Hoe lang nog?

Hoe lang zal ik nog bij ulieden zijn en ulieden verdragen?

Luc. 9 : 41. a


Als Jezus de vraag stelt: „hoe lang nog?”, dan staan we huiverend stil.

Wat moet daar een diepte van wringende smart, een àfgrond, niet van ongeduld, maar van reusachtigen wil tot voortgang, tot òpgang, tot léven, in die woorden: „hoe lang nog?” opengaan, als ze van zijne lippen komen!


Men heeft over uw Heiland gesmaald en gezegd: die bleeke Jezus, dat is de stille martelaar; hij is de krachtelooze, die zóó geduldig is, dat wij er bij dreigen los te breken in ongeduld en tot zijn kalmen, rustigen vrede, tot zijn rustig oog, tot zijn hand, die het kruis gelaten opneemt, zouden willen roepen: Ont-zet U! Doe dan toch iets! Kunt Gij alleen maar lijden? Kunt Gij dan niet anders dan geduldig zijn?

En o, indien Jezus niet anders kòn, dàn zou dit brandend verwijt op zijn plaats zijn. Een mensch, die niet sterk genoeg is om te grijpen naar het leven, is ook een verbleekende zwakkeling in zijn dood.

Ja, het is gezegd, dat er plaats is voor een beschouwing als deze, over den persoon van Jezus.

Jezus — zoo heeft men gespot, zoo is er gehoond, neen, nog meer, zóó luidde de soms vertwijfelde klacht —, Jezus is óók al geen bekwame Helper; Hij is geen sterke, en dus óók geen sterkende mensch. Zijn lijden is zwakheid. Hij houdt niet van het leven. Hij is levensmoe! Hij zegt: hoe lang nog? Hij is niet krachtig genoeg om van het licht èn van de vreugde te houden. En daarom is Zijn gang naar den lijdensberg de gang der |162| machteloosheid. Hij is te zwak om zich te verzetten; Hij laat over zich heengaan wat wil. Hij is het geduld, dat weerzin wekt, doordat ieder er over heen mag loopen. Als Jezus in het donker gaat, dan komt het, omdat Hij niet sterk genoeg roepen wil of kan om het licht. Wat hebben we aan zulk een Jezus! Zulk een zwakkeling sterkt ons niet, staalt ons niet, steunt ons niet.

Want zie, hij opent zijn tragen mond en zegt vermoeid: „Hoe lang nog?”

Hoor, nu vragen er velen: Is dat niet de vermoeide, de oververmoeide, bleeke Jezus van Nazareth?

Ach ja, zegt nu iemand, dat is hij. „Waarlijk, te vroeg stierf die Hebreeuw, dien de predikers des langzamen doods eeren; en velen werd het sedert tot ongeluk, dat hij te vroeg stierf.

Nog kende hij slechts tranen en de zwaarmoedigheid der Hebreeuwen, . . . . de Hebreeuw Jezus; toen overviel hem het verlangen naar den dood.

Ware hij toch in de woestijn gebleven en ver van de goeden en gerechten! Misschien had hij leven geleerd en de aarde lieven geleerd — en het lachen bovendien!” 1)

Maar neen: „hoe lang nog?”

„Een heilig Neen-zegger, wanneer het geen tijd meer is voor Ja: zoo verstaat hij zich op dood en leven”. 2)

Jezus, de machtelooze . . .

En zoo als Hij zelf is, zoo máákt hij ook zijn volgelingen. Ook zijn priesters, ze zijn de wegkruipers, de bangen; ook hun mond klaagt, levensmoe, levensarm, machteloos: „Hoe lang nog?”

„O, ziet mij toch die hutten aan, die zich deze priesters bouwden! Kerken heeten zij hunne zoetgeurende holen! . . . |163| Zoo gebiedt hun geloof: op de knieën de trappen op, gij zondaars! . . . Wie schiep zich dergelijk holen en boetetrappen? Waren het niet zij, die zich verbergen wilden en zich voor den klaren hemel schaamden? Als lijken dachten zij te leven; zwart bekleeden zij hun lijk; ook uit hunne reden ruik ik nog de slechte kruiden van sterfkamers”. 3)

O, de moede Jezus!

O, de levenszatte priesters!

O, de vertwijfeling in het tot leven machtelooze Christendom!

Hoort gij ze niet klagen: hoe lang nog, hoe lang nog?

Zijn ze niet moe, zijn ze niet slap, strekken ze zich niet uit naar den dood, omdat ze den stroom van het sterke leven niet kunnen dóórkomen: Jezus, priester, kerk?

Is er wel iets bleeker en matter, grauwer en meer toonloos dan de navolging van den Christus? O, die doffe berusting, o dat hijgende, van het leven afkeerige ongeduld! O, de bleeke lippen, die lispelen: hoe lang nog, hoe lang nog?

Neen, christendom en leven zijn twéé! Weg met dien kleurloozen godsdienst!


En ja, àls dàt Jezus was, indien zóó zijn dienaren waren — we zouden ook ons zelf ongetroost zien weggezonden van den kruisheuvel Golgotha.


Maar — dát is Jezus niet geteekend gelijk Hij is. Dat is Zijn roep: „Hoe lang nog?” uitgelegd in verkeerden zin.

In dat woord klaagt niet de levenszatte, onwennige, en daarom schuw-onwillige mensch, doch de sterke, bewuste drager eener tot het ware, rijke, volle leven opveerende kracht. |164|

Hoe lang nog — dat zegt Jezus niet tot het leven, maar tot het ellendige, verwrongen leven. Het eigenlijke Leven — dàt verlangt Hij, om het te zien en in zijn morgendauw te ademen.

