Geloof en Religie (Een schets.)

Almanak van het Studentencorps „Fides Quaerit Intellectum” voor het jaar 1914

Kampen (Zalsman) 1913, 146-177

a



Want gelóóven moet hij, die tot God komt, dat hij bestaat en een belooner zich toont van wie hem zoeken.

Hebr. 116.


God beveelt!

Deze leus, ten vorigen jare opnieuw aangeheven, 1) bevat een onmiskenbare waarheid.

Geloof is gehoorzaamheid. Het is bukken voor een hoogere macht, zich overgeven aan een bovenzinnelijke waarheid, een „aanvaarden” van „dingen”, die de „natuurlijke mensch” niet aanvaardt (1 Cor. 24) en die hij toch mòet aanvaarden. God eischt geloof; en daarom is het gehoorzaamheid. |147|

Maar — dit is slechts de halve waarheid. Want wel „beveelt” God den mensch te gelooven, voor deze tot hem nadert, maar aan de andere zijde eischt de religieuze behoefte van den mensch zelf evenzeer het geloof. Ook van ’s menschen zijde is het geloof een voorwaarde voor waarachtige religie en oprechte uiting daarvan. Het wezen der religie zelf eischt geloof; religie kan zonder geloof niet leven.

Een analogie van het geestelijk leven vindt ge in het natuurlijk leven. De mensch leeft, ook in physischen zin, uit God; zijn leven is mededeeling van goddelijk leven; of ook — de uitdrukking is eenigszins naïef — het is een gave van God. En daarom is het zijn plicht, dat leven te onderhouden met al de middelen, die hem ten dienste staan. Dat is Gods eisch. Maar aan den anderen kant heeft dat leven óók in zichzelf den drang tot zelfbehoud. Het wil zich bestendigen. „Selbsterhaltung” is voor den mensch niet alleen eisch, maar ook behoefte.

En gelijk het nu hier is, zoo is het ook in het leven des geloofs. Gods bevel komt tot den mensch; en wie hem wil dienen, mag niet anders dan gelooven. Maar anderzijds ook wordt de religieuze mensch door innerlijken drang zelf tot gelooven aangespoord; en wie God dienen wil, kan niet anders dan gelooven.

Deze gedachte, dunkt ons, heeft de schrijver van den Hebreeërbrief willen uitdrukken in de woorden, die we hierboven plaatsten. Gelooven moet ge, zoo roept de schrijver zijn lezers toe. Want wat ge niet ziet, maar slechts hopen kunt, daarvan waarborgt het geloof u de realiteit (111). Het geloof gaf „den ouden” |148| getuigenis, geeft zekerheid omtrent de wereldwording, heeft zoo velen uitgedreven tot krachtige heldendaden (112, 3). Abel bracht zijn „meerdere” offerande — uit geloof. Henoch is „weggenomen” — door het geloof, want hij behaagde God, omdat hij geloofde. Maar zonder geloof is het onmogelijk God te behagen (116). Want gelóóven 2) moet hij, die tot God komt, dat Hij bestaat en zich openbaart als een belooner van wie Hem zoeken.

Ook in onzen tijd van twijfelzucht en vaagheid van weten kan dit woord zijn beteekenis hebben. Gelooven moet de mensch voor hij tot God komt. Logisch gaat geloof aan religie vooraf. Geloof zoowel in Gods bestaan als ook in de mogelijkheid voor een levend contact met hem is onmisbaar voor ware religie. Want dit geloof is de eenige waarborg voor

1. de mogelijkheid,

2. de redelijkheid,

3. de waarachtigheid,

4. de verzekerdheid der religie.

*

I. Het geloof, dat God bestaat en beloont, wie hem zoeken, is de eenige voorwaarde voor de mogelijkheid der religie.


In de eerste plaats volgt dit reeds uit den aard der religie zelf.

„Want wie tot God komt.” Komen tot God — dat is religie. Het is de nadering van den mensch, die door zijn verwantschap aan den oneindige uitgedreven |149| wordt tot aanbidding en vereering van den oneindige. Maar tevens spreekt in dat komen van den mensch tot God zich uit de behoefte aan steun, aan vastheid, die de mensch in zich heeft, zoodra hij door de erkentenis van zijn eigen onmacht en zwakheid wordt gebracht tot een zich vastklemmen aan God, in wien de volheid, het pleroma van alle leven is. En zoo openbaart zich de religie allereerst:

als gemeenschap van God en mensch. En hiermee is reeds aanstonds het wezen der religie bepaald en de noodzakelijkheid van het geloof bewezen. Immers die religieuze gemeenschap verbindt den oneindige, onzienlijke, aan den eindigen, zienlijken mensch. Religie wil het onzegbare uitspreken, het onzienlijke aanschouwen. Dit nu is alleen mogelijk door het geloof, en dan dat geloof genomen in den zin van Hebr. 111. Alleen dit geloof toch is het bewijs der onzienlijke „zaken”. En zoo kan ook dat geloof alleen de synthese leggen tusschen object en subject der religie, der gemeenschap. Maar voorts openbaart de religie zich ook

als eerbied, vereering. Evenwel eerbied zonder een bewuste kennis is niet mogelijk. Voor waarachtigen, diep-gevoelden eerbied van den mensch tegenover God wordt in de eerste plaats vereischt: het geloof in Gods bestaan. Want zoodra de mensch gelooft in de realiteit van Gods bestaan, ziet hij zich ook, bij zuivere doorwerking en openbaring van dit bewustzijn althans, geplaatst voor de erkenning van vastheid, orde, absoluutheid, zelfgenoegzaamheid in dat bestaan. En zulk een Godskennis uit zich onmiddellijk in betooning van eerbied. De zwakke, |150| gebondene, onvaste mensch, die zoo dikwijls de macht der innerlijke tegenstrijdigheid in zich voelt, kàn niet anders dan eerbied toonen aan den sterken, vrijen, in zichzelf bestaanden God, die in al zijn doen als een eenheid zich openbaart. En opmerkelijk is het dan ook, dat in de geschiedenis van den zondeval, gelijk we die in Genesis 3 lezen, de verleider begint met dat besef van de eenheid Gods, die geen strijd tusschen diens verborgen en geopenbaarden wil toelaat, te ondermijnen. Men moge dat verhaal naïef vinden, toch kan niemand ontkennen den diepen zin, die in de woorden ligt. Gods bedreiging wordt door den verleider zóó uitgelegd, dat er achter Gods gesproken woord een geheime, bijna listige bedoeling ligt. En de waarheid van Gods verzekering, dat de mensch, indien hij de verboden vrucht eet, sterven zal, wordt door de slang eenvoudig ontkend. En zoo plaatst de satan den mensch voor het eerst voor de vraag of er in God ook een dualisme zijn kon; een tegenstrijdigheid tusschen zijn heimelijken wil en zijn uitgesproken bevel; en als door dien twijfel aan Gods absolute oprechtheid het geloof aan zijn hoogheid, heiligheid, eenheid is ondermijnd, vervalt de mensch tot zonde. En zoo openbaart zich de zonde, dat is: de irreligieusiteit, allereerst als een gebrek aan eerbied voor God. De mensch geloofde nog wel aan Gods bestaan; o zeker; maar aan dat geloof was de kern ontnomen, nl. het geloof aan Zijn eenheid en ongedeeldheid. En daarmee was tegelijk geschokt het geloof, dat God beloont, wie hem zoeken. Kon het ook anders? De mensch had gezocht; althans, den weg bewandeld, dien God hem had gewezen; maar wie waarborgde thans |151| nog, dat die weg werkelijk leidde tot het voorgestelde doel? De eerbied was verdwenen; welnu, dan sloeg ook de mensch een eigen weg in. Het eene is de openbaring van het andere.

