Licht in den Rook

En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zoo viel een diepe slaap op Abram, en zie, een schrik en groote duisternis viel op hem. En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en zie daar was een rookende oven en vurige fakkel, die tusschen die stukken doorging.

Genesis 15 : 12, 17. a


Er zijn er geweest, en er zijn er nog, die in de personen, van welke de bijbel ons verhaalt, niet anders dan mythische voorstellingen konden zien. Ook de figuur van Abraham is aan deze zienswijze getoetst, en men heeft hem, gelijk aan de andere patriarchen, het bestaan in de historie ontzegd en hem gerangschikt onder de groote symbolen, waarin de „oud-Israelietische letterkunde” haar oer-gedachten zocht uit te drukken.

Maar tegen deze voorstelling komt het bijbelsch verhaal zelf toch wel in de allereerste plaats in verzet. Als het waar was, dat Israel in de figuur van zijn grooten patriarch had willen neerleggen zijn droomgedachte over eigen hoogheid en geweldigheid, dan zou aan Abrahams beeld het echt-menschelijke, ook in zijn zwakheid en gebrek, wel ontbroken hebben. Dan zou de figuur van Abraham ontworpen zijn naar een model, dat in de werkelijkheid niet valt waar te nemen.

Maar het omgekeerde is waar.

Abraham, de vader der geloovigen b, is een mensch van gelijke beweging als wij.

Hij is geen vertrouwde van God, die den Eeuwige kan naderen zonder blikken of blozen. Hij vreest, hij beeft. Hij spreekt vele woorden als in de tegenwoordigheid van God, maar hij bedekt zich de oogen, en „onderwindt zich, tot God te spreken.” c |256|

Hij is geen held, die nooit in vreezen is, of die nimmer het spoor bijster raakt. Want hij gaat tot God met bevend hart, en hij vraagt niet, waarbij anderen zullen weten, dat Abraham veel te geven heeft, maar waarbij Abraham weten zal, dat hij van God veel te ontvangen heeft d.

Hij is niet de zekere halfgod, dien de presentie van goden of van God niet in vreeze zetten kan. Hij staat niet torenhoog boven zijn bevend volk, dat later vragen zal: „Wie kan God zien en leven?” e Maar hij is ook onder hen, die de oogen bedekken moeten, als het licht gaat schijnen van God, omdat het goddelijk licht te fel, te hel voor hun zwakke oogen is.

En om aan die kleinheid van Abraham, den vriend van God, voor alle eeuwen getuigenis te geven, ja om voor alle tijden den aartsvader op den beganen grond te brengen, op hetzelfde plan, waarop ook zijn nakomelingen zullen staan, dáárom laat de Schrift ons zien, hoe ook aan Abraham die wet, dat niet één sterfelijk mensch God zien kan en leven, is getoond in een „teeken”, dat hem een sprake Gods voor heel zijn leven, en voor alle toekomst was. Hij moet niet de hooge, aristocratische geest zijn, die zich beroemt, dat, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, men hem driemaal moet hebben verloochend, 1) zóó hoog staat hij boven de anderen, — doch Abraham is de man, die moet leeren inzien, dat in het koninkrijk van God het licht nooit onbedekt kan komen. Dat ook voor den geweldigen Abraham het licht nooit zonder verduistering schijnen kan.

Dat is de moeilijke wet van „het licht in den rook”.


Abraham is in onzekerheid. In arbeid althans is hij. De arbeid is voor hem met de belofte meegekomen. Want beloften geven werk, zij dwingen tot den zwaren arbeid der |257|

„ziel, wier verlangen elken wand
aan ster na ster doorzichtig brand.” 2)

En in dezen arbeid heeft Abraham het zwaar. Wat is zwaarder, dan een belofte, een belofte van God?

En, Abraham hééft een belofte van God.

Eigenlijk een dubbele toezegging. De eerste is deze: er zal uit Abraham een groot volk geboren worden. Een groot volk voor dit land.

