HOOFDSTUK VI.

Christus’ lijden verkondigd door den hemel: de doortocht van „de heerlijkheid”.

En ziet, twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en Elias: dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijnen uitgang, dien Hij zoude volbrengen te Jeruzalem.

Lukas 9 : 30-31. a


Wij zijn er ons bewust van, dat wij op het oogenblik teruggrijpen in het historisch verloop van de dingen, die in het lijdensverhaal van Christus aan de orde gesteld zijn. Indien wij de geschiedkundige orde van de gebeurtenissen strikt wilden volgen, dan moesten wij hetgeen nu volgt, eigenlijk invoegen tusschen de hoofdstukken I en II, gelijk zij thans in dit boek genummerd zijn.

Niettemin hebben wij met opzet deze plaats bewaard voor een bespreking van dat wonderlijk tafereel van Christus, in het gezelschap van Mozes en Elia, die met Hem „spreken over Zijn uitgang te Jeruzalem.”

Daar was een reden voor.

Immers, tot nu toe hebben wij gezien, wat van den kant der menschen in dat lijdensdrama ingedragen wordt. Kort gesproken, kwam het hierop neer, dat van hun kant alles onzeker en onvast was. Simon Petrus was tot twee maal toe „een satan”, maar besefte het niet. Maria was een dienende engel, maar kende daarin zichzelve niet. Het Sanhedrin, Kajafas voorop, profeteerde, maar wist er zelf niet van. en de overpriesters hebben de dertig zilverlingen aan Judas Iskáriot uitgekeerd, maar verstonden het niet, dat de vloek hing in de zaal, waar zij met hem samenschoolden, noch |73| dat het Groote Oordeel de pooten had gezaagd voor het wisselaarstafeltje, waarop hun hand het geld Judas toeschoof. Waarlijk, van den kant der menschen is alles onzeker en onvast. Zij zien noch verstaan ze, maar werpen als groote dwaze kinderen inktvlekken op het bestek, dat de hemel onder hun oogen legt, het bestek van Gods recht en genade en van den evangelischen tempel.

Daarom willen wij nu zien, hoe het bijbelsch evangelieverhaal ook de rollen om weet te keeren. Want de menschen van beneden, de kinderen der aarde, „vleesch en bloed”, mogen onzeker zijn en niet weten, welke krachten van de toekomende eeuw b om hun hoofd heen uitgezonden zijn, — doch de hemel weet het des te beter. En als wij Elia en Mozes met Christus samen zien spreken over Zijn naderend sterven, dan komt de Groote Zekerheid aan het woord. Dàn wordt er geprofeteerd in bewustheid, dan worden er krachten ontbonden, waarvan de dragers weten, wat zij zijn en wat zij werken in de wereld boven en beneden.

De wind waait en men hoort zijn geluid; maar de aarde wist niet, van waar de wind komt, noch waar hij heen gaat c.

En wederom, de wind waait en men hoort zijn geluid; maar de hemel weet wèl, van waar hij komt en ook waar hij heengaat. En dat is het tegenwicht, tegen al wat in de voorgaande hoofdstukken gezien werd.

Wij hebben trouwens nog een tweede reden, om deze volgorde te kiezen voor de behandeling van de stof. Immers na dit zesde hoofdstuk zullen wij met Christus treden uit het voorportaal van het lijden tot in den eigenlijken lijdenstempel zelf. Wanneer Christus straks met vasten tred en sterken wil uit de eenzaamheid te voorschijn treedt en de groote volksbeweging uitlokt, waarover wij straks nog nader spreken zullen, dan neemt Hij zelf den draad in handen, die Hem geleiden zal tot Golgotha. Dan ontketent Hij rustig en met beleid, den storm boven Zijn hoofd. 1) Daarom willen wij, voordat wij van het voorportaal naar het eigenlijke lijdenshuis overgaan, ons spreken over dat voorportaal afronden, door, nadat |74| de aarde in hemelsch licht kwam staan, nu ook den hemel zelf te zien, die het licht uitzendt naar alle kanten.

Wij zeiden zooeven, dat overal waar de hemel spreekt, de Zekerheid aan het word komt, en dat dus ook in dit oogenblik Christus uit de onzekerheid der menschen overgeleid wordt naar het zékere spreken, en het zékerheid wekkende betoogen, van den hemel.

Nu zijn er, die dit ontkennen.

Velen immers gaan, bewust of onbewust, een anderen kant uit in hun redeneeringen.

Zij stellen het zich zóó voor, dat Christus op den berg der verheerlijking voor de keus werd geplaatst, namens God zelf, door Zijn hemelsche gezanten, wat Hij wilde: den hemel ingaan zònder lijden en sterven; òf: den hemel ingaan, maar dan eerst lijden en sterven.

Voor zoover men nu hiermee bedoelt, dat Christus hier beproefd wordt, en dat Zijn geest deze twee mogelijkheden heeft zien liggen, en er bewust de goede uit gekozen heeft, hebben wij tegen deze opvatting geen bezwaar.

Iets anders echter wordt het, wanneer men de voorstelling huldigt, dat de hemel zelf Christus het recht zou gegeven hebben, om aldus te kiezen: òf een hemelvaart nu dadelijk, zonder hellevaart, òf een hemelvaart alleen na den bangen doortocht door de diepten der helsche benauwdheid heen. Indien men meent, dat Christus tusschen die beide vrij mocht kiezen, en dat de hemel Hem dus in „groot verlof” elke mogelijkheid open liet, dan kunnen wij niet anders dan daartegen, op grond van heel de Schrift, bezwaar indienen.