En daarom: zal nu die afgebroken gemeenschap hersteld worden, dan moet in de eerste plaats die eerbied weder worden gewekt. Maar die eerbied kàn niet terugkeeren, of de mensch moet weer gelooven, dat God bestaat en dus ook beloont, wie hem zoeken, d.i. zich laat vinden.

Maar religie is ook vertrouwen. ’t Is echter onmogelijk te vertrouwen wien men niet kent. Vertrouwen wil zeker zijn en stelt zich niet tevreden met onderstellingen. Herhaaldelijk noemt Schleiermacher in zijn „Reden über die Religion” dan ook de religie een Anschauen. „Vom Anschauen muss alles ausgehen.” 3)

En juist daarom is religie, is Anschauung niet mogelijk, voor wie niet gelooft, dat God bestaat.

Maar evenmin is dat vertrouwen mogelijk, noch ook kan het zich richten op en vastklemmen aan God, wanneer men dien God zich denkt in hooge ongenaakbaarheid, den mensch gebruikende als zijn speelbal, een God, die niet beloont, wie hem zoeken. Zoodra in de religie het geloof aan een levend contact, een innige gemeenschap met God gemist wordt, gaat heel de godsdienst op in een zoeken en trachten, dat spoedig zichzelf onmogelijk maakt; bij den heiden openbaart dit gemis zich in pandaemonisme of ook in een dooden cultus, die de godheid slechts vereert om haar toorn af te |152| koopen en zoo voor grooter rampzaligheid bewaard te blijven. Krachtig evenwel leeft het godsdienstig besef in het hart van hem, die den angst in zich heeft voelen verdwijnen, die met blijdschap zijn God tegentreedt.

Religie is echter ook zelfovergave. Maar hoe zal ooit een mensch zichzelf ontvallen, indien hij door het geloof aan Gods bestaan niet verder heeft leeren zien dan zichzelf? Eerst dàn toch kent de mensch zichzelf in al zijn ledigheid en ongenoegzaamheid, als hij, zij het dan ook slechts als een „Ahnung”, in zich voelt ontwaken het besef van Gods onmetelijke grootheid, die de eenige wetgevende macht voor doen en laten insluit. Het heidendom is niet verder gekomen dan tot de bekende uitspraak: „Ken u zelf!” Maar daarboven stelt het christendom als eerste voorwaarde: „Ken den Heere!” — want eerst dan kent ge waarlijk u zelf. En eerst die kennis, die zich openbaart in het geloof aan God, maakt uw religie een waarlijk humane religie: een volkomen zelfovergave aan God.

En eindelijk: alleen dan wordt uw godsdienst een gebed, een smeeking om redding en herstel van gemeenschap met God. Door het ongeloof werd ze verbroken; alleen het geloof kan de band zijn, die het zienlijke bindt aan den Onzienlijke.

Maar ook, wanneer we van Gods zijde de zaak bezien, blijkt de onmisbaarheid van dit geloof voor waarachtige religie. Gods wezen eischt Zijn erkenning als God; Gods absoluutheid duldt niets naast |153| zich. En hij neemt dus niemand aan, dan wie Hem gelooft, Hem kent als den zijnde, dengene, die bestaat èn als den ontfermer, dengene, die zich vinden laat voor wie in waarheid naar hem vragen.

Daar is echter meer. Op empirische wijze kàn God niet worden gekend. De eeuwige kan slechts op geestelijke wijze worden aanschouwd. En die geestelijke aanschouwing is juist het geloof. Waar blijft altijd wat Schleiermacher zeide: „Alles Anschauen gehet aus von einem Einfluss des Angeschaueten auf den Anschauenden, von einem ursprünglichen und unabhängigen Handeln des ersteren, welches dann von dem letzteren seiner Natur gemäss aufgenommen, zusammengefasst und begriffen wird.” 4) Welnu, alleen in het geloof kan men de reflex zien van den „Einfluss” Gods op ons. Eerst in het geloof stelt zich de mensch met God in verbinding; en omdat dit laatste niet mogelijk is zoolang God zich niet eerst met den mensch heeft in contact gesteld en hem dus zelf tot religie en haar uitingen geschikt gemaakt, kàn ze niet bestaan zonder geloof. Alleen in het geloof blijkt, dat aan het komen van den mensch tot God een komen van God tot den mensch is voorafgegaan.

En eindelijk: de wortel van alle zonde is ongeloof. Ongeloof is zonde. En daarom zou God met zichzelf in strijd komen, indien hij aannam, wie niet gelooven. Want juist omdat religie zijn wil een herstel van de gemeenschap met God, daar kan slechts hij tot God komen, die door het geloof de kiem van onzondigheid |154| in zich draagt en daardoor de mogelijkheid van volmaking ontvangen heeft.

Niet minder blijkt de onmisbaarheid van dit geloof wanneer we ons plaatsen op het standpunt van den mensch zelf.

