12 januari


TE NAZARETH.


En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Nazareth

Matth. 2 : 23. a


jezus is te Nazareth opgegroeid. Vaak heeft men gezegd: dat was een beschikking Gods. Het heilige moet in de afzondering en in Nazareth was het heel stil en zoo echt achteraf. Evenwel, was Nazareth wel zoo klein? Volstrekt niet. „Kan uit Nazareth iets goeds komen?” b, vraagt men. Deze vraag zou geen zin hebben, als Nazareth niet bekend was; al is het dan om een of andere reden niet in gunstigen zin bekend. Bovendien lag Nazareth vlak bij enkele belangrijke verkeerswegen en nabij de stad Zippori, toen het centrum van de omgeving. Al was Nazareth geen hoofdplaats, het was toch ook allerminst een verschoven hoekje, waar men een kluizenaarsleven leiden moest.

En dit is geen toeval. God weersprak door de keuze van Nazareth de valsche verwachting, die het Joodsche volk van den Messias had. Heel sterk leefde de gedachte, dat de Messias, als hij kwam, eerst een tijdlang in het verborgene moest geleefd hebben. Hij zou zóó maar uit het donker te voorschijn treden, als een levend wonder. Want al wat Jood is, en al wat vleeschelijk is, houdt van een mysterie, een verborgenheid, die aan den buitenkant zit, en die zich ook met de hand laat tasten. Wat is wonderbaarlijker, dan een Messias, die net als een komeet daar ineens zich afteekent als een lichtstreep, zoo maar aan den duisteren hemel? Geef ons sensatie — en wij zullen u gelooven! Dat is de kreet der vleeschelijke religie.

Maar God wil het anders. Het is eigenlijk on-zin, dat men een „verborgenheid” ook aan den „buitenkant” wil waarneembaar maken; want de „buitenkant” is niet verborgen. Dat is alleen de „binnenkant”. En Christus Jezus zal wel de groote verborgenheid zijn, maar het mysterie zal bij Hem gansch inwendig zijn; het is in zijn Woord, in zijn wezen, in zijn natuur, in zijn persoon. Al zet ge hem in de volle zon, al staat hij onder de kooplui op de markt, hij is altijd de verborgenheid, want die ligt in zijn diepste wezen. Wie hebben er oog voor; wie grijpen ze? Niet die zien, maar die gelooven willen. Daarom maakt God van Jezus geen wondermensch, door hem tijdelijk te onttrekken aan het oog van de wereld. Hij is mensch onder de menschen. Toch is hij „Wonderlijk”. Maar als Hij u vraagt, dat te gelooven, dan maakt hij u dat geloof niet gemakkelijk, door zich in „een waas” van geheimzinnigheid te „hullen”. Neen, hij brengt zijn openbaringswoord en dat is een hoog gezag. De grootste „verborgenheid” is geopenbaard uit alledaagsche werkelijkheid. Aller oogen konden en mochten in Nazareth zien en alle ooren mochten zijn nieuwtjes hooren. En toen zei God: wat in Christus is, dat heeft geen oog gezien en geen oor gehoord (1 Cor. 2). Want de Christus gebruikt geen kunstmiddelen om zich aannemelijk te maken; hij heeft Zijn gezag in zichzelf. De „geestelijke” mensch verstaat het c: Gods verborgenheid wordt nooit aannemelijk gemaakt, doch wordt alleen maar aangenomen. Geloof is geen sensatie.



LEZEN: 1 cor. 2.



a. Opgenomen in VWS I,105-106. Eerder gepubliceerd als ‘De Spraak van Nazareth’, Leidsche Kerkbode 5 (1926v) 22 (1 oktober 1926).

b. Vgl. Johannes 1:47.

c. Vgl. 1KorintiŽrs 2:15.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001