voorplaat

Christus in Zijn lijden

Overwegingen van het lijdensevangelie

Christus aan den ingang van Zijn lijden

door K. Schilder — Geref. pred.


J.H. Kok N.V. Uitgevers Mij

Kampen 1930




Woord vooraf

Wat hier volgt, is het eerste gedeelte van een in drie deelen ontworpen werk, handelen over „Christus in Zijn Lijden”.

Het eerste deel behandelt: Christus aan den ingang van Zijn lijden; en loopt van de inleiding op de lijdensgeschiedenis tot aan het einde van Gethsemané. De binding van Christus vormt hier den overgang.

Het tweede deel spreekt over: Christus in den doorgang van Zijn lijden; het vervolgt de geschiedenis tot de overgave van Christus tot den kruisdood, en de wegleiding naar Golgotha. Het vonnis vormt hier den overgang.

En het derde deel beziet: Christus bij den uitgang van Zijn lijden; het wordt afgesloten met den dood en de begrafenis.

De drie deelen vormen samen één geheel; dit is uitgesproken in den gemeenschappelijken titel.

Maar elk deel is weer een afgesloten geheel, en wordt dan ook afzonderlijk in den handel gebracht.


K. SCHILDER.

Rotterdam, November 1929.



HOOFDSTUK I.

Satan bij den katheder des lijdens.

Maar Hij, zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satan, gij zijt Mij een aanstoot.

Matth. 16 : 23a. a


Nu willen wij gaan letten op den Man van smarten, den Middelaar onzer belijdenis, Christus Jezus. Nu willen wij Hem zien, gelijk Hij zich overgeeft in den nacht van Zijn lijden, en gelijk Hij, zeker van Zijn doel, tast naar den dood.

Maar hoe zullen wij Hem ànders mogen zien, dan in Zijn drievoudig ambt van: Profeet, Priester en Koning? Heel Zijn lijdensgang door, is Hij van dit drievoudig ambt de volstrekte en de eenige ware drager geweest. En daar is geen plekje in Zijn lijdenstempel, of het heeft Hem in en door dat drievoudig ambt zien lijden en triumpheeren.

Maar dan draagt Hij dat drievuldig ambt óók in het voorportaal van den lijdenstempel.

Nu, het is in dat voorportaal, dat wij Hem heden willen zien, en groeten.

Als Profeet zullen wij Hem heden zien, want zie, en hoor, Hij heeft nu zelf Zijn katheder 1) beklommen, waarop Hij leeren gaat. Hij gaat Zijn discipelen leeren, toonen, bewijzen, 2) dat Zijn lijden de hoogste noodzaak is in deze wereld. |6|

Als Priester gaan wij Hem nu zien, want zie, terwijl Hij op Zijn katheder staat om te leeren, aan de onverstandigen en dwazen, komt er „een satan,” een satan wel is waar van vleesch en bloed, maar een satan dan toch, zijn hand slaan aan den katheder, waarop de hoogste Profeet Gods staat en leert. En die satan van vleesch en bloed spreekt een satanisch woord, en met dat woord wil hij afweren den geest, en met zijn gebaar wil hij breken de macht van Christus’ onderwijs, opdat het kruis, dat Jezus reeds doet opdoemen voor het oog van Zijn discipelen, schuil zou gaan achter de wolk van satans onwil en onverstand. Maar zie, de Priester in Jezus ontwaakt en Hij slaat de hand van dien satan weg, opdat Zijn gebeden en Zijn offeranden onverhinderd zouden zijn. Waarlijk, Hij komt, o God, om Uwen wil te doen b. Als Profeet zal Hij alles zeggen en als Priester in alles klaar-wakker en gewillig zijn.

En ten derden male: Ook als Koning zien wij Hem hier. Want wanneer Hij zich strekt tot de daad, die de eenige noodzaak in de wereld is, de daad van het lijden en van het offer, dan zàl Hij Zijn weg gaan, al zijn daar ook zooveel satans om Hem heen, als er discipelen zijn in Zijn hart.

Ga weg, achter Mij, satan. Dat is het woord van den Profeet, Priester en Koning. Het woord, waarmee Hij den groet weigert aan ieder op den weg, die den Knecht des Heeren haastig leidt tot God. Waarlijk, Hij groet niemand op den weg c, want God gaat Hij groeten, God, die Hem zendt in den dood.

De engelen hooren toe.


