Persoonlijk of algemeen?

Gereformeerde Kerkbode van Vlaardingen

onder Redactie van de Gereformeerde Predikanten, nummer 10 (geen paginering) (3 februari 1917)

a



In het voorgaande nummer heeft, gelijk de lezers weten, een ingezonden stuk plaats gevonden van de hand van br. v.d. E. b Het artikel bevatte een verwijzing naar hetgeen Ds. v. Schelven te Wageningen c schreef over den door Z.Eerw. waargenomen invloed ten kwade, dien de Afscheiding, of liever de verkoeling van het eerste vuur, dat in de scheiding gloeide, geoefend had op het gereformeerde leven onzer kerken, na de vereeniging van de uit Scheiding en Doleantie ontstane groepen.

Waarom ik op dit ingezonden stuk terugkom?

Niet om het op te nemen voor de beweringen van Ds. van Schelven. Die laat ik voor zijn rekening.

Slechts dit ééne moet mij van ’t hart, dat de geachte inzender m.i. te veel gewicht hecht aan het bewuste schrijven van den Wageningschen predikant, wanneer br. v.d. E. dit schrijven gebruikt, als argument tegen de ineensmelting van de plaatselijke Geref. Kerken. We mogen nooit vergeten, dat Ds. Van Schelven niemand meer is dan . . . . Ds. Van Schelven. Zijn gevoelen blijft een strikt persoonlijk gevoelen. Ik kan den inzender verzekeren dat mij persoonlijk predikanten bekend zijn, die evenzeer van harte de Doleantie liefhebben en wier kerkelijk-gereformeerd leven ook uit de Doleantie opgekomen is, en die toch de opvattingen van Ds. Van Schelven veroordeelen. Werkelijk, het zijn niet alleen de „A-broeders”, die Ds. Van Schelven zijn schrijven euvel duiden.

Is het daarom niet gevaarlijk, dit persoonlijk gevoelen als een algemeene opinie voor te stellen? Al doet de inzender dit niet, toch zou misschien meer dan één lezer van zijn stuk wel deze fout begaan.

In ons geval komt het er niet op aan, wat deze of gene zegt, maar wat Gods Woord eischt. En ook waar men rekening wil houden met de bezwaren, die de praktijk vaak de naleving der beginselen in den weg legt, moet men zich wachten voor generaliseeren. Laat het waar zijn, dat Ds. Van Schelven een weinig kerhistorische onwaarheden (zoo althans bezie ik zijn gezegden) ons opdischt, — is het niet eveneens waar, dat er bij de broeders uit de Scheiding personen zijn, die onbillijk zijn en blijven in het beoordeelen of bespreken der Doleantie? Is het ook niet evenzeer waar, dat van de groep van 1834 zeer velen in de vereeniging van ’92 reden gezocht hebben om van ons te gaan en een nieuwe separatie in een andere Chr. Geref. Kerk te voltrekken? Zóó ver is de zondige verdeeldheid toch in de groep van 1886 niet gegaan. Wanneer de „A-broeders” uit dit persoonlijk schrijven van Ds. v. S. concludeeren, dat de „B-broeders” onze liefde niet begeeren, dan kunnen de laatsten wel meer dan één persoonlijke uiting citeeren, waaruit volgens deze bewijsmethode volgen moest, dat A geen huwelijk met B verlangt. En toch zijn er wederzijds genoeg van liefde brandende harten!

Conclusie: laat ons over alle persoonlijk geschrijf ons niet onrustig maken. Misschien heeft Ds. Van Schelven spijt over de vereeniging van ’92, hoewel ik dit niet geloof. Maar al zou het zoo zijn, voor Vlaardingen is maar de vraag, of men daar meer en meer leert breken met de valsche leuze, dat „in den hemel niet zal gevraagd worden naar deze of die kerk of naar A en B”. Staat er niet, dat alle dingen onderzocht zullen worden en dat er geen ding verborgen zal blijven? d De inzender verlangt een theorie, die met de practijk rekening houdt. Ik ook. Laat ons echter evenzeer een praktijk zoeken, die met de theorie rekent. En mij dunkt, dan is de eerste vraag, die we ons zelf te stellen hebben, wat nu Christus wil. Dan komen we verder.


K. S.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd.

b. De persoon is onbekend.

c. Vgl. Cornelis Louis François van Schelven (1858-1933), in Geldersche Kerkbode ?

d. Bedoelde plaats onduidelijk. Vgl. Matteüs 10:26, Marcus 4:22, Lucas 8:17, 12:2, 1Korintiërs 4:5.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000