voorplaat

Kop of staart?



J.E. Vonkenberg e.a.

De Haarlemsche Bondsdag 1922. Redevoeringen en referaat

Amersfoort (Bondsbureau Ned. Bond van Jongelingsvereenigingen op Geref. grondslag) 1922, 36-50

1) a



Daar woont in deze stad, in Haarlem, een man, die, onder den schuilnaam Charivarius, week aan week het Nederlandsche volk dient met zijn puntige kritiek op de taal van bekende schrijvers en sprekers. Meer dan één auteur werd reeds met zijn fijn-critisch lancet bewerkt; en onvermoeid voert hij het pleit voor de rechten der taal.

Ook over de beeldspraak laat deze criticus zijn aandacht gaan; en wanneer hij ergens een voorbeeld van onzuivere of slecht volgehouden beeldspraak ontmoet, is hij er aanstonds bij, om zulk een mislukt volzinnetje af te drukken, onder het veelzeggende opschrift: „op de glibberige paden”. Nietwaar, de bedoeling is duidelijk. Het pad der beeldspraak is ook waarlijk een glibberig pad; menige voet loopt gevaar, er op uit te glijden.

Misschien zou deze Charivarius, stel eens, dat hij in de verte iets hoorde van een rede, aangekondigd onder den titel „Kop of Staart”, daarop onmiddellijk reageeren en direct de ooren spitsen, gedachtig aan „het glibberige pad”, waarop ook deze beeldspraak ons voert. En ook is het niet onmogelijk, dat een enkele onder ons over dezen beeldsprakigen titel min of meer bedenkelijk het hoofd schudt.

Toch kan ik, wat dat betreft, elke kritiek op de keuze van deze beeldspraak rustig afwachten. Want — om maar direct te zeggen, waar het op staat — ze is niet van mij; ze is geen vinding van mijn brein, doch ze is rechtstreeksch ontleend aan den profeet Jesaja. Wanneer ge diens profetieën leest, dan treft u in het 14de vers van het 9de hoofdstuk de volgende merkwaardige uitlating: „de oude en de aanzienlijke is de kop, maar de profeet, die valschheid leert, is de staart”. Daar hebt ge, wat ik bedoelde: het beeld van kop en staart, het vraagstuk van kop of staart, door Jesaja gevonden, en ook door Jesaja gesteld en beantwoord. En nu weten we al genoeg. Want Jesaja — die naam waarborgt ons, dat zijn voet niet uitglijdt op het glibberige pad. Is er één, die de dingen machtiger, fijner, voornamer en soms ook meer ironisch zeggen kan, dan deze wel heel groote profeet? |37|

Kop en staart; kop of staart; let er op, hoezeer deze beeldenrijkdom onder veel andere woorden van Jesaja wegschuilt. Er is zoo heel niets pronkerigs, niets gewilds, in de aanwending van dit beeld. Even slechts flitst de gedachte, die in deze tegenstelling van „kop” en „staart” haar uitdrukking vindt, door het brein van den profeet; en zonder nadere uitwerking, zóó maar, schrijft hij ze neer. Hij geeft dat woord niet uit als een pronkende leuze; want, al wil deze man de gids zijn van zijn volk, ja, van heele natiën, een demagoog in den kwaden zin van het woord, dàt is hij toch niet. Hij spint ook de fijnheid van zijn beeld niet uit met litterairen wellust; want al is Jesaja kunstenaar, óòk in zijn spreken, hij heeft toch hooger doel dan kunst te geven. Ook werkt hij zijn beeld van den staart niet uit in ridiculiseerende richting, of met een grofheid, die verachtelijk maakt; want, al kan Jesaja, de profeet, hartgrondig verachten, verachtelijk maken doet hij toch nooit iemand, wie het ook is.

Toch is ze daar in zijn geschriften vastgelegd, de beeldspraak van den kop en den staart. En — àl wat tevoren geschreven is, is tot ònze leering geschreven b. Wij zullen wèl doen, te vragen, wat in dit woord van Jesaja voor ons gezegd is; voor ons, óók gelijk we vandaag hier bijeen zijn.

*

Om dat te kunnen, willen we eerst het woord lezen in zijn verband. Ik wees u reeds aan, waar het te vinden is: Jes. 9 : 14. Daar, in dat hoofdstuk, geeft de profeet ons een beschrijving van de gerichten, die komen zullen over het afvallige Israël. Met grimmige wraak — zoo voorzegt hij — zal de Heere ontwaken over Efraïm en Samaria. Redenen voor zulk een strafoefening zijn er veel, te veel, om thans hier te noemen. Maar één van die redenen — en dan wel niet de minst schuldige — is gelegen in het optreden van de valsche profetie.

De valsche profetie!

Als Jesaja daaraan denkt, dan ontwaakt zijn volle persoonlijkheid tot volle kritiek; en die kritiek geeft zich lucht op alle manieren, die ze maar bedenken kan. Nu eens kiest ze voor haar striemend woord den vorm van een vlammende boetpredikatie, dan weer bedient ze zich van het verheven, fijn-ironisch hekelwoord.

En geloof het vrij, Jesaja hàd ook reden om tegen die valsche profeten zich te weer te stellen. Zij waren overal ingedrongen; hun valsche profetie had het volksleven zwaar geïnfecteerd. En hun invloed was even gevaarlijk als groot. Zij waren het, die in de politiek aldoor dreven in de richting van aansluiting bij Egypte; alsof er geen God meer was om te bewaren Zijn volk; alsof het paganisme al niet sterk genoeg was binnen de grenzen van het land; alsof men heiden met heiden kon bestrijden en verslaan! Zij waren het, die, dikwijls althans, voor geld „profeteerden”, gelijk dat heette. En wie dan hun buidel stevig vulde, kon voor zijn lieve geld ook een lieve profetie krijgen precies naar zijn smaak; wel ja; de wereld wil immers toch bedrogen worden?