Maar daaraan heeft Abraham niet genoeg. Een groot volk . . . nu, láát dat volk dan groot zijn en als de sterren zoo menigvuldig; wie belooft Abraham, dat zijn volk geen slavenvolk zijn zal? Zullen die duizenden, die zonen van Abraham heeten, geen verschoppelingen zijn, bezitloozen, paria’s? Nu dan, o God, wat is uw antwoord?

Hoor — God antwoordt hem; — de tweede belofte geeft Hij nu; er zal ook een groot land zijn voor dit volk. Het volk, uit Abraham gesproten f, zal erfgoed hebben; het zal de wereld beheerschen; en wat Abrahams toekomst betreft:

’t Goed dat nimmermeer vergaat,
Zal hij ongestoord verwerven.
En zijn Godgeheiligd zaad
Zal ’t gezegend aardrijk erven g.

En Abrahams antwoord?

„Door het geloof nam Abraham de belofte aan, dat in zijn zaad alle geslachten der aarde zouden gezegend worden. De tijd verliep; de mogelijkheid was er; Abraham geloof. De tijd verliep; het werd ongerijmd; Abraham geloofde”. 3) |258|

Maar zijn geloof is dan ook worstelen, strijden. „Hij die met de wereld streed, werd groot door de wereld te overwinnen; en hij die met zichzelf streed, werd groot door zichzelf te overwinnen, maar hij die met God streed, werd grooter dan allen. Zoo werd er gestreden in de wereld, man tegen man, één tegen duizend, maar hij die met God streed, werd grooter dan allen. Zoo werd er gestreden op aarde, deze overwon alles door zijn kracht, gene overwon God door zijn onmacht”. 4)

En in dien strijd wordt Abraham de man, die ervaart „dien geweldigen hartstocht, die den geweldigen strijd met het razen der elementen en de krachten der schepping versmaadt om met God te strijden.” 5)


In dien strijd nu plaatst God het teeken.

Het teeken is er nooit om den strijd te verlichten. Maar het is er wèl om dien strijd in zuivere banen te houden. Het teeken kan over de gerezen moeilijkheden heenhelpen; doch het legt weer nieuwe zwarigheden hem voor de voeten, die het aanschouwt.

Zoo gaat het heden ook Abraham.

Hem is de eerste belofte gegeven: een groot volk ligt in de toekomst. Dat wordt Abraham „beteekend” in het nachtelijk gezicht op de sterren. „Abraham, zie nu op naar den hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt . . . Zóó zal uw zaad zijn.” (Gen. 15 : 5).

Maar nu die tweede belofte: de groote toekomst ligt in dat volk, zoo heeft God gesproken. Niet maar: volk voor het land, maar ook land voor het volk . . . O God, waarbij zal Abraham weten, dat de zonen van Abraham de toekomst beheerschen zullen, dat ze erfgenamen zullen zijn, en geen slavenzielen?

Zie nu, Abraham: voor die tweede belofte komt het tweede teeken. |259|

Het is ditmaal het teeken van „het licht in den rook”.


Dat tweede teeken van „licht in den rook” is voor Abraham een groote verrassing.

Hij heeft heel den dag over gewaakt en gewacht op zijn God, die komen zou. Want het verbond moet gesloten worden: Abraham heeft de offerdieren geslacht; hij heeft ze in tweeën gedeeld en die bloedige helften tegenover elkander gelegd. Want zoo was immers de regel van alle bondssluiting; de vrienden, die elkaar ontmoeten willen in de vriendschap van het verbond, gaan daarbij één voor één tusschen die bloedige lichaamsstukken door; ze treden door de straat van bloed, die tusschen de vleeschstukken zich vormde, om, met het gezicht op het roode bloed, te zweren, dat het zóó vergaan mocht, als aan dat in stukken gehouwen dier, aan den ontrouwe, die ooit het verbond zou schenden!

Nu is alles voor de plechtige handeling der bondssluiting gereed. De offerdieren zijn met zorg gekozen, ze zijn geslacht en hun lichaam gedeeld. En Abraham wacht. Hij wacht op God, die komen zal. Hij wacht den geheelen dag over. Als straks op het aas der geslachte dieren de roofvogels neer willen strijken, dan jaagt hij hen weg; hij wil de elementen in de ceremonie der verbondshandeling rein houden.

