Stemmen

. . . een stem uit de hemelen, zeggende: deze is mijn Zoon, mijn geliefde

Matth. 3 : 17; Vgl. Marc. 1 : 11; Luc. 3 : 22.

. . . een stem uit de wolk, zeggende: deze is mijn geliefde Zoon

Matth. 17 : 5; Vgl. Marc. 9 : 7; Luc. 9 : 35.

. . . een stem uit den hemel, zeggende . . .

Joh. 12 : 28. a


Niemand heeft ooit God gezien; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard” 1). En „hetgeen hij gezien en gehoord heeft, dat spreekt hij” 2)

Zoo is de Christus de Stem van God; Hij is het, en Hij is het alleen, door wien de Vader tot ons wil spreken. Hij is het, en hij is het alleen, die Gods gedachten ons zegt in woorden, voor onze ooren geschikt.

De Stem is hij.

Doch zal die groote, die eenige Stem, de ziel der menschen, het oor der menschheid, bereiken, dan moet zij zelf door „stemmen” worden aangekondigd.

En — alzoo is ook geschied.

Want voor God was het niet genoeg, Zijn Zoon te zenden in de wereld. Die gezònden is, wordt ook gewezen, en die aangesteld is, ook voorgesteld. Die zelf de groote stem Gods is, wordt door „een stem” Gods van boven aangekondigd, wel vele malen.

En hemelsche profetie profeteert, dat hier de Profeet is van den hemel. God wijst hèm door „stemmen” aan, wiens ééne stem God zal aanwijzen in ieder woord.


Tot drie maal toe spreekt „een” stem over „de” stem. |132| Telkens weer is er de muziek van hemelschen woordenval over het hoofd van den gezondene van den Vader.

Daar is een stem, als uit de Jordaan de gedoopte Christus verrijst en biddend zijn hand, zijn hart, zijn „stem” in dienst des Vaders stelt.

Dat is de eerste stem.

Wederom scheurt de hemel en spreekt hij zijn stem; als op den lichtenden berg, den berg der verheerlijking, zich den doodsweg kiest Hij, die gruwt van donkerheid en nacht.

Dan klinkt de tweede stem.

En wanneer er in ’t lest slechts een enkele schrede meer is tusschen Christus en den dood, dan grijpt de Christus naar het recht van den krijgsknecht, van den minsten huurling, en Hij wil niet sterven gaan, eer Hem de verkwikking gegund is van het aangezicht zijns Zenders, eer zijn mond gegroet heeft Hem, om wien Hij sterven gaat. En ook dàn ontsluit zich de zwijgende hemel en spreekt er van boven „een stem” (Joh. 12).

En daar verneemt ge de derde stem.

Stemmen alzoo, tot driemaal toe . . . . .

En telkens zijn er de menschen, en dringt door tot hun oor de stem, die van boven haar getuigenis spreekt, en die hun ziel nu zoekt tot behoudenis.


Nu, die het leest, die lette er op b. Hij schenke aan dit drievoudig wonder alle aandacht, waarop zoodanige stem „van de hoogwaardige heerlijkheid” 3) aanspraak mag maken. Is hier niet, o omstanders, de spreuk waarachtig: een stem Gods en niet eens menschen c?

Ja, zoo zult ge zeggen, die heerlijke stem draagt in zich het merk der goddelijkheid.

En gij spreekt recht.

Maar weet gij nu ook, dat het wezen van die vele |133| stemmen ook in den Christus te vinden is, aan wien de stemmen getuigenis geven? Weet gij wel, dat één en hetzelfde wonder van goddelijke kracht zich openbaart in het spreken der stemmen en ook in de waarachtige menschheid van den Christus, den Zoon van God? Weet gij dat wel?


Zie, als die stemmen spreken, dan komt u tegemoet de hemelsche waarheid in een aardsche omkleeding.

Dan kiest Gods werkelijkheid voor haar zelfgetuigenis den vorm der menschelijke beperktheid.

Dan is daar de stem van God: doch die stem is heel wat anders, dan wat, om iets te noemen, de dichter van Psalm 29 hoort in groote verbazing.

Want in dien psalm van verschrikking is het de stem des Heeren, die dondert, die in groot geluid breekt boven de groote wateren, die cederen versplintert en hinden jongen doet werpen. En deze zevenmaal in dit lied geprezen „stem des Heeren”, deze is het, welke de bevende mensch ondergaat in haar majesteit en neerwerpende kracht.

Maar de „stemmen”, waarvan het gerucht tot driemalen toe om het hoofd van den Zoon des menschen is, zoekende de omstanders, o, die zijn toch wel heel wat anders, dan wat in donderslagen van Gods geweldigheid de psalmdichter van zooeven vernomen heeft.

Deze, in het evangelie verhaalde stemmen, ze zijn wonderlijk door de onverklaarbaarheid, waarmee ze de vragers, de zoekers vermoeien.

