Lacrimosa dies illa,

Qua resurget ex favilla

Iudicandus homo reus;

Huic ergo parce, Deus,

Pie Iesu Domine

Dona eis requiem.

Thomas de Celano, Dies Irae.


Dag van weedom en van boeten,

als gij zult verrijzen moeten,

en gerecht zijn om uw’ zonden,

mensch, God spare u in die stonden!

Zoet Heere Jesu mijn,

laat ze in ruste en vrede zijn.

Guido Gezelle, Kerkhofblommen.


Et cum quaeritur, cur isti sunt

miseri, recte respondetur, quia

non adhaerent Deo.

Augustinus, Civ. 12, 12.


Hoofdstuk VI.

Besluit.

1. Het vraagstuk niet vergeten.

EN zoo blijft dan als eindresultaat toch wel dit ééne staan, dat men van de ontzaglijke vragen, die hier zich opdringen, niet met een schouder-ophaling zich àf kan maken. Want „op de bodem aller vragen ligt” niet |199 De „technische overmoed” gebroken?| eens, gelijk wij trachtten aan te toonen (Hfdst. V, 6) „der wereld zondelast”, zooals Da Costa wilde. Op den bodem aller vragen ligt niet de last der zonde, maar de lust van Gods verbond.

Juist daarom zal de mensch hier blijven opponeeren; de liefde neemt hem in, bezet hem van rondom, de souvereine, determineerende liefde van God, die de levende is.

Hier ligt de wortel van veler verzet. De nuchtere en toch diep ernstige taal van den bijbel, de beweeglijk-dramatische uitbeelding van Dante’s hellevisie, zelfs de veelgeprezen „na-oorlogsche” mentaliteit, het heeft alles niet kunnen helpen: nòg gelooft men aan de onschendbaarheid, niet van de menschen, maar van den Mensch. Of aan zijn permanente schendbaarheid (als men hem in de „krisis” ziet). Hetgeen tenslotte maar een woord-verschil is.

Men wil ’t verbond niet hooren dreigen, straffen. ’t Is dan ook veel gemakkelijker, God den gansch-andere te noemen, en dan niet méér te weten; Hij blijft dan mono-pleurisch spreken (vgl. bl. 187); al zijn „oordeelen” zijn dan mij — gewoontetaal geworden: ze hooren er zoo bij in deze wereld.

Men sprak van den „na-oorlogs-mensch”: die zou weer vatbaar zijn voor zwaar-gesmede woorden. Want in de laatste jaren had niet zoozeer de verzwakkende stem van de kerk, als wel de àl geweldiger ontbinding eener van Gods wet geëmancipeerde cultuur, in de aanschouwelijke historie, de wereld toegeschrééuwd de realiteit der zonde. En nu zou die katastrofe den mensch weer God doen vinden, God, als den Heer van leven en — van dood 318). De technische hybris zou gebroken worden. Maar het kwam anders uit, het komt tenminste anders uit. Geen wonder ook, wanneer de tweespalt |200 Het helle-motief de groote prikkel?| van het leven als de Urtatsache werd gezien 319). Dan is de „spanning” permanent — en eigenlijk zeer gezond.

Ook hier kan slechts het calvinisme den uitgang openen: stel het verbond van God, in den tijd ingedragen, op den voorgrond, en de tweespalt van het leven is geen „Urtatsache” meer. Maar dàn pas komt de spanning. „Furcht und Zitteren”, „vrees en beven”. Ge zijt meteen dan vrij van ’t stellen van de laatste evangelisten-hoop op . . . . den na-oorlogschen mensch. Ge krijgt dan ook voor de machtelooze naïviteit, die eens deed zeggen: 320) „als niet meer tot het hart getuigen de dogmen van de kerk, omdat het ze niet weet, noch ze begrijpt, dan zal het leeren straks uit poëzie als van Dante wat die kerk haar vruchteloos verkondigt: dat er een Inferno is”, een hel. Wie kan ’t gelooven? Van poëzie heeft de wereld altijd bitter weinig geleerd; meer nam ze meer van het proza, en het allermeest van de bewogen dramatiek. Welnu, het allerbloedigste drama, dat ònze jaren doorleeft hebben, het heeft de menschen niet wijzer, wel ongodsdienstiger gemaakt. Wie verwacht dan nog hulp van . . . . de poëzie? Men heeft te lang gespeeld, en dialectiek bedreven, met het woord „daemonisch”.