Zoo heeft Abraham op alles gerekend, zijn programma is klaar; God kan nu wel komen. Hij wordt verwacht.

Doch als God tenslotte waarlijk komt, dan is alles in Zijn verschijning onverwacht. Abraham heeft alles voorbereid, maar zijn ziel kon hij niet voorbereiden op de aanschouwing van God, want wie zal God zien en niet schrikken? Zie, God komt, de God van Abraham. Zelfs komt Hij in verberging, want Hij kiest voor Zijn zelfopenbaring een teeken; en alle openbaring, vooral van het symbool, het teeken, neemt wat af van Gods heerlijkheid: er is een groote onzienbare rest in de diepte |260| van het wezen van God. Doch zelfs in die bedekking is Gods majesteit van neerwerpende kracht; een „schrik” „valt” op Abraham en diepe verslagenheid.

En die „schrik” is het eenige niet, waardoor Abrahams onvermogen in de aanschouwing van dien God, met wien hij in een verbond treden zal, aan den dag treedt.

Daarnaast treden andere verschijnselen op.

Het wordt donker om Abraham.

Het wordt zelfs donker in Abraham.

Wat het eerste aangaat, het zinrijk verhaal laat ons zien, hoe na den dag van smartelijk wachten op God, eindelijk de zon ondergaat. Nu heeft Abraham den dag in waken doorgebracht en zijn geest geoefend in het geduldig hopen op God, op dien wonderlijken God, die wel met Abraham een verbond wil sluiten van vriendschap, doch die eerst hem doet ondergaan de geweldigheid van zijn souvereiniteit . . . komt de Eeuwige ook maar een oogenblik eerder dan Hem zelf behaagt? Immers neen? En nu . . . nu staat daar de bondgenoot van God, nu staat daar de vriend van God, die op zijn Vriend wacht, . . . hij staat in het donker. Wat maakt hulpeloozer dan de nacht voor wie den dag heeft doorgebracht in smartelijke wake zonder vrucht? God zet Abraham in het donker . . . o Abraham, hebt gij nu nòg geduld?

En dan bovendien . . . niet alleen om Abraham, maar ook in hem wordt het duisternis. Zoo mogelijk is de subjectieve duisternis nog meer volkomen dan de objectieve. Op hem „valt” een „diepe slaap”. En wie in de taal der Heilige Schrift vermag in te dringen, die weet, dat hier niet een natuurlijke slaap is bedoeld, die aan gewone vermoeienis toe te schrijven is, doch dat de bedoeling is, Abraham u te teekenen in zijn volslagen passiviteit en receptiviteit. Gods hand valt op hem neer, Gods wil beneemt hem het bewustzijn, en de Vriendschap Gods blijkt wonderlijker dan iets te zijn. Terwijl |261| ze haar verkorene wekt tot de blijdste zekerheid, die ooit in menschenzielen wonen kan, spreekt ze tot hem: verstom voor mij, zegt uw Maker; . . . en het is God zelf, die een nevel trekt over dit bewustzijn en die over de ziel van zijn gunsteling de diepe stilte doet komen in den „diepen slaap”.

Ja, het is wonderlijk, vriend Gods te zijn.

Maar dit is toch in dit alles de groote blijdschap: Abraham, door God bedwongen in de geestesbinding van den „diepen slaap”, hij ontvangt de openbaring, welke daarin tot hem komen wil; hij kàn ze nu ontvangen, want God heeft hem in den slaap tot loutere ontvangenis van Gods woord en spraak bereid. Abraham, in den diepen slaap zichzelf en de wereld ontzonken, is daarin tot zijn God gekeerd, met klaar vermogen van hooren en zien; hooren wat zijn God hem zegt, zien wat zijn God hem beteekent, hem als voor oogen schildert. Nu is hij niets dan oog, anders niet dan oor. Tot de ontvangenis der openbaring is hij gereed.


En toen heeft Abraham God gezien.