Dat dergelijke naturen ook niet afkeerig waren van minderwaardige praktijken, als ’t er op aankwam, zich ergens in te dringen, spreekt wel vanzelf. De feiten bewijzen het trouwens. Als schoothondjes trippelen ze achter de voorname, invloedrijke personages aan. In duizend bochten wringen ze zich, om toch maar in de gratie te blijven bij de |38| groote heeren, die wat in de melk te brokken hebben. Vandaar dan ook, dat zoowel Micha als Jesaja — twee tijdgenooten — telkens in één adem spreken over die twee groepen: de aanzienlijken, de heeren van de politiek, de regeeringskringen, de hofkliek, aan den éénen kant, — èn de valsche profeten ter anderer zijde. En ook in het hoofdstuk, dat ik u zooeven noemde, Jesaja 9, ziet ge ze weer in bond, in trieste kameraadschappelijkheid: de aristocraten, de politieke nummer-één-figuren en dan ook de kronkel-figuren van de valsche profetie. En ze zijn niet van elkaar àf te slaan. De heeren van de macht èn de heeren van het intellect, die zich den weidschen naam van „profeten” laten aanleunen! Ja; en af en toe werd de vriendschap nog beklonken ook. Dat was bij die niet zoo heel zeldzame gelegenheden, waarop de zoogenaamde heeren profeten werden geïnviteerd tot de drinkgelagen en „fuiven” van de deftige heeren. Nietwaar, daar stonden ze ook werkelijk niet kwaad; zoo’n godsdienstig ornament zette nog een cachet van eerwaardigheid op de feestelijke samenkomst, en, onder ons gezegd, zoo fluisterde men, ze zijn liberaal genoeg om de stemming niet te bederven. Resultaat van dat alles was dan natuurlijk, dat deze profeten der valschheid straks nog meer aan den leiband van hun deftige maecenassen moeten loopen. Zóó kwamen ze heelemaal in het zog van de voorname heeren. Hun laatste greintje zelfstandigheid moesten ze zóó wel inboeten.

Eerst waren ze begonnen, achter hun rijke „beschermers” aan te hinken; en straks konden ze vanzelf niets meer dan àl-door ja en amen zeggen. Nietwaar, dat gaat toch niet anders, wanneer nog kort geleden de geld-aristocraat den quasi-geestesaristocraat met minzaam gebaar een plaats aan zijn wijntafel gewezen heeft? Alcohol heeft meer contracten er door gejaagd; en ook hier werden straks bij drinkgelag en banket de zaken van het volk bedisseld door de politieke eerste-viool-spelers, die dan altijd nog het goedkeurend: „zóó zegt de Heere” uit den mond van de valsche profeten te hooren kregen.

En Jesaja?

Jesaja, vond men, de man met zijn vrome zedemeesterij, was dan maar weer prachtig weggewerkt. Die man was ook altijd zóó onhandelbaar, zoo heelemaal niet plooibaar. Men kon hem wel missen. Ondanks al zijn protesten werden hier de besluiten genomen; en de zeloot Jesaja vischte zoo maar heerlijk achter het net.

Zoo dacht men 2).

*

Maar Jesaja vischt volstrekt niet achter het net. Daaarvoor doorziet hij het drijven en woelen en kuipen van deze menschen te goed.

Niet zijn berekening zal falen, maar de hunne.

Want als Gods oordeelen komen, dan zal het strafgericht volkomen zijn. Het zal niet alleen zich keeren tegen den grooten hoop, maar ook tegen deze bent van leiders, die eigenlijk verleiders zijn. Niet slechts de machthebbers, doch ook hun paranimfen, de valsche profeten, zullen de straf ondergaan. Niemand ontkomt. Ja, de palmtak in |39| de hoogte, de man, die vooropgaat, hoog-verheven, maar evengoed de bies, die daar in de laagte, in het moeras opschiet, de man dus van het volk, zal worden weggeslagen door Gods hand. Die voorgaat en die volgt; die leidt en die zich laat leiden — àllen liggen onder het vonnis besloten.

En het gericht zal scherp ontleden, gelijk alle richten Gods dat doet.

Want in het uur der bezoeking zal ook dan nog onderscheid worden gemaakt tusschen de twee groepen, die zich duidelijk afteekenen in de toonaangevende kringen.

De eerste groep wordt door de aanzienlijken, de regentenpartij gevormd; de grooten en de gunstelingen, die aan het hof in- en uitloopen. Aan hen geeft Jesaja den naam van: kop.

En de tweede groep laat zich aanwijzen in de kringen der valsche profeten. Voor hen heeft de profeet geen anderen naam over dan dien van: staart!

Kop en staart!

*

Ik denk, dat ge die beeldspraak van kop en staart nu al wel doorzien zult. De profeet vergelijkt het volk hier met een log dierenlichaam. Er is nog beweging in dat groote lichaam; o neen, zonder roering is het niet. Zie, de kop schudt zich en beweegt; en die kop, dat is de regeeringsman, op het schild geheven. Hij is de man, die leidt en stuurt en vooropgaat, evenals de kop van het dierenlichaam altijd vooropgaat. Waar de kop zich heen wendt, daar moet achter den kop aan volgen heel het lichaam, elk van zijn leden, en — en ook — de staart.

Ja, ook de staart.

De staart, dat is toch wel het meest geringe, het meest verachtelijke van het beest. Sla het dier zijn kop af, en ’t is er niet meer. Maar neem zijn staart weg — en ’t leven blijft er even goed in. En dan de staart, die altijd achteraankomt, die nooit iets anders heeft te doen, dan maar gedwee zich te laten meezeulen, die almaar trouw volgt en volgt, die altijd meemoet, waar de kop van het dier het lichaam hebben wil, die staart, heeft hij niet de rol van de volmaakte passiviteit, al kan hij nog zoo druk zich roeren?

Welnu, die staart van het dier — die is het passende beeld voor den valschen profeet. O Jesaja, ge hebt het niet scherper, niet vernielender kùnnen zeggen. We zullen niet smalen, dat hier „in cauda venenum”, in den staart het gif zit. Maar in den staart der profetische rede is dan toch ditmaal wèl wat bijt en zeer doet, al is de pijn dan ook heilzaam bedoeld.

Stel u voor — profeet te heeten en staart-mensch te zijn! Welk een tastbare hoon!

En hoe zal vooral Jesaja zelf bij het daarheen werpen van die woorden het vlijmscherpe van zijn taal hebben geproefd . . . . Want deze Godsgezant, o, hoe heeft hij voor profeten altijd de àndere rol gereserveerd, de rol, niet van den staart, die achteraan komt, doch van den kop, die vooropgaat, die ziet, leidt, zèlf stuurt.

