17 februari


GEEN TOOVERIJ, MAAR GERICHT.


En indien ik door BeŽlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uwe zonen uit? Daarom zullen die uwe rechters zijn.

Matth. 12 : 27. a


ging de koningin van Scheba naar Salomo heen, b ten dage van Jezus gingen honderden op hem terug. Ze schenen te logenstraffen Jezus’ woord, dat de koningin van Scheba in den oordeelsdag zou optreden als getuige tegen IsraŽls leidslieden. c Want hielden ze Salomo niet in eere? Let maar eens op de ceremoniŽn bij een duivelbezwering. De naam van Salomo werd bij die ernstige gelegenheid duizendmaal en met eere genoemd. Salomo was IsraŽls Opper-toovenaar, de Patroon der Duivelbanners. De zonen der farizeeŽn, d.w.z. rasechte aanhangers der farizeeuwsche partij, waren gewoon den duivel te bezweren, en bedienden zich dan van tooverringen en tooverformules, die aan Salomo waren toegeschreven. Ja, de zonen der farizeeŽrs eerden den Grooten Wijze wel; zelfs heeft een zekere Eleazar eens in tegenwoordigheid van keizer Vespasianus en van diens zonen en van romeinsche officieren een duivel bezworen met formules van Salomo. Daarom hadden zij Salomo’s nagedachtenis grooter eere bewezen, dan de koningin van Scheba; die had Salomo opgezocht uit het zuiden, maar zij maakten propaganda voor hem naar het westen! Zelfs een tooverspreukenboek hadden zij uitgegeven, onder bewering, dat het van Salomo zelf afkomstig was en dat koning Hizkia het verborgen had gehouden. Tot in de middeleeuwen toe heeft dit Joodsche beroep op Salomo stand gehouden en vele christenen hebben er ook geloof aan gehecht. Nog in den Faust van Goethe wordt eraan herinnerd en erop gezinspeeld.

Zůů zeggen dus alle duivelbezweerders onder IsraŽl: in den naam van Salomo, amen. En nu komt hier Jezus Christus. Hij werpt ook duivelen uit. Hij heeft echter geen enkele formule opgezegd; hij heeft Salomo’s naam niet genoemd; hij heeft van geen enkelen vakman uit de farizeeuwsche kringen onderricht in de kunst gehad; en zie, hij doet het zoo maar. Als ze nu eerlijk zijn, dan moeten ze op hun eigen standpunt zeggen: meer dan Salomo is hier! c Maar hier komt de afgrond van hun ziel bloot. Was Salomo geen type van IsraŽls hoogsten profeet en Vredevorst? Doch uit zijn grafsteen hebben ze weggebeiteld alle messiaansche schrift en den titel van „Groot-Toovenaar” ervoor in de plaats gezet. Zoo konden ze des duivels compagnon wezen en zich dekken met Salomo’s autoriteit. Maar nu Salomo’s antitype verschijnt in Jezus, nu zeggen ze vandaag: hij heeft Salomo’s hoofd niet, (want hij is uitzinnig); d en morgen: hij heeft Salomo’s hart niet (want hij boeleert met BeŽlzebul). e Daarom zullen hun eigen zonen, die het gilde-van-Salomo heeten willen, hun voor-oordeel ver-oordeelen. Want als Jezus zegt: meer dan Salomo is hier, dan is dat een vůůr-oordeel voor het geloof. Maar juist hun bij-geloof had het MOETEN aanvaarden, doch zij hebben niet gewild; ze houden zich aan hun vooroordeel der eigenwilligheid. Want het vůůr-oordeel des geloofs is onderwerping aan het oordeel Gods; doch het vooroordeel van het ongeloof is handhaving van het oordeel van den mensch.



LEZEN: Jacobus 1 : 19-25.



a. Opgenomen in VWS I,154-155. Eerder gepubliceerd als ‘Geen tooverij, maar gericht’, Leidsche Kerkbode 5 (1926v) 36 (7 januari 1927).

b. Vgl. 1Koningen 10:1-13.

c. Vgl. MatteŁs 12:42, Lucas 11:31.

d. Vgl. Johannes 10:20.

e. Vgl. MatteŁs 12:24, Marcus 3:22, Lucas 11:15.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001