Hij heeft Hem gezien in een beeld, in het visioen, dat zijn verduisterden geest in verklaardheid voorbijtrok.

En in dat visioen kiest de zich openbarende God beelden uit de aan Abraham bekende wereld van verschijnselen; hoe zou anders het kind der stof verstaan?

Maar, al is het beeld gebrekkig, de openbaring schrijdt heden voort van zwakker tot sterker lichtvermogen.

Aan Abraham toch wordt een wet ontdekt. Het is een wet, die niet maar zijn leven beheerschen zal, doch ook dat van het groote volk, dat uit hem treden zal voor het front der volkeren. Het is een wet, die niet slechts heerschappij zal hebben in dat volk, dat „naar het vleesch” Abrahams zaad is, doch eveneens in die geestelijke gemeenschap, die „naar den Geest” Abrahams zaad is, de |262| gemeente van het Nieuwe Testament, die Abrahams geloof dragen zal in de ziel, en zoo den vader aller geloovigen toebehooren zal in geest en in waarheid. Het is de wet, die voor alle eeuwen, voor alle volken, voor alle generaties zal gelden als de groote, onontkoombare wet van het Koninkrijk der hemelen.

En die wet is geopenbaard in het teeken van: het licht in den rook.


„Toen nu de zon ondergegaan was en het geheel duister was geworden, zie daar verscheen een rookende oven met een vurige fakkel, die tusschen die stukken vleesch doorging.” 6)

De vurige fakkel . . . dat is het licht.

De rookende oven . . . dat is de rook.

Licht in den rook!

En wat het zeggen wil, ach, dat is maar al te duidelijk. Hier is theophanie. Dat is te zeggen: hier is zelfopenbaring van God, die komt zeggen, niet hoe Hij is in zichzelf, maar hoe hij zich vertoont aan menschen.

Die God is Licht. Maar Hij kan zich aan ons nooit vertoonen, tenzij in de bedekking, de verduistering van den rook. Wie kan in de zon zien, zonder het oog te beschermen? Wie kan in het licht zien, zonder de sterkte daarvan te omnevelen? Wie kan God zien zonder bedekking?

Niet een, niet een.

En die God, die weet, wat maaksel wij zijn 7), en die altijd gedachtig is, dat wij stof zijn, Hij heeft zijn licht ons niet onthouden, want wij kunnen het niet missen; maar Hij heeft het ons toch ook niet toegeworpen als een doodende, verblindende macht. Hij heeft de bedekking, hij heeft den rook, den temperenden damp er om heen |263| gedaan. Waar het licht is, daar is ook de wolk. Openbaring, dat is ook afdaling. En wel volkomen aan deze gedachte van Abrahams visioen is die man voorbijgegaan, die iemand 8) zou willen nazeggen, dat God een „groote petroleumlamp is, waarop honderden en duizenden mugjes hulpeloos zitten vastgeplakt.”

Want al wat vergaat, dat heeft Gods licht niet wezenlijk begeerd. En al wat naar het licht van God in oprechtheid heeft gezien, gelijk Abraham uitzag naar zijn God en naar diens groote licht, die kan niet vergaan. „Alle dieren”, zoo heeft iemand gezegd, „alle dieren, die in den nacht ronddolen, zijn zoo goed kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nimmer hunnen schitterenden vader gezien, toch drijft hen een onbewuste herinnering immer weer tot al waaraan licht ontstraalt. En duizenden arme schepsels der duisternis vinden een jammerlijken dood door die liefde tot de zon, van wie zij reeds lang gescheiden en vervreemd zijn. Zoo brengt een onbegrepen, onweerstaanbare neiging de menschen ten verderve in de schijnbeelden van dat Groote Licht, dat hen deed ontstaan en dat zij niet meer kennen”. 8) Heeft die man gelijk?