Profeten, vindt Jesaja, profeten moeten voor het volk de oogen zijn, waardoor het ziet, het hoofd, waarmee het denkt 3). |40|

Dat is heilige profeten-roeping; daarin ligt hun eigen en hoog privilege.

Maar bij de valsche profeten blijft van die superioriteit geen zweem meer over. Hun adelbrief hebben ze versnipperd, hun privilege met voeten getreden.

En nu zijn er twee mogelijkheden volgens den profeet.

De oogen, waardoor het volk- moet zien, kunnen geblinddoekt zijn en het hoofd, waarmee de natie moet denken, kan, als in den diepen slaap, overdekt zijn, diep onder de dekens in vasten slaap rustig begraven. (Vgl. Jes. 29 : 10).

Dat is de eerste mogelijkheid.

En wie zich een voorstelling vormen wil van wat hier bedoeld wordt, moet maar eens denken aan den profeet in Bethel c, den man, die daar kalmpjes-weg woonde in de dagen van Jerobeam, die daar zag gebeuren àl die gruwelen, van den stierkalverendienst en van de publieke verguizing van Gods gebod en der vaderen heilige zede, en die, hoewel ver er van, om van valsche profetie zijn beroep te maken, tegen dit kwaad toch niet protesteerde, doch alles lijdelijk aanzag, zonder dat zijn geest verscheurd werd van den ijver en de woorden van vlammend protest naar alle kanten als vonken uitspatten. Dàt is de man, die in slaap gezonken is; daar hebt ge nu de belichaming van het type van het geblinddoekte oog en het toegedekte hoofd. Hij protesteert niet, maar in eik geval doet hij ook niet mee. Hij schreeuwt niet tegen den drom in, maar hij zingt tenminste ook niet mee in het koor.

Doch zóó is het hier niet.

Hier treft ge de tweede mogelijkheid, die zich kan verwerkelijken, als de profeten niet meer de kop zijn, de kop, weet ge? Ook nu gaan de valsche profeten, tegen wie Jesaja ’t heeft, niet voorop, maar men kan toch ook niet zeggen, dat ze als in den slaap passief daar ter neer liggen. Neen, het beeld van het geblinddoekte oog past op hen niet; dat is voor hen nog véél te mooi. Het lijkt er niet op, dat ze, als een oog, een plaats hebben in den kop. De staart — dàt zijn zij! Slapen doen ze niet; voor de passieve rol voelen de heeren zich veel te zelfbewust. Kijk ze maar, eens druk in de weer zijn. Er is bij de heeren werk genoeg aan den winkel; ze roeren zich druk genoeg — precies als vaak de staart dat doet. Maar al zijn ze nòg zóó druk bezig, al nemen ze ook het air aan van groote gewichtigheid, al loopen ze met de staatsportefeuille onder den arm, precies als de groote heeren van de politiek, toch — toch . . .

Toch zijn deze zelfbewusten heelemaal niet bewùst.

Toch zijn ze met al hun veelbezigheid en schichtige activiteit de menschen van de passieve rol, als ’t er nu eens op aankomt.

Toch zijn ze, ze mogen dan altijd met de afgoden van het volk en de eersten van het rijk op voet van familiariteit leven, beklagenswaardige stumpers.

Toch zijn ze de staart, de achter-aan-hinkers.

Want de aanzienlijke — die is de kop.

Maar de profeet, die valschheid leert, die is de staart.

De staart.

*

Zoolang de wereld zal bestaan, zóólang zal dit vlijmend, priemend |41| woord van Jesaja Gods protest tegen profeten, die geen profeten zijn branden in de conscientie van zijn volk.

En dat is geen wonder.

Want zoolang de wereld staan zal, zóólang zal ook de historie met haar nooit-geflatteerde werkelijkheid getuigenis geven aan dit woord, dat het waarachtig is en van God gesproken en gedragen.

Elke eeuw zal er zijn om te bewijzen, dat een volk, dat door zulke „leiders” in schijn geregeerd, doch in werkelijkheid verleid wordt, verloren is. Het snelt naar den afgrond.

Als er geen profetie is, zegt een der spreuken, als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot d.

En zulk een toestand kan intreden, al krioelt het in de straten van profeten; profeten dan, wel te verstaan, van zùlk allooi. Want al wemelt het van profeten, de profetie, de echte, waarachtige, goddelijke profetie is dan weg. De profetie, die vooropgaat. De profetie van den kop, weg is ze, — onherroepelijk wèg.

En denk nu maar niet, dat dergelijke karikatuur-profeten, zulke staart-predikers, alleen zichzelf ten val doemen. Ze sleepen het volk mee. Ze graven het graf niet maar voor zich, doch ook voor hun volk. En, wonderlijk — als de profetie, de echte, uit den kop verdwenen is en de ondergeschikte rol van den staart gaat overnemen — dan is de kop zelf ook niet meer te houden. Ook de kop-figuren slaan straks aan ’t malen; ze kunnen tenslotte ook niet meer heerschen, prachtig en krachtig. Zoekt ge bewijs? Denk dan maar aan Jesaja’s eigen tijd. In Efraim was de corruptie het grootst juist bij de hofkliek. Nu, onder Jotham, leek het nog wat. Maar later treedt het verderf en de machteloosheid met rauwe openhartigheid aan het licht. Een eigen politiek heeft men niet meer; een eigen geloof niet meer; een eigen God niet meer. Egypte, Egypte . . . dat moet helpen. En wat Juda betreft: daar vindt ge hetzelfde. Leiders zijn geen leiders meer, want de profetie is doodgezwegen, al snappen ook de zoogenaamde profeten het honderd uit. Daar ziet ge een parvenu als Sebna op het kussen; een man, die, let wel, in kritieke dagen van dreigend staatsgevaar, niet de handen uit de mouw steekt, maar op een mooien middag eens buiten de stad gaat toeren, om eens te zien, hoe het staat met zijn mooie graf, dat hij zich liet graven onder den deftigen adelstand van Jerusalem e.

En dan Achas, de zwakkeling . . . . Maar wat praten we nog langer? Als de profetie naar den staart verhuist — dat ziet ge nu wel — dan hangt ook de kop slap neer. Als de profetie niet het zelfbewustzijn wekt in Gods kracht, als ze niet het doel wijst, ginds in de verte, ver vooruit, als de profetie niet is: kop-profetie, dan wordt het volk ontbloot.