Wat dunkt u, is dat geen hoogtepunt in het evangelisch verhaal, als wij Christus zien in de kracht van Zijn drievoudig ambt? Ja, op den berg van het voorwerpelijk genade-goed van Christus’ messiaansche tegenwoordigheid, is hier een hoogtepunt bereikt.3)

Doch, nog een ànder hoogtepunt zien wij hier betreden. Dat is er in het onderwerpelijk genade-leven.

Wie het evangelisch bericht nauwkeurig leest, ziet, dat zulk een |7| hoogtepunt thans door de discipelen van Jezus bereikt was. Het hoofdstuk, dat hier voor ons ligt, laat ons zien, hoe de discipelen, Petrus voorop, gekomen zijn tot de volle belijdenis, dat Jezus van Nazareth de Messias was.

Wat lang gesluimerd had, was eindelijk ontwaakt; en wat nog niet tot de geboorte van het klare woord had kunnen komen, had nu de doorbraak gekregen, en het was hardop gezegd, in de taal van de Christelijke belijdenis: Gij zijt de Messias, de Zoon des levenden Gods d. Dat is dus een tweede hoogtepunt.

Een hoogtepunt dus, in het objectieve en in het subjectieve.


Maar nu, — overal waar een hoogtepunt is, daar wordt de ademhaling moeilijker. In het koninkrijk der hemelen vooràl zijn „hoogtepunten” ook altijd „zwaartepunten”. En zoo dikwijls wij op Christelijk-mystieke wijze „den introitus” van het lied van Christus’ lijden willen zingen, komt het er op aan, niet te vergeten, dat hoogtepunten ook zwaartepunten zijn.

Want er is valsche mystiek en er is ware mystiek.

De valsche mystiek worstelt alleen maar naar het hoogtepunt toe, en ze rekent er op, dat, zoodra zij het bereikt heeft, daar een rustbank staat en een effen vlak er ligt. Maar de ware mystiek weet, dat, zoodra zij een hoogtepunt gevonden heeft, er ook is de worsteling, en de steen des aanstoots, en het kruis, dat zij opnemen moet. De valsche mystiek neemt op den reisweg alleen een wandelkaart mee van de helling van den berg, en zij hoopt op elk plateau daarboven te kunnen rusten. Doch de ware mystiek treedt in de schaduw van het kruis, zoodra zij een hoogtepunt bereikt heeft.

Zij weet dat, en zij beeft.

Zóó beven ook wij, nu wij hier moeten zien, hoe de eerste onder de discipelen, die den sprong naar het hoogtepunt in zijn onderwerpelijk geestelijk leven gewaagd heeft, en die gejubeld heeft, toen hij het zeggen kon „Gij zijt de Messias, de Zoon van den levenden God”, — hoe diezelfde man, wiens naam is Simon Petrus, óók de eerste is, die, op de hoogte gekomen, struikelt over den |8| steen des aanstoots, en die, wat nog meer zegt, ook den Christus zou hebben dòen struikelen, indien dat niet tot in alle eeuwigheid onmogelijk was geweest.


Want ook Simon is uit de Joden. En alle Joden van geboorte willen, zoodra zij de woorden: „Wij hebben den Messias gevonden” e getoonzet hebben, de muziek doen aanzwellen tot het blijmoedige refrein: Vrede, vrede, vrede in de hoogste plaatsen. 4)

Ook Simon Bar-Jona wil op zijn hoogtepunt den vrede gaan genieten, en het vredeslied gaan zingen. De toonzetting is al klaar.

Maar heden staat hij, die vroolijke zanger, onder de tucht van den Opperzangmeester. Jezus is die Opperzangmeester. Wel heeft Hij zelf het Messiaansche lied uit ziel en geest van Zijn leerling gelokt. Doch toen het thema van dat lied — Jezus is de Christus! — gereciteerd was door den blijden leerling-cantor Petrus, toen was de stem van den Meester gaan dalen. Hij was, om zoo te zeggen, uit het hoogtepunt van den epischen zang, terug gevallen naar het dieptepunt van didactisch spreken. En Zijn leer was hard f geweest en zwaar om te verstaan. De jongeren willen zingen, jubelen, vrede uitroepen en Hosanna zeggen; maar Jezus was gaan betoogen. Hij was gaan „bewijzen” (vers 21) dat Hij moest lijden en sterven.