Immers, op deze wijze vergeet men, dat achter dit alles reeds de bindende uitspraak lag, van den eeuwigen Raad des Vredes tusschen Vader, Zoon en Heiligen Geest. Van eeuwigheid reeds is, in de drievuldigheid van Gods wezen, het vaste bestek gemaakt van het Goddelijke plan van heil en vrede. En nu is het dwaasheid, aan te nemen, dat de hemel zelf tot deze dagelijks nog leerende 2) menschelijke ziel, tot dat zwakke, aanvechtbare |75| vleesch van Jezus, zou komen, teneinde Hem het recht van de vrije keuze te bieden tusschen de gebiedende goddelijke inspiratie des Vaders en Zijn eigen menschelijke aspiratie naar licht en leven, naar blijdschap en vrede. Zou God Hem nu waarlijk komen vragen, of Hij misschien ontwrichten wil dat eeuwig bestek van verkiezing en verlossing, waarop de ééne historie der wereld is gericht door God Zelf, en dat het wezen geeft aan den raad des vredes en der verkiezing van God, — en daarmee vrede hebben, hoe de keus ook viel? Als de hemel eenmaal kiest, en als Vader, Zoon en Geest elkander eenmaal hun dure eeden hebben gezworen, dan mag de mensch Christus Jezus dit alles in der eeuwigheid niet ontwrichten. Neen, wij durven het zeggen: Hij màg dat niet. Want als Mensch en Middelaar staat Christus onder de wet der gehoorzaamheid. Niet voor niets heet Hij „Knecht des Heeren.” Hij heeft die wet aanvaard bij Zijn eigen doop, en heeft nog nooit iets anders dan die wet mógen doen. Indien de hemel Christus het vrije recht der onafhankelijke keuze had gelaten, dan zou de tweede Adam door God zelf verzocht zijn geweest tot het kwade; maar „God verzoekt niemand.” d Hij stelt wèl den eersten en ook den tweeden Adam een proefgebod, en wèl gelooven wij, dat dezelfde God, die den eersten Adam een „boom” en een „vrucht” liet zien, die „schoon” was om te genieten, en „begeerlijk” om verstandig te maken e, dat diezelfde God, zeggen wij, óók nu aan den tweeden Adam een hemelsche heerlijkheid laat zien, „schoon” om te genieten en „begeerlijk” om verstandig te maken. Wil men daarom van beproeving spreken, — dàt woord aanvaarden wij. En, wil men van verzoeking spreken, dan aanvaarden wij die gedachte óók nog wel, maar voegen er aanstonds aan toe, dat die verzoeking dan alleen van den Satan komt, als hij Simon Bar-Jona zijn dwaasheden laat zeggen, of op andere wijze op de menschelijke ziel van Christus eenigen aanval opent.

Maar wij weigeren te gelooven, dat God van Zijn zijde Christus „verzocht” heeft tot het kwaad, door Hem de keus vrij te laten, die reeds van eeuwigheid aan Zijn raad en ook wederom in den tijd aan de wet en aan de eeden van trouw gebonden was. Nooit |76| laat God de wereld, die naar Zijn plan geregeerd wordt, balanceeren op de punt van een naald, als dan die naald in handen gesteld zou zijn van een vrijgelaten, ongebonden menschenkind, ook al ware deze mensch de tweede Adam zelf. Trouwens, dat is een onmogelijkheid. Het begrip: „tweede Adam” reeds is een uitsluiting van het andere begrip: „een vrijgelaten mensch.” Christus is niet „een” mensch, maar „de Mensch,” het verbondshoofd. En, Hij is slechts verbondshoofd gewòrden, om Zich te kunnen binden, met alle vezelen van Zijn bestaan, aan de wet des Heeren.

Bovendien, de feiten zelf weerspreken de gedachte, die zooeven afgewezen werd. Wij zien heel sterk, dat de hemel van zijn kant, geen oogenblik Jezus de vrijheid laat. Wordt er niet ronduit gesproken met Jezus over dat groote thema: „Zijn uitgang, dien Hij van plan was, op het punt stond, te volbrengen in Jeruzalem?” Reeds dit ééne ding, dat ronduit gezégd wordt waar het op staat, sluit elke gedachte uit van een verzoeking of van een verleiding.

Er zijn hier verschillende mogelijkheden.

Wanneer Satan den mensch verzoekt, dan tracht hij de hoofdzaak, waar het in de vierschaar Gods tusschen Hem en ons over loopt, niet alleen te verbergen, maar ook een schijn te wekken, die valsch is; dan wil hij ons dus een werkelijkheid voor oogen spiegelen, die niet bestaat, en zoo de hoofdzaak wegwerken uit ons bewustzijn. Het woord van den verzoeker tracht altijd in te gaan tegen de hoofdzaak van Gods rechtsgedingen.

Als God den mensch beproeft, staat het weer anders. Dan kan God voor een korten tijd wel verbergen, waar het om gaat, en ons de volle zekerheid omtrent de „hoofdzaak” in ons levensgeding, voor een tijd onthouden, maar nooit wekt God een vàlschen schijn, en nooit gaat God in tégen de subjectieve kennis van wat objectief de hoofdzaak is, die de mensch weten moet. Juist omgekeerd. Elke beproeving, die God over den mensch komen laat, dient er toe, dat zijn wankele schreden zich weer richten zullen vàn het zijpad náár den hoofdweg toe, en dat uit de nevelen der bijkomstige dingen, weer het centrale licht van Gods waarheid zal gezien |77| worden. God werkt altijd naar de hoofdzaak toe, en werkt ons er naar toe, ons leven en ons kennen, ons zijn en ons bewustzijn.