Calvijn spreekt van een „sensus divinitatis”, die ondanks de zonde in den mensch is overgebleven. En daarmee spreekt hij uit die machtige gedachte, dat alle menschenkinderen, hoe ook door de zonde gedeformeerd, toch in meerder of minder mate een „Gottesahnung” hebben; daarmee geeft hij principiëel de verklaring van het machtige feit, dat alle eeuwen door de menschheid gezocht, getast heeft naar dien God, dien ze verloren had, het eenige antwoord op de vraag naar het anders geheel en al onbegrijpelijke mysterie van elken godsdienst; de eenige verklaring voor het schijnbaar paradoxale verschijnsel, dat dezelfde dichteres, (Helène Swarth), die al de troosteloosheid van haar hart neerlegde in de woorden:

En ach, of God leeft, weet geen . . .

toch ook kon, mòest uitroepen:

O God, ik kàn niet leven zonder God!

De mensch heeft een sensus divinitatis. Maar: deze brengt hem niet tot God. Hij voert hem eerder, althans in de uitwerking, verder ván dan dichter tòt God. Want wie zich plaatst op het standpunt van het absoluut onkreukbare recht Gods, mòet wel de consequentie |155| aanvaarden van de gereformeerde geloofsbelijdenis, als ze in artikel 14 zegt, dat de mensch heeft „verloren al zijne uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen derzelver, dewelke genoegzaam zijn, om den mensch alle onschuld te benemen.” De uitdrukking moge minder gelukkig zijn, de gedachte blijft waar: juist die „kleine overblijfselen” stellen den mensch schuldig in zooverre ze hem alle onschuld benemen. En daarom moet die „sensus” overgaan in geloof, dat allen twijfel uitsluit, alle vergeten onmogelijk maakt, dat zichzelf nooit kan verloochenen en den mensch tot God voert.

Maar er is meer nog. Zoolang de mensch het bewuste geloof in Gods bestaan met al zijn consequenties en het geloof in Gods ontferming mist, leeft hij buiten God niet alleen, maar gaat hij ook hoe langer hoe verder op den weg, die hem van God afvoert. Hij is als het kind, dat wel leeft en ademt in de lucht, maar dat, omdat het niet weet dat die zuivere atmosfeer een levensbehoefte is, argeloos zich begeeft in verstikkende dampen. Eerst later wanneer het kind weet, dat frissche lucht onmisbaar is, vermijdt het alle doodende gassen. Zoo ook de mensch. Alleen het geloof in den boven omschreven zin doet hem God kennen als God en leert hem inzien, niet alleen de onmisbaarheid, maar ook de mogelijkheid, en als uitvloeisel van beide, de verplichting om alleen in gemeenschap met dien God te willen leven. Maar zonder dat geloof meent hij het leven te zien gloren daar, waar de dood hem wacht.

En eindelijk: God laat ons redelijke wezens. De |156| zonde heeft de menschelijke rede niet verwoest. En nu openbaart God zich wel aan den mensch op verschillende wijze; maar God wil geen openbaring geven, die den mensch als ’t ware onder hypnose brengt en hem in dien zin overweldigt. Een redelijken godsdienst wil Hij. En daarom is zelfs de krachtigste openbaring Gods zonder meer niet genoegzaam, om den mensch tot God te brengen. Er zijn menschen geweest, die de meest imponeerende werking van Gods majesteit hebben aanschouwd zonder ook maar de minste ontvankelijkheid daarvoor te toonen. En jùist daarom is het de zonde en de dwaasheid van het ongeloof, dat in het farizeisme van vroeger en het fatsoenlijk-burgerlijke ongeloof van onzen tijd spreekt, wanneer het zegt: geef ons een teeken en — wij zullen gelooven. Neen — al openbaart God zich nòg zoo krachtig, slechts door het geloof kan men Gods openbaring aanvaarden of liever, den indruk ervan ondergaan.

Van Henoch wordt gezegd, dat hij „wandelde” met God; een bizonder krachtige openbaring dus werd hem geschonken; toch spreekt Hebreeën 11 van zijn geloof. En Abraham wordt geteekend als sprekende met God; dit wijst niet minder op onmiddellijke Godsopenbaring; en toch wordt zijn geloof in den bijbel met nadruk genoemd. Zonder geloof is Gods openbaring zoo al niet dood, dan toch niet levend in dien zin, dat ze ons het leven schenkt. En daarom: ook voor het leven der religie is geloof een eerste vereischte. Eerst daardoor wordt ons komen tot God waarlijk een dienen van God: gemeenschap, eerbied, vertrouwen, zelfovergave, gebed.

|157| En zoo blijkt reeds hier de valschheid in de voorstellingen niet alleen van het atheisme, dat Gods bestaan zelfs ontkent, maar evenzeer van het pantheisme, naturalisme, fatalisme, deisme. Ook het laatste kent geen ware religie, omdat het geen waren God als God proclameert. Reeds Goethe heeft gezegd:

Was wär’ ein Gott, der nur von aussen stiesse,
Im Kreis das All am Finger laufen liesse?
Ihm ziemt ’s, die Welt im Innern zu bewegen,
Natur in sich, sich in Natur zu hegen,
So dass, was in ihm lebt und webt und ist,
Nie seine Kraft, nie seinen Geist vermisst. 5)

Ware religie kent alleen het geloof, dat God belijdt als dengene, die bestaat, uit en in zichzelf en die zich openbaren wil als den belooner van wie hem zoeken. En ook eerst dàt geloof leert in waarheid bidden tot dien God. Want in het gebed culmineert zich de gemeenschap met den levenden Vader, die wel boven, maar toch niet buiten de schepping bestaat. En bovendien eerst dát geloof bewijst de redelijkheid der religie.

*

II. Dat ook voor de redelijkheid der religie dit tweeledig geloof een onmisbare voorwaarde is, blijkt weer in de eerste plaats uit den aard der religie zelf.

De mensch toch, die tot God komt met zijn vereering en aanbidding, spreekt daarin zijn afhankelijkheid uit. Bekend is Schleiermachers uitspraak, dat het religieuze „Grundgefühl” is: dat „der slechthinnigen |158| Abhängigkeit.” 6) Maar wie nu Gods bestaan niet in al zijn consequenties gelooft, moet zichzelf den heer der schepping gevoelen en heeft voor zijn bewustzijn de norm van goed en kwaad in zichzelf. Hij is autonoom. En zoo is zijn religie in strijd met zijn geloof aan eigen hoogheid; ze is onredelijk en wordt eerst redelijk, wanneer hij zichzelf ontvalt en Gods opperhoogheid erkent. En voorzoover anderzijds de religieuze mensch in zijn komen tot God zijn vertrouwen uitspreekt, moet hij evenzeer beginnen met te gelooven, dat God zijn zoeken beloonen wil, en zich door hem laat vinden; anders wordt zijn Godsvereering en Godsaanbidding een absurditeit, die in de negatie van Gods verhoorende liefde haar eigen negatie vindt.