Want staart-profeten redden niet. Ze kunnen ook niet, de machteloozen. Niet waar, ge weet het wel:

Wees u zelf, zei ik tot iemand,
Maar hij kon niet, hij was niemand f.
*

En als we nu eindelijk ons afvragen, wat dit pakkende beeld van Jesaja ons heeft te zeggen, ons, gelijk we hier zijn, dan wil ik beginnen met een waarschuwing. |42|

Een waarschuwing, om Jesaja’s vergelijking van kop en staart niet verkeerd toe te passen.

Zeg nu niet: dat komt er ook van, als menschen, die moeten profeteeren, zich bemoeien met de dingen van de politiek, van het publieke leven; als de profeten het gezelschap zoeken van de machthebbers in den staat en van de kringen der regeering.

Nietwaar, dat is ook een soort van toepassing, die ge meer dan eens hoort „maken”, speciaal in de kringen, die het wezen van het gereformeerde zoeken in een lijdelijk wegschuilen in de niet van alle zaligheidsgevoel verstoken rust der uit de wereld wegvluchtende partij. Men zegt dan: profeten behooren de politiek maar de politiek te laten. Want politiek is toch niet meer te redden. Politiek, dat beteekent: de bakens verzetten naar het getij. Politiek, dat wil niet anders zeggen dan: schipperen en plooien naar gelang van bet belang van het verlangen van den dag. Politiek, dat is de huik al maar weer hangen naar den wind. En daarom moet men die veranderlijkheden der politici, der aanzienlijken, der regeeringsaristocraten maar ver van zich houden en zich terug trekken in eigen kringetje met de onveranderlijke profetie. Zet uw kerkdeur open, doch luid de klok maar niet; houd uw bijbel open, maar houd hem van het licht af en doe vooral de luiken dicht! Anders — zoo heet het — als ge den bijbel brengt in de politiek, als ge de profetie uitdraagt naar de markt, wordt ge ook de staart, die achter den politieken kop aan-kwispelt.

Maar ge voelt immers allen, dat zoo iets wel zeer ver van Jesaja’s eigen gedachtengang verwijderd ligt?

Zie, dat profeten ook zich mengen met hun profetie in de kringen der regeering, dat veroordeelt Jesaja in de verste verte niet. Dat heeft hij zelf ook druk gedaan. Jesaja was zelf de aristocraat van geboorte, die bewust getracht heeft, ingang te krijgen en invloed te winnen aan het hof.

Hoe kan dat trouwens ook anders?

Zal de profetie werkelijk kop- en geen staart-profetie zijn, dan moet ze juist trachten in alle dingen het woord te spreken, haar woord, vòòr het feit. Dan moet ze in alles de eerste willen zijn. Dan moet zij zeggen, wat men spreken zal en waarover men spreken zal en wanneer men spreken zal. O neen, niet daarover gispt Jesaja de profeten der leugen, dàt ze vooraanstonden. Hij heeft alleen maar dit ééne tegen hen: dat hun „vooraanstaan” maar een houding was, een mooie pose, zonder dat ze ook werkelijk den toon aangeven konden of ernstig wilden.

*

En het is juist deze grief van den profeet, die ons den plicht oplegt, zijn waarschuwing tegen alle staart-profetisme zoo breed mogelijk op te vatten, om ons zelf tot voorzichtigheid en tot nuchterheid op te wekken.

Want misschien hebt ge al gedacht: houd nu maar op met die staart-profeten. Wij, jonge Calvinisten, lijken daar immers heelemaal niet op? Zie onze breede rijen; zijn we niet zelfbewust? Werken we niet druk? Stellen we niet, opzettelijk, veel vraagpunten aan de orde en schijnt bij òns de profetie niet met haar heldere schijnsel?

Zeker, zeker. Dat vind ik ook en ik ben er blij om, heel blij. |43|

Maar — vergeet nu niet, dat men de rol van den staart kan aannemen en toch tegelijkertijd in schijn o zoo onafhankelijk, o zoo volkomen in de rol-van-den-kop kan zijn. Men kan meenen, kop-mensch te zijn en toch werkelijk niet meer dan staart-mensch wezen.

Bewijs, vraagt ge?

Wel, ik heb ’t u reeds genoemd. Maar als ge nog niet tevreden zijt, omdat ge met de laffe, weekelijke Jan-Salie-geesten uit Jes. 9 : 14 niets wilt te maken hebben, goed, dan heb ik nog andere voorbeelden. Dan wil ik u herinneren, dat er ook valsche profeten geweest zijn, die zóó vol waren van hun eigenaardig zelfbewustzijn, dat ze voor hun valsche profetie den dood hebben getrotseerd. Men denke b.v. aan Achab, den zoon van Kolajah en Zedekia, den zoon van Maäsejah (Jer. 29 : 21 sqq.); mannen, die voor hun overtuiging hun leven over hadden. Ze hebben soms een conflict met de heerschende staatsmacht aangedurfd; denk maar aan de leugenprofeten, die in de dagen der ballingschap „profeteerden”, dat het juk van Babel wel heel gauw zou worden gebroken; zulk een prediking — dat begrepen ze zelf ook opperbest — bracht hun hoofd in gevaar 4).

Vindt ge ook niet, dat valsche profeten op ’t eerste gezicht en zelfs bij nadere kennismaking óók wel eens wat anders kunnen lijken dan slappe, plooibare, pitlooze lafaards?

En tòch — toch zou Jesaja, ook zelfs als hij tegenover deze menschen van bonkig graniet stond, niet aarzelen het beginsel der staart-profetie ook in hen aan te wijzen. Want hun fout ligt in hun uitgangspunt. Ze bouwen niet een leer op het fundament der openbaring Gods, ze durven niet desnoods absoluut eenlingen te zijn, ze leven niet uit de inspiratie van boven die met geen mensch rekent; maar ze vormen zich een gedachtenwereld uit zichzelf, uit de feiten, gelijk ze zijn, uit de wereld, gelijk die zich aan hen voordoet, uit den toestand van het oogenblik.

En in dat uitgangspunt ligt hun fout. Dàt is niet: met de waarheid tot de feiten komen: kop-profetie; maar dàt is: naar de feiten, naar de gegeven toestanden de gedachten wringen en een systeem zich bedenken: staart-profetie.