Intusschen blijve ieder voor zichzelf persoonlijk toezien.

Want één van tweeën: de hel is er, of ze is er niet.

Bestaat ze niet, wat dan?

Zijn de geloovigen dan — gelijk misschien ergens hier iemand smaalt — hun groote angstmotief kwijt, en is dan tevens hun „moraal” verloren? Voelen met name de calvinisten dan hun prikkel tot rusteloozen arbeid verslappn, gesteld, dat het waar is, dat hun ressentiments-prikkel nu juist is die „eeuwig knagende, onzalige twijfel van den individu, of hij |201 Geen speculatie à baisse| nu uitverkoren is tot den hemel, dan wel verworpen is tot de hel” 321)? Och — laat daarop nuchter de gereformeerde belijdenis antwoorden. Zij zegt, dat, indien vandaag bewezen kon worden, dat de hel een fictie is, het waarachtige christelijke leven zijn zelfden gang hernemen zou. „Want het is onmogelijk, dat wie Christus door een levend geloof is ingelijfd, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid” (Heidelb. Catech.). Dat is wel ’n klaar bewijs, dat de calvinist — stel, dat de hel voor hem eens niet bestond — zijn leven niet zou kùnnen veranderen. Bij wie gelooft, is de prediking der hel geen speculeeren à baisse.

En wat de ongeloovigen betreft: schrap het woord „hel” uit alle woordenboeken — wordt daarmee ook maar iemand ontslagen van den plicht, het leven aan God te geven?

En nu de andere mogelijkheid: is de hel er inderdaad wèl, dan hebt ge daarin een reden te meer tot nadenken en levensverdieping, na het spel van verblinding en van waan.

Het kan niet goed zijn, deze dingen kalm naast zich neer te leggen. Hoe veel en velerlei zijn de motieven, die men daarvoor aangeeft. De een wijst op de kleine kinderen, en roept tot zijn getuige Vondel, die Arminius prijst:


Stil kraam-vrou, sprak hy, stil, schreit vry gerust van hier;

God werpt geen zuigeling in ’t eeuwig helsche vyer . . . . 322).


De ander denkt aan Socrates, en Plato, of aan Seneca en andere heidenen: zijn ze verloren? Maar men vergete niet, dat de bijbel over het lot van zulke menschen zich opzettelijk zeer onvolledig uitlaat; 323) al tellende en metende en wegende vergeet men immers het „beproeven” |202 „Tua res agitur”| van eigen hart? Trouwens, het blijft waar, wat Bavinck zegt: 324) „De Gereformeerden wilden ten eerste de mate der genade niet vaststellen, waarmede een mensch ook onder vele dwalingen en zonden nog aan God verbonden zijn kan, noch den graad der kennis bepalen, die tot zaligheid onmisbaar noodig is. En ten andere hielden zij staande, dat de middelen der genade 325) niet absoluut noodzakelijk waren tot de zaligheid en dat God ook buiten woord en sacramenten kon wederbaren ten eeuwigen leven . . . . Als het er op aankomt, is de Gereformeerde belijdenis ruimer van hart en breeder van blik dan eenige andere christelijke confessie. Zij vindt de laatste diepste oorzaak der zaligheid alleen in Gods welbehagen, in Zijne eeuwige ontferming . . . .”

Juist. In Zijn eeuwige ontferming. En daarvan durft een gereformeerde geen kwaad denken, noch zeggen.

Men moet dus niet terwille van de afgeleide kwesties aan de hoofdzaak voorbijgaan. Tua res agitur, het gaat om u. Gij hebt uw Rechter, zijt verantwoordelijk voor uzelf. Wie van de zwaarte van elks persoonlijke aansprakelijkheid voor zichzelf ook maar iets gevoeld heeft, zulk een zal geen miniatuur van Faust willen worden, om ’t er ook maar op te wagen, zijn „ziel” aan den duivel bij verdrag te verkoopen. Ook zal hij niet zoo dwaas zijn, te meenen, dat het al voldoende is, niet positief, niet in klaar bewustzijn, zich aan den duivel te verpanden. Indien de mensch niet thetisch reunie vond met zijn God, dan geldt nog volgens bijbelsch inzicht zijn loopend „contract” met den duivel. Dat is een element in de leer der erfzonde; de mensch staat niet op den tweesprong, doch is er al voorbij, als hij de oogen opendoet. Dàt dit „contract”, en deze congregatie van den |203 Inconsequenties| mensch tot den gevallen geest „zonder meer” nog steeds van kracht is, dat weet trouwens deze laatste zelf ook wel. Hoor hem maar in den Faust van Goethe spreken over den mensch:

