9 januari


ROEPEN VOOR ALTOOS.


Uuit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen

Matth. 2 : 15. a


niet in den mensch komt de geschiedenis tot haar rust, zoo zagen wij. Want zoolang zijn zonde begeert tegen de vrijheid, die uit God is, zoolang breekt de worsteling van de barmhartigheid tegen het oordeel niet door tot overwinning.

Maar wat den zoon, die uit de aarde aardsch was, onmogelijk was, dat heeft God in den Zoon, die uit de hemelen is b, gewrocht. De groote Zoon is gekomen; Jezus Christus is Zijn naam. En deze is Gods eeniggeboren Zoon in veel hooger zin, dan Israël heeten kon. Ook over dezen Zoon komen de bange dagen als Jozef Zijn goud en wierook en myrrhe verspeelt voor de reis naar Egypte om wederom uit Egypte’s hand te leven. Toen riep het oordeel tegen de heilige familie, tegen het huis Gods, omdat het Kind „van het begin zijner menschwording tot het einde zijns levens op aarde den last van den toorn Gods tegen de zonde dragen” c komt. Daarom gaat de Zoon naar Egypte. Maar nu geschiedt het wonder: Gods Zoon is nu in Egypte, doch in Hem woont, anders dan in zijn vaderen, de zonde niet. En de zonde is de trek naar Egypte. In Hem is de trek naar Egypte niet. Als God dezen Zoon zendt, dan zal Hij wel gaan. Hij zal altijd gewillig gaan naar Egypte; Hij zal tot het einde toe naar Egypte gaan, want het is de tijd der vervulling van de profetie, en daarom moet Hij altijd gewillig naar de dienstbaarheid van Egypte, totdat Hij wordt gekruist in de stad, die geestelijk genaamd wordt: Egypte (Openb. 11 : 8). Maar — in Egypte zijne, en Egypte’s brood etende, zal Hij nochtans niet van Egypte zijn. Niets, dat Egyptisch is, zal in Hem zijn. Want Hij is de Heilige Gods, afgescheiden van de zondaren en hooger dan de hemelen geworden d.

Roept God dezen Zoon straks uit Egypte, dan is daarin Gods roepen tot Zijn rust gekomen. Eénmaal roepen is nu genoeg. Christus laat God nooit voor niets roepen. In Christus is geen zonde. Hij zal geen baäl dienen, maar altijd zijn in de dingen Zijns Vaders e, omdat Hij Israëls ware en zuivere Zoon is. Dat nu de barmhartigheid vrij roeme tegen het oordeel, want zij is thans bezig, het oordeel te overwinnen. Egypte zal in der eeuwigheid Gods vrije zonen niet meer knechten. God heeft Zijn Zoon, den Eenigen, uit Egypte geroepen. Wat het volk Israël doorleefde, is in Jezus Christus niet alleen tot vervulling gebracht, zooals de schaduw in de werkelijkheid, maar het is ook van alle zondig inkruipsel verlost. Het is tot volkomenheid gebracht door zuivering. Israëls geschiedenis is een dwaze kringloop zonder den Christus. Maar nu de Christus die geschiedenis in Zichzelf vervult en op Zichzelf doet aanloopen, nu zien wij in Israëls zig-zag-lijn en in Jozefs en Maria’s uitersten tranengang de rechte lijn van Gods wil, die alle geschiedenis in den Christus verklaart en te rusten brengt. Christus alleen is de rust der geschiedenis. Want de strijd tusschen barmhartigheid en oordeel wordt door Hem beslist.



LEZEN: hosea 11.



a. Eerder gepubliceerd als ‘Herhaald èn beslissend roepen’, De Reformatie 6 (1925v) 51,359 (17 september 1926). Opgenomen in VWS I,101-102.

b. Vgl. 1KorintiŽrs 15:47.

c. Vgl. Heidelbergse Catechismus, Zondag 15, antwoord 37.

d. Vgl. HebreeŽn 7:26.

e. Vgl. Lucas 2:49.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001