Maar bovendien: elke godsdienst zoekt troost. De heidelbergsche catechismus begint zelfs met de vraag naar ’s menschen eenigen troost in leven en in sterven en maakt naast de kennis van verlossing en dankbaarheid zelfs de kennis der ellende tot een voorwaarde „om in dezen troost zalig te leven en te sterven”. De klagende mensch, die zuchtende zijn last heeft te dragen en die zonder God erkent, „dat het leven het leven niet waard is”, troost zich in zijn aanbidding van den Oneindige, den Vader, den Alwetende, den Algoede. Maar dan moet hij voor dien troost ook de zekerheid hebben, dat God hooren kan, m.a.w., dat hij bestaat, en hooren wil, m.a.w., dat hij beloont, wie hem zoeken. Zonder die zekerheid zou zijn religie hem een droombeeld voorspiegelen, welks onredelijkheid zich telkens weer aan hem opdringen zou en zijn troost hem ontnemen. |159|

En eindelijk, elke uiting van godsvereering, elke cultische handeling zelfs van den laagsten vorm van godsdienstig gevoel gaat in haar eerste spontaneïteit onbewust uit van de onderstelling van een levenden, bestaanden en hoorenden, („beloonenden”) God. Het offer van den heiden, het gebed van den muzelman, elke poging om zich met God in verbinding te stellen, vraagt niet in de eerste plaats of het ook mogelijk zou zijn, dat God niet bestond of misschien ongenaakbaar ware. Het religieuze subject gaat daarvan uit, als van een axioma, want het godsbesef is den mensch ingeschapen. Maar wat nu onbewust in den mensch leeft en in de uitingen van het godsdienstig gevoel zich manifesteert, mòet ook bij verdere ontwikkeling tot het bewustzijn doordringen. Slechts zulk een religie kan redelijk zijn die bewust aanvaardt datgene, waarvan ze onbewust uitging. En ook hier blijkt het weer, dat alleen het positieve geloof zulk een godsvrucht schenken kan.

Maar ook van Gods zijde bezien, kan eerst dit geloof uw religie redelijk doen zijn. Want God heeft zich aan u geopenbaard; van hem zelf ging eerst een „Einfluss” uit op u. En nu heeft alles, wat God doet, dus ook die zelfopenbaring, een doel en haar uitwerking vond ze hier in uw bewuste of onbewuste godsvereering. Ook de aanschouwing van de natuur bracht u tot „Gottesahnung”, ongeveer zooals Wordsworth het uitdrukt in deze regelen: |160|

„I have learned
To look on nature, not as in the hour
Of thoughtless youth; but hearing oftentimes
The still, sad music of humanity,
Nor harsh nor grating, though of ample power
To chasten and subdue. And I have felt
A presence that disturbs me with the joy
Of elevated thoughts; a sense sublime
Of something far more deeply interfused
Whose dwelling is the light of setting suns,
And the round ocean and the living air,
And the blue sky, and in the mind of man:
A motion and a spirit, that impels
All thingking things, all object of all thought,
And rolls through all things.” 7) |161|

En wanneer ge nu, niet als een „ideale pantheïst”, zooals Hugenholtz den dichter Wordsworth noemt, 8) maar in het theistisch geloof die openbaring niet alleen op u laat inwerken, maar ook ze voor uw bewustzijn aanvaardt en met blij vertrouwen ze uitspreekt; en wanneer ge dan die openbaring zelf, als komende van God, maakt tot den grond van uw bewust religie-leven, welnu, dan is ook voor uw eigen besef uw religie niet in strijd met de rede, maar juist in den diepsten zin van het woord redelijk. 9) Want dan is uw godsdienst anders niet, dan een tot God terugkeeren met dat, wat hij zelf u schonk. Dan leeft ge in het blijde gevoel, dat ge niet uw eigen weg, maar Gods weg loopt. Ge hebt het dan gevoeld, wat Guido Gezelle zóó uitdrukt:

Gij gebiedt ons en wij moeten
Met gebeden voor Uw voeten
Komen, zegt gij, iedren stond,
Dat gij ons het leven jont. |162|

En daarom: wanneer ge dan „met gebeden voor Gods voeten komt,” dan weet ge, dat God in u zijn kind ziet naderen, dat hij zelf heeft doen naderen. Niets is redelijker, dan dat de mensch den weg inslaat, dien God zelf hem wijst. Want redelijk moet de Vader het vinden, dat het kind zich tot hem wendt. |163|

Maar ook van ’s menschen zijde geldt dit.

Want om u heen ziet ge niets dan een wereld, die leeft en toch den dood in zich draagt. Zij kan uw meesteres, uw god niet zijn. Want de gansche wereld „ligt in het booze.” Hoe meer ge het leven ziet, hoe meer ’s levens gang u wordt een tocht „in der Wüste dieser Welt” — „per huius saeculi adversa” (Bruno). 10) En in u zelf vindt ge evenmin uw meester. Wie ook maar iets gevoeld heeft van de wet der tegenstrijdigheid, de wet der zonde en des doods, waaraan de mensch is onderworpen, moet wel aan zichzelf gaan vertwijfelen, zoolang hij niet zijn leven verborgen weet in God (Col. 33). Daarom blijft altijd weer de religieuze behoefte spreken; immers:

Il faut, que l’ homme croie à quelque chose; il faut,
Qu’ à côté de la chair, qui le gouverne trop,
Le mystère lui parle et l’ exhorte . . . .,

zoo zei Victor Hugo. En zóó sterk klemt dit, dat zelfs Alfred de Musset bekennen moest:

Malgré nous vers le ciel il faut lever les yeux!

of ook:

Malgré moi l’infini me tourmente . . . . .

Want in uw eigen geweten spreekt de stem Gods, die u niet met rust laat. Ge hebt de religie in u. In u spreekt de stem, die u den waren Meester |164| aanwijst, Hem, wien èn de wereld, èn gij zelf, voorzoover n.l. voor uw bewustzijn gij afzonderlijk van de wereld bestaat, het leven dankt. En nu komt ge tot dien Meester, uitgedreven tot hem door uw eigen inwendige godsspraak, zij het dan ook, dat ze door Gods Geest tot hooger werking en duidelijker „Selbstbejahung” is opgevoerd. Maar onredelijk zijt ge daarbij, wanneer ge niet die gewetensstem laat uitspreken en dat eerst vage godsbesef tot bewuste Godskennis komen laat. Gelooven moet ge dat God bestaat en beloont wie hem zoeken; dit staat met nadruk in den oorspronkelijken tekst van Hebr. 116 voorop. Ongodsdienstigheid is onredelijk, maar evenzeer „godsdienst” zonder geloof.