Doch nu komt daar ineens Simon Petrus interrumpeeren: God zij U genadig, Meester. Dat zal U in geen geval overkomen. 5)

Petrus interrumpeert.

En toen gebeurde het. Met een ruk keert zich Jezus om. Zijn stem, zoo even rustig betoogend, verheft zich, en het woord snerpt: Achter Mij, satan. Gij zijt Mij een aanstoot. Ik heb U genoemd een rotsman, een man van graniet, op wien men steunen kan, maar nu zijt gij geen steunblok, doch een struikelblok. |9|

Maar wat is dat nu eigenlijk? Wij die er niet bij geweest zijn, vragen ons nuchter af: Was dat nu zóó erg? Heeft Simon dat verschrikkelijke woord verdiend: satan? Ook al zijn wij zoo nuchter, om te bedenken, dat het woord „satan” volstrekt niet altijd den grooten geest uit den afgrond aanduidt, maar meermalen ook op heel gewone menschen passen kan, en dat het eigenlijk niets meer beteekent dan: tegenstander, — toch neemt het niet weg, dat dit harde woord in dit oogenblik tusschen Jezus Christus en Simon Petrus een muur opricht van toorn en van recht. Want Jezus kan den naam „satan” niet aan een gewoon mensch toevoegen, zonder tegelijk daarbij te denken aan den grooten geest van den opstand, die in der eeuwigheid in de duisternis woont. Daarom blijft de vraag: Hoe komt dat zoo ineens, dat Jezus zóó tot Petrus spreekt?

Laat ons eerlijk zijn. Op die vraag zullen wij nooit volledig kunnen antwoorden.

Ook reeds aan den ingang van den lijdenstempel staan wij verlegen. De helft van wat daar omgaat, is ons niet aangezegd. Hoe trouwens de zondelooze ziel van Jezus reageert op satanische verzoeking, van welke zijde die ook komt, het zal ons in den grond altijd een raadsel blijven. Wij hebben in de wereld zulk een constellatie nog nooit doorgrond of met de oogen gemeten: de tweede Adam, zonder eenige zonde, aan den eenen, en een satanisch mensch aan den anderen kant.

Wie zal ook maar het minste zeggen van de ziel van Jezus, zie zonder zonde op aarde verkeerd en op alle prikkels zuiver gereageerd heeft?

Maar, al is de vraag, waarom Jezus zóó spreekt, door ons nooit volledig te beantwoorden, toch kunnen wij achteraf iets er van zeggen, uit de Schriften.

In de eerste plaats: Christus is hier waarachtig mensch. Als zoodanig is Hij vatbaar voor alle zielkundige wet van actie en reactie, die niet uit de zonde voortkomt. Daarbij komt dan óók nog, dat Hij volkomen mensch is. In dit groot-menschelijk bestaan voor God, weet Hij in alle kleine dingen de groote te zien. In elk moment Zijns levens wordt de eenheid van het proces van alle |10| Zijne tijden door Hem doorzien en doorleefd. Elk punt binnen den omtrek van Zijn cirkels wordt nooit anders dan uit het rechte middelpunt, en dus in harmonischen samenhang met het geheel, door Hem gezien. Daarom kan het niet anders, of dit oogenblik, waarop een satanisch woord door Zijn profetische redenen heen snerpt, moet hem wonden tot in het diepst van Zijn ziel. En het mòet Hem ook voor den geest roepen een ànder moment uit Zijn Middelaarsbestaan; het oogenblik toen de Geest Hem, na den doop, uitdreef naar de woestijn. Christus, die de eenheid in Zijn Middelaarsleven altijd doorleeft, ziet dat woestijn-tafereel in eens weer voor zich. Hij doorleeft het weer als ware het vandaag gebeurd; hoe indertijd, na den doop, toen Hij het hoogtepunt bereikt had, waarnaar Hij dertig jaren lang verlangend zich uitgestrekt had, de Geest Hem dreef in de woestijn, den Satan tegemoet. Toen had die groote satan, die hellevorst in eigen persoon, ook reeds door al Zijn zuiver menschelijk begeeren, en door al Zijn mannelijk zinnen, en door heel Zijn Middelaarslust heen, zijn interrupties geplaatst! „God zij U genadig: Wat gij U oplegt, moet in geen geval gebeuren.”