In dien zin nu komt er tot Christus van Gods zijde geen verzoeking, maar enkel een beproeving. Een beproeving blijft het voor Hem, hemelsche glansen te zien, en krachten van zaligheid te voelen, en adem te halen in de heldere lucht van het hemelsche klimaat, en toch niet te kunnen ingaan tot Gods altaren.

Doch, met het woord beproeving, is maar de helft gezegd. Want daarnáást komt God óók tot Christus met een openbaring, die Hij als mensch ontvangen kon en moest, om Zijn ziel werkzaam te maken met het geheel der openbaring van God, en ook met heel den God der openbaring. God dringt Hem naar de hoofdzaak toe, en naar den hoofdweg toe, en naar het centrum van tijd en eeuwigheid toe, waar Hij alleen zal staan, neen — hangen, voor God. Hij, geconfronteerd voor allen, met den Allerhoogste.


Hier raken wij dan ook aan de eigenlijke bedoeling van wat er op den berg gebeurd is.

Wij hoorden reeds lang door de kerk belijden, dat rondom den Christus Gods een „allerbizonderste voorzienigheid” werkzaam is.

Haar verborgen werking is ook hier te zien.

Want naar de gelegenheid van Christus’ levenstijd, komt God hier op dit oogenblik ingrijpen in den stand van het Messiaansche werk, dat Christus moest volbrengen. God geeft Hem door den Openbarings-Geest een openbaringswoord, vergezeld van een openbaringsteeken; en het is een wonderlijke ontdekking, te zien hoe deze alle volkomen passen bij dit moment van de heilige openbaringsgeschiedenis.

Om dit te vatten moet wij hierop letten, dat in elke openbaringsdaad van God, die in den tijd valt, drie dingen op te merken zijn:

a. Zulke openbaring is altijd zuiver;

b. Zulke openbaring is nooit volkomen;

c. Zulke openbaring is altijd groeiend.

En met deze drievoudige werkelijkheid van de openbaring komt dan ook tot den mensch, die haar ontvangt, een driedubbele eisch, voor wat betreft zijn persoonlijke verhouding tot die openbaring. |78|

Drieërlei eisch stelt God hem daarin:

a. Is de openbaring zuiver, dan moet hij ze aannemen;

b. Is de openbaring nog niet volkomen, dan moet hij ze verder uitwerken, door met zijn gansche ziel en geest zich tot God te keeren.

c. Is de openbaring groeiend, dan moet hij niet met het tegenwoordige tevreden zijn, maar jagen naar de volmaaktheid.

Laat ons nu zien, hoe elk van deze drie momenten aanwezig is, zoowel in de kómst van de openbaring naar Jezus Christus toe, als ook in de ontvangst van die openbaring door Jezus Christus zelf op den berg der verheerlijking.


Beginnen wij met dat eerste;

a. Er komt tot Christus een openbaring, die zuiver is;

b. Hij neemt ze ook gewillig aan.


Tot Christus komt een zuivere openbaring. De hemel spreekt tot Hem door Woord en door Geest, en — wat de hemel zegt, is waar. Immers op de smartelijkste wijze predikt de hemel, dat Christus, al staat Hij in het licht, en al geniet Hij van zeven zaligheden, toch nog is in vernedering. Wel ontvangt Christus een uitnemende heerlijkheid, en Zijn gedaante blinkt wel gelijk de sneeuw, — maar vergeet het niet: Die heerlijkheid is geleend. Zij komt niet uit Christus zelf op (gelijk het eens zal zijn op den Paaschmorgen en den Hemelvaartsdag en op den dag van Zijn wederkomst) doch zij komt van buiten af naar Hem toe. Hij leent ze van Elia en van Mozes. Hij, die het recht heeft, en de macht heeft, in het gansche heelal de plaats in te nemen straks van de zon, heeft nu een mindere glorie, als van de maan. De zon schittert door eigen licht, maar de maan, de bleeke, ontleent haar licht aan de zon, en is daarin nooit zichzelf gelijk, haar glans is wisselvallig. Want dunkt u, is dat geen smart voor Christus, die nooit een bijzaak ziet ten koste van de hoofdzaak, en wiens aandacht nimmer een moment „proeft” met voorbijgang van de omstandigheden van zijn grooten levenstijd? Ach, Hij voelt dat alles wel. Elia en Mozes brengen hemellicht en hemelglans mee, ze dragen die naar Hem toe; en |79| wel is waar hebben zij ook hun glans van God gekregen, maar toch is hun eigen gedaante, heel hun blinkende parousie, zelf reeds gesierd en verheerlijkt door een kracht, die van binnen naar buiten bij hen gewerkt heeft, toen hun zuivere, verloste ziel haar inwendig schoon ook mocht zien doorwerken naar hun verheerlijkt lichaam, bij God in den hemel. Maar Christus is nog niet uit zichzelf verheerlijkt. Hij is de Zoon, maar welk een Zoon? Een Zoon is Hij, die éven van twee knechten een blinkend kleed mag leenen, twee knechten van Zijn Vader, en die dan weer staan moet, onttakeld, ontkleed, naakt en berooid, een dienstknecht in slavengestalte f.

