Sarcasme — op Golgotha

En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis. En er was geschreven: Jezus, de Nazarener, de Koning der Joden.

Joh. 19 : 19. a


Ironie en sarcasme zijn twee.

Het woord der ironie wordt geboren; dat van het sarcasme wordt gemaakt. Ironie spreekt spontaan; sarcasme kan op zijn woorden studeeren. Ironie ziet de karikatuur en zègt ze in eenvoud; sarcasme ziet ook de karikatuur en — verstèrkt ze met wellust. Ironie is het verhevene, dat verheft; sarcasme is het platte, dat vervlakt. Ironie is er bij de gebetene, doch bijtend is, naar men zegt, sarcasme. Door het ironische wordt de mensch gegrepen; maar naar het sarcasme grijpt hij zelf. Ironie ziet het komische, doch ze staat op een hoogte, waar de „komiekeling” niet bij kan; sarcasme ziet ook het komische, doch op een plan, waar de „komiekeling”, de clown, boven verheven is; ook kan het zich niet eens tooien met het pakje van den harlekijn, omdat sarcasme alleen doorzichtige gewaden weven kan. Ironie is de sterkte van den zwakke; sarcasme is de zwakte van den sterke. Ironie is mogelijk ook zonder zonde; sarcasme is zelf een vorm van zonde. Ironie en sarcasme zien beide het onevenwichtige in de wereld; doch bij gene is het evenwicht bewaard, bij deze is het verstoord. En als de man van de ironie èn van het sarcasme beide de wereld aanzien door de vensters der ziel, dan is de ironicus rustig en kan door zijn venster heenzien om zoo zelfs de objectieve verhindering voor zijn waarneming te overwinnen, doch de sarcastische mensch kan dat nooit; sarcasme is er in onrust, en zijn hartstocht is de |204| heete adem, die de vensters beslaat en dus subjectief de zuivere waarneming belemmert.

Ironie is altijd een zekere triomf. Maar sarcasme is de zékere nederlaag, alleen met het gebaar van den overwinnaar.

Daarom is er altijd zoo’n diepte van goddelijk denken in het lijdensverhaal.

Want als het proces begint, dan is daar ironie bij Jezus in Gethsemané: slaap nu voort en rust!

En als het geding is afgeloopen, dan is er sarcasme bij Pilatus, die voor den kruiseling uit Nazareth het opschrift uitdenkt — „den titel”, staat er eigenlijk — waaruit de voorbijganger zal moeten weten: hier hangt nu de Koning der Joden. Hier hangt hij nu — aan een schandpaal.


Pilatus schrijft dat opschrift van sarcasme, vóór hij zich in wrevel terugtrekt in zijn particuliere vertrekken. Hij wil er in gnuiven, want hij weet zich verslagen door die leelijke Joden. Daarom is dat opschrift boven Jezus’ kruis zijn nederlaag, want als hij het proces niet verloren had, als hij m.a.w. Jezus waarlijk schuldig bevonden had, zou hij anders hebben geschreven. Maar nu de zaken zóó geloopen zijn, wil hij niet anders. Hij weet het wel: een rechter moet precies, moet secuur zijn. Nu, Pilatus is het ook. Kijk: Jezus, de Nazarener, staat er. Even van te voren 1) wist hij nog niet, uit welke provincie Jezus was; daar had hij maar niet eens naar gevraagd; informaliteiten hinderen niet bij die verachte Joden. Maar thans is hij erg officieel: de ambtenaar weet niet alleen de provincie, maar ook de stad, waar Jezus vandaan komt.

Maar die precisiteit in de eerste helft van het opschrift verraadt te meer den boozen opzet in het zeer onnauwkeurige tweede gedeelte. „De gewaande koning”, dat |205| zou nog gekund hebben; maar „de Koning der Joden”, foei, Pilatus, dat is geen nauwkeurige, geen saamvattende conclusie van proces en vonnis. Een officieel stuk, in naam des Keizers, moet niet slordig zijn. Weer een informaliteit? En nu met opzet? Insubordinatie, Pilatus?

Stil maar, zou Pilatus u gezegd hebben, ik weet het wel. Maar gun me dat genot. Ik durf niet weenen over mijzelf, en daarom ga ik maar lachen om al die Joden; ik wil hun nog een steek geven, dien ze voelen zullen ook; zij met hun koning . . . . prachtpubliek! Laat die hoogepriesters ’t volk maar eens tegen zich krijgen; de koning der Joden, dat is ongeveer hetzelfde als „der keerlen god” 2); en zoo ongeveer schijnt het gewone volk dien Jezus te beschouwen. Laat ’t maar even koken bij de „kleine luiden”, als ze hun schutspatroon zien hangen; ’t kan voor die driftige priesters geen kwaad. De koning der Joden, . . . . zouden ze begrijpen, dat ik met mijn opschrift niet alleen dien koning, maar ook zijn mooie onderdanen in den hoek zet?