„En gaf hij al niet zelf den duivel zich gevangen,
Toch bleef hem ’t wis verderf bereid”. 326)

Het geeft te denken, dat, als ’t op de hel aankomt, de verstandigste menschen soms ineens verwonderlijk inconsequent kunnen worden. Eén voorbeeld: men kan ergens lezen, dat iemand eerst schreef: 327)Elk beeld, door menschelijk geloof gevormd, blijft de bolster van een eeuwig goddelijke waarheid, en zelfs de bolster zelf kon een geestelijke macht bevatten” . . . en dat diezelfde man in hetzelfde hoofdstuk van hetzelfde boek in hetzelfde verband, slechts vijf regels verder, sprak van het verlangen „naar de komst van ’n prediker, die verklaren dorst: Ik heb hetzelfde gevoel voor het hooge als voor het lage, voor het zedelijke als voor het onzedelijke, voor de ontaarde als voor de deugdzame”? Dàt is toch wel zichzelf bekampen, zou men meenen. Eerst zeggen: elk door menschen ontworpen geloofsbeeld bevat toch nog een element van waarheid, zelfs van goddelijke waarheid; en, nietwaar, zóó geredeneerd, bevat óók het leerstuk van de hel een element van waarheid, zelfs van eeuwig-goddelijke waarheid; want niemand kan ontkennen, dat het geloof in een reëele vergelding, en het stellen van de anti-these, hoe dan ook nader uitgelegd, tot vóór zeer kort, vrij algemeen mocht heeten. Het is zelfs ouder dan de karmaleer. 328) Maar kan men dàn verklaren, dat goed en kwaad, zedelijk en onzedelijk, |204 Revelatie tegen evolutie| deugdzaam en ontaard, precies gelijk staan? Dat kan niet. Want als er ook maar een element van „eeuwig-goddelijke waarheid” schuilt in het leerstuk van de eeuwige straf, dan maakt het geloof daaraan ons wel zeer onverdraagzaam. Onverdraagzaam, niet tegen de menschen, maar tegen de zonde. En vooral tegen onszelf! Wij kiezen dàn positie voor ons denken, niet in het tribunaal des menschen, alsof hij kon beslissen over recht en onrecht in zijn God, doch op de bank der aangeklaagden. Op die bescheiden plaats zal hij hierover kunnen denken: when all mankind might have been punished, how can God be charged with injustice if He punishes only a part of them? 329)

2. Het vraagstuk geen vráág-stuk laten.

En wanneer die groote onverdraagzaamheid vàn onszelf tegenóver onszelf ons innerlijk in actie stelt en verdeelt, dan gaan we dit „mysterium horrendum”, deze huiveringwekkende verborgenheid, die plaats geven in onze gedachtenwereld, waarop alle mysterie, dat geopenbaard is, bij den mensch rècht heeft.

We komen dan misschien, door Gods genade, waar we wezen moeten; niet in de school der evolutie, maar in die der revelatie.

In het laatste geval houdt het vraagstuk op, in den grond nog een vráág-stuk te wezen. Want in de leerschool van de openbaring staat als eerste gebod geschreven: niet van beneden af komt de vrager tot zijn zelf-gewonnen antwoord, doch van boven af verneemt de hoorder, die ge-hoor-zaam is, het hem in alles vóór-komend Woord, dat hem verwint. Aan het |205 Kant’s salto-mortale-tekst| begin staat hier het Woord der openbaring. Slechts in zóó verre kan het vraagstuk dan nog vraagstuk heeten, als getracht moet worden, nader uit te werken, in te denken, wat geopenbaard werd. Hier is door Kant gesproken van een salto mortale voor de menschelijke rede; hij kwam tot die besliste uitspraak in verband met hetzelfde paulinisch woord, dat ook ons telkens in dit geschrift heeft bezig gehouden: „zoo ontfermt Hij (God) zich dan over wie Hij wil, en verhardt, dien Hij wil.” 330) Salto mortale? — ja, voor menschelijke rede, die aan zich gebonden blijft. Maar indien het waar is, dat die rede, zonder openbaring, „vleeschelijk” is, dan is de sprong een sprong in ’t leven. Een ingedragen worden in dat leven.