Dit alles noemden wij openbaring, en ook: zuivere openbaring. Want zóó predikt de hemel schreiend de waarheid over Christus. De hemel zegt Hem, dat Hij als mensch louter ontvankelijk is, eindig is, vernederd is. De hemel roept het Hem toe, dat langs dezen weg, den weg van mechanische overstraling en bekleeding met heerelijkheid, Zijn groote metamorphose niet kan of mag geschieden. Want indien op déze manier de hemel Christus zou ontvangen als een mensch, die enkel maar van buiten af, mechanisch, met licht overtogen en met diamant getooid was, dan zou de hemel de dwaasheid hebben gekroond; dan zou de hemel eigenhandig de zonde indragen binnen de sferen van zijn smettelooze heiligheid. Immers, in Gods hemel kan niemand intreden, tenzij dan wie, niet mechanisch, maar „organisch”, door geleidelijken groei van binnen naar buiten, door den stagen wasdom van een in hem kiemend zaad van heerlijkheid en leven, rijp geworden is voor de ontmoeting van zijn God. Geldt deze wet voor alle andere menschen slechts ten halve (omdat hun heerlijkmaking toch ook door een van boven ingrijpende daad Gods zal worden voltrokken eens), voor den Christus geldt ze geheel en al, onbeperkt en onvoorwaardelijk. Want Hij, de tweede Adam, moet niet van buiten af de heerlijkheid zich zien opleggen, maar behoort van binnen uit het recht der heerlijkheid te veroveren, en de kracht, het beginsel, de volle ontplooiing er van, door den Geest Zich te verwerven. Door de armoede van een geleende, mechanische metamorfose hem te laten gevoelen, noodigt de hemel Hem, niet een voorbarigen mechanischen |80| ingang in het Jeruzalem daarboven, maar een organischen uitgang in het Jeruzalem daarbeneden te begeeren, en daardoor te geraken tot den organischen ingang in het Jeruzalem daarboven straks, als Gods tijd vervuld, Gods wet bevredigd zal zijn. Want eerst door in dat Jeruzalem van beneden te sterven aan de wet, en alle beproevings-geboden op betamelijke wijze te vervullen, zal Hij die toekomende heerlijkheid kunnen verwerven, die Hij niet leent, maar in zichzelven besluit; on dan daarna als de Meerdere van Mozes en Elia Zijn heerlijkheid wederom in genade uit te deelen en weg te schenken, aan Mozes, en aan Elia, en aan David, en aan Jesaja, en aan Adam en aan den laatsten uitverkorene, aan al de Zijnen tot in eeuwigheid.

Dit was de openbaring, die de hemel zuiver Jezus gaf.

En nu zien wij ook het tweede, waar het hier in dat eerste punt op aankomt: Christus neemt ook met Zijn gansche persoonlijkheid die zuivere openbaring aan. Hij is nog nooit zoo waarlijk knecht geweest als op dit oogenblik. Een knecht is Hij, want Hij leent van de knechten in Gods huis, Mozes en Elia, hoewel Hij is de Zoon. Zie, nu bukt Hij het hoofd en laat Zich vernederen. Hoor, nu belooft Hij de gehoorzaamheid. Mozes heeft de wet gegéven, Elia heeft de wet gehàndhaafd, Christus wil de wet vervùllen. Zie, Hij bukt het hoofd. Mozes heeft Israël uit het heidendom geleid, Elia heeft het heidendom uit Israël getrokken, Christus zal die beide werken doen. Hij zal Zijn volk redden uit Satans greep, dat is, Hij zal het rechtvaardigen. Hij zal ook alle satanisch wezen uit Zijn volk trekken, dat is, Hij zal het heiligen. En zóó wil Hij nu zijn de volkomen Middelaar, die àlles doet, wat de wet van Hem eischt, en die aanvaardt den grooten eisch van het oogenblik, om slechts door lijden heen verheerlijkt te worden. Ja, wel diep bukt Hij het hoofd, en de ontvangst der openbaring, ook van de pijn in de openbaring, is volkomen. Want zonder opstand neemt Jezus aan, wat God Hem geeft, en berust Hij, voor zooverre God Hem iets onthoudt.

En, — de pijn der onthouding is hier meer dan de vreugde om wat gegeven wordt. |81|

Want Mozes is er wel, en Elia is er ook, maar waar is Jezus’ God? Mozes heeft eens op een hoogen berg met God gesproken als een vriend met zijn vriend g, lang gesproken, telkens weer gesproken. En Elia heeft wederom op een anderen hoogen berg eveneens met God gesproken, lang en telkens weer, toen de Heer, die eerst voorbij ging, daarna Zich openbaarde in het suizen van een zachte stilte h. Maar Christus mag heden met God zelf niet spreken. Wel komt er een stem, die over Hem spreekt tot derden, maar er is geen openbaring van God tot Christus rechtstreeks; er is geen stem, die tot en met Jezus spreekt. Hij klom als zoekende ziel den hoogen berg op, om God te ontmoeten in gebeden, — en Hij deed dat, in het bewustzijn, méér te zijn dan Mozes en Elia en dan al de heiligen saam. Maar God, die zich aan Mozes gaf en zich aan Elia niet onthield, trekt Zich nu van zijn Zoon terug. Dus is er al een begin hier van dat groote gevoel van verlatenheid, dat straks zich uitschreien zal in dat bittere woord: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten i.

Dàt mag aanvaarding heeten van de openbaring Gods in haar spreken, en ook in haar grimmigst zwijgen. Dàt is den eisch der wet aanvaarden, in het gezicht van den wetgever Mozes, en den wetshandhaver Elia. En vóórdat Christus den hoeksteen leggen zal van het gebouw des evangelies, verdraagt Hij, dat twee banierdragers van het huis der wet, Mozes en Elia, Hem den kánon van den bouw en den regel van den optrek van het evangelisch huis, in Gods naam komen leeren en bezweren van begin tot einde toe.


Nu komen wij tot ons tweede punt. Er komt tot Christus een openbaring, die niet volkomen is.

Maar Hij neemt ze ook zóó weer aan, gelijk het behoort, want Hij werkt ze verder uit, door met Zijn gansche ziel en geest zich te keeren van de openbaring Gods tot den God der openbaring.


