18 januari


WEL ETEN EN WEL DRINKEN.


De Zoon des menschen is gekomen, etende en drinkende

Matth. 11 : 19. a


wel de Dooper, doch niet de Christus is asceet. Christus eet en drinkt. Hij neemt, wat in den goedkoopen winkel van Nazareth en Kapernaum te krijgen is. Komt hij bij de menschen, dan is inzage van de spijskaart geen voorwaarde voor het preeken. Hij eet, wat Simon b keurt, maar ook wat tollenaren van hun roofgeld kochten; en als hij weg is, weet de tollenaar heel goed, dat Jezus had gevraagd, waar het geld vandaan kwam. Maar waar de waar vandaan kwam, die voor het geld gekocht was, daarnaar had hij niet geinformeerd. Komt hij in Gadara c, onder de zwijnenhoeders, dan rooft hij hun de zwijnen. Als hij weg is, staan ze voor een raadsel. Was het omdat de zwijnen onrein waren? Maar als zij hem niet gevraagd hadden, heen te gaan, hij zou uit de hand van zwijnenhoeders wel hebben willen eten, naar het scheen. En had een farizeeŽr het verhaal moeten doen van den verloren zoon d, hij had erop gewezen, dat de zwijnendraf de prompte aanwijzing was van ’s mans allerellendigsten staat. Want van onreine vrouwen kon men zich nog reinigen; maar zwijnendraf was onrein, de draf en het zwijn sloten hem buiten Israels zuivere gemeente. Doch Christus ziet in den draf het knooppunt niet van het verhaal. Toen de zoon aan vaders tafel onder het genot van een ritueel geslacht kalf zat en over weggaan zat te broeden, toen was hij al verloren. Want een gemest kalf is niet te duur en zwijnendraf niet te goedkoop. Geen draf, noch iets, dat den mond ingaat, doch wat uit het hart voortkomt, ontreinigt den mensch e.

Waarom eet Johannes niet, en Christus wel?

Omdat Johannes veel is, maar Christus is meer. Johannes beknibbelt zich het uur van den lichamelijken maaltijd, want hij moet strijden om de spijze, die daar is voor de ziel. Maar Christus heeft geen strijd daarvoor, omdat hij zonder zonde is. Zijn spijze is altijd te doen den wil des Vaders f. Vette maaltijden zetten zijn ziel niet op rantsoen. De Dooper ontgaat de drukte, omdat hij staat onder den druk van de wet. Maar deze zijn kracht is tegelijk zijn zwakheid. Hij kan niet met de anderen eten, want hun drukte kan hij niet breken, en zij kan hem wel breken. Hij kan de reiniging wel veroveren, maar niet meedeelen. Doch Christus is de reine en blijft het ook, al staat hij onder zwijnen en zwijnenhoeders. Hij behoeft zijn eigen geestelijke spijze niet angstvallig te verdedigen, zooals de Dooper, tegen wie met schotels om hem heen dribbelen, want Zijn ziel wordt in der eeuwigheid niet beschadigd. En hij moet naar onze maaltijden en drukte toe, om het brood te geven, het brood des levens g. Hij kan het brood ook kwijt. Dit is Christus’ glorie. Johannes leeft onder den druk, om God voor zich te behouden, Christus leeft onder den druk, alleen om God aan u te schenken. Daarom heeft Johannes last van de drukte. Maar Christus staat onder den druk, niet om God lief te krijgen, maar om u onder die liefde te brengen. Om dien druk moet hij naar uw drukte toe; hij moet heden in uw huis zijn h.



LEZEN: matth. 9 : 9-15.



a. Opgenomen in VWS I,113-114. Eerder gepubliceerd als ‘Vasten en eten’, Leidsche Kerkbode 5 (1926v) 21 (24 september 1926).

b. Vgl. Marcus 14:3.

c. Vgl. Lucas 8:26-37.

d. Vgl. Lucas 15.

e. Vgl. MatteŁs 15:17-19.

f. Vgl. Johannes 4:34.

g. Vgl. Johannes 6:35, 48.

h. Vgl. Lucas 19:5.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001