Wandelen met God

Henoch dan wandelde met God.

Gen. 5 : 24. a


Ja, dat is wel onze groote schuld tegenover de Schrift geweest, dat we om het woord, dat zij van Henoch en van zijn omgang met God ons bewaard heeft, een streep hebben getrokken van een kleur, die toch vóór alles zacht moest zijn; dat we het niet anders meenden te kunnen voordragen, dan met zachte stem en getemperd geluid en ingehouden gebaar. We hebben elkander verteld, dat het allen reuzen waren op de aarde en dat het alles reusachtig was in dien ijzeren tijd van den „zevende van Adam” b, dat is: in de dagen van Henoch; — doch temidden van al dat reus-achtige vonden wij dan dit teeder-lieflijke, dit zachte woord van Henoch, die met God wandelde. De kluizenaar in gebed verzonken, doet de deur niet open voor de titanenworsteling daarbuiten en de vechtende giganten vinden zijn hut te onaanzienlijk om ze open te breken?

O, dachten we, dat is een uitspraak die wel past voor een fluweelen wandtekst, doch die we niet op vliegende vaandels borduren zouden om ze den strijd in te dragen en het gejoel. Henoch, en die wandelend met God, we meenden hem wèl in de binnenkamer, wèl in het bidvertrek, doch niet in het harde leven, niet in het publiek getuigen, niet in den storm en het onweer te kunnen zien en volgen.

Henoch wandelde met God. Ja, we hebben daarbij gedacht aan mystieke vervoering; aan teeder, heilig leven, ver van die booze, slechte wereld; aan de stilte, en de contemplatie. We hebben ons den man gekleed gezien |66| in het gewaad van een heilige, die in strakke onthouding door de wereld ging, als een stille en stillende beklemming, . . . àls hij dan nog, heel ènkel, er gezien werd, schuivend door de massa als een zwijger.

Henoch wandelde met God. En dus hebben wij geloofd, dat in zijn dagen wel de stormen konden loeien, en de winden waaien, maar dat toch Henoch kon vinden die paradijs-stemming, waarbij, zonder rumoer, God zich vinden laat in zachte avondkoelte gelijk in het oude paradijs c, en in ruchtloozen avondwind. Henoch — hij bad op eenen berg alleen en Henoch vond er meer dan één, waar hij wel hoog kon klimmen, om God alleen te vinden. Hèm wil geen wereld achterna, al waar hij ga of sta of ooit zijn oogen sla. En rijk als hij en is er geen, die nood heeft en wel vragen kan, die pijn heeft, doch ook klagen kan, hoe zeer het doet. God leert hem zelf, hoe dat hij bidden moet . . .

Hebben wij zóó niet Henoch gedacht? Kluizenaar — maar kruisvaarder nooit?


Maar —

Wandelen met God — o, dat is tòch heel wat anders.

Of, het is meer.

Het is dàt óók wel; maar het gaat daarin niet op.

Wandelen met God — dat is: wandelen met een verterend vuur d; wandelen met verslindenden ijver; wandelen in de geweldigheden, die er zijn van rondom, en zich niet grijpen laten.

Wandelen met God — dat is: wandelen met de Alzijdigheid, die elke zijde van haar verschijningsvorm volle aandacht waardig keurt.

Wandelen met God, ja, wat is dat toch wel?

Het is: duizend wegen zien, die àlle moeten worden afgewandeld worden tot in het eindelooze toe.

Het is: deugden in God zien, die elkaar schijnen op te heffen en toch elkander eeuwig ondersteunen. |67|

Het is: werken Gods aanschouwen, die in tegenstrijdigheden elkander schijnen te verteren en toch in en met elkander de historie vòl maken van eeuwigheid.

Het is leven uit contrasten, branden van de tegenstrijdigheid der gedachten; het is oogen hebben van achteren en van voren (Op. 4 : 6) en weten, dat geene ooit men dicht mag doen.

Het is vleugelen hebben om de oogen te bedekken, die toch moeten zien; vleugelen om de voeten te bedekken, die toch rap moeten zijn tot dienst; vleugelen om te vliegen en toch te zeggen in de attentie van het attentatieve leven: merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft (Jes. 6).

Wandelen met God — dat is: even veel aandacht wijden aan Zijn oordeel als aan Zijn liefde; even krachtig den hemel als de hel zien; evenzeer trekken als afstooten; evenveel geduld hebben in lankmoedigheid als haastig zijn tot het verwerpende woord; even afhankelijk zijn als vrijwillig; even sterk met de zwakken willen ontvangen als met de sterken willen geven; niet minder aanroepen Gods naam in stille uren, als dien naam uitroepen in het rumoer der menschen; de diepte niet alleen, doch de breedte ook afzoeken en alle hoogte daartoe.

Wandelen met God, dat is: in natuur de genade zien en in de genade de natuur; het is stilte èn rumoer; het is contemplatie èn praktijk; het is dogma èn mystiek; het is storm èn windsuizeling beide aanhooren en in afgronden, die loeien, niet minder God vinden dan in het suizen van een zachte stilte.

Als Elia het wandelen met God vergeet, dan komt God hem tegen niet in storm, onweer en beving, maar wel in zachte stilte. 1) Want die eenzijdigheid is nu noodig, voorzoover Elia iets in Gods werk heeft voorbijgezien, omdat hij vergeten heeft, te bedenken, dat God niet |68| alleen in den dreunenden godenslag en in Elia’s kracht-woorden, doch ook in de stille zielen werkt, die wegschuilen in den donker; maar die toch wachten op Hem.