En in dat openbaringslicht — tenslotte dáár alleen — leert men het eindelijk toegeven: indien de zonde meer is dan een episode in het leven, indien zij het „leven” zèlf is van den onwedergeboren mensch, dan kàn zij niet verteerd zich vinden in den tijdelijken dood. Dáár leert men zien, dat God „niets vreemds” oplegt; want: wat de mensch wil, dat ontvangt hij: verkiezing is er mèt verantwoordelijkheid. Dáár wordt verstaan, dat zonder wedergeboorte het rijk van Satan ons niet loslaat, wijl wij zijn burgerschap niet hebben losgelaten of verworpen. Dáár heeft het zin: „De hemel is niet te begeeren voor den aardschen mensch. Deze zou zich daar thuis gevoelen als een zeemonster, dat, uit de diepte van de koele zee met een net is opgetrokken in den brand van het strandzand . . . . Wie in holen woont, wordt verblind door het licht der zon”; 331) wie het orgaan mist om het hemelsch gebeuren als zaligheid te gevoelen en te genieten, die pàst niet 332) in de blanke reinheid van het Empyreum, den kristalhemel |206 Draconische inkt?| van Gods lichtend schoon. Wie niet liefheeft, hoe zou die liefdebrand verdragen? Goethe laat den duivel, Mefistofeles, zeggen van de liefde en haar „rozengeur”:

—   —   —   Wee, dit element
Is bij ons, duivels, niet bekend.
Het hellevuur is minder gruwlijk . . . . 333)

Mogelijk wil iemand Dostojewski liever beluisteren: op één hosanna zou de hel wel bersten 334): er is een tweeheid in de wereld.

Maar bovenal, in het openbaringslicht leert men nog één ding verstaan: het ééne, waar mede wij nu willen sluiten.

Dat ééne, eerste, laatste, is, dat ook in de benauwende verkondiging van dezen jammer de roep klinkt van de hoogste liefde, en genade. Het is waar, zwaar-dreigend is de stem van Gods gerechtigheid: maar ook de profetie van deze smart wordt omlijst door de emblemen van Zijn liefde. Pierre Bayle 335) wijst in een van zijn werken erop, dat van de wetten van Draco 336) gezegd werd, dat ze niet met inkt, maar met bloed geschreven waren, omdat ze in meedoogenlooze strengheid met de doodstraf alle misdaad bedreigden . . . . en — dat nu de verdoemenis een straf was, veel zwaarder dan de dood. 337) Nietwaar, men proeft de bitterheid in deze redeneering: de wetten van God zijn met bloed geschreven . . . . Maar het is niet waar. De bijbel ontwerpt geen Mefisto, die bij Goethe een onderteekening met bloed eischt van het contract, dat Faust met hem aangaat. Er is liefde, die sidder, ook in de aankondiging der hel, goddelijke liefde, die niet wil vertreden zijn . . . . Verbond, |207 Golgotha’s „sympathetische” inkt| verbond — we zijn ’t nog niet vergeten. Het is niet waar, dat de verlorene alleen wegens crimen laesae maiestatis naar den ondergang verwezen wordt; vooral het crimen laesi amoris is het, dat zijn vonnis velt. Geen majesteitsschennis zonder meer, maar het „op zoo groote zaligheid, zoo uitnemende liefde, geen acht geven”, 338) dàt stelt schuldig voor God.

Men moet den bijbel rècht doen; het voorbeeld van Kant, die zijnerzijds althans getracht heeft, eenheid te vinden in de liefdes- èn de verdoemenis-woorden van Christus en den bijbel, en die dat zóeken naar die eenheid uitdrukkelijk verdedigd heeft 339), het zegt misschien nog iets aan velen, die met voldoening hem hoorden spreken van den salto mortale, dien de menschelijke rede in het geloof aan een uit souverein behagen verkiezend en verwerpend God zich opgedrongen ziet (vgl. bl. 205). De dreigingen van God, ook die omtrent de hel, zijn niet met bloed geschreven; of ja, dan tóch met bloed, maar dan met het bloed van Jezus Christus, die zijn Zoon is, de hoogste uiting van de Liefde Gods. Geen draconische, maar de „sympathetische” inkt dus (bl. 179). En dat schrift spelt den vrederoep: laat u met God verzoenen.