Tot Christus komt de openbaring, gelijk altijd, in nog niet volkomen vorm. Willen wij een vreemd woord gebruiken, dan zeggen wij: die openbaring is niet adaequaat, want de openbaring, die God |82| geeft, spreekt wel de waarheid, maar nooit de volle waarheid. Zij put de waarheid niet uit. Wat God zegt, is waar, maar nooit zegt Hij àlles. Dat kàn Hij niet, omdat het oneindige Gods door het eindige der menschen nooit geheel omvat kan worden. En dat wil Hij niet, omdat de openbaring een geschiedenis doorloopt tot het einde toe, en dus eerst voltooid zal zijn bij het einde der wereld.

Dat de openbaring op dezen bergtop niet volkomen is, treft ons dadelijk.

Het is waar, er is hier wel veel om in te roemen. De dragers van het licht, Elia en Mozes, zijn schitterende verschijningen, zóó van Gods troon gekomen, en hun majesteit is een blinkende uitzondering in den nacht van donkerheid en nevel. En dit alles is voor Jezus. Als wij uit menschelijk standpunt, van de aarde uit, deze uitbundige weelde zien, dan zeggen wij: Wat is dat alles groot! Anders echter wordt het, als wij die twee blinkende gestalten zien tegen den achtergrond van den hemel zelf, als wij ze zien in het licht van God. Immers dan zeggen wij:

a. De dragers van de openbaring laten maar een klein weinig zien van de volle werkelijkheid, die zij bij God steeds „zien en hooren”;

b. De wijze van de openbaring laat maar een klein weinig merken van de volle kracht, waarmee zij steeds „gelaten” is.

Wat het eerste betreft, Mozes en Elia, de dragers van die openbaring, vertoonen slechts een heel klein deel van de hemelsche heerlijkheid, die zij toch dagelijks „zien en hooren.” 3) Al mag dan voor ons, gewone menschen, en ook voor deze slaapdronken discipelen, die blinkende majesteit „bóven-gewoon” zijn, voor den hemel ligt zij toch maar beneden het gewone. Zooals zij hier staan en schitteren, zoo zijn ze nu eenmaal. Of neen, — zóó zijn ze niet! Ze zijn veel heerlijker, dan ze hier blijken. De knechten temperen hun licht, als zij komen in het donkere huis van den Zoon. Mozes heeft eens zijn blinkend gelaat bedekt, omdat het volk dien glans niet kon verdragen j. Hij tempert weer zijn glans, hij bedekt zich ook voor den Zoon. Want de aarde kan nooit het hemellicht geheel |83| verzwelgen! Een glimp slechts is hier van den hemel; de deur van het gouden paleis is maar éven op een kier open geweest. Maar achter die twee gestalten laat zich vermoeden: de zang der engelen, de troon van God, de blinkende heerlijkheid van de „vier dieren”, een geluid als van een grooten donderslag. Ach neen, de hemelweelde stort zich niet uit in de volheid van haar glans. Men kan zelfs veilig zeggen, dat die zelfde reuzen, die hier op den bergtop Jezus ontmoeten, Elia en Mozes, op aarde veel meer hebben gedaan, veel sterker indruk hebben kunnen maken. Elia heeft op aarde een hof doen beven, vuur van boven geroepen, de wereld van zijn tijd ontzet. En Mozes is de zee en de woestijn doorgetrokken als een lawine, die achter zich aantrekt de machten en de krachten der toekomende eeuw. Wat is, daarbij vergeleken, alles stil en schemerig hier. En flets. En — flitsend. Een oogenblik slechts, en de hemel is weer dicht. En de aarde? Ze merkt er niets van.

Daar is nog meer. Ook de wijze der openbaring, die God heden schenkt aan Zijn Zoon is ingehouden kracht. Het is opmerkelijk, dat zoowel Mattheus 17 : 13, als Markus 9 : 4, en ook Lukas 9 : 31, in de oorspronkelijke taal een woord gebruiken, dat een heel gewoon rustig gesprek aanduidt. Jezus spreekt met Elia en Mozes en zij spreken heel gewoon met Hem. Zij zeggen zijn uitgang te Jeruzalem. Alles wijst er op, dat hier een regelmatig, geordend gesprek gevoerd wordt. Het gewone, niet iets buitengewoons, laat zich daarin duidelijk zien. Vroeger was het anders! Mozes’ oog schoot vlammen, zijn hand hieuw vuur uit de rots en zijn stem was vervaarlijk. En Elia schudde zijn volk en kwam, en ging als een wervelwind. Hier echter is het teeken, dat er komt bij het Woord, zoo heel bescheiden, en de vorm van het woord is rustig en gewoon. Ging hier de hemel open en sprak hij met Jezus over het vreeselijkste onderwerp, dat men op aarde noemen kan, een onderwerp, nog vreeselijker dan — de hel?

Toch ligt dit alles volkomen in de lijn. De vroegere teekenen, en vreeselijkheden, en vervaarnissen in de instrumenten der Godsopenbaring, Elia en Mozes, behóórden bij het Oude Testament. Ze dienden alle tot voorbereiding van het Nieuwe. Het was alles een |84| alarm slaan, om de aandacht te trekken voor iets anders, dat nog komen moest.

Welnu, hier is dat andere.

