En, als we, aan het eind gekomen, nog even naar het begin teruggrijpen, dan erkennen we dankbaar: in dit alles is een dubbel recht van Christus, den Koning, door Hem zelf gehandhaafd tegen nog sluimerende, of reeds op de loer liggende, oppositie van zijn vijanden.

Het eerste is: het recht van initiatief. Hij heeft niet aan den wil der feestgangers voldaan, door hun mandaten af te wachten: het programma van de lijdensweek, de kroningsweek, hij heeft het van Zijn Vader ontvangen en ging Zijn eigen gang. Wist gij niet, dat Hij moet zijn in de gangen en wegen Zijns Vaders? Hij rekt Zijn schoone uren van palmtakken en van eerewachten bij lammen en blinden; of neen, daar proeft Hij ze eerst recht, want zij zijn het, die erkennen Zijn recht van initiatief. Hij geeft zichzèlf wel werk.

Dan is daar nog een tweede: het recht van zelfverklaring 3). Christus legt de profetie, die zijn koningschap typeert („arm”, „ongewapend”) naar eigen meening uit, en vraagt niemand, of hij het verdragen wil.

Zulk een koning betaamt ons; die zijn koningschap vindiceert in souverein behagen, en daarin optreedt, onverhinderd.




1. Dit woord gebruikt door Dr F.W. Grosheide, Kommentaar op Mattheus, Amsterdam 1922, bladz. 250.

2. „Uw goedertierenheid is beter dan het leven,” maar voorts . . . .

3. „Facultas se ipsum interpretandi.”




a. Eerder gepubliceerd in Delfshavensche Kerkbode 7 (1929v) 362.364 (4 & 18 januari 1930).

b. Vgl. Psalm 72:4.

c. Vgl. Johannes 18:36.

d. Vgl. 1KorintiŽrs 15:26.

e. Vgl. Romeinen 6:23.

f. Vgl. Psalm 48:3; MatteŁs 5:35.

g. Vgl. Zacharia 4:10.

h. Vgl. Lucas 16:22.

i. Vgl. 1Petrus 1:11.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000