Maar voor het overige schijnt al het vreeselijke, al wat naar ontzetting zweemt, er uit weg te zijn. Stel u voor, deze hemelstem spreekt in het taaleigen van de streek; zoo ge wilt, ze bedient zich van het dialect van den gewonen man.

O menschen, menschen, hoort ge ’t wel? Is dat wel tot u doorgedrongen, dat hier een hemelstem is, welke in |134| haar dienst stelt de taal van den dag en de spraak van het land, waarop die menschen staan? Hoor, nu ontleent Gods stem de vormen, waarin ze spreekt, aan het Arameesche woordenboek en draagt zoo Gods getuigenis de wereld in.


Maar . . . .

Maar is dat dan niet hetzelfde, wat ook van die groote, van die ééne Stem Gods, van den Christus, kan worden gezegd?

Immers ja?

Naar dezelfde wet van deze stemmen toch zendt God óók Zijn Zoon in de wereld. Juist in dien Christus bereidt God zich den weg, waarlangs Zijn gedachten in menschelijken vorm van uitdrukking tot de kinderen der aarde kunnen komen.

Zoo is er om de ééne stem, die in Christus spreekt, de veelheid der stemmen, die van den Christus getuigenis geeft.

En in het mysterie van de stemmen, die de Stem Gods prijzen, is, zoo gij wilt, u het geheimenis ontdekt van Christus en van de verlossing, die in Christus Jezus is.


Want wie is eigenlijk Christus? Is Hij alleen de wegwijzer, of is Hij de weg? Is Hij prediker der waarheid of zelf de waarheid? Is Hij levensleeraar, of is Hij zelf het leven d? Is Hij bereider van het hemelsche brood of is Hij, Hij zelf, het brood des hemels e?

Luister, nu antwoorden de stemmen.

Hoort Hem, hoort Hem, zoo spreken ze f. Christus is degene, in wien de wet van alle stemmen is vervuld. Hij is de spreker, die Gods diepten ons verklaart. Gods eeuwig Woord neemt in Hem menschelijke vormen aan; voor menschenooren wil het klinken en daarom stelt het in zijn dienst een menschentong en gaat tot den denkvorm der menschelijke zielen in. |135|

Dat is van deze stemmen de jubel: ze zeggen, dat in Christus Gods waarheid het kleed der aarde neemt, om in deze beperking zich door menschen te laten grijpen en zich te doen verstaan. En zoo vaak „een” stem „de” stem aanwijst, zóó dikwijls zegt de hemel, dat Christus is de spreektrompet des hemels. Hij komt spreken, zeggen, wijzen de waarheid en het brood, den weg en het leven, die van boven zijn.

Zie, dat antwoorden de stemmen.


Maar wee u, indien gij nu voldaan zijt.

Want o, indien Christus alleen Gods spreker, en niet de sprake zelf van God ons is, dan zijn wij, die in Hem gelooven, de ellendigste van alle schepselen g.

En indien de wet, waarnaar Hij in de wereld komt, niet een meerdere is dan die, welke in die stemmen spreekt, zie dan zijn die stemmen van al wat klinken kan, het meest verschrikkelijke.

Als evangelie in zeggen opgaat, als in weg-wijzer zijn de taak van Christus uitgeput is, als verlossing alleen maar is zèggen, prédiken, o God, dan is hier het overtollige en het is van U. Dan is die prijs te duur, waarmede Gij aan de vele stemmen van den hemels volmaking geeft in die ééne groote Stem van vleesch en bloed; dat is: in den Christus. Want die stemmen, die rondom Hem heen ruischen, ze zeggen het ons, dat Gij machtig zijt, o God, om door hoorbare klanken menschenzielen te treffen, ook zonder dat vleesch wordt en zonder dat mensch wordt Gods eeuwige Zoon. Is alleen reeds zeggen, profeteeren, getuigen goddelijke verlossingsdaad, dan klagen die hemelstemmen God aan; want dan kàn God spreken óók zònder het instrument van Christus’ waarachtige menschheid. Dan kàn God ook zònder Bethlehem en Golgotha ingaan tot de binnenkameren van schemerende zielen met Zijn goddelijke waarheid en Zijn eeuwig licht. |136|

Dan is hier — de overtolligheid. Dan is Christus de overbodige.

Maar in het godsdienstige màg niets overtollig zijn; daar geldt de wet van het moeten.

Het overtollige, het overbodige, is rondom Gods heiligheden een verboden ding.

En als in de vernedering, in den doodsgang van Christus, den man van smarten, het niet-noodzakelijke is, dan zijn wij dood, dan is evangelie onduldbare ergernis, en Gods daad in dien Christus wordt dan spel zonder den bitteren hoogen ernst van wat moet.



Doch wees nu stil, mijn ziel.

Verre zij God van wat overtollig is en de Almachtige van hetgeen overbodig is h. Er is in heel het verlossingsplan niet één ding, waarachter niet de Noodzaak ligt. Geen bloedig ding, dat geen „moeten” is.

Ook dat moet gij weten, menschenkind.

En God láát het u weten.

