Herinnering

Want wij hebben geen hoogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest.

Hebr. 4 : 15. a


Herinnering en herhaling. — Die twee hebben met elkander dit gemeen, dat ze, hetgeen geschied is en voorbijging, weer terugroepen, om het opnieuw te aanschouwen en krachtig te doorleven.

Doch, terwijl herhaling de dingen terugroept in de werkelijkheid, daar wil herinnering ermee opnieuw werkzaam worden in de idee. Herhaling kan het voorwerpelijke feit alleen zijn kracht zien vernieuwen, wanneer het zich wederom in voorwerpelijkheid voor onze oogen plaatst en, zich ontdekkend, onze ziel vermeestert. Doch herinnering is in zichzelf krachtig en levend; aan wat éénmaal is geschied, geeft ze uit eigen sterk vermogen nieuwe kleur en bevestiging van leven; zij vindt ook wel de kracht der herhaling, doch ze openbaart die uit en in zichzelf.


Herhaling en herinnering.

Ook om Christus’ lijden en sterven is de strijd tusschen deze twee gegaan.

Christus’ werk toch is niet een werk voor een oogenblik, doch het is er voor alle tijden en voor alle eeuwen. Een Christus, een Christusoffer, dat niet altijd weer terugkomt, dat niet ieder oogenblik wederom zich geheel aan ons teruggeeft, is ijdelheid geweest. Dat hebben de menschen gevoeld en zij hebben het naar waarheid gevoeld. De „eeuwige wederkeer” van Christus’ stervensgang is voor het geloof, dat een eeuwigen inhoud in eindelooze gelijkmatigheid noodig heeft voor zijn eeuwig bestaan, |250| een levensvereischte. Een Christus, die niet wederkeert, die niet kan wederkomen tot ons, is zijn ontzaglijke smart en moeite, is zijn vreeselijken nood en dood niet waard geweest. Een lijden, — als het zijne, dat immers naar zijn diepgang de eeuwigheid besloot, moet ook in de breedte alle tijden en alle eeuwigheid vervullen in eindeloozen wederkeer.

Doch de vraag is: hoe zal Christus’ wee en smart tot ons wederkeeren? Langs den weg der herhaling? Of in den ommegang der herinnering?

Het eerste heeft die kerk gezegd, die in haar leer van de mis de onbloedige herhaling predikte van het bloedige offer van Christus.

Doch het tweede verkondigt in blijvende tegenstelling daarmede Gods Heilige Schrift, die in herinnering het geheim zoekt en ontsluit van Christus’ eeuwigen wederkeer tot ons.


Herhaling bidt en biedt de kerk van Rome. Herhaling ook is eeuwen lang de zucht geweest van de christelijke kerk. En zwoel was en is nog de mystiek, die in den bij herhaling weerkeerenden Christus de verklaring zoch van Zijn blijvende werking op de ziel, tot wie Hij wederkwam door de poort van oog en oor in het sacrament des altaars. Zwoel is de mystiek, die geniet van de herhaling van Christus’ offer, en dan zegt:

O neen, ik mag en kan niet treurig zijn,
Nu Hij zijn Bloed mij schenken wilde als wijn
En me op het gastmaal van zijn liefde nooden. 1)

En de mensch, die bij herhaling zijn Christus ontvangt in de mis, „hij neemt het heilig vleesch, hij neemt en |251| eet, hij voelt het bloed (van Christus) door al zijn aadren branden; en wacht zoo op het slinken van zijn leed, op ’t brijzelen van looden onmachtsbanden”. 2) En zoo vaak zich het mysterie voltrok en de Christus wederom Zich gaf ten offer in verbreking van Zijn vleesch en vergieting van Zijn bloed in het allerhoogheiligste sacrament der mis, spoorde de mensch in gretig verlangen naar de aanraking van dien bij herhaling wederkeerenden Christus zich aan:

Hier bid! Laat ’t uur u niet ontglippen;
De wonde bloedt . . . Zet uwe lippen

Aan dit voor u doorstooten hart.

Ken ’t verblijden
Van het lijden;

Drink de goddelijke smart. 3)

En in deze verheerlijking van het wonder der „herhaling” van Christus’ offerande kondigt zich tegelijk zijn armoede aan. Laat ’t uur u niet ontglippen! Ach ja, dat is toch wel arm: het feit der smartelijke offerdaad herhaalt zich; doch alle feit is maar een ding van ’t oogenblik. Is dat oogenblik voorbij, dan is het feit geschied en al wat kracht doet alleen door zijn presentie in de werkelijkheid, dat heeft zijn grootste vermogen verloren op het oogenblik, dat aan het voorwerpelijk gebeuren een einde maakte.

Dat is wel de armoede van het geloof aan een Christus, die bij herhaling dagelijks Zijn smartenweg vernieuwt en Zich telken dage wederom laat offeren in de verbreking van Zijn lichaam.


Doch rijk en groot is het geloof aan een Christus, die |252| niet in herhaling, doch in herinnering tot ons uitgaat en ons zóó wederom zoekt.

Herhaling — dat is de flits, die even schijnt en weer verdwijnt. Maar herinnering — dat is het licht, het licht van Zijn zuiver menschelijke ziel, dat schijnt uit Zijn heerlijkheid, zoekend ons levenspad, ook waar het afbuigt naar beneden, naar het dal der diepe droefenis.

Herhaling — dat is het wonder, dat zich bindt aan een oogenblik, om dan weer zich op te heffen en te beiden een volgenden keer. Doch in herinnering is duurzaamheid; een Christus, wiens gedachten uitgaan tot ons, is altijd om ons heen. Zijn tegenwoordigheid in het gedenken der liefde heft zich niet op langs lijnen van onzichtbaarheid tot in een hoogen hemel, dien mijn oog toch niet inzien kan, om straks weer te keeren en ook weer heen te gaan; doch ze is om ons heen met zegenende kracht; ze weeft om ons de draden van Zijn liefdevol gedenken met de teederheid van een hart, dat priesterlijk is in bewogenheid.

