Tweede stem (doorgang)

Terwijl Petrus nog sprak, zie, eene luchtige wolk . . . en zie, een stem uit de wolk.

Matth. 17 : 5; Vgl. Marc. 9 : 7, Luc. 9 : 35. a


Zwaar is het in Gods koninkrijk, de overgangen te vinden.

Doch zwarigheid is er ook in het vinden van den doorgang.

Te weten de uren, die voor Gods werk gesteld zijn, dat is in de ziel van Gods geroepenen de moeilijke vraag. Doch als de uren gevonden zijn, dan zijn zij nòg niet van den last ontheven; dan komt het er op aan, dat ze de uren verduren en daaraan geven haar volle maat; en toch ook niets meer dan die. Achter elk uur toch staat een tweede; en van de eene stonde, die slaat, is er altijd de jacht naar de volgende, die komt. Dat volgende uur heeft ook zijn tijd, door God bepaald. Het mag niet zijn loop vertragen en zijn komt mag ook niemand willen verhaasten. Beid uw tijd. Maar dan ook: duur uw uur.


Weten wij die dingen?

Ja, wij weten ze ook zeer wel; en toch, wij doen daarnaar niet. Wij schenken aan dat ééne oogenblik van Gods uur, waarop de klok slaat, en aan dat ééne punt van onzen weg, waar de mijlpaal staat, onze bijzondere aandacht en we ontleenen de vreugde eraan, of wel: de smart van zelfbezinning en zelfherkenning.

Maar als wij dan daarná aan de vòlgende oogenblikken niet geven àl onze aandacht; en indien wij den afstand tusschen den eenen en den anderen mijlpaal afleggen zonder bewuste gedachten, dan hebben wij |146| vergeten, dat iedere seconde dezelfde beteekenis heeft, ook die, waarop de klok niet slaat; en dat zoo ook ieder punt van den weg gelijke geschiktheid heeft om ons te brengen naar ons doel; ook zulk een punt van den weg, waarop geen mijlpaal te bekennen valt.

Dan komt de verzoeking.

Is er het uur der ellende en staat op den weg van smarten onze voet, dan willen wij tot het uur zeggen: vlied haastig heen; en den weg wilden wij, indien wij konden, zoo gaarne verkorten.

Doch is er in onze stonden de vreugde en wordt op ons pad het licht gezaaid, dan zouden wij willen rèkken de uren, willen verschuiven het oogenblik, dat naar Gods wil voor het werk-uur, dat volgt, moet aanbreken ter rechter tijd. En dat zou onze zonde zijn; ja, dat is reeds onze overtreding tegen die wet van het Koninkrijk Gods, waarnaar alle ding haast heeft, wijl het jaagt naar de nieuwe toekomst, schoon geen ding overhaasting duldt, omdat hetgeen heden is, niet moet worden verbroken, doch vervuld, gerijpt naar eigen levenswet.


Oók den Christus Gods is de vraag voorgelegd, in verzoeking en in beproeving, of hij wilde getrouw zijn niet alleen in het kiezen, maar ook in het vol-dragen der uren, der tijden Gods.

Als hem bij den doop de stem van boven met hoorbare klanken het uur heeft geslagen, dan mag hij tot dat oogenblik van stille overgave in gebed niet zeggen: o, toef gij nog, gij zijt zoo schoon. Want het onmiddellijk volgende moment is in de persing zijner dagen niet minder gewichtig dan dit heerlijk oogenblik. Hem drijft dan de Geest; want daar is haast als Gods uren verglijden. Straks, in het uur der verzoeking in de woestijn, komt tot Hem de Satan om Hem te vragen, of Hij zijn lijden niet wat in wil krimpen en van zijn klok niet de wijzers zou willen vooruitschuiven. (Matt. 4 : 3, 9). |147|

Toen weigerde de Christus; Hij heeft zijn uren vol-eind, klaar en bewust.

Doch zie, straks, op den berg der verheerlijking, komt tot Hem, beproevend, de andere vraag, of Hij nu niet de uren wil rekken, of Hij den slag van de donkere ure der smart, zoo Hij die kiest en kiezen blijft, niet wat verschuiven wil. Die vraag komt tot Hem in het verschijnen van de gezanten van het hemelsche hof. Mozes en Elia . . . . en bij hen het licht en óm hen de klaarte des hemels . . . . hoe zou niet voor dit alles Jezus’ ziel gevoelig zijn?

