13 januari


NAZARENER EN NAZARENERS.


. . . dat hij Nazarener zal geheeten worden

Matth. 2 : 23. a


als „de Nazarener” heeft Jezus te boek gestaan. „Nazarener” was zijn schimpnaam. Nazareth stond in kwaden reuk; Jezus dus ook. „Nazarener” heet Jezus, zoodra hij maar optreedt onder de menschen. Bezetenen en straatslenteraars, dienstboden ook, noemen hem zoo (Mc. 1 : 24, 10 : 47, 14 : 67). Ook de soldaten kennen den naam; en Pilatus niet minder (Joh. 18 : 5, 19 : 19). Vooral voor de Joodsche theologen was de naam veracht. Nazareth had geen belofte, en geen tekst uit de profeten, en de reputatie was slecht. Geen wonder, dat nette Joden in den Talmud den neus voor Jezus ophalen, door hem Nazarener te noemen; dan weet de minzame lezer genoeg. En hebben volgens een kerkvader de Joden niet in hun synagogen de christenen vervloekt onder den naam van „Nazareners”, en in een vloekformule dien naam opgenomen? Voorwaar, alle Jodenschimp is in dien naam opgezogen. Het is of men zich van Jezus afmaken wil, door te zeggen: nu ja, hij is ook niet een van onze edele zonen; hij is er zoo een uit een kwaad plekje van ons overigens puike land. Hij is er een uit het achter-om-gebied.

En gelooft gij nu aan toevalligheden? Gij zegt: neen. Maar dan is het ook geen toevalligheid, dat, toen de Nazarener dood was, andere Nazareners zijn gerecruteerd uit . . . een afgezet priestergeslacht. Zijn bloed kome over ons en onze kinderen, hebben de Joden tegen dien Nazarener geroepen. Het bloed is gekomen; en met het bloed zijn roep, en met den roep de schimp. Toen Jeruzalem verwoest was, en de tempel verbrand en de priesters door God en door het Beest in Rome ontslagen, toen hebben de priesters van het orthodoxe en verlichte Judea moeten verhuizen naar het donkere Galilea. Ze hebben van Jezus gezegd: hij is uit Galilea en daarom beteekent hij niets. God antwoordde: gij beteekent niets; daarom gaat gij naar Galilea. Over 24 plaatsen zijn de priesters toen verdeeld; en ook in Nazareth is zoo’n afdeeling ondergebracht. Ze hebben boven het kruis van den priester naar Melchizedeks orde laten schrijven: Jezus, de Nazarener. God schrijft straks boven het poortje van op non-activiteit gestelde priesters: Aäronieten, Nazareners. Want ieder maakt zijn eigen taal en zelfs in priesterscheldwoorden is Gods gericht in staat welsprekend te zijn. Er zijn priesters later den Nazarener toegevallen in geloof. Maar de anderen hebben moeten zeggen: uit Nazareth kan iets goed komen, of — wij deugen niet. Zoo perst God de waarheid uit de feiten. En scheldwoorden komen op ons eigen hoofd terug. Want nog is het zoo: noem Jezus Nazarener in geloof en in liefde; of — gij wordt de Nazarener van uw eigen grimmige exegese. Het is een vreeselijk woord: wie den Heere Jezus niet liefheeft, wie hem Nazarener scheldt, die zij een vervloeking; zijn vloek keert tot hem weder; maranatha b. Uw schimpschot is een schampschot. En niet alleen het evangelie, maar ook het oordeel schrijft God in onze eigen taal.



LEZEN: psalm 76.



a. Opgenomen in VWS I,106-107. Eerder gepubliceerd als ‘De Spraak van Nazareth’, Leidsche Kerkbode 5 (1926v) 22 (1 oktober 1926).

b. Vgl. 1KorintiŽrs 16:22.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001