Zonder geloof toch is religie onverklaarbaar; ze blijft een onbegrepen wonder, een levende contradictie. Het „Parce, Domine!” is de telkens wederkeerende bede van het zuchtende schepsel; het is zooals André Theuriet het noemt:

ce grand cri, que l’ Église

Jette en pleurant vers Dieu dans les heures de crise.

Maar zonder het geloof aan een God, die bestaat niet alleen voor zichzelf, maar ook voor menschenkinderen, m.a.w. die dus beloonen wil, die hem zoeken, blijft dit telkens terugkeerende „parce, Domine!” een ijdel geroep zonder zin, een dwaasheid. Maar de hoogste redelijkheid is het, wanneer aan dien uitroep het vaste geloof ten grondslag ligt, dat die God bestaat, en niet maar een belooner is van wie hem zoeken (zonder dat wij dat weten kunnen) |165| maar als zoodanig zich ook openbaart ((\<gJ"4), reeds thans. Niet een God, die zich lang, lang verborgen houdt, om eindelijk in de verre toekomst, waarvan ten slotte allen droomen, eerst zich te openbaren en het zoekende kind duidelijk te maken, dat het tòch nog den weg heeft gevonden, maar een Vader, die reeds thans, aan deze zijde van het graf zich gevoelen doet als een belooner, van wie Hem zoeken. Wat kan er ter wereld voor ons besef redelijker zijn, dan een God te aanbidden, die reeds thans zich vinden laat? Waarlijk: „de weg tot God onzen Vader” voert niet langs kronkelpaden met onzekere uitkomst; reeds hier wijst hij op de lichtende toekomst!

En zoo blijkt uit dit alles ook de dwaasheid van het heidendom, dat meende, door offerande en geschenk God „naar beneden te doen komen.” Neen, de redelijke godsdienst van den christen kent geen offerande, die op magische wijze tot God doet naderen. Want zijn religie gaat altijd uit van deze gedachte, dat God zich openbaarde aan den mensch, vóór de mensch tot positieve, welbewuste aanbidding van God werd gebracht. Zijn godsdienst ontleent ook voor zijn geloof zijn bestaan alleen aan God zelf. God daalt af tot den mensch, en de mensch klimt niet eerst op tot God. En die gedachte is het, die aan de eene zijde den geloovigen mensch alle gevoel van eigenwaarde beneemt, en die toch anderzijds hem de vaste overtuiging schenkt, dat hij hooger staat dan de gansche wereld, dat Gods Geest met den zijne getuigt, dat hij kind Gods is. In hem leeft de schuchtere |166| deemoed en de nederige ootmoed; maar tegelijk ook weet hij te staan in de heerlijke vrijheid der kinderen Gods: de „ootmoedigheid” juist brengt hèm tot blijmoedigheid. Hij bidt om genade; maar pleit tevens op zijn recht; want zijn omgang met God is een blijvend goed, dat wortelt in God zelf en dat geen macht ter wereld hem kan ontrooven. Zijn eigen onwaardigheid belijdt hij meer dan iemand ter wereld; en tegelijk weet hij, dat niets hem scheiden kan van de liefde Gods, welke ligt in Christus Jezus. En zoo moge de buitenstaander zijn godsdienst onredelijk vinden, en telkens wijzen op de paradoxale uitingen van zijn blij-verzekerd geloof, dat in zijn vragen reeds het antwoord verneemt, in zijn worstelen reeds de overwinning behaalt en in zijn kloppen reeds de deur zich ziet geopend: — voor hem is zijn waarachtig christelijke religie zoo redelijk als de rede zelf, want wat in God eindigt en eindigen wil, zièt hij jùist als datgene, wat ook in God zelf begonnen is. En juist omdat zijn religie niet alleen eindigt in, maar ook begon in God, is ze voor hem de meest waarachtige religie.

*

III. Dat het geloof in God als dengene die bestaat en beloont, wie hem zoeken, ook de eenige waarborg is voor de waarachtigheid van de religie, blijkt allereerst uit haar aard zelf.

„Komen tot God” is niet hetzelfde als God zoeken. Komen toch veronderstelt vastheid van gang, zekerheid van uitkomst. Er kunnen twee wandelaars zijn |167| op denzelfden weg. De een heeft een doel en weet, dat zijn weg hem het doel naderbij brengt. Maar de ander weet het niet en trekt al maar rond, zonder het einde te weten. Hij wil evengoed teruggaan. Ook al gaat hij in dezelfde richting als de eerste, hij gaat niet op het doel af. Zoo ook is het met de religie. Wie niet het geloof in den zin van Hebr. 116 bezit, moge al de uitwendige vormen der religie in acht nemen, hij gaat niet tot God, maar dwaalt slechts rond, tastende, zoekende. Zijn religie is spel van verbeelding, is schijn zonder wezen, is niet waarachtig. Religie moet komen zijn.

Maar bovendien: godsdienst is leven en alleen het geloof kan de kracht zijn die het draagt. De religieuze mensch zegt: Nevens u lust mij niets op aarde of in den hemel. Denk u even de kracht van dit woord in; en ge weet, dat het een leugen is in den mond van ieder, die dit geloof niet bezit. Alleen het geloof in Gods bestaan en openbarende liefde kan welbewust juichen dat het in God het eindpunt en tevens het rustpunt vindt voor zijn denken, hopen, doen en willen. Godsdienst is de drang der eeuwigheid; maar wie niet door het geloof de verwantschap aan en de gemeenschap met den Eeuwige kent, heeft van het eeuwige geen vermoeden; hij blijft een kind van den tijd en zijn religie is meer niet, dan een egoistisch, wijl egocentrisch, steun zoeken tegen de moeiten van dit leven. Waarachtige religie daarentegen strekt in de eerste plaats zich uit naar de eeuwigheid. „Immer will die Religion noch mehr sein als das empirisch Gegebene: sie greift stets über die irdische Erfahrung hinaus; sie ist ein Verhältnis zu höheren |168| Mächten, zu dem innersten Wesen und Grunde aller Wirklichkeit, ein Leben mit Gott und in Gott, — ein metaphysisches Leben.” 11)

En juist daarom, wijl de godsdienst haakt naar het bovenzinnelijke, naar het eeuwige, dwingt hij den mensch aan het relatieve alle absolute waarde te ontzeggen. Hij laat geen dualisme in hem toe. Religie wil den ganschen mensch, met lichaam en ziel regeeren; zijn lichaam moet aan den geest onderworpen zijn, om al meer het tijdelijk los te laten. En zijn ziel haakt eveneens naar de eeuwigheid. Alleen de religieuze mensch voelt de diepte van de woorden:

Want nooit kan Psyche ’t lichtend heil vergeten
vanwaar zij kwam, en schoon wel lang en zwaar
haar zwerftocht door het droeve leven is,
tòch weet zij tijd’lijk pijn en droefenis.
Eéns stijgt z’uit duisternis tot glorie klaar
van onvergank’lijk schoon en opperst weten.