*

En als ge dit alles nu bedenkt, zult ge mij toegeven, dat het nog geen beleediging is van uw rechtmatig zelfbewustzijn, als ik ook u kom waarschuwen tegen alle staart-profetie, zelfs in haar eerste opkomst.

Ik heb hier dan ook niet zoozeer het oog op een zeker profetisme van den staart, dat ge in de verte reeds als zoodanig herkennen kunt; het staart-christendom, waar b.v. Kierkegaard het zoo mee te kwaad heeft. Het gaat bij dezen man immers niet tegen het christendom, doch tegen de verachtelijkheid van het staart-christendom, wanneer hij afgeeft op den „zijden dominee”, die met veel gratie het lieve kindje, dat men hem ten doop presenteert, driemaal met water besproeit, zonder dat hij verder iets meer is dan een „ambtenaar”; de dominee van het slag, dat „opspringt als hij een briefje van 5 thaler ziet, evenals een poppetje, dat, als men op een veer drukt, uit een snuifdoos te voorschijn springt”; de dominee, die ambtenaar is geworden van |44| den staat en van den staart, en die zich verlaagt tot dienaar van de publieke opinie; de man, in wien het Nieuwe Testament geen waarheid meer is; want het Nieuwe Testament zegt, dat de weg smal en de poort eng is g, doch de praktijk bij hen is, dat de weg in alle opzichten breed en comfortabel en de poort zoo wijd mogelijk is; de poort, waar men immers en masse kan doorgaan?

Neen, dat is een staart-profeten-vertooning, die zich vanzelf al komt aandienen in haar wezenlijke armoedigheid.

Maar weet ge, wanneer wij, ook op andere wijze, en dan met behoud van den schijn van zelfstandigheid en zelfbewustheid, staartprofeten kunnen worden?

Dit kan gebeuren in elk geval, waarin wij, onder de pretentie, dragers te zijn van het Woord van God en van de woorden der profetie, loopen aan den leiband van een andere macht, dan die in Gods Woord zelf tot ons komt. Dat gebeurt, zoodra wij met ons profetisch woord achter vreemden aankomen, vreemden, die bouwen op een ander fundament dan het onze, die planten op een anderen bodem dan den onzen, die leven uit een ander beginsel dan wij het doen en moeten doen.

Indien wij door anderen in onze gedachtenwereld laten indragen, wat niet uit ons beginsel opkomt, wat niet uit onze eigen belijdenis organisch opbloeit; en indien we dan met een ernstig gezicht „ja”-knikken; en dan ook, gansch behoorlijk, daarvoor één of meer teksten gaan zoeken, en dan heusch „een tekst” vinden of dwingen zich te laten vinden; en als we dan zeggen tot den ander: ge hebt gelijk, zóò zegt de Heere; zie — dan zijn we met al onze goede bedoelingen aan de staart-profetie toegekomen.

Indien wij, al bedoelen we ’t nòg zoo eerlijk, àl maar door naar anderen luisteren, en alléén naar anderen luisteren, en intusschen het bouwen van ons eigen huis, het verder-indenken van onze eigen belijdenis vergeten of zelfs maar onderbreken; indien wij ons ik weet niet hoe druk maken voor alles en nog wat, alleen maar, omdat een ander bij ons aanhangig maakt, wat hem het meest interesseert: dan zijn we bezig naar anderen ons te richten, dan gaan we niet voorop, maar dan volgen we, dan zijn we niet de partij van den kop, doch de kliek van den staart.

Dan zijn we ontrouw geworden aan de hoogheid onzer roeping.

Dan zijn we eigenlijk geen kerk meer, doch op weg naar de secte, de groep, de partij.

Dan hebben we geen profetie meer en geen banier, die de ònze is. Maar wij marcheeren achter de anderen aan.

En werkelijk, het gevaar voor zulke, soms goed bedoelde, staartprofetie ligt op de loer, en staat voor de deur.

Behoef ik nog te wijzen op de verschijnselen, die ook in onzen tijd ons beroeren? Is het niet waar, dat aan alle kanten op de markt der geesten de menschen staan, die hun geestelijke waar aanprijzen? En is het ook niet waar, dat wij soms gevaar loopen, stil te gaan staan en onze waar van die marktventers te betrekken, terwijl we toch zelf de machtige roeping hebben, om uit eigen beginsel en naar eigen methode Gods waarheid in te denken, àl dieper, en dan zelf te gaan staan op de markt met wat wij, wijzelf, den menschen en de wereld kunnen aanbieden: Koop de waarheid en verkoop ze niet? h |45|

Zie, zegt de een: onze tijd roept om zielsontleding. De ziel van den mensch moet weer luisteren naar zichzelf; ze moet in zelf-attentie het schoone lied zichzelf toezingen van ziele-schoonheid en ziels-intimiteit. Ziels-ontleding is hier een soort van soms zieligen wellust geworden. En men wil ook òns dat aanpreeken. Men zegt tot ons: Uw preeken moeten meer de zielsintimiteiten van prachtig menschenleven voor ons etaleeren; uw meditaties moeten meer de fluisteringen zijn van de ziel, die luistert naar de ziel. En zoo wil men ons leeren, aan de ziel heel onze aandacht te schenken. Maar als wij dat doen, alleen maar omdat die ander het zegt, alleen maar, omdat de mode het zoo voorschrijft, alleen maar, omdat de heerschende strooming zoo wil, en niet omdat wij zelf voelen, waarom en in hoeverre de ziels-attentie haar intentie mag worden, dan zijn we ons stuur kwijt geraakt; dan loopen we achter anderen aan, zelfs al zouden we ik weet niet hoeveel mooie en ware dingen zeggen. Dan zijn we vervallen tot staart-profetisme.