Och, ga naast Abraham staan om met hem de wake te duren, tot het licht komt, en heb het licht lief, zelfs al zijt gij aan zijn Bron, aan God, den Vader der lichten, ontwend, toch zult gij niet kunnen sterven. Op den weg van wie waarlijk zoekt naar het licht van God, is omkomen een eeuwige onmogelijkheid. Want voor zoemende mugjes, en zoo ook voor de dolende dieren in den duisteren nacht, en voor de zwakke oogen van menschenkinderen, voor al wat zoeken wil en ontvangen wil en vragen wil met den geloovigen Abraham, voor die allen komt het licht in verdraagzaamheid. Het schijnt naar de mate |264| van de sterkte der waarneming van de oogen, die willen opengaan tot het licht en zien. Het komt voor de bevende menschen niet, of het komt in de zelfbedekking van den rook.


Ja, zelfbedekking.

Want de rook is hier in Abrahams visioen niet iets ongewilds. Die rook is wat anders dan de neerslaande walm van een vlam, die niet helder genoeg is, om zonder zwarten walm, vrij-uit te branden.

Hier is niet slechts één element, dat het visioen zijn vormen geeft: alleen maar een walmende vlam. Hier is niet maar één beeld, dat Abraham in den diepen slaap getoond wordt: dat van het smeulende, walmende, onzuivere pitje of van de rookende fakkel, die zijn eigen licht onopzettelijk door zwarten walm bedekt.

Neen, het is duidelijk, dat hier twee elementen zijn in het beeld. Het licht is een afzonderlijke trek in het visioen. En zoo ook de rook. Die rook is met opzet aangebracht en vormt dus in het openbaringsteeken een apart, zelfstandig onderdeel.

Er is een lichtende fakkel.

En geheel afzonderlijk daarnaast een rookende, walmende oven.

En in dat met opzet aanbrengen van het element van den rook wordt aan Abraham en al de geloovigen gepredikt: de wet van de lichtbedekking, waarin alleen God tot ons komen en ons met zijn openbaring bereiken kan, zoolang de wereld staan zal.

Licht in den Rook — dat is toekomstprofetie. Daarin is het beeld gegeven van Abrahams naaste toekomst. En tevens van alle tijden, die volgen zullen.

Wat Abraham zelf betreft: het zal zijn volk vergaan, gelijk het hem gegaan is.

Abraham leeft ook bij de gratie van het licht, maar dan in de bedekking, in de omneveling van den rook. |265|

Een zoon zal hij hebben, een vrije, een erfgenaam; dat is de belofte, het licht. Maar hij moet heel lang verdragen, dat om die belofte heen de doffe werkelijkheid is van: een Damascener, een slaaf, een naamlooze, die zijn „huisbezorger” is. Een slaaf heeft geen vader; hij heeft geen geslachtslijst, hij is niet de zoon van een, dien men nog met name noemt. 9) En deze naamlooze moet zijn erfgenaam zijn, als Abraham sterft zonder zoon. Dat is de rook.

Abraham heet erfgenaam van dat schoone land; dat is het licht. Maar zelfs als hij keert van het verslaan der koningen en met buit is beladen, zelfs dan is „geen draad” van den buit, niets van den veroverden rijkdom, zijn bezit. Dat is de rook.

Hem is beloofd, dat hij een patriarch zal zijn, in wiens geslacht de zegen blijven zal. In hem zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. Zóó is de belofte: het licht. Maar straks komt daar tot hem een vreemde, een man, niet uit zijn geslacht, Melchizedek. Gelijk de Damascener, de slaaf, geen vader of moeder heeft, die den zegen der natuur hem mee kon geven, zoo is deze Melchizedek een vreemde; en al is hij priester van den allerhoogsten God, toch heeft ook hij geen vader of moeder 10), die hem den geestelijken zegen konden overdragen. Hij heeft geen geslachtslijst; in het geestelijke staat hij onder dezelfde wet als de Damascener in het natuurlijke. Toch zegt die vreemde tot Abraham: kniel en val neer, en ontvang van mij den zegen. „Nu, zonder eenig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is.” 11) Zoo komt in dien zegen van Melchizedek het raadsel, het kruis, de beproeving naar Abraham toe. De zegen zou van hem |266| uitgaan — dat is de belofte: het licht. Maar de zegen moet naar hem toekomen — dat is de werkelijkheid: de rook.

Licht in den Rook!