Dat bloed blijft roepen, spreken. Bloed spreekt altijd, en zijn spreken is immer roepen. Geen stem zoo machtig — èn zoo „zwak”, zegt Paulus — als die van Christus’ bloed. Dat bloed is in den tempel van Gods recht eens ingedragen als het eenige teeken en zegel van de noodzakelijkheid en de rechtvaardigheid der vergelding van bedreven kwaad.

Wie dus weten wil, wat de hel is, het huis van Gods bezoekingen, neen, die luistere niet naar den curiositeiten-verzamelaar Delepierre, 340) den man, die de hel liet |208 Kennis, — meer en eer dan voorstelling| „beschrijven” door ooggetuigen, die hij niet had kunnen oproepen, ja, die er nog niet zijn; en die zal evenmin iets verder komen met het verhaal van den psychopaath Hans Engelbrecht van Braunschweig, die van zich zelf verklaart, dat hij, zooals velen in Braunschweig konden getuigen, dood was geweest, en weder levend was geworden, en dus uit eigen ervaring nu kon meedeelen, hoe hij den „stank” en het „schreien” der hel zelf waargenomen had. 341) Men late alle vraag naar bewijs, alle vraag om voorstelling zelfs, los, en bidde om kennis. Om kennis van zijn ellende, uit de wet Gods, in het geloof. Men moet vooral kennis der ellende niet verwarren met een voorstelling van een gevolg der ellende: de hel.

Wie deze kennis begeert, die late zich door het Woord onderwijzen over het bloed van Christus, van den man van smarten, van hem, die eens is „neergedaald ter helle”. In dat bloed hooren wij de liefde Gods, den nijd der menschen, de botsing tusschen hel en hemel. Zoo heeft dan God, die de profetieën omtrent de hel schreef met dit bloed, daarin het ééne middel uitgekozen, om ons door zijn spraak weer bij Hem te brengen. Maar vergeet het niet: Gods „rhetoriek” is een andere dan die der menschen. De menschen willen: verblijden, ombuigen, bewegen: — God wil, omgekeerd, bewegen uw binnenste, ombuigen uw verstand en wil, verblijden, eerst dàn, uw leven. Ook door de stem van Christus’ bloed.

Hoor dan de stem van het bloed, waarin Gods liefde zich getuigenis geeft. Het spreekt van weggenomen kwaad, van weggedreven demonen, van verzadiging met vreugde. Maar het blijft onomstootelijk voor ons vast staan: dat bloed van Golgotha, het gaat uit van de zonde en haar werkelijkheid. |209 „In lieve graty-heiligdommen”| Is er geen zonde en geen eeuwige vergelding, dan is Christus’ kruis onverklaard. Dan is het geloof daaraan verklaarde onzin. Dan is het kruis een namelooze wreedheid of een tenslotte afmattende tentoonstelling van ledigheid en onvruchtbaarheid. Een gereformeerde gelooft ten slotte aan de hel, omdat hij aan Christus’ kruis gelooft. Want de diepte van dien afgrond gaapte hem dáár, waar de hoogte van den lichtberg wenkte; de hel was hem aanwezig dáár, waar de open hemel hem getoond werd. ’t Is hem, zooals Vondel 342) zegt:

Gaat in dien duyster, daar Godt is: hij wil
U, niet van Sinai, maar Sion, stil
In lieve graty-heiligdommen doen bevroen
Wat Gy zyt en wat Hy is. Dat gy niet
Dan stof en asch en zondig zyt; ’t gebied
Van wil en lusten alteyd heyleloos en boos . . . .
Dat Hy d’oneydig’ Onbegrypelykheyd
En aller Heyligheden Heyligheyd,
En aller Wijzen Wijsheyd is . . . .

Daarom, de verkondiging van de hel is in de Schrift zelf nooit gescheiden van de prediking der verzoening. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mensch hier niet. Want wat baat het mij, of goedbedoelende evangelisten mij al verzekeren, dat steeds de liefde Gods bij zijn wijsheid ter school gaat 343), en dat daarom alles nog wel goed komt? Neem eens aan, dat deze gedachtengang over de ééne „deugd” van God, die bij de andere „leert”, goed zou zijn — des neen! — dan komt er immers dadelijk ruimte open voor het op zóó’n gedachten-niveau volkomen snedige antwoord, dat |210 „Hetgeen God samengevoegd heeft . . .”| dan de toorn van God óók bij Zijn wijsheid ter school gaat. Maar dat beteekent: dat de hel even verschrikkelijk planmatig is, als de hemel. En dat ik dus al weer geen stap vooruit gekomen ben. Want dit wisten wij al.