Om dit alles nu is elke vorm van religie zonder geloof leugen. Want wie God niet gelooft, kàn niet van zichzelf, de wereld, den tijd zich losmaken; hij blijft in alles kind van de stof. Alleen in het geloof wordt er een band gelegd tusschen hemel en aarde, God en mensch. En ook alleen dat geloof kan, wijl het God aanschouwt, beide het goddelijke en het menschelijke, het onzienlijke en het zienlijke op rechte wijze te verstaan geven.

Een klein kind b.v. dat geen oog heeft voor de |169| glans en de waarde van de parel, kan wel op haar bezit zich beroemen, maar als het dit doet, is het anders niet dan naspreken van anderer woorden. Wie niet de waarde van de parel kent, zou inwendig blij zijn, indien hij voor een kleinigheid haar verkoopen kon. Zoo ook in de religie. Alleen hij kent de waarachtige schoonheid van het godsdienstig leven, die door het geloof in Gods bestaan den ganschen kosmos aan hem gebonden ziet en de gansche wereld kent als een uitbeelding van de eeuwige gedachten Gods; en die daarenboven door het geloof aan Gods „beloonende” liefde tegenover wie hem zoeken de zalige mogelijkheid leert kennen van een eeuwige gemeenschap met den levenden God. Eerst voor hem is de religie waarachtig; alleen hij kan zijn lied zingen in de tijden van ’s levens opgang. Slechts voor hem is hopen hetzelfde als verwachten.

Ook van Gods zijde gezien kan religie alleen waarachtig zijn, indien ze steunt op geloof.

Want in de eerste plaats is God geen stoffelijke verschijning, die aan één plaats is gebonden. God wordt overal aanschouwd of nergens. Een toren kunt ge zoeken en misschien ook wel vinden, zonder dat ge vooraf hebt geweten waar hij was. God kunt ge echter nooit zoo vinden. Slechts het geloof in zijn beide grondvormen opent uw oog voor Hem. Die algemeene stelling nu leidt in dit verband tot de conclusie: hebt ge nu dat geloof niet, dan aanschouwt ge de werkingen van den oppermachtigen |170| God, zonder dat ze naar hem u heenwijzen. En uw Godsvereering is dan niet waarachtig, wijl ze een schijngod aanbidt, zonder dat ze God zelf kent en aangrijpt. Maar nu de keerzijde: bezit gij het geloof in Gods bestaan en openbaring wèl, dan aanschouwt ge God, dan zijt ge tot hem gekomen en de gemeenschapsband tusschen hem en u is gelegd. „Qui cum Deo ambulat, Deum esse agnoscit” (Bengel).

Maar bovenal: Gods majesteit eischt voor uw religie dit geloof. God is zóó oneindig verheven, zóó onuitsprekelijk groot, dat het een beleediging en een miskenning van Zijn oppermajesteit is, als ge zegt: eerst als ik God gevonden heb, zal ik Hem gelooven en vereeren; wanneer ge dus m.a.w., om de woorden der Schrift te bezigen, een „teeken” vraagt, om eerst dan u tot „geloof” bereid te verklaren. Een religie nu, die niet alleen begint met een beleediging, maar die, omdat ze juist wil blijven zoeken, haar beleediging van Gods majesteit blijft volhouden, kàn voor God niet waarachtig zijn. Thomas wilde eerst zien, dàn gelooven; maar Jezus stelt daartegenover: Zalig, wie niet zal gezien en toch zal geloofd hebben. Religie moet Anschauung zijn, niet een poging daartoe. Eerst waar de „visio Dei” begint, eerst dáár neemt de religie haar oorsprong. Want ieder, die meent het vraagstuk van Gods bestaan en wezen zelf te kunnen oplossen of te mogen beantwoorden, stelt zich daarmee boven God; maar juist wie zich aan hem onderwerpt, kan hem dienen.

En eindelijk: God doorziet u geheel. Hij beloont niet den mensch die ook van andere zijde zijn heil |171| zou willen ontvangen. Hij wil erkend zijn als de eenige bron van alle goed. Die erkenning nu schenkt en schraagt alleen het geloof. En daarom: zonder geloof is religie niet alleen zuiver egoïsme, zonder meer, maar ook onwaarheid, leugen.

Niet minder blijkt dit van de zijde des menschen zelf. Wij kunnen nu eenmaal niet leven, niet handelen op grond van vage onderstellingen. Het menschelijk hart vraagt niet minder dan ’s menschen hoofd naar zekerheid. Maar in dezen ontvangt ze de zekerheid alleen door het geloof. En zonder dat geloof is uw religie een grijpen in de lucht. Dat, wat betreft de religie als gebed, als smeeking.

En wat voorts den godsdienst als vereering, als aanbidding, betreft: ook hier vertoont ieder, die God eert zonder vast en onwankelbaar geloof in het wezen der zaak het beeld van de Atheners, die een altaar oprichtten „voor den onbekenden God”. Dat altaar was en bleef een bespotting van zichzelf, omdat het niet sprak van het geloof aan het bestaan van dien God als den absolute. Het berustte op een conjectuur.

En aan de andere zijde is ieder, die God den wierook zijner vereering toebrengt, zonder het vaste geloof, dat hij den zoekende uit genade wil beloonen, gelijk aan den schatplichtige, die zijn cijns brengt aan den overwinnaar, maar dit alleen doet omdat hij moet. Zijn godsdienst is gedwongen en dus leugenachtig, onwaarachtig.

|172| En zoo toont zich hier de valschheid in de voorstelling van hem, die eens zeide: Ik heb het heelal doorzocht en nergens God gevonden; ergo: God is er niet. Met dergelijke argumentatie is de zaak niet opgelost. Soortgelijke bewering is een uiting van de hoogste dwaasheid, den meest eigendunkelijken hoogmoed, de meest kwetsende godsonteering en de pijnlijkste zelfkwelling. Begin met te gelooven, dat God bestaat; dàn ziet ge hem ook.