Belofte in bedekking!

En zoo zal het ook voor Abrahams volk zijn. Zijn kinderen zullen erfgenamen van Kanaän zijn: licht! Maar ze zullen als slaven in Egypte graven voor hun tyrannen moeten bouwen: de rook! Zij zullen Egypte verlaten: licht! Maar in de woestijn zullen ze vallen: rook! Zij zullen hun land bezitten: licht! Maar de barbaar, de onbesnedene, zal hen plagen: rook! Ze zullen van hun ongerechtigheid genezen worden: dat is het licht. Maar terwijl hun ziel weer terugkeert naar de liederen Sions, daar zal hun harp ervan zwijgen moeten, want die harp zal aan de wilgen hangen, als de heidenen het heilige willen prostitueeren en zeggen: zingt ons een der liederen Sions h; dat is de rook.

En zoo zal God Israël zegenen, en het licht hun steeds weer schenken, doch het zal blijven: licht in den rook.

Ja, van alle theophanie zal dit het symbool blijven tot den jongsten dag.

Straks zal Gods grootste zelfopenbaring er zijn in Christus Jezus. Ook dan zal het wezen: licht in den rook. Goddelijke Majesteit, dat is het licht. Maar in de beperking eener broze menschelijke natuur, die geen gedaante noch heerlijkheid heeft i: de rook. Eeuwig leven en goddelijk recht zal hij ontsluiten in geweldigheid, doch het zal niet anders kunnen, dan in doodsgang en duisternis!

En het zal zoo blijven tot Hij komt.

Christus in verheerlijking: het licht. Maar de strijd voor Zijn kerk te zwaarder daardoor: de rook. 12) De gemeente groeiend in de diepte; het licht; maar tegelijk verliezend in de breedte; de rook! Het geloof àl meer een |267| bewijs van de dingen, die men niet ziet j; het licht; maar in het eind een wereld vol van anti-christelijke wonderteekenen, die met alle geloof schijnen te spotten: de rook! Licht in den Rook!

Nu wilt Gij rijzen, God! in glans van bloed,

in schitterlicht van stilgeweende tranen,

in klagen is ’t, dat Gij nu hooren doet

Uw stem, — die lokt wie Uw licht vinden moet

In ’t diep van duist’re lijdensbanen.


O onze Tranenkoning! — is dan niet

de zon ook schoon in ongebroken licht?

Is niet de stille, pure morgen schoon? — hoe ziet

de mensch dan slechts Uw luisterrijk gezicht

In neevlen van verdriet? 13)

Zoo roept, zoo bidt de mensch, die tot het licht geschapen is, en ernaar zich strekken blijft, opdat het zich aan zijn oogen geve als in de klaarheid van den eeuwigen dag.

Maar het antwoord is altijd weer

„zoo zwaar, als ’t Abraham

vernam” . . . . . k

het is altijd weer: licht in den rook!

Want in dien rook alleen ontdekt zich ons Gods wezen.

En in dien rook alleen ontdekt zich ons Gods werk.

Neem de diepe gedachte van deze openbaringswet weg uit de Heilige Schrift, en zij heeft haar kracht verloren. Verloochen de onontkoombaarheid van dezen regel en Golgotha en Bethlehem zijn voor u verloren gegaan.


Wie dus achter Christus Jezus aan wil komen, die verloochene zichzelf l, die legge zijn oogen de tucht op, die binde zijn hartstocht in, die legge zijn werkelijkheidsjacht |268| teugels aan; die neme zijn kruis op en volge Hem.

Maar in dit alles zal over hem dalen de groote vrede. Want: licht in den rook: dat is het symbool, dat troosten kan bij dag en bij nacht.

Gelijk Israël op zijn woestijngang van Egypte naar Kanaän een wolkkolom heeft, die het vuur in zich bergt, zoo is voor alle eeuwen dit symbool tot werkelijkheid geworden op den heirgang naar het land, waar pelgrims rusten gaan. Als de zon opkomt en het licht van de vuur— en wolkkolom zijn helderheid ziet verbleeken, dan zegt de rook, de damp, de wolk, dat God nabij is. En als de dag daalt en de duisternis de wolk in het donker zet, dan straalt het vuur weer door de wolk, den rook heen; en ook in den nacht is God nabij.