Hier komt het Nieuwe Testament, met zijn vólle werkelijkheid. En in deze volle nieuwtestamentische werkelijkheid zijn ook Mozes en Elia begeerig in te zien. 4) Want wel zagen wij straks, dat Mozes en Elia, wat de uitwendige schittering aangaat, in zekeren zin als de zon zijn voor Christus, die bij hen, uitwendig vergeleken, slechts de maan gelijkt. Maar nu keeren wij het om. Als het op de verborgen krachten aankomt, op de energieën van het koninkrijk der hemelen, dan is Christus, als de Zoon des menschen, en als de Heer der heerlijkheid, de zon der gerechtigheid, en móet „de maan” van het Oude Testament bij Hem verbleeken en in de schaduw treden, nu Christus zelf verschijnt. Want de zichtbare wereld en de onzichtbare zijn er twee. Als er een onweer losbreekt, dan golft er door de lucht zulk een electrische kracht, dat onze radiotoestellen er door overstemd worden; want het onweer groeit in sterkte, maar wat die dwergen van menschen de lucht in zenden, dat hoort zijn „energie” bespotten, zoodra de krachten van den hemel zelf ontbonden worden.

En zóó is het nu hier. Elia en Mozes zijn, als het er op aankomt, alleen maar luidsprekers van God. Dus spreken zij met recht en reden in de ooren van den Mensch Jezus Christus. Maar deze Mensch, die Zich door den eeuwigen Geest Gode onstraffelijk opofferen zal k, heeft in Zich de kracht van Gods onweer. En nu Hij in déze zijne kracht op zijn bergtop staat, en met Zijn hand hemel en aard omspant, nu kan de openbaring, die zich van Elia en Mozes als voertuig bedient, niet anders zijn dan onvolkomen, zwak, ten deele slechts. Ze is altijd onvolkomen. Maar zij is het nooit zoo geweest als hier, omdat hier de mindere openbaringssterkte komt tot den sterksten Held der openbaring. God, voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door Mozes en Elia, heeft in deze laatste uren hen leeren zwijgen |85| voor den Zoon l. Ze spraken, ze spraken. Maar nooit heeft iemand zóó gezwegen m. De openbaring, — niet adaequaat. Dat is arm, in zekeren zin, arm. Maar het is nog nooit zóó rijk geweest, want de onvolkomenheid der openbaring in de reuzen van het Oud Verbond wijst naar de volkomenheid van Gods Openbaring in het Nieuwe Testament — door den Zoon, die het spreken Gods vervult!

Daarom stemt dan ook de toestand van Christus’ ziel overeen met wat hier in Mozes en Elia naar Hem toekomt. De openbaring, die God tot Jezus komen doet, moge niet adaequaat zijn, maar Christus zal van Zijn zijde, met volle spanning van hart, en geest, en ziel, de onvolkomen gegevens van het hemelsche onderricht uitwerken, door Zijn gansche ziel en al Zijn zinnen en heel Zijn wil op God te richten. En zoo zal Hij de bevend-opstijgende lijn van de openbaring Gods uitwerken, en dóór-trekken tot Hij er mee eindigt in Gods volkomenheid zelf.

Hierin is Hij dan ook onze Verlosser. Want bij ons, wederhoorige menschen, is de ontvangst der openbaring nooit in overeenstemming met de mate der volheid van genade, die God ons daarin schenkt. Maar bij Christus wordt wat God doet, altijd naar zijn aard ontvangen en verwerkt. En als God den mensch Jezus in een niet volkomen openbaring één talent geeft, om er mee te werken, dan zal Hij zwoegen, het gelaat naar God gekeerd, tot Hij alle talenten heeft gewonnen, die God te geven heeft. Hij zal altijd de openbaring haar recht geven, door in Zijn gansche bestaan er mee werkzaamte zijn, ten einde toe. Al laat de hemel ook maar op een kier zijn gouden deuren openstaan, het zal voor Hem genoeg zijn, om de deuren op Gods tijd alle geheel te openen. Als de krachten der toekomende eeuw maar eenmaal zijn ontbonden, dan zal Zijn kracht ze alle vrij maken, dat zij vrij de wereld over gaan, tot op dien dag, waarop Zijn voetstap weer den bergtop drukken zal, om te oordeelen de levenden en de dooden.

En ja, ook in het tweede punt, dat we ter sprake brachten, reageert de ziel van Christus zuiver op de openbaring, die tot Hem komt. Mozes en Elia zeiden alleen maar dat verschrikkelijke, dat stond te komen immers? Ja; dat was het: alleen maar zeggen. |86| Maar zeggen is voor Jezus genoeg. Meer dan genoeg. Hij zelf heeft eens het droeve beeld geschetst van de ontvangst, die Gods Woord onder de menschen heeft. Als de feesttafel van het evangelie staat aangericht, dan gaat God den genoodigden eerst zeggen: de tafel is klaar; maar ze komen niet. Dan moet hij bevelen: breng ze hierin; maar nog is het niet goed. Eindelijk is het: dwing ze in te komen. Van zeggen tot brengen, van brengen tot dwingen. 5) Zoo staat het bij de menschen, die met Gods openbaring van leven, van evangelie, zijn gezegend.

Doch Christus, die thans een wettische dagvaarding krijgt, een noodiging om te verschijnen, niet aan de gemeenschapstafel des evangelies, doch aan de slachtplaats des Grooten Gerichts, — Christus is met het zeggen alleen reeds tot alles bereid. Brengen, dwingen? Neen, Ik kom, o God, om Uwen wil te doen n.

Want wel is ook Zijn ziel verslagen en bevreesd, maar hierin is Hij onze Middelaar: Hij ontvangt de on-volkomen openbaring zuiver. Hij werkt ze uit tot God. Daarom is het simpele zeggen Hem even zwaar van gerucht als de groote donder van het oordeel . . . . Zeggen en oordeel zijn voor Hem één.


Er is nog een derde ding. De openbaring, die God geeft, is altijd, en ook hier, onderdeel van een groeiend werk. En daarom moet hij, die ze ontvangt, niet met het tegenwoordige tevreden zijn, doch er mee jagen naar de volmaking.