*

IV. Door het geloof brengt eindelijk de religie haar eigen verzekerdheid met zich. Dit volgt allereerst uit haar aard zelf.

Religie toch is vreugde, maar ze is geboren uit de smart. Religie is blijde verzekerdheid, maar ze is ontstaan op den wankelen bodem van de droefste onzekerheid. Dat nu die twee in haar verzoend zijn, dat ze zelfs nog in haar vreugde de oorzaak van haar smart, n.l. de onwaardigheid van het religieuze subject blijft erkennen, ja sterker dan iets ter wereld vasthoudt en belijdt, kan ze zelf niet tot stand hebben gebracht; want smart, die zichzelf uitweent, wordt àl grooter, àl grooter. Zal verdriet veranderen in vreugde, de zekerheid den twijfel verdringen, dan moet daar een geloof aanwezig zijn en wel een geloof in een macht, die sterker is dan de oorzaak van de droefheid, die de smart overwint; geloof in een sterkere, die in de pijnlijke antithese de verzoenende synthese kan leggen; geloof ook in een macht, die absoluut vertrouwen afdwingt. En |173| welk geloof is in staat, de tranen over eigen zondeschuld te drogen en het „ignoramus et ignorabimus” te vervangen door het blijde: „wij weten!”, dat vooral Johannes telkens op de lippen neemt, indien het niet is het geloof dat God bestaat en beloont wie hem zoeken? En niet alleen het eerste, maar ook het laatste moet ge kunnen gelooven en belijden. Want te gelooven dat God bestaat, kàn u bij gelijktijdige erkenning van uw zondigen aard nog verschrikken; maar toch laat het u reeds niet neutraal, want ge mòet u wel tot God richten, al is het misschien met den angst van den vogel, die de kat gereed ziet tot den sprong en die toch niet weg kàn vliegen. Voorbeelden zijn er. Maar alle angst verdwijnt, zoodra ge naast het geloof aan Gods bestaan, ook leert gelooven, dat hij beloont, wie hem zoeken. Dàn gaat ge zelf met den zang der liefde hem tegemoet. Uw religie is dan een verzekerde religie; uw hopen wordt nu verwachten.

En eindelijk: religie is rust, vrede. Maar elke twijfel maakt onrustig, roept een strijd in den mensch wakkeer. Zonder de „zekerheid des geloofs” zou dus de „verzekerdheid der religie” onbestaanbaar zijn. Alleen wie gelooft, kan zeker zijn. De Genestet „zong”:

Tusschen weemoed, strijd en hope

Vliedt het leven snel voorbij.

Waakzaam, werkzaam wachten wij

Tot het raadsel zich ontknoope,

Wat dit korte leven zij.

De Genestet wachtte, en velen wachten met hem, |174| maar het is slechts een wachten op de ontknooping van een raadsel. En wat het antwoord zijn zal, wie weet het?

Maar daartegenover stelt het geloovig hart een ander wachten, maar dan een wachten, dat de uitkomst reeds kent. Het verwacht de openbaring van de kinderen Gods; geen fantasmagorie; het verwacht de wederkomst van Christus, en als het aan dien grooten dag denkt, dan roept het uit:

Nog is die dag verborgen . . .

Wacht hem geloovig af,

Terwijl de groote morgen,

Reeds schemert boven ’t graf.

Wachten en — gelooven! Dat is het „geheim” van de christelijke mystiek in de christelijke religie van het christelijk geloof.

Maar ook van Gods zijde gezien, kan uw religie alleen verzekerd zijn door het geloof.

God immers schenkt nooit zekerheid van de realiteit zijner beloften of hij eischt eerst geloof. Dat postuleert zijn wezen en absolute heiligheid, want waarheid is hij en wie God niet gelooft, maar hem tot leugenaar en maakt dus reeds door ongeloof, (te onderscheiden van kleingeloof), het beloofde zich onwaardig, nog voor hij het ontvangen kon.

En voorts: de weldaden der religieuze gemeenschap tusschen God en mensch zijn louter vrucht van genade. Maar nu zijn wij menschen, die van |175| genade geen begrip hebben, zoolang we de heelende kracht van haar streelende macht niet gevoeld hebben; en ook dàn nog is ze ons een mysterie. De ongeloovige mensch vindt, als hij consequent is, de genade een dwaasheid. Niemand heeft dat in meer krassen vorm gezegd dan Nietzsche die ronduit verklaarde, dat elke onderstelling reeds van medelijden in God (dus nog meer die van genade) God naar beneden haalde. Een medelijdende God bestond volgens hem niet. En geen wonder. Want voor ons egocentrisch denken, voor ons wraakzuchtig hart is de genade Gods zoo ondoorgrondelijk, zoo bovenmenschelijk, dat we van haar gaven niet verzekerd kunnen zijn, noch ook vertrouwen, dat zóó heilig God tegenover zóó groote zonde van zóó nietig schepsel zóó groote liefde wil toonen, zonder dat vaste geloof, dat ten slotte maar niet meer vraagt, maar alleen weten wil. Laat uw geloof los en — uw hoop en uw liefde zijn weg!

En niet minder blijkt de onmisbaarheid van dit geloof als voorwaarde voor de blijde verzekerdheid van ’s menschen zijde. Want wie weet, God met ernst te zoeken, moge al dikwijls in nevelen staren, hij gelooft, dat God bestaat en zich toonen wil aan wie Hem zoeken; en zoo vertoont zich voor zijn oog de toekomst van de blijde verzekerdheid, die eens de nevelen zal doen opklaren, en de raadselen doen verdwijnen. En juist waar alleen dit geloof hem doet belijden, dat niet zijn werk, niet zijn liefde, ook niet zijn geloof, maar de genade Gods slechts de grond |176| is voor alles, wat hem is geschonken, daar wordt de zekerheid opgevoerd tot haar hoogsten trap, want wat uit God zelf zijn oorsprong neemt, kan nooit verdwijnen. De mensch moge wisselvallig zijn, zijn liefde moge verflauwen, zijn „geloof” in kleingeloof dreigen onder te gaan, God is niet veranderlijk; Zijn liefde blijft, en daarom ook de onze!

Eerst wanneer we zóó tot God gaan, leven we in het blijde besef, dat we hem aangenaam kunnen zijn, omdat de liefde Gods is uitgestort in onze harten. Indien we waarlijk verzekerd willen zijn, laat dan ons geloof ons beheerschen. Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen.