En dat licht geeft in den nacht wel aan de wolk, aan den rook, zijn eigen rossen kleur.

Doch de rook kan het licht niet dooven, al kan hij het bedekken.

De rook triumfeert niet over het licht, doch het licht wel over den rook.

Als Israël naar het vleesch ondergaat, dan staat het op in den Geest. Het licht overwint den rook!

Als Davids huis zijn uiterlijken glans verloren heeft, dan komt zijn geestelijke kracht naar buiten in den waren Davidide: Jezus Christus. Het licht overwint den rook!

Als eenmaal de wereld een ruïne zijn zal en de adem Gods verstrooien zal wat zich verhief tegen Hem, dan zal de nieuwe aarde, gezuiverd, bloeien.

Het licht triumfeert boven den rook!

En ten laatste zal de rook zich verteren.

En wat blijft, dat is het licht!

Het Eeuwige Licht!

En als dan het geloof overgaat in aanschouwen, nu, dan zal nòg Gods licht grooter zijn, dan de waarneming van den eindigen mensch kan verdragen. Maar al zal |269| het waarnemend oog bij den mensch, zelfs nòg in zaligheid, beperkt blijven, God zelf zal tusschen dat oog en Zijn licht alle wolken, alle tusschenschakels, wegnemen, en zich vertoonen in liefde aan al wie van Hem gekend is.

En dit zal ons het teeken zijn: een koor, waarin elke stem in eeuwigheid herzegt: ik zal kennen, gelijk ik ben gekend m.

Oneindig licht, te gronden noch te meeten,

O Licht der Majesteit!

Geeft mijne ziel te drinken, en te eeten,

Van uwe wezentheid:

Zo groeid dat Beeld, dat Hemels is, en schoone,

Gelijk ’t in Adam is geweest,

Een Tempel, daar het uwen geest

In lust te woone. 14)



1. Friedrich Nietzsche.

2. P.C. Boutens [het gedicht ‘Sterrenhemel’ in de bundel Vergeten liedjes].

3. Sören Kierkegaard, Lofspraak op Abraham, Nieuwe Keur uit de werken van —, bl. 10.

4. Kierkegaard, blz. 9.

5. l.l. bl. 16.

6. Vertaling Tekst en Uitleg (Dr. F.M.Th. Böhl).

7. Vgl. Psalm 103 : 14.

8. Vgl. Frederik van Eeden: De kleine Johannes, en Jan Ligthart: Letterkundige Studiën, bl. 54-57.

9. Vgl. H. Gunkel, Genesis, Göttinger Handkommentar 1910, S. 180.

10. Vgl. Hebreeën 7 : 3.

11. Vgl. Hebreeën 7 : 7.

12. Openb. 12, vgl. blz. 26.

13. Frederik van Eeden [Van de Passielooze Lelie, Amsterdam (W. Versluys) 1901, 31, eerste en laatste strofe van het gedicht ‘In Lijdens Vuur’].

14. Jan Luiken, aangehaald in J.Jac. Thomson, Religieuse Poëzie, blz. 166.




a. Vgl. het naschrift in de tweede druk.

b. Vgl. Romeinen 4:11v.

c. Vgl. Genesis 18:27.31.

d. Vgl. Genesis 15:8.

e. Vgl. Exodus 33:20.

f. Vgl. Psalm 105, vers 4 (berijming 1773).

g. Vgl. Psalm 25, vers 6 (berijming 1773).

h. Vgl. Psalm 137.

i. Vgl. Jesaja 53:2.

j. Vgl. HebreeŽn 11:1.

k. Vgl. Guido Gezelle (1830-1899), Driemaal XXXIII Kleengedichtjes, 18813, I20 [‘Gelukkig die Gods woord’] (1860).

l. Vgl. MatteŁs 16:24, Marcus 8:34, Lucas 9:23.

m. Vgl. 1KorintiŽrs 13:12.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001