Ja, hier kunt ge Hem zien: in volle lengte zich oprichtend, zich strekkend naar het licht, roepend niet om van het leven en van de menschen àf te zijn, maar opeischend, als een reus in boeien, voor zich een wereld, waarin alles is zóó sterk, zóó geloovig, zóó vast in God, als Hij het is. Hij wil het sterke leven! Er zij bevrijding!

Neen, zóó schreeuwt geen zwakkeling, die het leven niet meer begeeren kan, en daarom slechts „dat lieve dood-zijn” zoekt, of nog liever: van den zachten dood zou willen zijn gezocht.

Zóó siddert ingehouden kracht alleen in de stem van hem, wiens adem hijgt naar het licht, wiens ziel te snakken vermag naar het bruisende, zich hem volkomen onderwerpende leven. Niet het slavengeduld, maar de heerschersdrang, die roept om een wereld, die naar Hem zich schikt, is in dit woord „hoe lang nog?”, te beluisteren.

Hoe lang nog?


Wilt gij van dezen kreet iets verstaan, wilt gij het hijgen van Jezus’ borst zien en weten, welk groot verlangen er in siddert?

Bezin u dan even over de vraag, wanneer hij zóó gesproken heeft.

Het evangelie zegt het u.

Het plaatst dit roepen: „hoe lang nog?” in de omlijsting van een tafereel, dat de grootste contrasten geeft.

Eerst heeft de Christus, daar boven op den berg der verheerlijking 4), den hemel zien opengaan en in zijn licht geblonken. Toen heeft Hij geademd in reine lucht en |165| heel Zijn heilige ziel ging open. Toen heeft Hij het verheerlijkte leven aanschouwd en heel Zijn zuiver verlangen heeft daarvan de weelde ingedronken.

Maar nu?

Nu ligt daar voor Hem een jong menschenleven, waaruit de doodswalm opstijgt, en de reuk van ont-binding, dat is van vervloeking, Jezus in het gezicht slaat. Een dood-zieke knaap, één, dien het verderf heeft aangegrepen, ligt daar vóór Jezus, een vraag zonder woorden.

En dat is alles nog niet.

Behalve dien ellendige, dien zieken jongen, die daar voor Jezus’ voeten te krimpen ligt, leest Jezus in den oogen van zijn discipelen de vertwijfeling. Zij hebben geen geloof gehad, en omdat zij geen geloof hadden, konden zij geen krachten doen. Ze hadden getracht, de macht der ellende te breken, maar het was hun niet gelukt.

En dan die menschen, dat volk daar, dat het wel onthouden zal, dat Jezus’ discipelen machteloos staan . . . . o, het is alles even troosteloos, even armoedig, even klein van ziel en van geest.

Op den berg — de hemel!

Aan zijn voet, hier beneden, de walm der hel!


En toen . . . . .

Toen hief Jezus Zijn stem op: Hoe lang nog, hoe lang nog?

Weet gij het nu?

Achter dat woord staat: de lichtende berg, de geopende hemel, de verheerlijkte mensch. In dat woord golft òp Christus’ walging over alle wereldellende, en Zijn diepe afkeer van alle aardewee en menschenzonde.

Hoe lang nog?

Neen, zoo krijt geen slavenziel.

Dat is de Koningsmensch, die zoo roept.

Want Hij snakt naar leven en naar licht, naar jeugd |166| en naar bloei, naar onsterfelijkheid en verzadiging van vreugde.


Wie zóó sterven gaat, die bewijst voor ale eeuwen, dat zijn dood geen zacht verglijden is in het donker, als van één, die niet weet wat leven is, doch de sterke daad van hem, die zich strekte naar het licht — en die toen zeide: Hier zijn mijn handen: bind ze! Hier zijn mijn oogen, die licht zoeken: graaf ze uit. Voer mij in den nacht. Waar is mijn volk? Ik kom, o God, ik kom! om Uwen wil te doen! b Ben ik niet de sterke in mijnen ondergang?

Het heilig offer, dat hier zich gaf tot den dood, was alzoo levend en krachtig c. Wat oud is en verouderd en nabij de verdwijning d, dat kan niet meer ten offer zijn. Geofferd leven, dat moet jong zijn en sterk, want offeren, dat is: geven wat kostbaar is; dooden, wat niet sterven zou uit zichzelf.

Het offerlam, dat heden dan zich geeft, zie, hoe het leeft en krachtig is in de beweging van den jongen wil tot leven!

Hoe lang nog?

Dit hart is nog jong, en deze wil nog sterk. Nu verbreke God dat hart en Hij knechte dien wil. Want alleen de smartelijke offergang werkt leven in verzoening.




1. Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra, 78-81 Tausend, Leipzig, Alfred Kröner, S. 107 v. (Vom freien Tode).

Ik volg hier de vertaling van L.S.A.M. von Römer, 2e druk 1913, A’dam, S.L. v. Looy, blz. 81-82.

2. a.w. l.l.

3. a.w., S. 132, vert. blz. 104 (Von den Priestern).

4. Zie bl. 145v, het hoofdstuk: Tweede Stem.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Hoe lang nog?’, Gereformeerde Kerkbode van Delft 10 (1922v) 51 (17 februari 1923), en als ‘Hoe lang nog?’, De Reformatie 3 (1921v) 52,385 (28 september 1923).

b. Vgl. HebreeŽn 10:7.

c. Vgl. HebreeŽn 4:12.

d. Vgl. HebreeŽn 8:13.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000