De Christus, Die aan Zijn smarten en Zijn dood herhaling geeft, kiest Zijn uur; en wij, wij hebben ons te haasten in twijfelmoedigheid, onrustig in vreeze, dat Hij heen mocht gaan voor en aleer onze handen Hem tastten, onze mond Hem proefde: „laat ’t uur u niet ontglippen!” Maar de bewogen priester, die tot ons leven uit doet gaan de draden, de golvingen, de energie, Zijner gedachten en die in dit Zijn gedenken aan ons leven en ons lijden de verwantschap voelt van Een, die zelf weet, bij ervaring weet, nog altijd wéét, wat smartelijk leven en wat lijden is, zulk een Christus zegt niet alleen tot ons, dat „zijn uur òns niet moet ontglippen”, doch óók Zichzelven zegt Hij, dat ònze ure Hèm niet moet ontglippen.

Want ons lijden ontvangt Zijn mede-lijden; komt het vóór Zijn aangezicht met Zijn klagelijken nood, dan ontmoet het in Hem een Ziele-kracht, die, gevoelig voor |253| onze smart, daardoor geraakt wordt in de beweging van herinnering. Het is Zijn zuiver menschelijke ziel met haar waarachtige menschelijkheid, die, thans van alle beperking ontdaan en in Gods eeuwigheid ontwaakt, duizend jaren nu weet als één dag b, en zoo het kruis, ook nog van den laatsten bidder, zal vermogen te peilen en te doorgronden door de immer werkzame, nooit verbleekende, herinnering aan eigen kruisgang, eigen droefheid, eigen angsten; angsten, die Zijn geest zich herinnert, omdat ze voor Hem in smartlooze en toch vòlwerkelijke herinnering tegenwoordig zijn als waren ze door-leden op den dag van heden.

Want zijn Hem niet duizend jaren als één dag?

Zoo is, christen, uw Priester. Maakt Zijn lijden uwe ziel werkzaam in geloof, het uwe maakt Zijn menschelijken geest werkzaam in herinnering.

Strijd tegen Satan en klaag uw Christus uw nood; waarlijk, Hij wéét nog, wat dat zeggen wil: in woestijnen den walm van Satan in te ademen! Hij herinnert Zich als gister wat toen Hemzelf geschiedde; ja, meer: als den dag van heden.

Uw verzoekingen, o, haar uur laat Hij Zich nooit ontglippen, want Hij keert in hare stonden er om tot u weer op vleugelen van herinnering; en in dezen volmaakten Mensch, in Wien geen enkele zielswerking zich kan scheiden van de andere, komt in het aandenken ook steeds het mede-lijden.

En zoo zal het immer zijn in al uw zwakheden.

In uw duisternissen proeft Hij de benauwdheid van Zijn eigen, van God verlaten ziel, klagende zonder stem tot God in het donker, drie uur lang, van Golgotha.

In uw vreezen des doods weeft Zijn herinnering aan Gethsemané’s angst een band van verwantschap, die u en Hem tezamen vereenigt.

En in het uur van uw dood zal zich met u bewogen toonen de Priester, die Zelf met de scherpte van bewuste |254| ervaring heeft geleerd te sterven, en die nu nog met herinnering, die niet sterven kan, weet te komen tot u, als uw zwakheid Hem wekt tot zulke kracht, welke door herinnering teeder en door onweerstandelijk[heid] vreeselijk is en geducht.

Een Christus, die Zich herhaalt, heeft nog niet volbracht Zijn werk. Maar een Heiland, die Zich herinnert, Zijns is het woord: het is volbracht c; en wat volbracht is, volbrengt zich en strekt zich tot ons, dat wijzelf niet weten hoe.

„Altaargeheimenissen” zijn er ook voor ons, die met Rome geen missen celebreeren. Maar ze komen niet tot ons op de vleugelen onzer mystiek van het altaar der herhaling hier beneden, doch ze ontdekken in werkzaam herinneren zich in de in medelijden bewogen ziel van den Priester, die den wierook brandt op het altaar onzer smeltende en onzer verscheurde gebeden, het „gouden altaar, dat vóór den Troon is”. 4) Want Zijn herinnering spreekt Hem daar immer toe; en haar spraak is die van een eertijds, waarin deze Priester Zelf gehoorzaamheid leerde uit lijden en gebeden d. En elk heden met kleine droefenis vindt in Zijn groot, doorleefd verleden zijn eigen werkelijkheid duizendvoud verdiept en vermenigvuldigd. Wat Hij doorleeft in de idee van Zijn herinnering, het is zóó groot, zóó breed-menschelijk, dat uw in werkelijkheid doorleefde angst daarin altijd plaats heeft. Want niets menschelijks is Hem vreemd, noch in werkelijkheid, noch in herinnering.




1. Hilarion Thans, Omheinde Hoven, aangehaald in C. Scharten, De Roeping der Kunst, bl. 373.

2. Hilarion Thans.

3. Broere. Dithyrambe op het Allerheiligste. Aangehaald in M.C. Nieuwbarn: Het Heilig Misoffer en zijne ceremoniën, 2e druk. Nijmegen, blz. 95.

4. Openbaring 8 : 3.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Herinnering’, De Reformatie 2 (1921v) 52,363 (29 september 1922).

b. Vgl. Psalm 90:4, 2Petrus 3:8.

c. Vgl. Johannes 19:30.

d. Vgl. HebreeŽn 5:8.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000