En Pilatus schrijft. Hij schrijft driemaal. Zijn vrouw heeft hem immers nog niet zoo haarfijn alles van dien droom verteld? 3) En hij heeft immers nog niet die duisternis ondergaan, drie uur lang b? ’n Tikje sarcasme in dat opschrift, het kan geen kwaad. En de officieele notulen voor de keizerlijke regeering kan hij toch immers inkleeden naar verkiezing . . .


Ja, Pilatus.

Maar God schrijft vandaag ook notulen. Ze liggen naar hun zakelijken inhoud nóg voor ons.

En wij besluiten uit dit verhaal van uw vlijmend sarcasme tot uw schuld en tot uw straf. |206|

Tot uw schuld besluiten wij. Want gij, Pilatus, wilt de Joden honen, doch ge doet het Jezus ook.

Ge wilt uw woede lucht geven, maar ge hebt niet den moed, o grimmige autoriteit, om den bliksem van uw toorn te laten inslaan bij de Joden en — bij uzelf. En nu deert het u niet, dat ge hem afleidt — langs Jezus heen. Ge maakt hem het slachtoffer van uw rancunemaatregel tegen de Joden; en in uw kleindoenerig woordoffensiefje verschanst ge u achter den Nazarener. Dat is erger dan laf. Dat is schuld. Schuld op schuld. Want een Pilatus, die Jezus aan het onrecht overlaat, is schuldiger, wanneer hij met de hand onder ’t hoofd nadenkt, hoe hij dàt nu eens formuleeren zal, dan wanneer hij van opgekropte woede met deuren smijt.

Wij besluiten tot uw schuld, Pilatus.

Maar wij zeggen het zonder sarcasme. Want tegen uw sarcasme, o rechter, hebben wij juist dit bezwaar, dat gij, schoon een gruwelstuk door u gegispt wordt, dat meer doet uit protest tegen de zondaren, dan tegen de zonde. Zoo doet uw sarcasme. Maar wij hebben Jezus gezien, Jezus, wiens ironie verre uitgaat boven uw sarcasme; zij toch laakt de zonde, maar noodigt nog den zondaar, en helpt hem, geneest hem. Daarom roept Jezus’ ironie het wee over ons uit, indien wij over den sarcastischen Pilatus sarcastisch spreken zouden. Wij keeren in tot ons zelf. En met schaamte herinneren we ons, dat ook wij wel eens Jezus’ naam hebben gebruikt voor een kleinmoedigen triumf. En als wij iemand 4) hooren zeggen:

Pilatus met zoo veel geschreeus
Des opgerokkenden Hebreeus
En der Rabbijnen lasterkeel
Verlegen op Godts schimptooneel,
Verwijst in ’t ende Emanuel.
Aenschou hier, Godt, elx guighelspel . . . , |207|

neen, neen, dan laten wij dien laatsten regel niet weg. Elks guichelspel. Ook het onze, denken wij dan en wij schamen ons niet voor onze schaamte, zooals gij, Pilatus!

Toch blijven we besluiten, Pilatus, tot uw schuld.

En tot uw straf.

Want als het waar is, dat de ironie is der sterken, en het sarcasme der zwakken, der innerlijk verslagenen, dan is uw vonnis gereed.

Toen Jezus naar Pilatus heenging uit Gethsemané’s duister, toen was daar bij Hem de ironie. Ze was er op den weg zijner victorie.

Maar toen gij, Pilatus, Jezus van uw stoel hebt weggezonden, toen was daar bij u het sarcasme. Het was er op den weg van uw nederlaag.

Deze twee wegen komen eens samen voor den rechterstoel van Christus.

Daar zal, zonder sarcasme, doch in heilig recht, Pilatus den koning der Joden, den koning der wereld zien. God zelf immers schrijft dan dezen „titel” op Jezus’ kleed en op zijn dij 5). En daar zal Jezus het recht van dien naam wel bewijzen. Want in die ure zal geen bevestiging vinden de platte pret van Pilatus’ sarcasme, dat wie het laatst lacht, het best lacht, doch wèl de strakke ernst van Jezus’ ironie, dat wie het eerst weent, het best weent; de spreuk is dat van christendom tegenover wereld.

Want ironie en sarcasme zijn twee.




1. Lucas 23 : 6.

2. Volksnaam voor graaf Floris V: de beschermer der „kleine luyden”.

3. Mattheus 27 : 19.

4. Joost van den Vondel, Ecce Homo.

5. Openb. 19 : 16.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Sarcasme — op Golgotha’, De Reformatie 1 (1920v) 25,190 (18 maart 1921).

b. Vgl. MatteŁs 27:45 par.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000