Neen, wie de hel — of ook iets anders — „op zichzelf” beschouwen wil, — stel, dat hij zoo iets kòn — die komt niet verder. De prediking van de hel wordt hem zóó een niet van God, doch van menschen gestelde ergernis (vgl. bl. 165).

En ditmaal — heeft gelijk, wie zich ergert.

Want zulk een helle-boodschap is een andere dan die der Heilige Schrift. De bijbel laat nooit helle-prediking losmaken van liefde-prediking, hemel-verkondiging. Die bijbel verbiedt ons tenslotte, te scheiden wat God heeft saamgevoegd. Men kan — gelijk wij hebben opgemerkt — over de hel niet eens het eerste „verstandige” — „pneumatische” — woord spreken, zoolang men de verbondsgedachte in de religie niet heeft verstaan en aanvaard.

Iemand wilde eens menschen van hun hellevaart bekeeren, door de vraag hun voor te leggen: zoudt ge voor al het goed van de wereldbereid zijn, dertig of veertig jaren in een bed van rozen te liggen — zonder er af te mogen? Immers neen? Maar denk u dan eens in, wat het zou zijn, „in alle eeuwigheid in een gloeiende braadpan” te moeten liggen. 344)

Het is toch maar gelukkig, dat wij zulke paraenesen niet meer orthodox durven noemen. Want — daargelaten nog de dwaze boodschap over die braadpan — dit is ons fundamenteele bezwaar tegen dergelijke boetpredicaties, dat zij de ware boete slechts kunnen tegenstaan: Christus, — dien alleen moet ik zien, en ik moet Hem zien en hooren in de |211 Geweende of ongeweende traan| kracht van zijn opstanding. De opgestane predikt den gekruiste; die het eeuwig leven heeft, en geeft, en in dat hebben en geven geloofd wordt, die alleen kan mij salutarisch overtuigen door zijn Geest van zonde, gerechtigheid en oordeel.

Daarom wil ik het oordeel hooren prediken op Golgotha: want daar is ook de liefde. Daar is het vuur (voor het geloof) aanschouwelijk gemaakt, het vuur der helsche vertering; doch de middeleeuwsche dichters roken daar juist ook den rozengeur, zagen het „bed met rozen” er gespreid. Neem dezen keer hun beeldspraak niet onder het mes; het komt slechts hierop aan, dat die tegenstelling van daareven — dat bed van rozen tegenover die braadpan — valsch was, en dwaas.

Wie de helleboodschap wil vernemen in het licht van het kruis, dien noodigt de stem van God zelf, te zwichten, niet voor den toorn, maar voor de liefde van God, niet voor de verdelging, maar voor de verzoening, niet voor den schrik der hel, maar voor de noodiging van den hemel. Dien mensch bezweert God zelf in den drang der hoogste barmhartigheid, dat hij, in den dag, waarin nog de weldaad er is van geschreide tranen, zijn tranen plenge in den tranenbeker van den Man van Smarten, opdat hij niet eenmaal in het oord der eindelooze verlatenheid, boven alle verschrikkingen der hel uit, verneme uit iedere verte wat ook opkropt in eigen boezem: „de fatale melodie van het lied van de ongeweende traan345).

En elk rampspoedig hart, dat voor die liefde zwicht, „heft zich door wijs geloof uit chaos tot in ’t licht” 346). Het zal zich niet troosten met den zoeten, maar niettemin onwerkelijken |212 Niet eeuwig debatteeren| droom, dat het onvolkomene — zachter duiden kunnen wij het niet — „maar” voor een tijd is, maar zal zich laten waarschuwen door een oud geluid, dat reeds zich hooren liet in „’t eerste waereldrond”: mijn Geest, zegt Jahwe, zal niet altoos twisten 347).

Men vindt ergens 348) een vertaling van Jesaja 57 : 16: Ik zal niet altijd debatteeren, zegt de Heere. Misschien kan met den krommen stok van deze onjuist vertaalde en uit haar verband gerukte uitspraak, toch nog een rechte slag geslagen worden.