Hoor eens, zegt een ander: ge moet in uw eeredienst, in uw liturgie, in uw zelspanwikkeling, in uw breede levenshouding wat meer aan de kunst gaan doen. Schoonheidsvisie en schoonheidsleer, dat is wat de tijd van ons vraagt. En nu komen ze opzetten,in breede golf: de geestelijke dandy’s, den mond vol van cultuur en problemen van kunst en aesthetiek. Maar als wij het vraagstuk van schoonheid indenken, alleen omdat het bij deze sinjeuren in de mode is en als wij op de hier gestelde kwesties geen antwoord zoeken te vinden uit ons eigen beginsel, doch hun antwoorden zoeken te dekken met een tekst en een tirade uit de confessie — wel, dan zijn we weer bezig, achter anderen zielig aan te hinken. Dan zijn we het stuur kwijt, al zeggen we ik weet niet hoeveel mooie dingen. Dan zijn we vervallen tot staart-profetisme.

En zoo kunnen we voortgaan. Hier prijst iemand aan de synthese, de fusie, het samengaan, zooveel het kan met anderen. Ginds poetst er een zijn reclamebord op voor het christendom van den grootsten gemeenen deeler. Elders heeft er weer een in den zin een stormloop op onze gelederen voor de sociale kwesties; en de sociale machtsleuzen worden dan de stormrammen, waarmee men onze poort wil openbreken. Maar ik zeg tot al die dingen en tot veel meer andere: als we daarnaar luisteren en dan tot den één zeggen, u kon wel eens gelijk hebben, ik zal direct erover gaan studeeren, en dàn den ander het vriendelijk bescheid geven, dat óók zijn redeneering een element van waarheid kan bevatten en dat we onmiddellijk het vraagstuk aan de orde zullen stellen, en als we dan al die elementen van waarheid hebben „aangevoeld” en zorgzaam hebben gedekt al die vreemde ladingen met onze eigen gereformeerde vlag, een tekst erin — dan zijn we met al onze waarheden de waarheid kwijt; dan zeggen we misschien duizend goede dingen en we zijn toch valsche profeten; dan is er een hysterisch kloppen op alle deuren, gelijk eens iemand zeide en niet een ingaan door de deur, de ééne deur, door welke wij moeten ingaan tot het huis der waarheid Gods; dan zijn we slaafsche navolgers van de mode des tijds en van den gril der anderen. Dan zijn we staart-profeten.

Verstaat mij nu niet verkeerd.

Let wel: ik predik hier geen calvinistischen hoogmoed. |46|

Ik zeg niet: we zijn er al.

Ik beweer nooit: ons huisje is al af.

Ik zou niet graag loochenen, dat we van anderen kunnen leeren, o zoo veel. Zeker, zeker, de ander kan ons wijzen op eenzijdigheden, onvolmaaktheden, onjuistheden, onvolledigheden. Wij geven ieder het recht, om, als hij ’t kan, ons de onderwerpen te noemen, die wij niet òf niet goed hebben behandeld en die toch van Godswege onze aandacht moeten hebben.

Maar àls wij dan gaan luisteren en àls we dan onze houding gaan herzien en opnieuw bepalen, dan moeten we dat niet doen, nooit doen, omdat de ander het zoo wil, mààr: omdat we hebben leeren inzien, dat God het van ons verlangt. Dan moeten we niet een „uitbouw” geven van ons geestelijk huis, die bij ons huis als een „nieuwbouw” aangeplakt is, en niet met heel dat gebouw rust op ons eigen fundament. Dan moeten we niet in onzen tuin bloemen planten gaan, die niet uit onzen eigen bodem groeien. Maar dan hebben we uit eigen beginsel te leven, uit eigen denkarbeid te opereeren, op eigen fundament te bouwen; dan willen we de dingen niet mechanisch van buiten af importeeren, doch organisch uit ons eigen geestelijk bezit laten opgroeien.

En op die voorwaarden, en op geen enkele andere conditie, willen we dan wel eens praten over ziel en over kunst, over schoonheid en mystiek, over saamwerking en broederzin, over de kwesties van den dag. Wij willen zien door onzen eigen bril. Wij willen de kop zijn en niet de staart.

Neen, nog eens, wij prediken den hoogmoed niet. Wij zeggen niet, dat de kerk, ook onze kerk, geen onbetaalde rekeningen heeft. Maar wij laten ons niet van de wijs brengen door de menschen, die ons achternaloopen met onze onbetaalde rekeningen. Hoogmoed, zegt ge? Of pedante onaandoenlijkheid? Ik antwoord: zelfbehoud!

Want ik wijs u op de historie, die spreekt; ik herinner u het opkomen en het kwijnen der secten.

De secten, zoo is herhaaldelijk gezegd: de secten zijn de onbetaalde rekeningen van de kerk. Daar is iets, daar is soms zeer veel van aan. Maar met dit argument, dat bedoelt de secten te verdedigen, is het sectewezen juist geoordeeld. Kijk, zei de man van de secte, zie nu eens aan, hoeveel rekeningen de kerk nooit betaald heeft! Schande! Naar uwe tenten! Wij gaan de onbetaalde rekeningen van de kerk voldoen, onmiddellijk! En zoo maakte men de ééne schuld van de kerk los van de andere, en dat gaat nooit, want al de schulden zijn één en de plicht tot betaling is ook één. Men betaalde de rekeningen, die men vond, maar de andere schulden, die de kerk ook had, die ze moest hebben, die ze altijd zàl hebben, de àndere schulden liet men onvereffend. En zoo leefde men eigenlijk van eens anders onbetaalde rekeningen; zoo kwam men aan-sukkelen niet achter de deugden, maar achter de ondeugden van de kerk. Zoo leek men uiterst zelfbebewust, doch in werkelijkheid had men niet anders dan pure, zielige negatie; men had niet een eigen beginsel en niet een eigen geestelijke huishouding en niet een eigen prijs om te betalen. Men bouwde leer op leugen, men kwam door het negatieve tot het positieve, men richtte zich naar de ondeugden van hem, van wien men zich vrij maakte.

Laat zulk een dwang voor ons niet noodig wezen i. Laat elke |47| onbetaalde rekening ons in het aangezicht mogen getuigen. Maar als ge er aan begint te voldoen, blijf dan uzelf en word niet een ander. Betaal dan met uw eigen munt. Blijf trouw aan Gods Woord en aan uw trouwe confessie. En laat vandaar uit het licht schijnen over alle vraagstukken, die men u noemt.

Ten derden male: Wij prediken den hoogmoed niet.

Wij vragen alleen maar consequentie.

Wij vragen de consequentie van onze hooge pretentie.

Wij vragen de consequentie uit ons geloof niet in de volmaaktheid van ons grijpen, maar wèl van Gods geven.