En nu heeft Christus weer een mijlpaal, weer een hoogtepunt, bereikt. Hij staat thàns gedoopt te worden, niet met water, maar met doodend vuur g. Hij is nu van den aanvang van Zijn Middelaarstaak, tot het einde hier beneden gekomen. Nu Hij hier, in de landstreek van Caesarea Filippi, als Profeet zijn katheder beklommen heeft, nu is die katheder, om zoo te zeggen, het einde van het begin, en het begin van het einde in Zijn Middelaarsstaat van vernedering.

En zie, nu is er wéér een satan. Een satan, wel is waar, van vleesch en bloed, maar een satan dan toch. En wéér is er die interruptie van helsche drift: Wat God wil en als noodzaak stelt, dat zal in geen geval gebeuren.

Is dat geen lijden?

En is er geen plaats nu voor den toorn?

Doch er is meer. Christus die de eenheid ziet in Zijn levenswerk, ziet ook den climax in Gods werk. |11|

Eéns dreef Hem de Geest, na den doop, dat hoogtepunt, de woestijn in, den Satan tegemoet. Nu drijft die Geest Hem bij dat tweede hoogtepunt Simon Bar-Jona, dien anderen satan, tegemoet. Daar is een verbijsterende regelmaat in de fuga van Gods toorn. Het is de Heilige Geest, die de weerspannige hand van Simon Petrus legt aan den rand van de katheder, waarop Jezus staat en leert. En het is voor den Heiland, die van liefde voor menschen brandt, veel zwaarder, een satan van vleesch en bloed te ontmoeten, dan te staan tegenover den éénen Satan, die louter geest is. Is Hij zelf niet „vleesch en bloed”? Is Hij niet degene, die Simon Bar-Jona vriend genoemd heeft? En is daarom de oppositie van Zijn vriend tégen het werk, dat God den Zoon des menschen oplegt, Hem niet duizendmaal zwaarder om te dragen, dan de tegenstand, dien de Geest uit den afgrond hem biedt, Hem en Zijn Vader? Dat de Satan, die in eeuwigheid verdorven is, den walm der zonde den Zoon des menschen in het gelaat laat slaan, dàt is voor Jezus erg. Maar dat Zijn bruid satanisch doet en spreekt; dat een mensch, voor wien Hij het leven geeft, instrument van Satan wordt; dat op het hoog-geestelijk moment van Jezus’ profetie, het vleesch in Simon Petrus wakker wordt, om zijn woord te spreken van verzet tegen de hemelsche wet van verzoening door voldoening, — dàt is voor Jezus wel tot nu toe het zwaarste leed geweest. Want hij weet het: ditzelfde verzet van het vleesch tégen den Geest zal Hem straks spijkeren aan een kruis.

Neen, nu redeneeren wij niet meer en interrumpeeren niet meer, als Jezus met sterke stem roept: Achter Mij, satan!

Wij kunnen enkel maar zwijgen, bij de groote pijn, die de Zoon des menschen als waarachtige, èn als zondelooze mensch, hier gevoeld heeft. En wij kunnen enkel maar danken, als Hij, de zuivere Middelaar, onmiddellijk in sterk verzet komt tegen de idée zelfs, dat Gods raad aan Hem niet zou voltrokken worden, of dat het hemelsche plan van verlossing niet over Simon en over ons komen zal, met een vredes-geschenk, dat blijft in der eeuwigheid.

Wij leggen de hand op den mond h, bij dit verterend vuur van heiligheid, bij deze vlammen van liefde, en bij den bliksem van |12| deze profetie, die spontaan reageert op een interruptie van satanischen wil en geest, maar die, in die spontaneïteit, toch óók weer de onveranderlijke wet proclameert, en, zelfs in een onmiddellijke reactie, trouw blijft aan den stijl van Gods gemaakt bestek. Wij aanbidden en loven die spontane reactie, die zonder eenige aarzeling gehoorzaamt aan Gods recht en aan Gods raad van trouw, en die, in elk onvoorzien moment, den zuiveren ronden boog van Gods recht en waarheid ook niet eens met de oogen schendt!


En nu?

Bij den ingang van den lijdenstempel staan gij en ik. En wat nu? Als het nu eens tot òns gezegd wordt: Achter Mij, satan?