O ja, Hij kiest wel den weg der smarten en Hij neemt zijnen uitgang wel te Jerusalem b; opstijgen zal Hij niet zonder eerst neder te dalen, ook ter helle toe.

Maar wachten, wachten, o God, is wachten ook al zonde? Hebt Gij dan altijd haast? Mag Jozua, de strijder, in vlammenden ijver tot de zon zeggen, dat ze stilstaat 1), en mag de meerdere Jozua, de van den strijd vermoeide, niet op dit uur van vrede zeggen: zon, sta stil, en gij maan? Is daar dan altijd de wet van Saul, den hittigen vervolger, en van den Meerdere van Saul, dat niemand stil mag staan ter verpoozing, zelfs niet de zoon des konings? 2)


Hoor, daar spreekt een stem.

Het is de stem van Petrus.

„Meester, wat treft dat, dat wij hier zijn”! Laat ons dit oogenblik vasthouden. Laat ons deze schoonheid fixeeren. Laat ons hier blijven en de wereld vergeten, en de smart vergeten en blijven staan in licht en in hemelglans! Laat ons tenten maken en in die geimproviseerde hutten die schoone moment vasthouden en de jammerdalen vergeten voor deze lichtende toppen!

Beproeving! Verzoeking! |148|

En die beide voor Christus.

Maar o, indien hier Christus den tijd wil rekken, en het uur, dat God Hem stelt, weigert te begroeten ter rechter tijd! Zwaarder dan ooit een mensch gewogen heeft, zal Hem die zonde zijn gerekend. Eens is er een geweest, die tot den Satan zeide:

Zoo ’k immer tot één uur mocht zeggen:
„Gij zijt zoo schoon, waarom zoo kort?”
Dan moogt ge mij aan banden leggen,
Dan worde ik in ’t verderf gestort. 3)

Maar in den meest volstrekten zin geldt van den Christus Gods deze gebondenheid in woord en daad. Indien Hij de schoone ure wil bestendigen en verlengen, het zou dezelfde zonde Hem zijn, als wanneer Hij in de wildernis Satan had toegegeven, toen deze Hem influisterde, wat Hij reeds wist: dat lang, lang, lang zijn de dagen, de uren der nachten; lang, en toch wel immers te bekorten, die veertig hongerdagen, die veertig nachten van vereenzaming. Want in beide gevallen zou dàt de ééne zonde geweest zijn tegen de persing Gods, die de historie wil voleindigen en zijn Zoon met haar op het door Hem gekozen uur, niet eerder, maar ook niet later.


Doch zie nu het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt c.

Christus hééft den eerbied, die Hem past, voor de tijden Gods.

Nu komt de stem van den hemel Christus verblijden en onderwijzen Zijn discipelen.

Christus komt zij verblijden. Zie, Hij heeft gekozen. Hem is gewezen de weg der smarten, die loop door |149| Jerusalem, en in deze heilige stonde, waar alles Christus’ zuiver-menschelijke ziel volheerlijk toespreekt, strekt Hij geen oogenblik de hand uit, naar het licht, vanwaar Hij gekomen is. Neen, op dezen lichtberg blijft Hij niet staan in zelfbewondering en zelfverheerlijking. O zeker, al wat in Hem haakt naar hemel en naar God, naar leven en naar licht, het zou hem willen persen tot het woord:

Dit oogenblik zou ’k willen vragen:
O toef gij nog, gij zijt zoo schoon!

Zijn zuivere menschelijkheid bloeit op als de hemel opengaat en al wat in hem, in zijn waarachtig-menschelijk verlangen is, het zou willen roepen: geen tabernakelen Petrus, hier . . . . geen tabernakelen, die men vluchtig breken kan, doch een woning hier, een gebouw hier, dat fundamenten heeft; geen tabernakel doch een tempel, Simon Petrus!

Doch zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.

Christus heeft dit niet gezegd.

Hij is gekomen tot het zijne en heeft den kruisweg niet veracht.

Hij is getrouw, tot den dood toe.

Getrouw is hij in het kiezen der uren, en Gods eerste stem heeft Hem dat lofprijzend gezegd.

Maar niet minder is Hij getrouw in het bewaren der keuze.

Hij heeft den overgang gewild en in den doorgang aarzelt Hij niet.

Deze is Gods geliefde Zoon, in welken Gods welbehagen is.