Wij vragen de consequentie uit ons geloof niet aan ons begrijpen, maar wel aan Gods openbaren.

Wij zeggen niet: Wij zijn er al.

Maar wij zeggen wel: God gaf ons genoeg. Wij hebben aan Zijn Woord genoeg. En wij zullen de kracht van dat Woord al breeder ontplooien en den inhoud van dat Woord al beter laten spreken ook tegenover de kwesties van den dag, doch dan altoos alleen naar het Woord en om het Woord en door het Woord.

Zoo alleen zijn wij de kop en niet de staart.

En als iemand zegt: ik ben bang voor al dat geroep van consequentie en nòg eens consequentie, dan zeg ik: ik ook.

Maar op één voorwaarde ben ik er niet bang voor. Het is op deze voorwaarde, dat wij consequent zijn aan ons beginsel, niet alleen in onze dogmatische bepalingen, die we gevonden hebben, maar ook in deze groote dogmatische erkenning, dat wij Gods Woord nog niet hebben uitgeput en dus nog meer zullen moeten vinden; vinden, niet uit de schatten van anderen, maar uit de schatkamer van Gods Woord zelf. Dat is de consequentie niet slechts in de dogmatiek maar ook in de ethiek. En deze consequentie van onze pretentie wordt dan: dankbaarheid èn zelfbeschaming; dankbaarheid omdat we al zóóver zijn; en zelfbeschaming, omdat we nog niet aan ’t eind zijn, waar God ons hebben wil.

Ik zeg: God, en niet de menschen.

Ik zeg: God, en niet de mode.

Ik zeg: God, en niet de tijdgeest.

Zoo antwoorden wij den buitenstaander, dat wij elk mogelijk goed recht in zijn klachten eerlijk zullen onderzoeken, maar dat we ons eigen huis bouwen. Dat is geen farizeïsme; het is zelfbehoud. Dat is niet een geestelijk-arm flaneeren op ons eigen wegje, het is geen strompelen op ons eigen-gekozen afgebakend paadje, maar het is een wandelen op Gods weg. Dat is niet gelooven, dat wij zoo goed zijn in ons reproduceeren; maar wèl gelooven, dat God oneindig goed is in het geven van Zijn openbaring, die Hij ons schonk om daaruit alles, àlles te halen, wat er in zit. Om het er uit te halen, even goed, al was er geen mensch en geen tijdgeest, die het van ons zou vragen.

*

Mijne vrienden, tracht dan hoog te houden deze roeping.

Niet de staart, maar de kop!

Grijpt naar het Woord en, onvermoeid, haalt eruit, niet slechts wat de ouderen willen, niet slechts wat de jongeren verlangen. Want dat |48| is in beide gevallen achter anderen aankomen: staartprofetie. Tracht al wat er in ligt, er uit te vinden.

Steekt niet, waar ’n ander ’n lichtje van devotie brandt, ook uw dogmatisch kaarsje op. Houdt Gods woord en uw confessie hoog, zóó hoog, dat alles, wat u tegemoet treedt, onder het licht valt van dat te voren door u òp den standaard geplaatste licht.

Natuurlijk zal dat u den smaad bezorgen van menschen. Misschien ook wel eens van menschen, die heel dicht bij u staan. Misschien, wie zal ’t zeggen, ook wel eens van menschen, die met u optrekken in hetzelfde gelid.

Want, het is altijd waar, wij zijn wel eens voor het oog van de menschen de partij van den kop, terwijl we voor God de fractie van den staart zijn. Dan worden we druk bewierookt, maar . . . niet een iegelijk dien de menschen prijzen, maar dien God prijst, die is beproefd j.

En het kan ook zóó zijn, dat God ons wel prijst, maar dat ons de menschen laken. Dat is zoo vaak, als wij dragers zijn der profetie, profeten zijn van den kop, doch door de menschen de staart gescholden worden. Ook Jesaja is daaraan niet ontkomen. Zijn vijanden dachten: wij de kop en hij de staart. En, van den buitenkant gezien, hadden ze ook voor het moment gelijk. Zij stonden in de eerste rijen, en Jesaja kon dikwijls toe zien en kreeg geen gehoor. Zij bedisselden nlet de groote heeren en Jesaja kreeg niet gedaan wat hij wilde. Jesaja, smaalden ze, gij in de achterhoede, gij bij de achteraankomers, gij de staart, wij de kop.

Maar o, indien ge perspectief ziet in de historie!

Wat wordt het dan anders!

Dan is de spreuk waarachtig, ook in deze dingen: vele laatsten de eersten, en vele eersten, de laatsten! k Want toen straks de heidenen kwamen, en de ballingschap kwam en de ellende kwam, toen kreeg Jesaja gelijk, en de valsche profeten, die met looze kalk hadden gepleisterd l, moesten nu de feiten nemen, gelijk ze waren: nu waren ze dan toch de staart. En toen straks uit de ballingschap het volk terug. keerde om opnieuw den tempel te bouwen. en de tijden te voldragen, de tijden der belofte, toen kreeg weer Jesaja gelijk en de valsche profeten hadden het niet gezien, althans niet naar z’n diepen, geestelijken, messiaanschen kern. Nu waren ze weer de staart. En toen eindelijk de Christus Gods verscheen, toen uit het gevallen Israël zich de Messiaansche heerlijkheid ontplooide, toen kreeg Jesaja toch weer gelijk en de anderen, de leugenprofeten, ze hadden er niets van gezien~ niets van begrepen. Toen bleek het: Jesaja, die niet in de mode was, de kop. En de anderen, die zeer in de mode waren: de staart!

Durven wij zóó den tijdgeest en zijn grillen trotseeren in het fiere en ootmoedige bewustzijn, dat wij, niet door onszelf, maar door het in ons levende Woord, de kop zijn en de staart nooit?

O, laat ons bang zijn voor alle staart-profetie.

Ze kan, ze moet altijd een oordeel van God zijn.