De openbaring, ook die God hier aan Christus geeft is, zoo zeiden wij, een moment van een proces, een onderdeel van een nog groeiend werk. Alles is hier bezig te groeien, zich uit te zetten. Dat blijkt vooral, als wij letten op de hier intredende wet van transfiguratie.

Christus, zoo zagen wij, komt te staan in heerlijkheid. Zijn gedaante wordt blinkend.

Eenzelfde transfiguratie is óók aan Mozes en Elia in hun aardsche leven overkomen. |87|

Mozes ontving ze, toen hij op den berg met God verkeerd had, want toen hij naar beneden ging, blonk zijn aangezicht; en het was zóó stralend, dat het volk het gezicht ervan niet verdragen kon o.

En Elia op zijn beurt, ontving zijn transfiguratie, toen hij op den wagen Israëls met zijn ruiteren ten hemel opgenomen werd p.

Alleen maar, noch Mozes, noch Elia bereiken daarin de volkomenheid. Ze konden het rustpunt niet eens bereiken, het rustpunt voor de openbaring van dien God, wien alle hijgende profetenzielen toeroepen: Sta op, tot Uwe rust, o Heer! q Want Mozes treedt op Sinaï in transfiguratie, en draagt straks het licht van de goddelijke heerlijkheid van boven naar beneden, naar het volk toe. Maar die glans van heerlijkheid loopt, om zoo te zeggen, dood in het slop van Israël beneden. Zijn heerlijkheid wordt door het volk niet verdragen. Hij moet zijn gelaat met een doek bedekken en straks is Mozes’ blinkend aangezicht weer dof geworden en het volk beneden heeft in zijn glans niet kunnen deelen. Dat is te zeggen: Mozes’ transfiguratie komt wel van boven naar benden, maar loopt daar beneden dood. De „heerlijkheid des Heeren”, 6) d.z.w. de oudtestamentische openbaringsvolheid Gods, komt wel van boven af naar de menschen toe, maar vindt geen doortocht tot het volk, ter overwinning. Zij zuigt zich, om zoo te zeggen, aan Mozes’ lichaam vast, maar ze heeft toch nog geen passage onder Israël; vooral niet er door heen.

Evenzoo, hoewel in andere richting, werkt God bij Elia. Elia in zijn hemelvaart, heeft óók zijn transfiguratie. Ook zijn gedaante wordt veranderd, maar nu trekt hij met het hemelsche licht van beneden naar boven. Het loopt daarboven wel niet dood, want in den hemel loopt niets dood, dáár loopt alles zóó het volle rijke leven in! Daar is ruimte genoeg voor diezelfde heerlijkheid, waarvoor nog geen bevattingsmogelijkheid bestond in het kamp van Israël aan den voet van den Sinaï, in Mozes’ tijd. Maar als Elia de heerlijkheid des Heeren blinkend den hemel indraagt, dan blijft de aarde beneden daarvan beroofd; dan moet Eliza alleen zijn |88| tocht over de wereld volbrengen en met hem heel de strijdende kerk. In Elia heeft „de heerlijkheid des Heeren”, de openbaringsvorm van den oudtestamentischen God, wel een opvaart naar boven, maar geen doortocht hier beneden. En de metamorphose van den mensch, zijn verandering van heerlijkheid tot heerlijkheid, is nog niet verzekerd. De twee Reuzen van het Oude Verbond hebben wel een kleine voorproef gegeven va nde menschelijke glorificatie uit den Geest, maar — het bleef abrupt, het kon de aarde niet overdekken. Er was nog in de wijde wereld nergens plaats voor 2 Corinthe 3 : 18. Wie heeft ooit door Mozes en Elia, het beste, wat het Oude Testament kon geven, kunnen zeggen: wij dan, de heerlijkheid van Mozes en Elia weerspiegelend, worden naar hetzelfde beeld van gedaante veranderd, en hebben de realiteit onzer metamorphose?

Dus is de transfiguratie van Elia, zoowel als van Mozes, een roep om iets beters. Mozes, de middelaar van het oude verbond, kan geen plaats maken voor de heerlijkheid des Heeren onder zijn volk. Hij blijft slechts persoonlijk daarin deelen en dan nog maar voor een tijd. En Elia, die zijn leven lang geworsteld heeft voor het volk, kan ook maar persoonlijk de heerlijkheid ontvangen en kan ze ook niet meedeelen aan zijn volk. Dat kan niet de zaligheid zijn, wanneer de heerlijkheid des Heeren zich slechts aan één menschenkind, en niet aan het gansche volk, openbaart, wanneer zij wel van boven naar beneden en ook wel van beneden naar boven, komt, maar niet de wereld boven en beneden vereenigen kan, en verbinden met de volle heerlijkheid des Heeren.

Zoo zien we hier het Oude Testament in Elia en Mozes bevend zoeken, tasten naar het Nieuwe Testament. Zoo zien wij de dragers van de voorbijgaande, machtelooze, alleen persoonlijke transfiguratie, de hand uitstrekken naar den Christus, opdat Hij moge zijn de Werker, uit eigen kracht, en de Drager, in eigen persoon, van de altijd blijvende, altijd overwinnende en ál Zijn volk zegenende transfiguratie, die de Zijnen, met Hem zelf brengt van vernedering tot verhooging. Ja, dat is wel de hoofdzaak: dit moment van groei in het openbaringsuur van den berg der verheerlijking. De „heerlijkheid des Heeren” zoekt hier in haar oudtestamentische dragers, |89| in wie zij immer onvolkomen en gebrekkig bleef, den Christus, in wien de „heerlijkheid des Heeren” ten volle aanwezig is (want Hij is waarachtig God); in wien die zelfde „heerlijkheid des Heeren” echter nog bedekt is, (want Hij is nog vernederd mensch); in wien de heerlijkheid des Heeren echter door lijden en opstanding heen, eens uitstralen zal in de volle glorie van een nieuw leven, waarbij de Middelaar der volkomenheid al Zijn volk deelen laat in zijn metamorphose, zoodat zij allen door Gods heerlijkheid opstaan uit lijden en dood, tot hemelsche zaligheid. Want Hij is Middelaar Gods en der menschen r; en — meer dan Elia en Mozes is hier.