Nu worden wij heel stil, want wij weten het wel: Wij hebben óók dien zwarten naam verdiend. Zoo vaak wij dezen Profeet en Priester en Koning niet gelooven, volgen, dienen, zijn wij Hem tot een satan. Want wel is Hij niet meer bij ons, gelijk bij Simon Bar-Jona, maar in Zijn Geest kwam Hij toch naar de wereld weer; en zoo dikwijls wij Hem niet gelooven, of zelfs maar in ons hart een anderen weg van verlossing beginnen te verkiezen, bedroeven wij den Geest; en dit woord: „den Geest bedroeven,” i is de nieuwtestamentische vertaling, na het Pinksterfeest, van wat vóór het Pinksterfeest heette: „een satan zijn voor Jezus”.

Ja, óók in ons strijdt het vleesch tegen den geest. Daarom is voor ons, niet minder dan voor Simon Bar-Jona, het voorportaal van Christus’ lijdenstempel de plaats der ontzetting, waar de Geest Gods den twist opent tegen ons vleesch.

Dus is het hier ook zwaar ademhalen. Gelukkig, àls wij het zwaar hebben, àls wij waarlijk het benauwd hebben onder de werking van dat satanisch element in ons hart, dat den Werker van ons heil beleedigt met onze overmoedige interrupties.

Wel heel lang moeten wij boeten. Het zal immers in ons blijven, heel den lijdenstempel door, heel ons leven door. Het zal òns gaan, ook al hebben wij den Heere lief, gelijk het Simon Bar-Jona gegaan is, die vandaag als satan afgewezen wordt in het dal der |13| onderwijzing, doch dien wij een oogenblik later wéér als satan hooren spreken op den berg van de verheerlijking.

En wat zullen wij nu doen? Zullen wij wanhopig heengaan, ziende op ons zelf? j

Neen, dat zullen wij niet. Laat ons terugkeeren, bij het einde, naar het begin van deze overdenking.

Daar, in den aanvang, wezen wij tweeërlei hoogtepunt.

Het eerste was het plateau op de berghelling van het onderwerpelijk leven der geloofservaring en van het leerlingschap bij Jezus. Op dit ons hoogtepunt hebben wij, mèt Simon Bar-Jona, àlles, àlles bedorven.

Maar als de walm van de hel — want die is hier immers — is weggetrokken, en als de toorn van Christus’ woord den nevel van Simons onverstand heeft uiteengescheurd, dan zien wij op dat andere, dat tweede hoogtepunt van den berg van het voorwerpelijk heil nòg Jezus staan, niet van ons beschadigd, Profeet, Priester en Koning in zuiverheid en deugd.

En bij den aanvang van het lijdensverhaal is het ons een uitnemende troost, te weten, dat Hij Zijn hoogten zuiver houdt, en door den eeuwigen Geest pal blijft staan en onbewogen op den drempel k van den lijdenstempel, als zelfs een rukwind van de hel Hem geen duimbreed van Zijn plaats doet wijken.




1. Met opzet is dit woord gekozen; het steunt in het taaleigen van het nieuwtestamentisch grieksch en wijst op het profetisch leer-ambt van Christus, dat Hij, „zittende” als rabbi, vervulde.

2. Volgens het „grondwoord” van vs. 21.

3. Hierover Dr F.W. Grosheide, Komm. op Mt., Amsterdam, 191, 202, 204.

4. Zie het verhaal van den intocht te Jeruzalem.

5. Onze Statenvertaling heeft hier staan: Heer wees U genadig. Maar deze vertaling is niet geheel juist. Er moet staan: God zij U genadig. In de Grieksche vertaling van het Oude Testament wordt dezelfde of een gelijke term dikwijls gebruik als vertaling van de andere uitdrukking: Dat zij verre; of: God beware U daarvoor, b.v. 2 Sam. 20 : 20 en 23 : 17; 1 Kron. 11 : 19; Josua 22 : 29, 24 : 16; Gen. 44 : 7 en 17.




a. Vgl. ‘Een „Satan” en een „aanstoot”’, De Reformatie 9 (1928v) 49,349v (6 september 1929).

b. Vgl. Psalm 40:8v; HebreeŽn 10:7.

c. Vgl. Lucas 10:4.

d. Vgl. MatteŁs 16:16.

e. Vgl. Johannes 1:41.

f. Vgl. Johannes 6:60.

g. Vgl. Lucas 12:50.

h. Vgl. Job 40:4.

i. Vgl. EfeziŽrs 4:30.

j. Vgl. Galaten 6:1.

k. Vgl. Psalm 84:11.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000