Herinner u slechts dat schrikkelijk tafereel van al die leugenprofeten voor Achabs troon m. Ze zeggen hem precies, wat hij wil . . . ze zijn de staart, ze laten zich overal heen leiden. Maar daarboven in den hemel is, naar Micha profeteert, de stem, die verkondigt dat die staartprofetie niet omgaat buiten des hemels beleid. Achab zal sterven; Gods oordeel wordt aan hem voltrokken en de leugen van zijn profeten wordt |49| een oordeel van God, en het oordeel ontwaakt tot grooter oordeel. Zoo zal het nog altijd zijn. De leugen — die is ook straf op de verwerping der waarheid. Het vraagstuk van kop en staart gaat buiten God niet om.

Laat ons dan altijd voorzichtig zijn en ook in onze methode van denken en zoeken, ook in ons stellen en bespreken der kwesties ons ver houden van de profeten van den staart.

Dat zal wel eens wrijving geven, en strijd ook naar binnen. Want niet ieder zal het dan met ons eens zijn. Ook in ons midden zijn ze er wel, die meenen het goede, verlossende woord te spreken, en die toch aan den leiband van den altijd zeer wispelturigen tijdgeest loopen. En als ge u dan verzet, dan komt de botsing, de verdenking, soms het barsche gezicht en het plompe woord.

Zullen we dien strijd ontloopen?

Zullen we om dien strijd onze kerken verketteren?

Zullen we, beu van al dat gehaspel, alles er maar aan geven?

Neen, dat zullen we niet.

Want de strijd mag wel eens onverkwikkelijk zijn, toch zeggen we: duizendmaal liever een onverkwikkelijke schermutseling of een heftig debat, dan voor deze dingen onverschilligheid of schouderophalend cynisme!

Als we om de kwestie van kop of staart niet meer warm kunnen worden, wel, dan is God ons kwijt en wij zijn Hem en ons zelf kwijt! Alleen waar die strijd blijft spannen de geesten en blijft scherpen het wapen, alleen daar is de waarachtige, zuivere profetie nog in leven.

Als ge daaraan nog twijfelen mocht, dan wil ik u herinneren, de mooie opmerking, die Professor Aalders 5) maakt in zijn boek over de valsche profetie onder Israël. Daar toch wijst hij erop, dat ook buiten Israël de eene valsche „waarheidsverkondiger” den ander tegenspreekt; dat ook daar de voorzèggers zijn, die hun orakel dienstbaar stellen voor ieder, die maar betalen kan, en die, al naar gelang men beter betaalt, ook te beter, „godsspraak” geven. Maar de orakels van Rome en Griekenland, van Babel en Egypte, ze mogen elkaars concurrenten zijn, elkaar bestrijden zóo heftig als Jesaja de valsche proleten het doet, dàt was bij hen een onmogelijkheid. Bij de heidenen staan de orakels naast elkaar, niet tegenover elkaar. Ze zeiden allen: zóó zegt de hemel, zóó spreken de goden; maar ze geloofden zelf niet aan hun godsspraken. En de leugen kan uit zichzelf geen kracht putten tot zelfstandigheid en tot vlammenden ijver. Dat kan alleen de waarheid, als zij botst tegen de leugen. En juist omdat Israël de waarheid Gods stelde tegenover de leugen der profeten der valschheid, daarom kàn Jesaja niet zwijgen; daarom is de kwestie van kop of staart nooit een bagatel; daarom mòet in deze worsteling het pleit worden uitgevochten tot het bittere einde. Want de heidenen hadden hun pretentie niet, Jesaja heeft ze wel. Het is zijn God, die ze hem geleerd heeft.

Zoo willen wij den strijd om het: zóó zegt de Heere.

Zoo willen wij de worsteling om kop te zijn en niet de staart.

Zoo willen wij niets en niemand ontzien, als wij maar vreezen onzen God. |50|

Zoo willen wij onze rekeningen voldoen, niet op gezag van een vreemde, maar op gezag van God.

Zoo willen wij verder gaan en profeteeren, profeteeren.

En wij willen aan Mozes gedenken. Toen Mozes sterven ging heeft hij zijn volk vermaand. Indien — zoo sprak hij, indien gij de geboden van uw God verwerpt en Zijne woorden niet meer gedachtige zijt, dàn, . . . . dan zal de vreemde, de barbaar, de man, die uw leven niet kent, die uw God niet dient, die met u niet staat in het Verbond van uw God, dan zal die vreemde tot een hoofd zijn en gij zult tot een staart zijn.


Maar: indien gij hooren zult naar de geboden des Heeren uws Gods, die ik u heden gebied te houden en te doen, dan — o Israël, hoor naar Mozes’ woord — dàn zal niet Mozes, dan zult niet gijzelf, maar dan zal de Heere u tot een hoofd maken en niet tot een staart.


En gij zult alleenlijk boven zijn en niet onder zijn 6).

Uw weg zal dan, maar ook dàn alleen, niet aldoor hellen naar beneden, doch stijgen, naar boven, àl naar boven.

Zóó vindt men het pad naar de hoogte.

Zóó wordt het: Excelsior.

Niet de staart.

Maar de kop.


Ik heb gezegd.



1. Deze toespraak werd in tweeërlei vorm gegeven: eerst in de Wilhelminakerk, en daarna, sterk verkort, in „de Vereeniging”. Hier volgt ongeveer de lezing van de Wilhelminakerk: de meer uitgebreide dus.

2. Zie: Dr. G.Ch. Aalders, De valsche Profetie in Israël, Wageningen, blz. 98-108.

3. Dr. Aalders, a.w. bl. 107.

4. Dr. Aalders, a.w. bl. 64.

5. a.w. bl. 203.

6. Deut. 28 : 44, 13.




a. Opnieuw gepubliceerd in OWK I,147-162

b. Vgl. Romeinen 15:4.

c. Vgl. 1Koningen 13:11vv.

d. Vgl. Spreuken 29:18.

e. Vgl. Jesaja 22:16, en ‘Wat en Wien? (Biduur voor het gewas)’, De Reformatie 6 (1925v) 24,175v.

f. Vgl. P.A. de Génestet, Leekedichtjens, II: Individualiteit.

g. Vgl. MatteŁs 7:14.

h. Vgl. Spreuken 23:23.

i. Vgl. Psalm 32, vers 5 (berijming 1773).

j. Vgl. 2KorintiŽrs 10:18.

k. Vgl. MatteŁs 19:30, 20:16; Marcus 10:31; Lucas 13:30.

l. Vgl. EzechiŽl 13:10v; 22:28.

m. Vgl. 1Koningen 22.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000