Doch als Henoch met God waarlijk wandelt, dan komt God hem tegen èn in den storm, èn in het vuur, èn in de beving, èn in de zachte stilte. Dan is er de alzijdigheid, die hem radeloos maakt in een onophoudelijk wijsheidslichten, en die hem verheugt met beving e.


En daarom is Henoch niet vóór den man der mystiek, noch vóór den christen der praktijk, noch vóór den mensch van het intellect heengegaan. Hij is voor die allen. Want de teedere vroomheid van de lijn van Seth bloeit niet alleen in hem; hij komt ook tot zijn wereld en staat profeteerend onder haar (Judas 14), en ziet ook de ontwikkeling der dingen komen tot het oordeel toe.

En daarom is Henoch niet de man, die de genade offert aan de natuur, want hij neemt als de zevende van Adam in de heilige lijn positie tegenover dien zevende van Adam in de lijn der zonde: Lamech. Doch evenmin offert hij de natuur aan de genade: heeft hij zijn zoon niet gehad en juist in dien zoon en met dien zoon zijn God te beter gevonden? (Gen. 5 : 24).

En daarom is Henoch niet de man die het verbond der genade van zijn God verwaarloost; want als rondom de zonen der vromen afvallen, dan maakt zijn kind hem werkzaam tot God, en na diens geboorte „wandelt hij met God”. Doch evenmin maakt hij van dat verbond een reden om de persoonlijke verantwoordelijkheid weg te redeneeren; hij profeteert immers tot hen, die wel in de gemeente, doch niet vàn haar zijn, dat het oordeel komt? (Judas 14; 12, Gen. 6).

En daarom is Henoch de man van het objectieve Woord, |69| die profeteert, doch ook van het subjectieve getuigenis (Hebr. 11 : 5); de mensch, die spreekt, maar ook hoort; die de toekomst reeds ziet in het heden als hij van Gods toekomstig verschijnen zegt: God is gekomen (Judas 14), doch die ook het heden heendraagt naar Gods toekomst en zoo tot bekeering roept.

En daarom is hij altijd actueel en nooit antiek, omdat in zijn actualiteit de eeuwigheid is.


Zóó heeft God voor Henoch niet een paradijshofje geplant te midden van een stormbewogen wereld opdat Henoch daar bij de gratie Gods eenzaam, met God gemeenzaam, zou vergeten de plaats waar hij leefde en den dag van zijn jaar. Slechts haastige Petrussen en betraande Maria’s willen zeggen: Rabbi, Rabbouni, laat ons hier tabernakelen maken, en de anderen vergeten, want het is ons zoo goed 2). Maar Henoch staat midden in zijn tijd; hij draagt de antithese in zich, die in hem zich toespitst tegenover dien anderen zevende van Adam; hij heeft niet met God gewandeld door Hem te hooren aan de avondkoelte, doch toen de stormen loeiden, toen het oordeel dreigde, toen de hemel reeds wraak riep, toen heeft hij met God gewandeld. Dat is: den tijd heeft hij beleefd en de eeuwigheid ook. Want wandelen met God, dat is wandelen met Eén, die nooit stilstaat of op Zijn schreden keert en die toch gister en heden dezelfde is en in der eeuwigheid f.


Zoo is Henoch ons de man die vóór den grooten vloed, den zondvloed, ons predikt, dat de eenzijdigheid zich „een oordeel eet en drinkt” g, doch dat de Alzijdige God ons in het gáánde leven opvoedt tot Zijn getuigen. Hij zegt ons, dat met God wandelen niet is voor de oogenblikken van ons lievelingslied, waarin we onze eenzijdigheid |70| vieren, doch voor de uren van schokkende ont-dekking, van dieper indringen, van hooger opbeuren, van breeder uitdragen.

Met God wandelen — dat is de vreugdevolle smart van het brandende hart; en wie in die wandeling tot stilstand even komt, — want hij is mensch —, die zal zeggen:

Van uw zoeten honger weet ik
Jaren lang mijn maal bereid . . .

Maar vóór hij zou willen vastleggen dat andere:

Van uw gouden wanhoop leed ik
De eindelooze heerlijkheid, 3)

zal hij opstaan en tot zijn Vader gaan h en wederom met Hem wandelen en hopen en weten en berusten en jachten, en niet weten wat hij meer was: zoon of huurling; die mocht of die moest.

Maar getrokken zal hij wandelen. En verteerd zal hij opteren. Zelf aan de wanhoop toe, zal hij sterk en sterkend zijn in geloof. Hij zal de groote ergernis zijn en de levende dwaasheid. En hij zal wandelen met een verterend vuur en in groote smarten zijn om de groote Vreugde.




1. 1 Koningen 19.

2. Lucas 9 : 33, Joh. 20 : 16 en 17.

3. P.C. Boutens.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Wandelen met God’, De Reformatie 3 (1922v) 29,226 (20 april 1923).

b. Vgl. Judas 1:14.

c. Vgl. Genesis 3:8.

d. Vgl. Exodus 24:17; Deuteronomium 4:24; 9:3; Jesaja 30:27.30; 33:14; HebreeŽn 12:29.

e. Vgl. Psalm 2:11.

f. Vgl. HebreeŽn 13:8.

g. Vgl. 1KorintiŽrs 11:29.

h. Vgl. Lucas 15:18.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001