Want waarlijk: debatteeren is alleen een bedrijf van déze wereld. Ook het schijnbare debatteeren van Gods „lankmoedigheid”. 349)






318. Hans Lilje, Das technische Zeitalter, Berlin, Furche Verlag, 2. Aufl. S. 102.


319. Hans Lilje, a.w. S. 172.


320. Dr H.W.Ph.E. van den Bergh van Eysinga, Bij Denkers en Dichters, A’dam, Veen, bl. 91.


321. Max Scheler, Vom Umsturz der Werte, 2. Band, Leipzig, 1919, S. 316.


322. J. v.d. Vondel, Op Jacobus Arminius (den grooten bestrijder van de leer der praedestinatie of uitverkiezing).


323. Vandaar, dat sommige orthodoxen verder durfden gaan dan menigeen denkt. „Augustinus geloofde, dat er van den beginne af niet alleen onder Israël, maar ook onder andere volken altijd enkelen waren geweest, die in den Logos geloofden . . . . Abaelard beweerde, dat ook heidenen de zaligheid konden deelachtig worden. Volgens Strausz sprak Luther eenmaal den wensch uit, dat God ook mannen als Cicero en Seneca genadig mocht zijn en wilde Melanchton in het midden laten of Hij soms langs een bijzonderen weg aan Solon, Themistocles e.a. eenige kennis van de vergeving in Christus had medegedeeld. Zwingli sprak veel beslister en geloofde, dat God ook onder de heidenen Zijne uitverkorenen had.” Dr H. Bavinck, Geref. Dogm. IV3, 808/9. En wat de kinderen der ongeloovigen betreft, zegt Bavinck, dat „over hun lot ons zoo weinig geopenbaard is, dat wij het best doen van een stellig oordeel ons te onthouden”. (Dogm. IV3, 711). Vgl. J.B. Netelenbos, Ben ik Gereformeerd? Baarn, 1920, bl. 10, 11. Bedenkt de calvinist dat de probleemstelling hier nog te veel de (intellectueele) kennis vooropstelt, dan wordt hij nòg bescheidener.


324. Bavinck, Geref. Dogmatiek, IV3, 810, 811.


325. Het Woord (de prediking van den bijbelinhoud) en de sacramenten (doop en avondmaal) zijn hier bedoeld. |248|


326. Bij Goethe zelf:

Und hätt’ er sich auch nicht dem Teufel übergeben,
Er müsste doch zugrunde gehn!

327. Lafcadio Hearn, Kokoro. Berwerkt uit het Engelsch door J.P. Wesselink-van Rossum, Meulenhoff, A’dam, bl. 203.


328. H. Oldenberg, Die Lehre der Upanishaden, etc. 1910, S. 111.


329. Loraine Boettner, The Reformed Doctrine of Predestination, Grand Rapids, Mich., Eerdmans, 1932, p. 270.


330. Imm. Kant, Die Religion innerhalb d. Grenzen d. bloszen Vernunft (Werke, ed. Cassirer, VI), Berlin, Bruno Cassirer, 1914, S. 267.


331. Dr A.H. de Hartog in Nieuwe Banen, October 1915.


332. R.H. Grützmacher, Modern-positive Vorträge, Leipzig, 1906, S. 216. Bl. 205 (hier) doet niets af van bl. 99, 102, 143.


333. Goethe, Faust, 2e deel, vertaling van Nico van Suchtelen (Wereld-Bibl.) 1920. Bij Goethe zelf (vs. 11754/5):

„Ein überteuflisch Element,
Weit spitziger als Höllenfeuer”.

334. Vgl. Ed. Thurneysen, Dostojewski, 4. Aufl. München, 1930, S. 59.


335. Bayle, 1647-1706, een tijdlang waalsch predikant een hoogleeraar te Rotterdam, niet geheel ten onrechte van scepticisme beschuldigd, overtuigd „dat de naaste weg tot de waarheid in het midden lag tusschen het steile scepticisme en het steile dogmatisme”. Intusschen meer naar ’t eerste dan naar het laatste overhellend (als gewoonlijk bij wie zoo spreken).


336. Een der grieksche archonten (plm. 621 v. Chr.).


337. Zie G.W. Leibniz, Die Theodicee, Leipzig, Reclam I, 288.


338. Hebreën 2 : 3. Over het Mefisto-ontwerp schreef ik in „Bij Dichters en Schriftgeleerden”, Amsterdam, 1927, ook in verband met wat hier ter sprake kwam (Mefisto of Satan).