En de wereld van onzen tijd, die alleen gelooft aan zichzelf òf . . . . aan haar ongeloof zouden we willen vragen: durft gij voor uw geloof den dood in te gaan? Duizenden hebben voor dit geloof het wel gedurfd en zijn gestorven als getuigen dier religie, die alleen het tijdelijke kan ondergeschikt maken aan het eeuwige. Of ook: geeft uw geloof, o vertragende wereld, u de kracht om te arbeiden, te strijden, omdat ge een motief bezit in uw „religie”; of: geeft uw geloof, o onrustige wereld, u de kracht om rustig te zijn en stil, omdat ge een quietief bezit in uw „religie”? Wij, waarachtige christgeloovigen, kunnen arbeiden, strijden en toch rustig zijn; want ons geloof toont ons den Eeuwige en daarom de eeuwigheid; en die eeuwigheid is, wijl ze ons dienaren Gods maakt en ons hopen doet op de „kroon der rechtvaardigheid”, ons motief (kracht) en quietief (rust) tegelijk. „Rustige |177| kracht”; — dat is òns parool, ònze praktijk. En wie zóó gelooft en zóó belijdt, ontvangt dezelfde verzekerdheid als de duizenden martelaren, wier dood en luid getuigenis was van deze waarheden:

God beveelt! Wij mogen niet anders!

Ons eigen hart dringt ons! Wij willen niet anders!

Of, wat hetzelfde is: Rustige kracht . . . . . tot in den dood!


Mohr.




1. Dr. J.H. Gunning, J.Hz. God beveelt. ’s Gravenhage, D.A. Daamen, 1912.

2. A4FJgLF"4 met nadruk vooropgesteld.

3. Ueber die Religion, 1906, S. 35.

4. Ueber die Religion, 1906, S. 35.

5. Gott und Welt, Prooemion.

6. Vgl. Windelband, Präludiën 3, S. 368.

7. Deze regelen worden in het werk van P.H. Hugenholtz Jr., „Ethisch Pantheïsme” aldus vertaald:

„Ik heb,
Geleerd om de natuur te zien, niet als
In de onbezorgde jeugd, maar luistrend vaak
Naar ’t zacht en zuchtend lied der menschheid, dat
Ons verootmoedigt, en een wondre kracht
Tot loutring heeft. En ’k heb een macht gevoeld,
Een invloed om mij heen, die met de vreugd
Van heil’ge en hooge ideeën mij ontroert,
Een diep instinct, van iets, dat al wat is
Doordringt en saam verbindt, dat woont en leeft
In ’t purp’ren licht van de ondergaande zon,
In d’ oceaan, die deint aan ’t ver verschiet,
In ’t hemelblauw en in der menschen ziel!
Een invloed en een geest, die al wat denkt
En wat gedachte werkt, beweegt, bezielt
En stroomt door alles.”

8. Ethisch Pantheïsme, bl. 143.

9. En ook alleen dan is ze redelijk. Ge kunt de natuur alleen verstaan, wanneer ge ze beziet in Gods licht. Van God tot de natuur; niet van de natuur tot God; zóó zij (voor uw bewust geloof) de volgorde. Het ongeloof wil anders. Denk b.v. aan Haeckel. In zijn „Welträtsel” (Kröners Volksausgabe S. 141), verwerpt hij eerst elk geloof aan openbaring (die dus van God tot de natuur teruggaat). „Die Offenbarungen . . . . . sind Dichtungen der menschlichen Phantasie.” En daarom wil hij een àndere methode, een àndere „openbaring”. Van de natuur, van het empirische, tot de ware triniteit, n.l. „die Trinität des Wahren, Guten und Schönen;” — zoo wil Haeckel. „Die wahre Offenbarung, d.h. die wahre Quelle vernünftiger Erkenntnis, ist nur in den Natur zu finden, . . . . ist . . . . allein den Erfahrungen entsprungen.” Maar Haeckel oordeelt zichzelf. Want eenerzijds moet het |162| verstand volgens hem den mensch hier den weg wijzen (hij spreekt van „die Erfahrungen, welche der forschende Verstand durch Naturerkenntnis gewonnen hat,” en zegt, dat „jeder vernünftige Mensch mit normalem Gehirn bei unbefangener Betrachtung aus der Natur diese wahre Offenbarung schöpft,” (S. 141) en anderzijds zegt hij (S. 157): „die staunende Bewunderung, mit der wir den gestirnten Himmel und das mikroskopische Leben in einem Wasser tropfen betrachten, die Ehrfurcht, mit der wir das wunderbare Wirken der Energie in den bewegten Materie untersuchen, die Andacht, mit welcher wir die Geltung des allumfassenden Substanzgesetzes im Universum verehren, — sie alle sind Bestandteile unseres Gemutslebens, die unter den Begriff der „natürlichen Religion” fallen.” En dat is dezelfde Haeckel die (S. 14) zegt: „Durch die Vernunft allein können wir zur wahren Naturerkenntnis . . . gelangen . . . . Das Gemüt hat mit der Erkenntnis der Wahrheit gar nichts zu tun (!) . . . . . Dasselbe gilt aber auch von der sogenannten „Offenbarung.”

En nu is het waar, dat H. onderscheid maakt tusschen Naturerkenntnis en Naturgenuss, waarvan dan misschien de eerste den „Vernunft”, de tweede „dem Gemüt” zou toebehooren, maar daarmee ontkomt hij niet aan de contradictie. Want zelf wijst hij erop, „wie eng der veredelte Naturgenuss mit der wissenschaftlichen Ergründung der Weltgesetze verknüpft ist.” Het eene is niet te scheiden van het andere: „Genuss” en „Erkenntnis” zijn één.

Die onwillekeurige contradictie toont de onredelijkheid van elke „natuurlijke religie.” Eenerzijds vrucht van het actieve verstand, anderzijds in haar uitingen bestanddeel van het passieve gevoel, maakt ze zichzelf onmogelijk. Redelijk is alleen de openbaringsreligie, die van boven naar beneden wil, en die niet beheerscht wordt door verstand of gevoel, maar juist integendeel èn op verstand èn op gevoel haar eigen cachet drukt.

10. R. Munz O.S.B., Die Allegorie des Hohen Liedes.

11. Windelband, Präludien3 S. 357.




a. Opnieuw gepubliceerd in OWK III,5-22, en in J.J.C. Dee (uitgave), Eenzaamheid en gemeenschap. Proza en poëzie van K. Schilder uit zijn studentenjaren, Haarlem (Vijlbrief) 1990, 101-118.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000