Op deze groeiende openbaring heeft nu de Christus op de alleen zuivere wijze — dat is: de middelaarswijze — gereageerd. Hebben Elia en Mozes alleen een lijn kunnen trekken van boven naar beneden, of van beneden naar boven, — Christus zweert thans in de ooren van Zijn God wederom een duren eed, dat Hij, met het gezicht op den troon der majesteit, kiezen zal den weg van dood en hellevaart. Hij zal, als Middelaar, met al Zijn volk mee, ook de uiterste resten en den laatsten glimp van leven en van licht verliezen en Zich begraven gaan in de helsche pijn en onder het eeuwig oordeel. Elia en Mozes kònden immers niet overwinnen, want zij vermochten dat eerst noodige niet: wegzinken in den eeuwigen dood, waar zij voor eeuwig zouden omgekomen zijn. Maar wat zij niet konden, dat vermag Christus. En als de Christus straks de lijn der smart heeft doorgetrokken naar beneden tot in den eeuwigen dood, dan zal Hij opstaan en ook aan Zijn menschheid dragen de metamorphose, de transfiguratie. En Hij zal daarna die heerlijkheid door opstanding en hemelvaart indragen van beneden naar boven. Daar zal Hij, na Hemelvaart en Pinksteren, tot aan den jongsten dag toe, Zijn Middelaarstaak voltooien en dan komt Hij weer om de metamorphose en de transfiguratie uit te werken van boven naar beneden, en dien grooten zegen der metamorphose als Middelaar aan al Zijn volk mede te deelen. Dán zal het zijn, wanneer Hij, boven èn beneden, hemel èn aarde, vereenigd heeft en voor de heerlijkheid des Heeren naar alle zijden plaats gemaakt heeft; als Gods tabernakel komt bij de menschen, en het nieuwe Jeruzalem |90| nederdaalt op de aarde; als 2 Cor. 3 : 18 is vervuld — door lijden en sterven, door opstanding en heerlijkheid.

En als Mozes en Elia van den berg der metamorphose terugkeeren naar den hemel, dan profeteeren ze bóven van de toekomst der christenen Gods: „zij allen, de heerlijkheid, neen, niet van ons, doch van den Heere, den eens verhoogden Christus, weerspiegelend, worden straks naar hetzelfde beeld van gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.”


Zoo hebben Elia en Mozes den Christus gegeven en geleend, maar zij hebben meer van Hem begeerd en ontvangen. Indien de Heiland niet in zulk een volkomenheid Middelaar was geweest, de straling van Mozes’ heerlijkheid, en de wolken-wagen van Elia’s hemeltocht, zou nimmer hebben kunnen krijgen de erkenning van den hemel. Oók zij zijn slechts door dezen Middelaar zalig geworden.

Laat ons dan, mèt deze vertegenwoordigers van de triumpheerende kerk, de handen opheffen naar boven. Laat ons de openbaring ontvangen, gehoorzaam, werkzaam, ons strekkende ook naar hetgeen vóór ons ligt. En laat ons met eerbied stil staan, want nu, nu de Christus alle krachten van beneden en van boven, satanische èn hemelsche energieën, heeft zien loskomen om Zijn sterfelijk hoofd, en nu de wijde wereld Gods geheel is opengegaan, nu treedt Hij uit het voorportaal des lijdens, rukt aan het klokketouw, daagt de wereld uit, lokt een Hosanna uit, en is de Groote Simson, die zijn armen strekt om de pilaren van het huis, waar hij te allen dage staat, en zijn ziel laat sterven niet met, maar vóór ons, Philistijnen.




1. „Wie is deze, dat ook de stormen Hem gehoorzaam zijn,” door te kómen, en de winden, door te waaien?

2. „Gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft” (Hebr. 5).

3. Vgl. Joh. 3 : 31, 32.

4. Vgl. Lucas 10 : 24.

5. Lucas 14 : 17, 21, 23; zie J.J. Knap Czn. In de Schuilplaats, Kampen, J.H. Kok, 1913, bl. 50v.

6. Technische term voor de oudtestamentische openbaringswijze der uitstraling van Gods heerlijkheid naar de menschen.




a. Vgl. de voorstudie ‘Transfiguratie’, De Reformatie 9 (1928v) 51,358 (20 september 1929).

b. Vgl. HebreeŽn 6:5.

c. Vgl. Johannes 3:8.

d. Vgl. Jakobus 1:13.

e. Vgl. Genesis 3:6.

f. Vgl. Filippenzen 2:7.

g. Vgl. Exodus 33:11.

h. Vgl. 1Koningen 19:9-18.

i. Vgl. MatteŁs 27:46 par.

j. Vgl. Exodus 34:29v; vgl. 2KorintiŽrs 3:7.

k. Vgl. HebreeŽn 9:14.

l. Vgl. HebreeŽn 1:1.

m. Vgl. Johannes 7:46.

n. Vgl. Psalm 40:7-9; vgl. HebreeŽn 10:7.

o. Vgl. Exodus 34:29-35.

p. Vgl. 2 Koningen 2:11v.

q. Vgl. Psalm 132:8.

r. Vgl. 1 TimoteŁs 2:5.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000