339. Imm. Kant, Die Rel. inn. d. Grenzen d. bl. Vernunft (Werke, ed. Cassirer, VI, Berlin, 1914), S. 282, vooral S. 295 noot.


340. Octave (eig. Joseph-Octave) Delepierre, L’Enfer, décrit par ceux qui l’ont vu. Essai philosophique et littéraire, par Octave Delepierre. London, printed by Whittingham & Wilkins, 1863-1866, |249| 2 fasc. (Miscellanies of the Philobiblon Society, vol. VIII, 5 and IX, 10). Dezelfde auteur (belg, maar later consul in London) schreef ook: L’Enfer, essai philosophique et historique sur les légendes de la vie future, Londres, Trübner & Cie., 1876 (The Engl. Catal. of Books, Sampson Low, III, 1882, geeft alleen aan: 1877). Eveneens bezorgde hij de eerste fransche vertaling van het bekende, ook in het nederlandsch vertaalde, Visioen van Tondalus: Vision de Tondalus, récit mystique du XIIe siècle, mis en français pour la première fois par O.D. Mons, Hoyois-Derely, 1837


341. Eine Warhafftige Geschicht und Gesicht vom Himmel und der Hellen. Disz ist nun die Historie und Gesicht/ das erste Gesichte/ da Gott der Heilige Geist mich Hans Engelbrechten hat wieder vom Tode erweckert/ und da mein Leib ist todt gewet/ steif und kalt wie manchem Menschen in Braunschweig bewust und bekandt is/ und mein Leib ist in kurtzer Zeit wieder starck und lebendig worden/ ohn alle jrrdische Speise/ Tranck und Docterie. Mitteler weile nun mein Leib todt war/ so hat der Heilige Geest meine Seele geführet für die Helle/ . . . u.s.w. Diese Wunder aber sind geschehen/ im Jahre 1622 umb die Zeit da wir dasz Evangelium haben/ am andern Sontage desz Advents/ Es werden Zeichen gesehen/ an Sonn und Mond . . . und Sternen/ und den Leuten wird auff Erden bange werden/ da geschach disz Zeichen an mir . . . u.s.w. (hij vergelijkt zich op hetzelfde titelblad nog met den jongeling van Nain). Gedruckt im Jahr/ 1684. Reeds vroeger was een uitgave verschenen, gelijk de schr. op bl. D meedeelt. Ook een in 1640 (bl. E). Van zijn strijd met de „officieele” kerk verhaalt bl. D 2 sqq. Het boekje vertoont overal de bekende trekken van het beeld der zielszieken.


342. J. v.d. Vondel, Op mijn verjaring in Sprokkelmaand 1670, enz.


343. F.W. Faber, An der Schwelle der Ewigkeit, übertragen von Dr Konrad Graf Preysing, Regensburg, Habbel, z.j. (1925/6), S. 162.


344. Newe Practic auff ewige Zeiten, & c. Von erschröcklichen vnd immerwehrenden peinen der höllen, etc. — Ingolstadt, durch Greg. Hänlin 1622, S. 36, 37 (roomsch).


345. Heinrich Heine (Ideen, Das Buch Le Grand, Kapitel I) „der Satan, wenn er meine Seele verderben will, flüstet mir ins |250| Ohr ein Lied von dieser ungeweinten Träne, ein fatales Lied mit einer noch fataleren Melodie — ach, nur in der Hölle hört man diese Melodie!”. . .


346. Naar Frederik van Eeden in „Pauls Ontwaken”.


347. Sommigen lezen een anderen tekst.


348. Dom. Sinsart, Defense du dogme cathol. sur l’éternité des peines. Strasbourg, 1748, p. 176: Je ne débattrai point à toujours.


349. Niet debatteeren, — wij eindigen opzettelijk met déze gedachte, die ook in het opschrift der laatste besloten ligt. Omdat tenslotte alles afhangt van openbarings-geloof, en, in het uitwerken der bijbelsche gegevens, zelfs van hermeneutische inzichten inzake bijbelverklaring, helpen pro-en-contra-debatten niets; gelijk er nog pas een gevoerd is over de vraag: „wat is de hel?” tusschen Dean Inge, Oliver Lodge, James Moffat, Warwich Deeping, e.a., wier uiteenloopende beschouwingen in één band gebundeld zijn.