En wat u aangaat, discipelen, weet gij niet, dat ook voor u de stem van boven te zeggen heeft, wat u noodzakelijk is als brood d? |150|

Zie, daar is toch een groote weldadigheid Gods in deze stem.

Toen de eerste maal bij den Jordaan de hemel getuigenis gaf, toen was daar een schare, een breede, die zag en hoorde.

Maar nu zijt gij drie in getal, Petrus, Jacobus, Johannes 4), en niet verder dan tot uwe ooren laat op dezen bergtop God uitbreken Zijn sterk geluid.

Is er daar beneden aan den voet van den berg ook maar iemand, die hoort? Immers neen; de ellende blijft er van een gebonden ongelukkige en van discipelen, die niet ontbinden kunnen. (Matth. 17 : 14-17). Voor u, dat is voor drie, schenkt God de gratie van een hemelstem. Te vragen behoeft gij nu niet meer, of de hemel ook veel wil doen voor de recht-zetting van kromme gedachten in duistere zielen van discipelen van Jezus.

Petrus, Simon, gij wildet in Caesarea Philippi uw Meester de donkerheid ontzeggen 5) en nu wilt gij met licht zijn kleed en met vroolijkheid zijn pad langer tooien dan God. Ga weg achter Hem en houd uw Meester niet op.

Luistert naar de stem, die van boven u in de rede valt, zóó zondig en zoo dwaas is uw rede.


En gij, die deze dingen leest, herinner u, dat op den weg van Gods Zoon tot uw verlossing, de menschen het waren, die Hem, welke van Godswege den strijd voor hun vrede voerde, tegenhielden.

Gij zult met schaamte dan belijden, dat in het werk der verlossing alles van u was dwaasheid en leugen.

Maar ge zult met vreugde de stem verstaan, die tot u zegt: hoort Hem; want niet het zien naar zijn licht, maar het hooren naar de noodzakelijkheid van zijn donkeren smartengang, dat brengt u tot de rijpheid van Gods voldragen uur. |151|

En indien gij hoort naar de stem van boven en de stem van Christus, grooter dan uwe schaamte zal dan deze uwe blijdschap zijn.

Zoodanig een Hoogepriester, betaamt Hij ons niete? Heeft u ook iets in Hem ontbroken?

Antwoord nu.

Geef antwoord, en zeg: Neen, Heere, mij heeft niets in u ontbroken.


Zooals op het doek de schilder het donker brengt, opdat het licht te sterker uitkomen zoude, zóó liet ons hier het Evanglie het donker der dwaze Simons, der onwijze menschen zien, opdat het licht van den Zoon Gods te heerlijker schitteren zou.

Het donker van Petrus: laat ons hier tabernakelen maken! Haast u niet ter verlossing! Stijg op tot glorie, en neem het licht, en ga, o Christus, in tot het licht zonder om te zien achter u, of daar ook zijn, die U volgen kunnen.

Maar nu het licht van Christus, van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt: zie, hij gáát op tot Gods altaren, tot den God zijner verheuging; f maar Hij zal eerst heengaan naar de Zijnen, om hen mee opwaarts te voeren tot in Zijn glans en glorie.

Dat is de evangelische schilderij.

En van boven klinkt het oordeel Gods.

Simon zegt: blijf hier, Christus; de doorgang is geen nóódzaak. Doch alle hemelen zwijgen tot zijn woord.

Maar als de Christus den doorgang kiest tot zijnen uitgang, dan gaat de hemel open en de stem van God wijst aan den Zoon, den Geliefde.

Dat is Gods door-gaande lof over den door-gang in Liefde.

O, mijn ziel, wat buigt ge u neder?

Hoor hem! Hoor hem! En — gij zult Hem nog loven g.




1. Jozua 10 : 12.

2. 1 Samuël 14 : 24, 28, 44.

3. Faust tot Mefisto bij Goethe [Faust I,1700f.].

4. Matth. 17 : 1.

5. Matth. 16 : 22.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Tweede stem’, De Reformatie 2 (1921v) 20,150 (17 februari 1922).

b. Vgl. Lucas 9:31.

c. Vgl. Johannes 1:29.

d. Vgl. MatteŁs 4:4.

e. Vgl. HebreeŽn 7:26.

f. Vgl. Psalm 43:4.

g. Vgl. Psalm 42:6.12; 43:5.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001