Opdat gij u doordringen zoudt van deze dingen, dáárom klinken die vreemde „stemmen” rondom de ééne Stem. Het is, alsof ze alle zeggen willen, dat de Zoon des menschen wel een stem van God is, ja dat zelfs alle spreken van God in Hm vervuld is, (Hebr. 1 : 1), maar . . . dat hij toch vóór alle dingen moet erkend worden als degene, die meer is dan boodschapper, omdat hij de Boodschap zelf is.

„Hoort hem!”, zoo getuigen van hem alle stemmen . . .

„Hoort hem!”, want méér dan een „stem” is hier! i Aan stemmen heeft de aarde niet genoeg. Klanken uit het hemelsche heiligdom scheuren wel den hemel, maar genezen niet de breuk der aarde. Verlossing, dat is niet alleen zeggen, dat is óók een doen van God. Christus, die is niet alleen wegwijzer, maar ook de weg; niet alleen waarheidsbode, maar ook de waarheid; niet slechts levensdichter, maar vooral leven. „Ik ben de weg, de |137| waarheid en het levenj. „Ik ben het brood des levens” k. Niet slechts een profeet is Hij, doch van alle profetie de groote, eeuwigblijvende inhoud.


Klinkt nu helder op, gij stemmen Gods. Zegt het ons: hoort Hem, hoort Hem. Want als gij getuigt van den Getuige, en als gij profeteerende zegt: hier is Gods Profeet, dan verklaart gij u zelf voor ongenoegzaam en ge verklaart voor ongenoegzaam zonder meer wat deze Profeet met u gemeen heeft. Menschelijke klanken, wat baten ze ons, zonder menschelijk vleesch, zonder menschelijk bloed, zonder menschelijken geest, zonder menschelijke ziel?

Nu weten wij, wat evangelie is. Nu is verlossing meer dan leer, zij is ook daad, werk van God. Nu kunnen duizenden hemelstemmen niet één mensch verlossen, als daar niet is die ééne stem, die meer is dan stem, die ook een daad, een offer wordt.

Zoo zijn de stemmen niets zonder de Stem, en vele woorden niets zonder „het Woord, dat vleesch geworden is” l. Zoo is daar niets, dat niet noodzakelijk was in dat spreken van God, hetwelk tot ons komt naar de wet van het Woord, dat in vernedering gaat.

Want zoo waarachtig als de hemelsche stemmen de Stem, die vleesch werd, niet overtollig maken, doch met klem naar den Profeet van vleesch en bloed ons wijzen, zóó waarachtig is Christendom meer dan leer, en verlossing meer dan gehoor en Christus meer dan leeraar. Niet bij de catheder, maar bij het altaar vinden wij rust. Zonder bloedstorting, zonder offer geschiedt er geen vergeving m.


Nu gaan Gods klanken in de stemmen bedekken hun majesteit en beperken haar geweldigheid tot driemalen toe in den vorm van den dag en de taal van het land. Nu gaat Gods boodschap naar de menschen toe en |138| Gods geweldigheid onthult zich in nederigheid om onzentwille.

Gods geluidssterkte is machtiger dan de stem, die klinkt.

En het spreken van den hemels is sterker en schooner dan het instrument, waarvan zich God bedient.

Zoo wordt dan de wet der vele stemmen voltrokken in die ééne Stem: Gods boodschap gaat in vernedering en Gods eeuwige gedachten zijn daar straks in gekerm en geween van Gethsemané en Golgotha.

Dat zijn de stemmen over de Stem.

En al die stemmen wijzen naar dien Eene, die straks aan een kruis in zijn hoogste zwijgen ten sterkste spreken zal, en die zoo zal toonen, dat verlossing offer is, offer en offerspraak, daad en woord. Wie de stemmen hoort, die hoort van een kruis, en —

O Stemme van ’t houtene Kruis,
o Kruis van den Heere, gegroet;
Gij blozende vrucht aan den edelen boom,
gekruiste Verlosser, gegroet!

O Stemme van ’t houtene Kruis,
O stem van het houtene Kruis,
ik vraagde zoo dikwijls, ik vraagde en ik bad,
en . . . . de antwoord is altijd: het Kruis 4).


1. Joh. 1 : 18.

2. Joh. 3 : 31, 32, 34.

3. Vgl. II Petrus 1 : 16-18.

4. Guido Gezelle.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Stemmen’, De Reformatie 2 (1921v) 18,136 (3 februari 1922).

b. Vgl. MatteŁs 24:15; Marcus 13:14.

c. Vgl. Handelingen 12:22.

d. Vgl. Johannes 14:6.

e. Vgl. Johannes 6:51.

f. Vgl. MatteŁs 17 : 5; Marcus 9 : 7; Lucas 9 : 35.

g. Vgl. 1KorintiŽrs 15:19.

h. Vgl. Job 34:10.

i. Vgl. MatteŁs 12:42; Lucas 11:31.

j. Vgl. Johannes 14:6.

k. Vgl. Johannes 6:35.48.

l. Vgl. Johannes 1:14.

m. Vgl. HebreeŽn 9:22.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000